Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
- de uitlevering van de gegevens als volgt zal plaatsvinden:
hashingen
signing. Deze methoden maken bewijsbaar dat data volledig en origineel is en niet is gemanipuleerd. Een nadeel in deze specifieke context is dat iedere wijziging aan die data, ook ter uitvoering van de in het eerste lid voorgeschreven vernietiging, dit bewijs grotendeels teniet doet.
Artikel 4Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 126aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het gaat om de vernietiging van processen-verbaal en andere voorwerpen die mededelingen behelzen ten aanzien waarvan de geheimhouder zijn verschoningsrecht kan inroepen. Anders dan artikel 126cc van het Wetboek van Strafvordering, ziet artikel 126aa, tweede lid, niet alleen op gegevens of mededelingen die zijn vastgelegd met een technisch hulpmiddel, maar op alle mededelingen die zijn verkregen door de uitvoering van een van de bevoegdheden uit titel IVa tot en met titel Va.
geenbevel tot vernietiging als bedoeld in art. 126aa lid 2 Sv is gegeven, maar waarin wel (digitale) gegevens (tijdelijk) zijn uitgegrijsd (of anderszins ontoegankelijk zijn gemaakt), kan het ontgrijzen daarvan slechts plaatsvinden in opdracht van de geheimhouder-officier van justitie. Is een dergelijke opdracht aan de orde dan kan de projectleider onder verwijzing naar die opdracht een aanvraag voor het ontgrijzen (kenbaar maken) van bepaalde gegevens per mail indienen bij de Directeur Opsporing.”
de factoontoegankelijkmaking mag gelden als functioneel equivalent voor vernietiging en dus als “vernietiging” in de zin van art. 126aa Sv, deze ontoegankelijkmaking dan wel moet geschieden op een zodanige wijze dat aan de ratio van het verschoningsrecht – inhoudende dat iedereen zich vrij moet voelen om zich tot een advocaat te wenden, zie hiervoor – geen afbreuk wordt gedaan. Daarmee is gezegd dat de rechtmatigheid van dit “functioneel equivalent” in sterke mate afhankelijk is van de werkwijze die in de praktijk wordt gevolgd. Deze werkwijze moet er in elk geval in voorzien, zo lijkt me, dat personen die bij het opsporingsonderzoek zijn betrokken op geen enkele wijze, ook niet abusievelijk, toegang kunnen krijgen tot de “uitgegrijsde” gegevens. Als zulks niet het geval is en de ontoegankelijkmaking in de praktijk geen waterdicht systeem blijkt, tast dit uiteindelijk het onderliggende principe van vrijelijke toegang tot bijstand door een advocaat aan. De in het verleden gevolgde praktijk, zoals die blijkt uit zowel deze zaak (zie onder meer de overwegingen met betrekking tot de “dataroom” onder 4.2) als die in andere civiele zaken (zie hiervoor onder 4.6-4.9), wekt bij mij niet de indruk dat dit beginsel steeds in voldoende mate beschermd is geweest.