Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
onderdeel 1respectievelijk
onderdeel 2van het middel gericht. Beide gronden kunnen de afwijzing van deze vordering zelfstandig dragen, zodat beide onderdelen dienen te slagen willen zij op dit punt tot cassatie kunnen leiden.
Onderdeel 3betreft de uitleg van de overeenkomst in rov. 7 en de daaraan verbonden afwijzing van de vorderingen tot partiële ontbinding en schadevergoeding. In cassatie is niet aan de orde de verwerping door het hof van het beroep op dwaling van [eiseres].
onderdeel 2, dat in de
subonderdelen 2.1-2.2klaagt over het oordeel in rov. 11 dat het causaal verband tussen de gestelde schending van de waarschuwingsplicht en de schade van [eiseres] ontbreekt. Rov. 11 moet worden gelezen tegen de achtergrond van de vooropstellingen van het hof in rov. 5 en de verwerping van het beroep op dwaling in rov. 9. In rov. 5 stelde het hof voorop:
mutatis mutandisde in rov. 9 genoemde redenen moet er overigens ook vanuit gegaan worden dat het causaal verband tussen het gestelde door 3Bouw niet voldoen aan een waarschuwingsplicht en de schade ontbreekt. Door het (grotere) gewicht dat [eiseres] klaarblijkelijk hechtte aan de informatie van de gemeente, zou een waarschuwing, dat een omgevingsvergunning nodig zou kunnen zijn, haar niet hebben weerhouden van het sluiten van een overeenkomst op dezelfde voorwaarden. Ook hierop loopt de ‘waarschuwings’-vordering stuk.”
Subonderdeel 2.1 klaagt vergeefs over dit oordeel. De klacht berust op een onjuiste lezing van het arrest, omdat de klacht miskent dat in de overwegingen van het hof besloten ligt dat in dit geval ook na een waarschuwing geen vergunning voor het werk zou zijn aangevraagd. Het oordeel van het hof geeft voorts geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting ter zake van het (ontbreken van) causaal verband tussen de gestelde schending van de waarschuwingsplicht door 3Bouw en de schade die [eiseres] heeft geleden.
De in het subonderdeel als derde genoemde stelling – dat als 3Bouw duidelijk had gemaakt dat een vergunningsaanvraagprocedure had moeten worden doorlopen bij de gemeente voorafgaand aan de bouw, de schade voor [eiseres] was uitgebleven – heeft het hof in rov. 11 beoordeeld en verworpen. Opgemerkt kan worden dat in deze stelling niet wordt toegelicht waarom de schade voor [eiseres] was uitgebleven als 3Bouw had gewaarschuwd. Het hof wijst hier in algemene termen ook op in rov. 9. Deze feitelijke toelichting kan niet voor het eerst in cassatie worden gegeven. Daarop stuit af het betoog in de schriftelijke toelichting namens [eiseres] (in nrs. 3.4-3.5), kort gezegd, dat als 3Bouw wel had gewaarschuwd voor het vergunningsvereiste [eiseres] een vergunning zou hebben aangevraagd respectievelijk geen navraag bij de gemeente zou hebben gedaan.
subonderdelen 1.1-1.4, klaagt over het oordeel van het hof dat op 3Bouw geen waarschuwingsplicht op grond van artikel 7:754 BW Pro rustte ter zake van de omgevingsvergunning. Het hof overwoog in rov. 6 (ten aanzien van de primaire vordering):
Blijkens artikel 7:760, leden 2 en 3, BW komen de gevolgen van de ondeugdelijke uitvoering van het werk die is te wijten aan gebreken of ongeschiktheid van de in artikel 7:754 BW Pro bedoelde zaken, grond en plannen etc. voor rekening van de opdrachtgever, voor zover de aannemer niet zijn in artikel 7:754 BW Pro bedoelde waarschuwingsplicht heeft geschonden of anderszins met betrekking tot deze gebreken in deskundigheid of zorgvuldigheid tekort is geschoten. Ook is aansprakelijkheid van de aannemer voor andere schade, bijvoorbeeld vertragingsschade, denkbaar. [6]
enkelefeit dat de opdrachtgever zelf (ook) deskundig is, niet afdoet aan het bestaan van de waarschuwingsplicht (al kan dit vervolgens wel een rol spelen bij de toepassing van artikel 6:101 BW Pro). [20] In combinatie met bijkomende omstandigheden kan de deskundigheid van de opdrachtgever meebrengen dat geen waarschuwingsplicht bestaat. [21] K.J.O. Jansen merkt in dit verband op dat de rechtspraak over de waarschuwingsplicht van artikel 7:754 BW Pro in dit opzicht afwijkt van de gangbare, wederzijdse toepassing van het deskundigheidsargument. [22]
subonderdeel 1.1. Het subonderdeel spreekt in het algemeen van ‘voor (het uitvoeren van) de opdracht relevante regelgeving, waaronder (het aanvragen van) de voor de uitvoering van de opdracht relevante vergunningen’. Bij een overeenkomst van aanneming van bouwwerk (het subonderdeel poneert overigens een regel die niet beperkt is tot de bouw) kunnen, naast de omgevingsvergunning die in deze zaak speelt, allerlei vormen van regelgeving van belang zijn. Men kan denken aan publiekrechtelijke voorschriften als bestemmingsplannen, bouwvoorschriften en technische normen waaraan het werk moet voldoen. Ook privaatrechtelijke bepalingen kunnen beperkingen stellen, zoals bijvoorbeeld de artikelen 5:50 lid 1 en 5:51 BW over de mogelijkheid om een venster of balkon te plaatsen binnen twee meter van de erfgrens.
Nu de onderhavige zaak gaat over de vraag of op de aannemer op grond van artikel 7:754 BW Pro een waarschuwingsplicht rust als hij weet of behoort te weten dat voor de (uitvoering) van het werk een omgevingsvergunning nodig is, meen ik dat de bespreking van het subonderdeel beperkt dient te blijven tot de kwestie van de omgevingsvergunning.
De vraag of een omgevingsvergunning is vereist, behoort niet tot de kerncompetentie van de aannemer. Het argument in de schriftelijke toelichting namens [eiseres] (nr. 2.5) dat voldoen aan regelgeving een van de kwaliteitseisen is waaraan het werk moet voldoen, overtuigt daarom naar mijn mening niet.
Het hof oordeelde, in cassatie onbestreden, dat 3Bouw in dit geval niet op grond van de redelijkheid en billijkheid gehouden was om te waarschuwen. Anders dan in de schriftelijke toelichting namens 3Bouw (in nr. 12) wordt betoogd, volgt uit dit oordeel niet automatisch dat belang ontbreekt bij onderdeel 1 van het middel. De waarschuwingsplicht die thans in artikel 7:754 BW Pro is neergelegd, is weliswaar uiteindelijk gegrond op de redelijkheid en billijkheid, maar in haar toepassing kan zij verschillen van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, in het bijzonder in verband met het punt van kennis of deskundigheid bij de opdrachtgever. Het is juist dit punt waarop in de schriftelijke toelichting namens 3Bouw wordt gewezen (“[eiseres] wist derhalve van de hoed en de rand.”).
subonderdeel 1.1uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting en moet falen. De
subonderdelen 1.2, 1.3 en 1.4berusten op dezelfde rechtsopvatting en dienen eveneens te falen.
subonderdelen 3.1-3.5over de uitleg die het hof in rov. 7 heeft gegeven aan de overeenkomst. Het hof overwoog:
subonderdeel 3.1heeft hof in rov. 7 miskend dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.
Subonderdeel 3.4klaagt dat het oordeel onvoldoende is gemotiveerd in het licht van de in het subonderdeel onder a-c genoemde stellingen waarop door het hof volgens dit subonderdeel onvoldoende is gerespondeerd.
subonderdeel 3.1aanvoert, volgt de gestelde miskenning van de Haviltexmaatstaf niet uit (i) de overweging dat in de definitieve offerte door invulling van optie a bij artikel 6 op Pro niet mis te verstane wijze – en dus op zodanige wijze dat [eiseres] dat had moeten begrijpen – tot uitdrukking is gebracht dat een omgevingsvergunning niet nodig was, of uit (ii) het feit dat het hof bij zijn beoordeling niet heeft betrokken het betoog van [eiseres] dat met artikel 6 van Pro de offerte niet is bedoeld af te wijken van de bepaling uit de algemene voorwaarden.
Uit de onder (i) bedoelde overweging − waarin het hof verwijst naar wat [eiseres] had moeten begrijpen − blijkt juist dat het hof de Haviltexmaatstaf heeft toegepast. Op de onder (ii) bedoelde stelling heeft het hof gereageerd met zijn overwegingen, kort gezegd, dat is overeengekomen dat geen vergunning nodig was en niet behoefde te worden aangevraagd, zodat artikel 5 lid 4 van Pro de CoVo2010 is ‘opzijgezet’. Hiermee brengt het hof tot uitdrukking dat de verantwoordelijkheid voor het aanvragen van de vergunning niet behoefde te worden geregeld. Anders dat
subonderdeel 3.1veronderstelt, [31] heeft het hof niet geoordeeld dat partijen in artikel 6, in afwijking van de CoVo2010, hebben geregeld
wieverantwoordelijk was voor het aanvragen van een vergunning. Niet valt in te zien waarom het hof door aldus te oordelen de Haviltexmaatstaf zou hebben miskend.
subonderdeel 3.1vergeefs dat het hof de Haviltexmaatstaf heeft miskend doordat het niet bij zijn beoordeling heeft betrokken het betoog van [eiseres] dat (i) 3Bouw als zorgvuldig en deskundig vakman en gelet op haar kennis en ervaring kon voorzien dat het werk op enig moment moest worden afgebroken, (ii) 3Bouw als professional gehouden is alle verplichtingen ter zake van de bouwwerkzaamheden, waaronder begrepen dat de gevolgen van het niet-aanvragen van de benodigde vergunning voor rekening en risico van de opdrachtgever zouden komen, duidelijk (uitdrukkelijk) in de overeenkomst op te nemen, en (iii) [eiseres] op dit gebied een leek is, die bijzondere bescherming behoeft.
De onder (i) bedoelde stelling is door [eiseres] aangevoerd in het kader van haar beroep op de schending van de waarschuwingsplicht door 3Bouw. Het hof hoefde in rov. 7 niet in te gaan op deze stelling, die in een andere context is ingenomen.
De onder (ii) bedoelde stelling veronderstelt ten onrechte dat het hof zou hebben geoordeeld dat partijen in artikel 6, in afwijking van de CoVo2010, hebben geregeld
wieverantwoordelijk was voor het aanvragen van een vergunning.
Hoewel de hoedanigheid van partijen een gezichtspunt is bij de toepassing van de Haviltexmaatstaf, kan de onder (iii) bedoelde stelling als zodanig niet afdoen aan het oordeel in rov. 7 over wat [eiseres] heeft moeten begrijpen. Dit oordeel dient tevens gelezen te worden tegen de achtergrond van de vooropstellingen van het hof in rov. 5.
onder aeen beroep op de hiervoor in 2.26 onder (ii) bedoelde stelling en
onder cop de hiervoor in 2.27 onder (ii) bedoelde stelling.
Onder bwordt gewezen op de stelling dat indien 3Bouw en [eiseres] hadden willen regelen dat de verantwoordelijkheid voor vergunningsaanvragen in afwijking van de algemene voorwaarden bij [eiseres] lag, zij dat in de offerte hadden moeten opnemen op in de voetnoot bij artikel 6 van Pro de offerte voorgeschreven wijze.
Ook dit subonderdeel faalt omdat het ten onrechte veronderstelt dat het hof zou hebben geoordeeld dat partijen in artikel 6, in afwijking van de CoVo2010, hebben geregeld wie verantwoordelijk was voor het aanvragen van een vergunning.
subonderdeel 3.2valt, samengevat, zonder nadere motivering niet in te zien dat het enkele feit dat 3Bouw op de offerte heeft ingevuld dat geen vergunning nodig is meebrengt dat partijen zijn overeengekomen dat als toch een vergunning vereist blijkt te zijn, in afwijking van de CoVo2010 geldt dat de verantwoordelijkheid voor het aanvragen van die vergunning op [eiseres] rust in plaats van op 3Bouw, laat staan dat dit “op niet mis te verstane wijze” zou zijn gebeurd.
Ook dit subonderdeel faalt, omdat het ten onrechte veronderstelt dat het hof zou hebben geoordeeld dat partijen in artikel 6, in afwijking van de CoVo2010, hebben geregeld wie verantwoordelijk was voor het aanvragen van een vergunning.
subonderdelen 3.5.1-3.5.3enkele klachten voor het geval het hof in rov. 7 mede heeft bedoeld te overwegen dat het hof de overwegingen van de kantonrechter in rov. 2.10 van het vonnis tot de zijne heeft gemaakt.