Conclusie
Inleiding
Het eerste middel
rechtbankd.d. 22 juni 2021 heeft de verdachte onder meer het volgende verklaard:
hofvan 6 januari 2022 bevat onder meer de volgende verklaring van de verdachte:
geensprake is van een bekennende verklaring als bedoeld in art. 359, derde lid tweede volzin, Sv. Wat betreft de onderhavige zaak is van belang de vraag of de verklaring van de verdachte dat een fatale afloop niet zijn bedoeling was een ontkenning van het voor doodslag vereiste opzet impliceert. Deze vraag doet denken aan HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9408,
NJ2008/251. Toen had de verdachte van (onder meer) doodslag verklaard dat hij met het mes had gestoken maar daarbij niet de bedoeling had iemand te doden. De Hoge Raad oordeelde dat deze verklaring niet inhield dat de verdachte erkende dat zijn opzet ten tijde van het plegen van dit feit gericht was op het steken in (onder meer) de hartstreek. Omdat de verklaring van de verdachte niet alle onderdelen van het bewezenverklaarde betrof, was het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte het bewezenverklaarde duidelijk en ondubbelzinnig had bekend in de zin van art. 359, derde lid, Sv onbegrijpelijk, aldus de Hoge Raad. [3]
nietverdachtes gedraging zelf (zoals in de tenlastelegging en in eerste aanleg in de bewezenverklaring is omschreven) willen ontkennen, doch enkel de
strafbaarheidvan deze gedraging c.q. de strafbaarheid van de verdachte willen weerspreken. [4] Het aanvoeren van de rechtvaardigingsgrond noodweer brengt niet mee dat de verdachte het bewezenverklaarde niet heeft bekend, aangezien de wederrechtelijkheid geen (ingeblikt) bestanddeel van de delictsomschrijving van art. 287 Sr Pro (doodslag) uitmaakt. [5]
Het in de overige middelen bestreden oordeel van het hof en het verweer van de verdediging
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
uridisch kader (putatief) noodweer en noodweerexces
NJ2016/316, m.nt. Rozemond tot uitgangspunt te worden genomen (de in dit overzichtsarrest opgenomen voetnoten heb ik hier weggelaten):
Inleiding
Het tweede middel (aangaande feit 1) en de bespreking daarvan
geheel zwartwapen dat gedragen zou [zijn] door een andere getinte man dan het slachtoffer, terwijl zijn omschrijving van deze man niet zonder meer overeenkomt met een van de andere betrokkenen”;
Het derde, het vierde en het vijfde middel (alle met betrekking tot feit 1) en de bespreking daarvan
lotsom