Conclusie
Nummer23/04537
Inleiding
“verkrachting”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertig maanden, met aftrek van voorarrest. [1] Daarnaast heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van de schadevergoedingsvorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
De middelen
De bewezenverklaring
De bewijsvoering
“Overwegingen met betrekking tot het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde
Overweging ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde
Het eerste middel
Een nadere omschrijving van het eerste middel
“heel wezenlijke en indringend naar voren gebrachte onderdelen die de kern van het aan de verdachte gemaakte verwijt raken, geheel onbesproken heeft gelaten”. In het licht van de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten, zoals (samengevat) weergegeven op pagina 9 van de cassatieschriftuur, en mede in aanmerking genomen dat het steunbewijs grotendeels van de aangeefster afkomstig is en daardoor niet zonder meer ‘voldoende steun’, als bedoeld in artikel 342 lid 2 Sv Pro, oplevert, heeft het hof – zo betoogt de steller van het middel – onvoldoende gerespondeerd op het ter terechtzitting in hoger beroep ingenomen standpunt dat de verklaring van de aangeefster onbetrouwbaar is, althans is de bewezenverklaring niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd.
De bespreking van het eerste middel
ook zelf verantwoordelijk (zou) maken voor de verbroken vriendschap, zodat het volledig op zich nemen van de verantwoordelijkheid voor de situatie door verdachte niet voor de hand ligt”.In zijn oordeel dat de verklaring van de aangifte voldoende wordt ondersteund door het overige bewijs, heeft het hof bovendien nog betrokken (i) dat, zo volgt eveneens uit de chatgegevens, de aangeefster kort na het voorval aan de getuige [betrokkene 1] (tevens de vriendin van de verdachte) heeft verteld dat zij is verkracht, (ii) dat de getuige [betrokkene 3] heeft verklaard dat de aangeefster haar de ochtend na het voorval heeft verteld wat haar die nacht was overkomen, en (iii) dat de inhoud van de verklaring van [betrokkene 3] strookt met de latere aangifte.
Het tweede middel
ten aanzien van feit 2onvoldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen.
De toelichting op het tweede middel
“dat aangeefster direct na het gebeuren een goede vriend heeft gebeld en aan hem vertelde wat zij later in de aangifte ook heeft verteld”en (ii) dat de aangeefster
“kort na het voorval haar ervaring met verdachte in diens auto ook aan haar moeder heeft verteld”, terwijl het hof die feiten en omstandigheden voor de bewijsvoering wel (mede) redengevend heeft geacht.
De bespreking van het tweede middel
“niet zichzelf was”, dat zij geen emotie had, en verdoofd was, en ook dat haar dochter sinds een paar dagen slecht slaapt en dat zij verdrietig en kwaad is.
een kortna het delict (hierop kom ik onder randnummers 22 en 23 nog terug) omschreven eigen waarneming bevat van de door haar bij de aangeefster na het voorval getoonde (“
verdoofde”) fysieke en/of emotionele gemoedstoestand, welke gepaard ging met gedragsverandering, kwaadheid, verdriet en slapeloosheid. [6]
“dat aangeefster direct na het gebeuren een goede vriend heeft gebeld en aan hem vertelde wat zij later in de aangifte ook heeft verteld”en (ii) dat de aangeefster
“kort na het voorval haar ervaring met verdachte in diens auto ook aan haar moeder heeft verteld”, het volgende.
“Ik weet zeker dat ik vlak na het feit [betrokkene 5] heb gebeld. Ik heb het niet een dag voor me gehouden en ermee rond gelopen”. Tussen de stukken bevindt zich bovendien een getuigenverklaring van [betrokkene 5] waaruit (kort gezegd) volgt dat de aangeefster hem heeft opgebeld en hem heeft verteld wat haar is overkomen. [9]
“kort na het voorval”heeft ingelicht [10] – ook hier een blik achter de papieren muur uitwijst dat de moeder van de aangeefster heeft verklaard dat de aangeefster op 28 oktober 2020 heeft verteld dat zij op 26 oktober 2020 is verkracht. [11]
Het derde middel en de toelichting daarop
De bespreking van het derde middel
“ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde” geciteerde nadere bewijsoverweging van het hof (zie randnummer 6), waaruit volgt dat het hof zich heeft beroepen op de vaststelling dat de verdachte zich telkens ter bevrediging van zijn seksuele lustgevoelens aan zijn beide slachtoffers – die elkaar overigens niet kennen – heeft opgedrongen, en dat hij jegens de slachtoffers geweld heeft aan gewend om – als zij weerstand boden – toch zijn zin door te drijven. In de toelichting op het middel wordt het gebruik van deze overweging voor de bewijsvoering ter discussie gesteld.
de wijze waaropde onderscheidene feiten zijn begaan’ op essentiële punten overeenkomt, [13] ook essentiële overeenkomsten in ‘
de omstandigheden waaronderde feiten zijn begaan’ kunnen aanleiding geven voor de toepassing van een schakelbewijsconstructie. [14]
kunnennemen, dat twee onafhankelijk van elkaar afgelegde getuigenverklaringen uitwijzen dat de verdachte zich telkens ter bevrediging van zijn seksuele lustgevoelens aan zijn beide slachtoffers heeft opgedrongen en dat hij zodra zij weerstand boden “
om toch zijn zin door te drijven” jegens hen geweld heeft aangewend. Nadat het hof omstandig uiteen heeft gezet wat die getuigenverklaringen inhouden en op welke gronden het hof daaraan geloof heeft gehecht, had het hof – anders dan de steller van het middel kennelijk ingang wil doen vinden – niet nogmaals méér specifiek uiteen hoeven zetten waarom het in deze zaken kenmerkende (en veelbetekenende) overeenkomsten heeft waargenomen. Dat is, lijkt mij, wel duidelijk.