ECLI:NL:PHR:2023:34

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2023
Publicatiedatum
9 januari 2023
Zaaknummer
22/02817
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid spoedmachtiging en uithuisplaatsing minderjarige na geboorte

In deze zaak is een minderjarige direct na de geboorte voorlopig onder toezicht gesteld en met spoed uit huis geplaatst. De rechtbank handhaafde deze spoedmaatregelen en verleende een machtiging tot uithuisplaatsing voor vier maanden. Het hof bevestigde deze beslissingen, mede vanwege ernstige zorgen over de opvoedomgeving van de oudere kinderen, die eerder uit huis waren geplaatst vanwege verwaarlozing en huiselijk geweld.

De ouders stelden in cassatie dat het hof onterecht het recht op family life had geschonden, onvoldoende onderzoek had gedaan naar minder ingrijpende alternatieven en het schadelijke effect van de uithuisplaatsing niet had onderzocht. Ook betoogden zij dat de gebeurtenissen bij de oudere kinderen niet beslissend mochten zijn voor de uithuisplaatsing van de pasgeborene.

De Hoge Raad oordeelde dat de inmenging in het familie- en gezinsleven gerechtvaardigd was op grond van artikel 8 EVRM Pro, gezien het ontbreken van medewerking van de ouders aan hulpverlening en het ontbreken van zicht op de opvoedsituatie. Het hof had een zorgvuldige belangenafweging gemaakt en de ruime beoordelingsvrijheid van nationale autoriteiten toegepast. De klachten van de ouders faalden, en het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de ouders wordt verworpen en de rechtmatigheid van de spoedmachtiging en uithuisplaatsing wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02817
Zitting6 januari 2023
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
1. [de vader] ,
2. [de moeder] ,
verzoekers tot cassatie,
advocaat: mr. R.K. van der Brugge,
tegen
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
verweerster in cassatie,
niet verschenen.
Als belanghebbende is aangemerkt:
Landelijk Expertiseteam Jeugdbescherming,
niet verschenen.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als de ouders respectievelijk de raad.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze zaak is de minderjarige direct na de geboorte voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden en met spoed voor de duur van twee weken uit huis geplaatst. De rechtbank heeft de spoedmaatregelen gehandhaafd en de minderjarige voor de duur van twaalf maanden onder toezicht gesteld en een machtiging uithuisplaatsing verleend voor de duur van vier maanden. Het hof heeft de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing getoetst en heeft geoordeeld dat deze maatregelen terecht zijn verleend. In cassatie wordt geklaagd dat het hof in strijd met het recht op family life (art. 8 EVRM Pro) het ingrijpen heeft gerechtvaardigd aangezien niet alle minder vergaande middelen zijn benut. Het middel voert daarnaast aan dat het hof tevens het noodzakelijke onderzoek achterwege heeft gelaten naar het schadelijke effect van de uithuisplaatsing op zowel het kind als de ouders. Ook wordt betoogd dat het hof ten onrechte de gebeurtenissen in de periode 2011 tot en met 2019, die zich hebben voorgedaan ten aanzien van de drie andere kinderen van de ouders en in 2019 hebben geleid tot hun uithuisplaatsing, redengevend en beslissend heeft geacht om de minderjarige uit huis te plaatsen.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: [1]
  • i) De vader en de moeder zijn de ouders van de minderjarige (geboren op [geboortedatum] 2021).
  • ii) De moeder oefende tot de beschikking van de rechtbank van 15 september 2021 alleen het gezag uit over de minderjarige. De vader heeft de minderjarige erkend.
  • iii) De vader en de moeder hebben nog drie andere minderjarige kinderen.
  • iv) De minderjarige verblijft samen met zijn jongste zus in een perspectief biedend pleeggezin. Zijn oudere zus en broer verblijven samen in een ander pleeggezin.
  • v) Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2021 is het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige en de drie andere kinderen alsmede het gezag van de vader over de oudste zus beëindigd en is de gecertificeerde instelling benoemd tot voogd over de kinderen. Van deze beschikking zijn de ouders in hoger beroep gekomen, welk hoger beroep tegelijk is behandeld met het hoger beroep in de onderhavige zaak.
2.2
Bij mondeling verzoek van 8 januari 2021 heeft de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) verzocht de minderjarige voor de duur van drie maanden voorlopig onder toezicht te stellen. Daarnaast heeft de raad de uithuisplaatsing van de minderjarige verzocht voor de duur van drie maanden in een pleeggezin.
2.3
De kinderrechter heeft bij mondelinge beslissing van 8 januari 2021, schriftelijk vastgelegd bij beschikking van 11 januari 2021 de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden en heeft op diezelfde datum een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor verblijf in een pleeggezin voor de duur van twee weken verleend.
2.4
Op 15 januari 2021 is de voorlopige ondertoezichtstelling gehandhaafd en is de minderjarige onder toezicht van de gecertificeerde instelling gesteld - uit te voeren door het Landelijk Expertiseteam Jeugdbescherming (hierna: LET) - voor de duur van twaalf maanden, te weten tot 15 januari 2022. Tevens heeft de rechtbank de spoedmachtiging uithuisplaatsing gehandhaafd en aansluitend een machtiging uithuisplaatsing verleend voor de duur van vier maanden tot en met 15 mei 2021.
2.5
De ouders zijn van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam en hebben verzocht, met vernietiging van de beschikking van 15 januari 2021 in zoverre, de inleidende verzoeken van de raad om de minderjarige met spoed uit huis te plaatsen en daarbij aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van vier maanden te verlenen, alsnog af te wijzen.
2.6
Bij beschikking van 26 april 2022 [4] heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 15 januari 2022 bekrachtigd. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen:
“5.5 Het hof vindt dat de kinderrechter een goede beslissing heeft genomen. Het hof heeft
daarvoor de volgende redenen.
5.6
Er bestaan sinds lange tijd ernstige zorgen over de opvoedomgeving van de oudste drie
kinderen bij de ouders. Er zou sprake zijn geweest van verwaarlozing en ook zouden de
kinderen getuige zijn geweest van huiselijk geweld. Om deze zorgen weg te nemen, is
geprobeerd om vrijwillige hulpverlening op te starten. Deze hulpverlening is echter niet van
de grond gekomen omdat de ouders daaraan onvoldoende medewerking verleenden, onder
andere omdat ze de hulpverlening wantrouwden. Eind 2019 zijn de drie oudere kinderen uit
huis geplaatst. Na deze uithuisplaatsing zijn de zorgen over de kinderen en over de
opvoedcapaciteiten van de ouders nog groter geworden. Ten aanzien van [de minderjarige]
geldt dat het een zeer jong en kwetsbaar jongetje is en dat er gelet op het voorgaande grote
zorgen waren of de ouders hem de basale zorg en veiligheid kunnen bieden. De ouders stellen
zich in hoger beroep op het standpunt dat het niet klopt dat zij niet hebben meegewerkt met de
hulpverlening en dat zij enkel kritisch zijn ten opzichte van de hulpverlening. Er wordt volgens
hen een onjuist beeld van hen als ouders geschetst. Daarnaast hebben de ouders tijdens de
zwangerschap van de moeder hulpverlening vanuit het AMC aanvaard en daaraan
meegewerkt.
Het hof volgt de ouders niet in hun standpunt. Voldoende is komen vast te staan dat de ouders
geen contact hebben opgenomen met het LET, de GI en/of de raad over (het verloop van) de
zwangerschap en deze instanties hebben genegeerd bij het maken van veiligheidsafspraken
met betrekking tot de toen pasgeboren [minderjarige], wat de inzet van de
hulpverlening heeft belemmerd. Het hof is het met de kinderrechter eens dat de
omstandigheden zoals die er toen waren een spoeduithuisplaatsing van [de minderjarige]
rechtvaardigden. Ook vindt het hof het terecht dat er aansluitend een machtiging tot
uithuisplaatsing van [de minderjarige] is verleend voor de duur van vier maanden, gelet op
de ervaringen uit het verleden met betrekking tot de oudere kinderen, de kwetsbaarheid en de
afhankelijkheid van [de minderjarige] en het ontbreken van voldoende zicht op de
opvoedsituatie bij de ouders.”
2.7
Namens de ouders is – tijdig – cassatieberoep ingesteld. In de procesinleiding is een voorbehoud gemaakt tot aanvulling van de cassatiemiddelen zodra het proces-verbaal (van de mondelinge behandeling van het hof) is ontvangen. Bij navraag heeft de cassatieadvocaat laten weten het voorbehoud te handhaven en het proces-verbaal niet te hebben ontvangen. Ik heb daarom op 7 december jl. ambtshalve het proces-verbaal bij het hof opgevraagd. Het hof heeft meegedeeld dat het proces-verbaal al op 8 september 2022 naar de partijen in de vorige instantie is gestuurd. Op 9 december 2022 is het proces-verbaal door de griffie van de Hoge Raad ontvangen en in het portaal geplaatst. Er is niet binnen twee weken na 9 december 2022 een aanvulling ontvangen. [5]
2.8
De raad heeft geen verweerschrift ingediend.

3.Bespreking van de cassatiemiddelen

3.1
Het cassatieberoep bevat twee cassatiemiddelen.
Cassatiemiddel Iklaagt - samenvattend - dat het hof in strijd met het in art. 8 EVRM Pro neergelegde recht op ‘family life’ heeft overwogen en beslist, omdat er onvoldoende aanleiding is geweest voor de spoedmaatregel en het aansluitend verlengen van de uithuisplaatsing tot 15 mei 2021. Daarnaast heeft het hof het onderzoek naar het schadelijke effect van de uithuisplaatsing op zowel het kind als de ouders achterwege gelaten en ook is er niet onderzocht of alle minder vergaande middelen zijn benut om een zo verstrekkende en zeer ingrijpende maatregel als een uithuisplaatsing van de minderjarige te rechtvaardigen. De beslissing tot uithuisplaatsing van de minderjarige is volgens het middel in strijd met het noodzakelijkheids-, proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel.
3.2
Cassatiemiddel IIbetoogt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de gebeurtenissen in de periode 2011 tot en met 2019 die zich hebben voorgedaan ten opzichte van de drie andere kinderen van de ouders en die hebben geleid tot hun uithuisplaatsing in 2019, redengeven en beslissend zijn voor de overwegingen van het hof om ook de pasgeboren minderjarige uit huis te plaatsen. Aangevoerd wordt dat de ouders wel wilden meewerken met de Raad, de GI en het LET en ook hulp hadden gevraagd bij het AMC. De rechtbank en het hof hebben niet gezocht naar een alternatieve oplossing.
De middelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.3
Alvorens in te gaan op het middel stel ik het volgende voorop. Het hof Amsterdam heeft bij beschikking van 26 april 2022 [6] het gezag van de ouders over de vier kinderen, waaronder de minderjarige beëindigd. Van deze beslissing is geen beroep in cassatie ingesteld, zodat deze beslissing onherroepelijk is. In de onderhavige zaak gaat het dus enkel om de rechtmatigheid van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing direct na de geboorte van de minderjarige en de verlenging daarvan. Vernietiging van de bestreden beslissing van het hof Amsterdam, tast de gezagsbeslissing dan ook niet aan. Dit neemt echter niet weg dat de ouders wel een rechtens te respecteren belang hebben om de rechtmatigheid van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de minderjarige vast te stellen. [7]
3.4
Het middel doet een beroep op art. 8 EVRM Pro [8] . Een ondertoezichtstelling gecombineerd met een uithuisplaatsing vormt een inmenging in het door art. 8 EVRM Pro beschermde familie- en gezinsleven van de ouder. De inmenging is toegestaan indien voldaan is aan de vereisten van art. 8 lid 2 EVRM Pro. De inmenging moet voorzien zijn bij wet en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Het vereiste van noodzakelijkheid betekent volgens het EHRM dat de maatregel in het licht van de omstandigheden van het geval relevant en adequaat moet zijn voor de doelen die in art. 8 lid 2 EVRM Pro worden genoemd. De inmenging moet een dringende maatschappelijke behoefte dienen en de maatregel moet proportioneel zijn in het licht van het daarmee beoogde doel. In dat kader heeft het EHRM geoordeeld dat een uithuisplaatsing slechts als laatste redmiddel kan worden toegepast. [9]
Uit de EHRM-rechtspraak volgt dat als minimum moet worden vastgesteld (a) dat voldoende aanleiding bestond om in te grijpen, (b) dat onderzoek is gedaan naar de impact van ingrijpen op het gezin [10] , en (c) dat onderzoek is gedaan naar alternatieve maatregelen. [11] Het feit dat een kind in een betere omgeving zou kunnen opgroeien, kan op zich geen aanleiding zijn om in te grijpen en een uithuisplaatsing te rechtvaardigen. [12] Er moeten andere redenen zijn die dit noodzakelijk maken. Een te beperkt onderzoek naar alternatieve maatregelen kan ook een schending van art. 8 EVRM Pro opleveren. [13] De nationale rechter moet nauwkeurig motiveren waarom het niet mogelijk is om het kind op een minder ingrijpende wijze te beschermen. [14] De maatregel moet bovendien gebaseerd zijn op objectief bewijs. [15] Vooral als het om zeer jonge baby’s gaat is het EHRM van oordeel dat slecht onder zeer dringende omstandigheden de baby van de ouder mag worden gescheiden. [16] In de zaak Haase v. Germany oordeelde het hof dat de autoriteiten hadden dienen na te gaan of de bedreigende situatie voor de kinderen ook kon worden opgelost met minder ingrijpende maatregelen. In die zaak werd bijzonder gewicht toegekend aan het feit dat het juist de ouder was die in eerste instantie hulp zocht bij een jeugdhulpverleningsinstantie. [17]
3.5
Het voorgaande laat onverlet dat volgens het EHRM bij de beoordeling van de noodzaak tot uithuisplaatsing aan de nationale autoriteiten een ruime ‘
margin of appreciation’ toekomt. Een strengere toetsing is echter geboden als, naast de uithuisplaatsing, het recht van de ouder op toegang tot het kind verder wordt beperkt. [18]
3.6
In de onderhavige zaak heeft het hof beoordeeld of de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige terecht is gehandhaafd bij beschikking van 15 januari 2021 en daarnaast of voor de duur van de op 15 januari 2021 gegeven beschikking werd voldaan aan de gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Naar het oordeel van het hof was er voldoende aanleiding voor de spoedmaatregel en aansluitend de verlenging van de maatregel. Het hof heeft daarvoor aangeknoopt bij de zorgen over de opvoedomgeving van de drie oudste kinderen bij de ouders waarbij sprake is geweest van verwaarlozing en het feit dat de kinderen (mogelijk) getuige zijn geweest van huiselijk geweld. Het hof wijst tevens op de hulpverlening die is aangeboden. Uit het raadsrapport blijkt dat sinds 2011 is geprobeerd om vrijwillige hulpverlening op te starten, maar omdat ouders daaraan onvoldoende medewerking verleenden is dat niet van de grond gekomen. [19] Ook nadat de oudste drie kinderen uit huis zijn geplaatst, is door het LET geprobeerd om het contact tussen de ouders en de drie oudste kinderen tot stand te brengen. Dit kwam niet van de grond omdat de ouders geen direct contact met het LET wilden en ouders video- en geluidsopnamen maakten van de contacten met de hulpverleners die vervolgens op social media werden geplaatst. [20] De ouders wantrouwen hulpverlening en betwisten dat er zorgen waren over de oudste drie kinderen toen zij nog thuis woonden. Volgens de ouders zijn de zorgen over de kinderen pas begonnen toen zij in een pleeggezin zijn geplaatst. De ouders nemen volgens de raad dan ook geen verantwoordelijkheid voor hun handelen dat tot ernstige verwaarlozing en ontwikkelingsbedreiging van de drie oudste kinderen heeft geleid. [21]
3.7
In het licht hiervan faalt de klacht dat er niet voldoende aanleiding was om in te grijpen bij de geboorte van de minderjarige en dat er niet gekeken is naar alternatieven. Doordat hulpverlening niet van de grond is gekomen en de ouders het LET, de gecertificeerde instelling en de raad op afstand hebben gehouden, is er geen zicht op de opvoedcapaciteiten van de ouders gekomen. Ook hebben de ouders het LET, de raad en de gecertificeerde instelling in eerste instantie bewust niet geïnformeerd over de zwangerschap. [22] Zij hebben zelf hulp ingeschakeld via het AMC. Het AMC heeft ouders erop gewezen dat het gevolgen kan hebben als het AMC niet met het LET kan overleggen. [23] Op het moment dat het LET op 25 augustus 2020 per e-mail door de ouders is geïnformeerd over de zwangerschap, was de moeder al enige tijd zwanger van de minderjarige. Zoals volgt uit het rapport van de raad bij de brief van 11 januari 2021 heeft de raad – door een wachtlijst – eerst op 5 januari 2021 een onderzoek opgestart. Enkele dagen later is de minderjarige geboren. De ouders hebben het LET of de raad daarvan niet op de hoogte gebracht en hebben de raad en het LET niet geïnformeerd over de hulpverlening die zij zelf al voor de minderjarige hebben ingeschakeld. Het LET is van de geboorte op de hoogte gesteld, nadat Actief en Advies voor de inzet van de hulpverlening een beschikking bij de gemeente hebben aangevraagd. Op het moment van geboorte was er voor het LET, de raad of de gecertificeerde instelling dan ook geen zicht of de minderjarige bij de ouders wel veilig zou zijn. Hoewel in cassatie iets anders wordt gesteld, lijkt de opstelling van de ouders naar de hulpverlening met betrekking tot de minderjarige niet anders dan ten aanzien van de oudste drie kinderen. Het is dus ook niet onbegrijpelijk dat het hof deze omstandigheden bij de beoordeling betrekt. Volgens de raad is de hulpverlening van Actief en Advies waartoe ouders wel bereid zijn en die via het AMC geregeld is een lichte vorm van opvoedondersteuning. [24] Kennelijk acht de raad dit niet voldoende om de veiligheid van de minderjarige te waarborgen en zijn rechtbank en hof het met dit advies eens. Dit is een feitelijke beoordeling en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Gezien de zorgen over de oudste drie kinderen is dit niet onbegrijpelijk. Door deze beslissing is ook geen ongerechtvaardigde inbreuk gemaakt op de rechten van de ouders op grond van art 8 EVRM Pro. Het betreft een beslissing tot uithuisplaatsing waarbij het EHRM de verdragsstaten een ruime margin of appreciation laat. [25]
3.8
Het middel betoogt verder nog dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar het effect van de uithuisplaatsing en herhaalt hetgeen in onderdeel 1 al is gesteld dat er niet voldoende is gezocht naar alternatieven. Het hof heeft overwogen dat de ouders de hulpverlening hebben belemmerd waardoor het niet is gelukt om vooraf veiligheidsafspraken te maken met betrekking tot de toen pasgeboren minderjarige. Ook de strijd die de ouders met de hulpverlening zijn aangegaan met betrekking tot de oudste drie kinderen laat het hof meewegen. Daaruit volgt immers dat de ouders enkel trachten aan te tonen dat het LET en de raad ten onrechte hebben ingegrepen en is duidelijk dat er geen samenwerking tot stand komt. Het feit dat de moeder in het ziekenhuis goed voor de baby zorgde en er op dat moment geen zorgen waren ten aanzien van de minderjarige, doet er niet aan af dat de raad al sinds de ondertoezichtstelling van de oudste drie kinderen geen zicht heeft kunnen krijgen op de opvoedkwaliteiten van ouders. Dit gebrek aan zicht op de opvoedsituatie bij de ouders en de kwetsbaarheid en de afhankelijkheid van de minderjarige maken de beslissing tot uithuisplaatsing van de pasgeboren minderjarige gerechtvaardigd en in overeenstemming met at. 8 lid 2 EVRM. Het hof heeft een zorgvuldige afweging gemaakt tussen de belangen van de ouders en die van de minderjarige en het belang van het kind laten prevaleren. [26] Gezien de opstelling van de ouders is het niet onbegrijpelijk dat geoordeeld is dat er geen alternatieven zijn om de uithuisplaatsing te voorkomen. Dat het hof daarbij tevens de situatie tussen 2011 en 2019 heeft meegewogen is evenmin onbegrijpelijk.
3.9
De middelen falen.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vergelijk de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 26 april 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1239 onder 3.1 tot en met 3.6.
2.Deze kinderen zijn sinds 10 september 2019 (voorlopig) onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling en zijn sinds 10 oktober 2019 met spoed uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg.
3.Bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 26 april 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1238 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
5.Zie: HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3720, NJ 2006/31, rov. 3.2. Zie ook art. 3.2.5.1. van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden.
7.Zie ook HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1112, NJ 2021/260 en mijn eerdere conclusie ECLI:NL:PHR:2022:463, onder 3.1.
8.Zie voor een juridisch kader ook mijn conclusies: ECLI:NL:PHR:2019:874, ECLI:NL:PHR:2020:897, ECLI:NL:PHR:2022:812. Zie voor een uitgebreid overzicht van de EHRM-jurisprudentie bij beslissingen in het kader van een uithuisplaatsing K.A.M. van der Zon,
9.EHRM 22 maart 2018, nrs. 68125/14 en 72204/14 (Wetjen e.a. t. Duitsland), EHRC 2018/118 m.nt. S. Florescu, par. 84-85. Zie ook o.m. EHRM 12 juli 2001, nr. 25702/94 (K. en T. t. Finland), par. 166-167, EHRM 26 oktober 2006, nr. 23848/04 (Wallovâ en Walla t. Tjechië), par. 73-74, EHRM 16 maart 2010, nr. 28680/06 (A.D. en O.D t. Verenigd Koninkrijk), par. 89.
10.Verwezen wordt naar EHRM 12 juli 2001, 25702/94 (K. en T. t. Finland), par. 168, EHRC 2001/65 m.nt. Van der Velde en
11.C.J. Forder e.a., SDU-Commentaar EVRM, Deel 1 - Materiële bepalingen, art. 8 EVRM Pro, onderdeel C.1.2.7.1 waar wordt gewezen op EHRM 14 maart 2013, nr. 18734/09 en 9424/11 (B.B. ten F.B. t. Duitsland), EHRC 2013/124.
12.Zie EHRM 26 oktober 2006, nr. 23848/04, Wallova en Walla t. Tsjechie, par. 72. Zie ook EHRM 21 juni 2007, nr. 23499/06, Havelka t. Tsjechië, par. 61-63, EHRM 18 december 2008, nr. 39948/06, Saviny t. Oekraïne, par. 57, NJ 2009, 471, EHRC 2009/18; EHRM 22 juni 2017, nr. 37931/15, Barnea en Caldararu t. Italië, par. 72-73.
13.EHRM 21 september 2006, nr. 12643/02 (Moser t. Oostenrijk). In de procesinleiding wordt onder verwijzing naar deze uitspraak betoogd dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar een alternatieve oplossing. Daarnaast wijst de procesinleiding nog op EHRM 6 oktober 2015, nr. 58455/13 (N.P. t. Moldavië).
14.EHRM 22 maart 2018, nrs. 68125/14 en 72204/14 (Wetjen e.a. t. Duitsland), EHRC 2018/118 m.nt. S. Florescu, par. 85, en EHRM 22 maart 2018, nr. 11308/16 en 11344/16 (Tlapak e.a. t. Duitsland), par. 98.
15.C.J. Forder e.a., SDU-Commentaar EVRM, Deel 1 - Materiële bepalingen, art. 8 EVRM Pro, onderdeel C.1.2.7.1.
16.EHRM 29 april 2004, appl.nr. 11057/02 (Haase v. Germany). Zie ook EHRM 18 december 2008, appl.nr. 39948/06, NJCM 2009-5, (Savigny v. Ukraine).
17.EHRM 29 april 2004, appl.nr. 11057/02 (Haase v. Germany). Zie ook EHRM 18 december 2008, appl.nr. 39948/06, NJCM 2009-5, (Savigny v. Ukraine).
18.EHRM 7 augustus 1996, nr. 17383/90 (Johansen t. Noorwegen) NJ 1998/324, par. 64, EHRM 13 juli 2000, nr. 25735/94 (Elsholz t. Duitsland), par. 48-49, EHRM 26 februari 2002, nr. 46544/99 (Kutzner t. Duitsland), par. 67, EHRM 1 juli 2021, 49452/18 (
19.Zie het raadsrapport bij de brief van 11 januari 2021 onder Voorgeschiedenis.
20.Raadsrapport van 14 januari 2021 pag. 4.
21.Zie het raadsrapport van 14 januari 2021, pag. 3 en 9.
22.Pag. 7-8 van het aanvullend raadsrapport van 14 januari 2021.
23.Pag. 7-8 van het rapport van de raad van 14 januari 2022.
24.Zie het rapport van de raad onder Aanleiding betrokkenheid RvdK bij de brief van 11 januari 2021.
25.Zie ook: M. Bruning en K. van der Zon, Uithuisplaatsing van kinderen: Europese controverse en rol van het EHRM, NTM/NJCM- bulletin 2022/1.
26.Zie bv. EHRM 6 juli 2010, 41615/07 (