Conclusie
Teslarespectievelijk
[verweerder].
1.Inleiding en samenvatting
total lossverklaard. Tesla spreekt [verweerder] aan tot vergoeding van haar schade. De rechtbank wijst deze vordering toe. Het hof oordeelt in principaal appel evenwel dat [verweerder] niet de contractuele wederpartij is bij de desbetreffende bruikleenovereenkomst en wijst de vorderingen van Tesla af. In incidenteel appel heft het hof het conservatoir beslag dat [verweerder] had doen leggen op het wrak van de leenauto op en veroordeelt het Tesla in de kosten van dit incidentele appel.
2.Feiten
hof) heeft de feiten niet afzonderlijk vastgesteld in een daaraan gewijd deel van het bestreden arrest van 11 oktober 2022. Het hof heeft enkele feiten vastgesteld in r.o. 2.2 van het arrest. Enkele andere feiten staan vermeld bij het oordeel van het hof in r.o. 3 van het arrest. Hierna volgt mijn weergave van de feiten die het hof ten grondslag legde aan zijn oordeel en waarvan in cassatie kan worden uitgegaan, telkens onder verwijzing naar de relevante overweging uit het hofarrest. Zie over deze wijze van feitenvaststelling door gerechtshoven ook mijn conclusie van 14 april 2023 in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder zaaknummer 22/02716, onder 2.
Belnino) heeft van Tesla een auto (een Tesla Model X) gekocht. Toen deze auto in opdracht van Belnino door Tesla moest worden nagekeken, heeft Tesla op 10 oktober 2019 een vervangende leenauto ter beschikking gesteld (een Tesla Model S; hierna: de
leenauto). De leenauto bleef eigendom van Tesla. Een medewerker van Tesla heeft op die dag de door hem ingevulde bruikleenovereenkomst laten ondertekenen door [verweerder] . Op enig moment heeft een werknemer van Belnino, vergezeld van een bijrijder, een rit gemaakt in de leenauto. Tijdens deze rit raakten zij betrokken bij een eenzijdig ongeval. De leenauto raakte daardoor
total loss. De dagwaarde van de leenauto is door Tesla vastgesteld op € 54.300,-- (r.o. 2.2 in verbinding met r.o. 3.4).
Uitgifte voor de Model S / Model X leenauto, Europa
3.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank). Tesla vordert, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [verweerder] tot betaling van een bedrag van € 54.300,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2020 tot aan de dag van algehele voldoening en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 875,--, kosten rechtens, inclusief nakosten.
vonnis). [1] Zij oordeelt – samengevat en voor zover in cassatie van belang – als volgt. De door [verweerder] ondertekende bruikleenovereenkomst is een onderhandse akte die op grond van art. 157 lid 2 Rv Pro dwingend bewijs oplevert van een verklaring in die akte. Gelet daarop is het uitgangspunt dat [verweerder] en niet Belnino de contractspartij is (r.o. 4.1). Het tegenbewijs van [verweerder] slaagt niet (r.o. 4.2). [verweerder] is aansprakelijk jegens Tesla voor de door haar geleden schade.
arrest) heeft het hof het vonnis vernietigd. [2] In principaal appel heeft het hof de vorderingen van Tesla alsnog afgewezen en Tesla, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling van de proceskosten in beide instanties. In incidenteel appel heeft het hof het door [verweerder] gelegde beslag op het leenautowrak opgeheven en Tesla, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Aan deze beslissing heeft het hof, samengevat, de volgende beoordeling ten grondslag gelegd.
u, onze Klant” een auto ter beschikking wordt gesteld, terwijl ‘‘
onderhoud aan uw auto" wordt uitgevoerd. [verweerder] heeft verder zijn paraaf of handtekening gezet bij de tekst: ‘‘
Handtekening klant”. [verweerder] was niet de eigenaar van de auto die hij naar de garage bracht (wat Tesla Motors wist) en ook was hij geen klant bij Tesla Motors. Uit de context en de inhoud van de bruikleenovereenkomst heeft [verweerder] niet kunnen (of moeten) afleiden dat hij zichzelf aan de overeenkomst zou binden. Omdat de voorgedrukte tekst ervan uitgaat dat de klant – in dit geval Belnino B.V. – de bruikleenovereenkomst aangaat en omdat [verweerder] in privé geen klant is van Tesla Motors, bevat de bruikleenovereenkomst een tegenstrijdigheid, waar de medewerker van Tesla Motors bij ‘‘
Naam van de klant” [verweerder] heeft ingevuld. Ook omdat [verweerder] zijn naam op die plaats niet zelf heeft ingevuld, komt door deze tegenstrijdigheid geen dwingende bewijskracht als bedoeld in artikel 157 lid 2 Rv Pro toe aan de schriftelijke bruikleenovereenkomst. Weliswaar heeft Tesla Motors gesteld dat de voorwaarden waaronder de overeenkomst werd gesloten door één van haar medewerkers met [verweerder] is besproken, maar [verweerder] heeft dat gemotiveerd betwist. Bovendien heeft Tesla Motors niet gesteld dat ook besproken is dat [verweerder] de contractspartij zou worden en niet Belnino B.V. Daarom staat niet vast dat [verweerder] er door Tesla Motors op is gewezen dat hij in persoon aan de overeenkomst gebonden zou worden. Tesla Motors heeft ter zitting nog aangevoerd dat de term ‘klant’ als algemene aanprijzing was bedoeld en dat [verweerder] had moeten begrijpen dat die term op hem betrekking had. Die uitleg is echter niet te rijmen met het feit dat Tesla Motors, zo heeft zij verklaard, alleen een leenauto ter beschikking stelt aan iemand die (al) klant is bij Tesla Motors. Het was Tesla Motors bekend dat dat uitgangspunt voor [verweerder] niet gold. Gelet op de context waaronder partijen met elkaar handelden, valt niet in te zien dat [verweerder] had moeten begrijpen dat hij in het licht van de bruikleenovereenkomst ineens zelf als ‘klant’ werd aangemerkt en dat hij zichzelf aan de overeenkomst bond. Zeker niet doordat op de overeenkomst – op zijn naam na – geen verdere gegevens (zoals het rijbewijsnummer) van [verweerder] werden ingevuld en deze gegevens ook niet bekend waren bij Tesla Motors. [verweerder] heeft ter onderbouwing van zijn betwisting aangevoerd dat Tesla Motors al vaker een leenauto ter beschikking heeft gesteld in verband met onderhoud aan of reparatie van de auto van Belnino B.V. en dat ook van de personen die toen de auto hebben opgehaald door Tesla Motors nauwelijks persoonsgegevens zijn geregistreerd. Volgens [verweerder] is hieruit af te leiden dat Tesla Motors ook zelf Belnino B.V. – waarvan zij wél beschikt over de benodigde gegevens – als wederpartij bij de herhaaldelijk gesloten bruikleenovereenkomsten ziet. Deze aanname wordt versterkt door het feit dat na het sluiten van de overeenkomst en na het intreden van de schade aan de leenauto niet [verweerder] , maar Belnino B.V. aansprakelijk werd gesteld door Tesla Motors. Anders dan de rechtbank, leidt het hof uit al deze feiten en omstandigheden af dat [verweerder] niet hoefde te verwachten dat hij zichzelf als contractspartij bond aan de bruikleenovereenkomst. Om die reden kan hij (ook) niet door Tesla Motors verantwoordelijk worden gehouden voor de aan de leenauto ontstane schade. De vorderingen van Tesla Motors zullen in hoger beroep alsnog worden afgewezen.”
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Is [verweerder] de contractspartij?”. Dit wijst erop dat grief I er (ook) toe strekt de beslissing van de rechtbank inzake dwingende bewijskracht van de bruikleenovereenkomst voor te leggen aan het hof.
Gouda/
[…] [23] ,
Ultimaco/
D&R [24] of
[…]/
[…] [25] . In die zaken was volgens het subonderdeel aan de orde dat in appel ten gunste van de geïntimeerde de bewijslastverdeling opnieuw moest worden bekeken na het slagen van een grief van de appellant over de bewijswaardering. In deze zaak, echter, zou gedaagde [verweerder] (mede) als gevolg van de eindbeslissing in eerste aanleg over de dwingende bewijskracht een ongunstig dictum hebben verkregen, waar hij (conform de ‘hoofdregel’ van het grievenstelsel) als appellant tegen had moeten grieven, als hij die eindbeslissing had willen aantasten, aldus het subonderdeel.
dat de voorliggende omstandigheden en de houding en handelwijze van partijen het dwingende bewijs van de akte (voldoende) weerlegd […] hebben.” Deze opmerking moet worden begrepen in de algehele context van grief I, waarin [verweerder] bezwaren uit tegen de bewijswaardering door de rechtbank in algemene zin, waaronder moeten worden begrepen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van dwingende bewijskracht (zoals besproken onder 4.10-4.11 hiervoor). In dit verband staat het [verweerder] – in zijn betoog tegen de bewijswaardering door de rechtbank – vrij om in zijn onderbouwing van grief I ook te wijzen op zijn tegenbewijs tegen de dwingende bewijskracht en de waardering daarvan door de rechtbank. De door Tesla bedoelde erkenning volgt in ieder geval niet uit de door haar aangehaalde opmerking.
Ook omdat [verweerder] zijn naam op die plaats niet zelf heeft ingevuld, komt door deze tegenstrijdigheid geen dwingende bewijskracht als bedoeld in artikel 157 lid 2 Rv Pro toe aan de schriftelijke bruikleenovereenkomst.” Dit oordeel geeft volgens het subonderdeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de omstandigheid dat een partij haar naam niet zelf heeft ingevuld geen omstandigheid is die kan maken dat aan een (door beide partijen ondertekende) schriftelijke bruikleenovereenkomst geen dwingende bewijskracht toekomt als bedoeld in art. 157 lid 2 Rv Pro.
elkander aangaande haar rechtsbetrekking een ‘preuve constituée’ te verschaffen en zo bij voorbaat een beschikking te treffen”. [30] Met andere woorden: een partij bij een onderhandse akte wil zich bewijsrechtelijk vastleggen door de wederpartij bij voorbaat een bewijsmiddel in de vorm van een ondertekende akte te geven. [31]
de binding aan de akte wordt bepaald door wat de akte zelf op dit punt inhoudt.” [34]
Kribbebijter [36] en het in die rechtspraak ontwikkelde criterium voor het vaststellen partijen bij een overeenkomst. Aan de hand daarvan oordeelt het hof dat Belnino de klant van Tesla was. Gelet op de context en de inhoud van de bruikleenovereenkomst heeft [verweerder] , volgens het hof, niet kunnen (of moeten) afleiden dat hij zichzelf, in plaats van Belnino, aan de overeenkomst zou binden. De bruikleenovereenkomst noemt echter wel [verweerder] als “klant”. Hierdoor is volgens het hof, op het punt waar de medewerker van Tesla [verweerder] (en niet Belnino) als klant invulde, sprake van een tegenstrijdigheid. Door deze tegenstrijdigheid komt, ook omdat [verweerder] zijn naam niet zelf invulde, geen dwingende bewijskracht als bedoeld in art. 157 lid 2 Rv Pro toe aan de bruikleenovereenkomst, aldus het hof.
fishing expedition;
condicio sine qua non-verband vast tussen enerzijds het onterecht dagvaarden van [verweerder] door Tesla en anderzijds het (dus nodeloos) ontstaan van kosten bij het opheffen van een beslag dat zonder de procedure niet was gelegd. Tegen de achtergrond van het feit dat, zoals het hof in r.o. 3.4 van het arrest vaststelde, Tesla na het sluiten van de overeenkomst en na het intreden van de schade aan de leenauto aanvankelijk Belnino (en niet [verweerder] ) aansprakelijk stelde, is dat oordeel, in het licht van het in dit arrest gegeven oordeel van het hof over de partijvraag, niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.