Conclusie
Snackbar Royal,
[verweerster 1]
[verweerder 2]
[eiser]respectievelijk
Snackbar Royal.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
[betrokkene 1]) in eigendom verkregen het gebouw, bestaande uit winkel- bedrijfs- of beroepsruimten met apart gelegen bergingen, vijf garages en zestien maisonnettes met bijbehorende grond, gelegen te [plaats] aan de [a-straat 1 t/m 2] (even nummers) en [b-straat 1 t/m 2] (even nummers) (hierna:
het gebouw).
Adelbrecht). Snackbar Royal werd vertegenwoordigd door haar vennoten [verweerder 2] en [verweerster 1] . Het huurcontract is opgesteld door Adelbrecht. Daarbij is gebruik gemaakt van het ROZ model Huurovereenkomst winkelruimte van juli 2003. De Algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte 2003 zijn van toepassing verklaard. Snackbar Royal heeft getekend voor ontvangst van die bepalingen.
de bedrijfsruimte) en de daarboven gelegen woning [a-straat 3] te [plaats] (hierna:
de woning). Het gehuurde wordt casco verhuurd en is bestemd om te worden gebruikt als cafetaria-snackbar respectievelijk woning. De woning heeft een eigen opgang en eigen voorzieningen.
(...)
[betrokkene 2]) namens de bewoners en winkeliers van het gebouw aan Adelbrecht geschreven:
stichting [betrokkene 1]) opgericht en ingeschreven in het handelsregister. Per die datum zijn [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ingeschreven als bestuursleden van de stichting [betrokkene 1] . Per 1 augustus 2007 is [betrokkene 4] als penningmeester aan het bestuur toegevoegd. Stichting [betrokkene 1] staat nog steeds ingeschreven in het handelsregister.
[betrokkene 5]). Zowel [eiser] als [betrokkene 5] hebben aanspraak gemaakt op levering van de eigendom van het gebouw. [eiser] en [betrokkene 5] hebben beiden leveringsbeslag gelegd op het gebouw en een vordering tot nakoming ingesteld.
[betrokkene 6]) en op 21 maart 2014 is [betrokkene 7] (hierna:
[betrokkene 7]) als curator over de nalatenschap van [erfgename 1] respectievelijk [erfgename 2] benoemd. [9]
(…)
[betrokkene 8]), in opdracht van [verweerster 1] een indicatie afgegeven voor de huur van de bedrijfsruimte. De bedrijfsruimte is circa 46 m2 groot en [betrokkene 8] heeft de huurwaarde geïndiceerd op € 55,00 per m2 v.v.o. gebaseerd op de uitgangspunten:
primairgevorderd de huurovereenkomst voor de bedrijfsruimte en de woonruimte van Snackbar Royal te ontbinden (art. 6:265 lid 1 BW Pro). Daaraan heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat Snackbar Royal tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen wegens de niet tijdige betaling van huur. [23] Subsidiairheeft [eiser] ten aanzien van de bedrijfsruimte gevorderd te bepalen dat de huurovereenkomst per 1 april 2019 zal zijn beëindigd wegens dringend eigen gebruik (art. 7:296 lid 1 sub b BW Pro), en
meer subsidiairop basis van een belangenafweging (art. 7:296 lid 3 BW Pro). [24] Ook heeft [eiser] gevorderd dat Snackbar Royal wordt veroordeeld tot ontruiming en tot betaling van achterstallige huur.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1ais het hof, door te beoordelen of de tekortkoming te gering is om de ontbinding (en haar gevolgen) te rechtvaardigen, buiten de door partijen getrokken grenzen van de rechtsstrijd getreden. Het hof miskent dat er geen ruimte meer was om het door de kantonrechter verworpen verweer van Snackbar Royal, dat de tekortkoming te gering was om de ontbinding te rechtvaardigen, in hoger beroep op grond van de positieve zijde van de devolutieve werking te beoordelen, nu Snackbar Royal dit verweer heeft prijsgegeven, aldus de klacht.
Eigen Haard-arrest [27] heeft vooropgesteld dat de in art. 6:265 lid 1 BW Pro neergelegde hoofdregel en tenzij-bepaling tezamen de materiële rechtsregel tot uitdrukking brengen dat, kort gezegd, slechts een tekortkoming ‘van voldoende gewicht’ recht geeft op (gehele of gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst (rov. 3.5). Bij de toepassing van de tenzij-bepaling dienen in beginsel álle omstandigheden van het geval te worden betrokken:
[…] / […], rov. 3.3, en voor het huidige recht onder meer HR 27 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2789,
NJ1999/197, rov. 3.4 (
[…] / […]).
gezien haar geringe betekenis’ af dat het hof toetst of het niet betalen van huur in de periode vanaf januari 2018 (kwantitatief) van te geringe betekenis is om de ontbinding te rechtvaardigen. Ik meen dat ook die lezing niet juist is. Weliswaar zouden de door het hof gekozen woorden op het eerste gezicht verwarring kunnen wekken, maar onder meer uit het vervolg in rov. 3.4.2 (waar een verwijzing naar de ‘geringe betekenis’ overigens ook niet meer voorkomt) volgt wat het hof daadwerkelijk heeft bedoeld. Het hof stelt hierin het oordeel van de kantonrechter, dat het niet betalen van huur in kwantitatief opzicht geen tekortkoming van geringe betekenis is, niet opnieuw ter discussie. Het hof beoordeelt slechts of de bijzondere omstandigheden van het geval maken dat de ontbinding (toch) niet gerechtvaardigd is. Bovendien volgt uit hetgeen het hof in rov. 3.3.1 tot en met 3.3.6 heeft overwogen dat het hof juist ervan uitgaat dat na 1 januari 2018 huurtermijnen verschuldigd waren en dat Snackbar Royal deze niet tijdig heeft betaald. Gelet op het voorgaande mist de klacht feitelijke grondslag.
onderdeel 1cdat het hof miskent dat wanneer de devolutieve werking meebrengt dat een verworpen verweer van thans geïntimeerde – in dit geval dat de tekortkoming te gering was om de ontbinding te rechtvaardigen – alsnog dient te worden beoordeeld, die devolutieve werking meebrengt dat dan óók in de beoordeling dient te worden betrokken wat door appellante in eerste aanleg tegen dat verweer is aangevoerd. Gelet op het voorgaande kan ook deze klacht niet slagen.
voortsde klacht dat het hof niet voldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd dat [eiser] de (door Snackbar Royal aangedragen) omstandigheden waarop het hof zijn oordeel doet steunen onvoldoende zou hebben bestreden (rov. 3.4.2, eerste volzin). Het onderdeel werkt dit onder 48 tot en met 62 van de procesinleiding ten aanzien van de hierna te bespreken vier omstandigheden nader uit.
onderdeel 1dwordt onder verwijzing naar onderdeel 1c de klacht herhaald over het oordeel dat [eiser] de aangedragen omstandigheden onvoldoende heeft weersproken. Nu deze klacht hiervoor reeds aan de orde is gekomen, behoeft deze hier geen bespreking meer.
Eigen Haard-arrest bepalend, namelijk kort gezegd dat in beginsel alle omstandigheden van belang zijn. Dit betekent weliswaar dat óók de belangen van partijen hierbij een rol kunnen spelen, maar niet dat het om een loutere belangenafweging gaat. Voor zover het onderdeel anders betoogt, gaat het naar mijn mening uit van een onjuiste rechtsopvatting.
voortsover geklaagd dat wanneer het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, het oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd omdat het een dertigtal (in procesinleiding nr. 79 onder a. t/m dd vermelde) essentiële stellingen niet kenbaar in zijn beoordeling heeft meegewogen.
onderdeel 3bdat het oordeel van het hof niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd omdat in het licht van de richtlijn ‘aanbeveling huurachterstand’ de tekortkoming bestaande uit het niet betalen van huur in 2018, of vanaf 8 mei 2018, alleen al significant genoeg zou zijn voor de ontbinding. De klacht mist feitelijke grondslag, nu [eiser] geen beroep [39] heeft gedaan op deze richtlijn. Bovendien is de richtlijn bedoeld voor verstekzaken en meer in het bijzonder voor huur van woonruimte. Overigens gaat het onderdeel er ook aan voorbij dat het hof er nu juist vanuit is gegaan dat de huurachterstand zelf wél voldoende was voor een ontbinding, maar dat bijzondere omstandigheden maakten dat de tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigde.
Bab/Cordial-arrest uit 2016 [42] heeft uw Raad verwoord wat nodig is voor een beroep op rechtsverwerking:
NJ1998/621 en HR 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0543,
NJ2013/317). Tijdsverloop kan wel als een van de relevante omstandigheden meewegen bij beoordeling van de vraag of de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid.”
onderdeel 4bdat het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Er wordt op gewezen dat uit artikel 6:37 BW Pro volgt dat onduidelijkheid over degene aan wie betaald moet worden tot opschorting leidt, en dus niet tot rechtsverwerking kan leiden.
onderdeel 4cwordt wederom geklaagd dat hof onvoldoende duidelijk zou maken waarin voor Snackbar Royal het nadeel zou schuilen. Deze klacht deelt het lot van de eerste klacht van onderdeel 4a.
onderdeel 4egeklaagd dat het onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.2.5 [eiser] (in het kader van de rechtsverwerking) zijn stilzwijgen aanrekent over zijn vanaf 2011 ondernomen pogingen om het pand te verwerven, omdat de vordering tot betaling van achterstallige huur over de periode voor 1 januari 2018 niet is gebaseerd op de omstandigheid dat hij nu eigenaar van het gebouw is, maar op de cessie van deze rechten eerst kort voor 1 januari 2018.