Conclusie
advocaat: J. van Weerden.
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van de middelen
Werker. Volledigheidshalve en mede gelet op het belang van de kwestie ga ik nog op de klachten van het middel in.
Middel 1klaagt dat het hof in rov. 5.13 heeft miskend dat TVM c.s. gezamenlijk beslag hebben gelegd voor een gezamenlijke vordering en dat derhalve art. 480 lid 1 Rv Pro van toepassing is – dat ziet op het geval dat er slechts één beslagleggende schuldeiser is, in welk geval de deurwaarder de executieopbrengst uitkeert aan die schuldeiser – en niet art. 480 lid 2 Rv Pro.
middel 3aan dat het hof in rov. 5.14 en 5.15 heeft miskend dat niet blijkt dat de medeschuldenaren van [verweerder] niet hebben ingestemd met een van art. 3:277 lid 1 BW Pro afwijkende verdeling, en dat art. 480 lid 2 Rv Pro meebrengt dat daarmee in de onderlinge verhouding tussen TVM c.s. en die medeschuldenaren vaststaat welke vorderingen tot welk bedrag zijn voldaan.
indiener overeenstemming over de verdeling is bereikt, de deurwaarder c.q. de notaris de netto-opbrengst dienovereenkomstig uitkeert. Uit de overige, hiervoor al genoemde wettelijke bepalingen over de verdeling van de executieopbrengst volgt dat het enige wat de geëxecuteerde tegen een verdeling kan ondernemen, het doen van tegenspraak is, wat dus neerkomt op het betwisten van vorderingen of de rang daarvan. Dat is iets anders dan eisen dat bepaalde vorderingen bij de verdeling ook of voor een hoger bedrag meedoen.