Conclusie
Inleiding
II.Het namens de verdachte voorgestelde middel en de bespreking daarvan
Het middel
De tenlastelegging en bewezenverklaring
Standpunt van de verdediging
OM niet-ontvankelijk als gevolg van ontbreken rechtsmacht:
in Egyptewas, is er onenigheid ontstaan. De tenlastegelegde periode begint dan ook op 8 augustus 2003, waarvan wel vaststaat dat cliënt toen in Egypte was. Voorts loopt de tenlastegelegde periode (maximaal) tot 25 januari 2018. Dit is het moment van de aanhouding van cliënt in België. Uit het dossier moet geconcludeerd worden dat cliënt gedurende de gehele tenlastegelegde periode
nietin Nederland heeft verbleven;
nietin Nederland:
immers heeft verdachte (telkens) (in strijd met de afspraken en/of zonder medeweten en/of toestemming van die [benadeelde 1] ), die[ [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] , KV]
niet teruggebracht naar die [benadeelde 1] en/of naar Nederland na een vakantie in Egypte en (heeft) aldus (telkens) voornoemde minderjarige buiten het bereik en/of de invloedssfeer van die [benadeelde 1] gebracht en/of gehouden.”;
leer van het constitutieve gevolg’(leer van de lichamelijke gedraging en leer van het instrument zijn i.c. niet relevant). Volgens de leer van het constitutieve gevolg wordt het delict (mede) daar gepleegd, waar het wordt voltooid door het intreden van het constitutieve gevolg. Deze leer is echter uitsluitend bruikbaar bij delicten waarbij de gedraging en het gevolg van die gedraging afzonderlijke bestanddelen van het delict zijn (bijv. doodslag die in het buitenland gepleegd is, maar waarbij het slachtoffer in Nederland komt te overlijden). Bij het cliënt tenlastegelegde delict valt de gedraging bestanddeelmatig samen met het gevolg daarvan (onttrekking aan het gezag). De gedraging en het gevolg zijn geen afzonderlijke bestanddelen van het delict en kunnen dus niet los van elkaar worden gezien. De leer van het constitutieve gevolg is dan ook in casu niet bruikbaar, in tegenstelling tot wat de rechtbank te Haarlem in haar vonnis op p. 3 (1e en 2e alinea) overweegt;
Het kan echter niet zo zijn dat door de redactie van de tijdsomschrijving in de tenlastelegging – anterieure – beëindigde feiten binnen het bereik van de Nederlandse rechtsmacht kunnen worden gebracht die buiten de Nederlandse rechtsmacht op grond van art. 2 Sr Pro reeds zijn voltooid (vergelijk ook de overweging over de ontvankelijkheid met betrekking tot feit 3, hierna).
Conclusie: op grond van het voorgaande dient het OM dan ook
niet-ontvankelijkte worden verklaard in haar vervolging van cliënt o.g.v. het ontbreken van rechtsmacht;”
inook
buitenNederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd (de ‘locus delicti’), is op grond van de hiervoor genoemde wetsbepaling vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk, óók ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden. [1]
Bespreking van het middel
in Nederlandonttrokken. De gedraging van de verdachte enerzijds en het daaruit voortvloeiende gevolg anderzijds kunnen derhalve wel degelijk van elkaar worden onderscheiden. Het hof heeft bij de beoordeling van de rechtsmacht van Nederland in dezen, mede gelet op het hiervoor geschetste juridisch kader, dan ook terecht tot uitgangspunt genomen dat de gevolgen van het tenlastegelegde feit zich in Nederland hebben gemanifesteerd. [9] Daarbij heeft het hof mijns inziens kunnen betrekken dat de tenlastegelegde gedraging een passieve handeling betreft, waarmee het hof kennelijk tot uitdrukking heeft willen brengen dat hier sprake is van een zogenoemd oneigenlijk omissiedelict. In dat geval is niet alleen de plaats waar de verdachte had moeten handelen, maar ook de plaats waar het gevolg van dat nalaten is ingetreden, als ‘locus delicti’ aan te merken.
Het namens de benadeelde partijen voorgestelde middel en de bespreking daarvan
12.000,-
bijlage 1). [10]
bijlage 2 [11] , in totaal 35.306,12 euro, vermeerderd met kosten psychische zorgverlening vanaf 2003 tot heden begroot op de eigen bijdrage ad 280 euro x 15 is 4.200,- euro. In totaal derhalve 39.506,12 euro. De psychische schade is een blijvend trauma voor benadeelde.
bijlage 1= 3.656,12 euro
bijlage 2= 850,- euro
bijlage 3170.167,65 euro
bijlagen 3,4 en 5. [13] ”
12 verzoek schadevordering [de moeder] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3]
Schadeverzoek en toelichting mw. [benadeelde 1] d.d. 18 mei 2018 en 10 maart 2021
€ 39.506,12
€ 170.167.65
€ 319.550,-
€ 370.650. Waarbij verzocht wordt voor alle 3 verzoeken de schadevorderingsmaatregel op te leggen.”
60. Vordering [de moeder] :
Derhalve vordering N-O voor wat betreft materiële schade.
Conclusie: N-O
Conclusie: deels N-O, toewijzing voor wat betreft bezoeken op 5 februari 2018 en 14 februari 2018, echter enkel voor wat betreft de gemaakte reiskosten.
Conclusie: N-O
Conclusie: Sterke matiging van het gevorderde bedrag, voor het overige N-O
Vorderingen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] :
Conclusie: N-O
Conclusie: N-O.”
Vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3]
€ 50.000,00 (vijftigduizend euro) bestaande uit € 10.000,00 (tienduizend euro) materiële schade en € 40.000,00 (veertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
NJ2019/379, m.nt. Vellinga onder meer:
NJ2021/284, m.nt. Lindenbergh heeft de Hoge Raad daaraan toegevoegd:
Slotsom