Conclusie
verzoekers tot cassatie,
advocaat: mr. R.K. van der Brugge,
verweerster in cassatie,
niet verschenen.
niet verschenen.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
- i) De vader en de moeder zijn de ouders van de minderjarige (geboren op [geboortedatum] 2021).
- ii) De moeder oefende tot de beschikking van de rechtbank van 15 september 2021 alleen het gezag uit over de minderjarige. De vader heeft de minderjarige erkend.
- iii) De vader en de moeder hebben nog drie andere minderjarige kinderen.
- iv) De minderjarige verblijft samen met zijn jongste zus in een perspectief biedend pleeggezin. Zijn oudere zus en broer verblijven samen in een ander pleeggezin.
- v) Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2021 is het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige en de drie andere kinderen alsmede het gezag van de vader over de oudste zus beëindigd en is de gecertificeerde instelling benoemd tot voogd over de kinderen. Van deze beschikking zijn de ouders in hoger beroep gekomen, welk hoger beroep tegelijk is behandeld met het hoger beroep in de onderhavige zaak.
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
Cassatiemiddel Iklaagt - samenvattend - dat het hof in strijd met het in art. 8 EVRM Pro neergelegde recht op ‘family life’ heeft overwogen en beslist, omdat er onvoldoende aanleiding is geweest voor de spoedmaatregel en het aansluitend verlengen van de uithuisplaatsing tot 15 mei 2021. Daarnaast heeft het hof het onderzoek naar het schadelijke effect van de uithuisplaatsing op zowel het kind als de ouders achterwege gelaten en ook is er niet onderzocht of alle minder vergaande middelen zijn benut om een zo verstrekkende en zeer ingrijpende maatregel als een uithuisplaatsing van de minderjarige te rechtvaardigen. De beslissing tot uithuisplaatsing van de minderjarige is volgens het middel in strijd met het noodzakelijkheids-, proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel.
De middelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
margin of appreciation’ toekomt. Een strengere toetsing is echter geboden als, naast de uithuisplaatsing, het recht van de ouder op toegang tot het kind verder wordt beperkt. [18]