Conclusie
1.Overzicht van de zaak en de conclusie
samenstelbepaling van art. 16(d) Wet WOZ. Die bepaling houdt in dat voor toepassing van de Wet WOZ als één onroerende zaak wordt aangemerkt een samenstel van twee of meer (gedeelten van) eigendommen die bij de belastingplichtige in gebruik zijn, en “die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren”. Het geschil in deze zaak spitst zich toe op die laatste zinsnede in de context van het geval van belanghebbende, te weten onroerende zaken die
twee locatiesvormen
van een (glas)tuinbouwkwekerij. De Heffingsambtenaar heeft voor elk van de twee onroerende zaken afzonderlijk een WOZ-beschikking gegeven. Belanghebbende meent dat de objectafbakening onjuist is, omdat in haar optiek de onroerende zaken tezamen één samenstel vormen.
beroep in cassatieingesteld en daarbij
vier cassatiemiddelenvoorgesteld.
toch een conclusieneem, heeft de volgende samenhangende redenen. Belanghebbende legt met zijn
eerste middeleen
rechtsvraagvoor, die betrekking heeft op de interpretatie van het zogenoemde
Schiphol-arrest. De beslissing in deze zaak heeft daarnaast een uitstralingseffect en daarmee een
zaaksoverstijgend belang(zie onderdeel 4 van deze conclusie). Andere (glas)tuinbouwbedrijven met meer dan een locatie nemen namelijk hetzelfde standpunt in als belanghebbende met haar eerste middel. Deze procedure is een van de drie
proefproceduresdie in dat verband aanhangig zijn gemaakt. Eén van de andere twee heeft inmiddels ook de Hoge Raad bereikt (4.4). Het materiële belang van de kwestie is gelegen in de
energiebelasting. Er wordt inmiddels over de samenstelbepaling ook geprocedeerd in het kader van de energiebelasting (4.5).
opbouw. Na
onderdeel 2(de feiten en het oordeel van het Hof) behandelt
onderdeel 3het geding in cassatie. Ik meen dat nadere uitgangspunten in cassatie kunnen worden vastgesteld (3.9), naast de feiten die het Hof onder de feitenvaststelling heeft opgenomen.
Onderdeel 4schetst de achtergrond van deze (proef)procedure.
Onderdeel 5bevat gegevens over de samenstelbepaling: wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur.
beschouwing. Na enige algemene observaties (6.1-6.6), ga ik in op het Schiphol-arrest (6.7-6.15). Belanghebbende interpreteert dat arrest zo dat voor de vraag of er sprake is van een samenstel, beslissend is of de eigendommen door een bedrijf worden gebruikt dat als één samenhangend geheel moet worden beschouwd en de eigendommen door dat bedrijf voor één organisatorisch doel worden aangewend. Ik meen dat die interpretatie te ruim en daarmee onjuist is (6.9): het door belanghebbende voorgestane beslissingscriterium is in het Schiphol-arrest geformuleerd in de context van eigendommen “die onmiskenbaar een geografisch samenhangend geheel vormen”. Vervolgens behandel ik of, en zo ja, wat uit het Schiphol-arrest in algemene zin kan worden afgeleid, juist omdat uit feitenrechtspraak en literatuur volgt dat het Schiphol-arrest niet eenduidig wordt geïnterpreteerd (6.10-6.13). De Hoge Raad zou de onderhavige zaak wellicht kunnen aangrijpen om meer helderheid te geven over de reikwijdte van wat in het arrest is geoordeeld over de samenstelbepaling. Tot slot signaleer ik dat een vraagpunt is of de afzonderlijke verkoopbaarheid een factor van belang is bij de beoordeling of eigendommen kunnen worden aangemerkt als een samenstel (6.16-6.18).
beoordeling van de middelen. Gelet op mijn beschouwing faalt het eerste middel. Dat lot zouden naar mijn mening ook de drie andere middelen moeten hebben: mijn nadere blik, na analyse van diverse (rechts)bronnen en de middelen, heeft de – in 1.4 vermelde – eerste blik niet gewijzigd.
ongegrond.
2.De feiten en oordeel Hof
3.Het geding in cassatie
eerstecassatiemiddel bepleit dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat geen beslissende kracht wordt toegekend aan de over de locaties verspreide indeling van het productieproces, overige uitwisseling van personeel en goederen en de complementaire inrichting van de onroerende zaken. De daadwerkelijke onderlinge samenhang tussen de onroerende zaken dient beoordeeld te worden, waarbij de feitelijke bedrijfsvoering met onderlinge interactie tussen de onroerende zaken beslissend is, aldus belanghebbende. Daar is in casu volgens belanghebbende aan voldaan.
tweedecassatiemiddel stelt dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de afzonderlijke verkoopbaarheid en bruikbaarheid van de onroerende zaken een criterium is dat betrokken dient te worden in de beoordeling of sprake is van een samenhangend geheel.
derdecassatiemiddel houdt in dat het Hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 april 2018 terzijde heeft gesteld door onvoldoende te motiveren waarom in het onderhavige geval geen sprake is van een ‘zeer grote afhankelijkheidsrelatie’ tussen de twee locaties.
vierdecassatiemiddel is gericht tegen de, in de visie van belanghebbende, te grote waarde die het Hof heeft gehecht aan de geografische samenhang tussen de twee onroerende zaken.
4.Achtergrond van deze (proef)procedure
5.De samenstelbepaling (art. 16(d) Wet WOZ)
Belastingblad1995, p. 309, ten aanzien waarvan kan worden verdedigd dat deze eigendommen, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren. In het geval van de Nederlandse Spoorwegen dient men echter in het oog te houden dat een belastingobject zich niet kan uitstrekken tot over de gemeentegrens heen.
6.Beschouwing
Algemeen
nietdoorslaggevend (5.8), en is de factor of derden een samenhang kunnen waarnemen
nietals enige beslissend (5.11).
nietin het algemeen voor in een bedrijf aangewende (gedeelten van) eigendommen geoordeeld dat, voor beantwoording van de samenstel-vraag, beslissend is of het bedrijf als één samenhangend geheel moet worden beschouwd, waarbinnen alle (gedeelten van) eigendommen voor één organisatorisch doel worden aangewend. De Hoge Raad heeft dat criterium geformuleerd in het kader van de door de belanghebbende in die zaak in haar bedrijf aangewende (gedeelten van) eigendommen. Juist door het opnemen van de tussenzin “die onmiskenbaar een geografisch samenhangend geheel vormen” tussen gedachtestrepen laat de Hoge Raad bovendien zien wat relevant is in het geval van die belanghebbende. Overigens meen ik dat voor de opvatting van belanghebbende ook geen steun is te vinden in de uitspraak van rechtbank Oost-Brabant. Daaruit volgt niet dat die rechtbank van opvatting is dat alleen de organisatorische samenhang beslissend is (met voorbijgaan aan geografische omstandigheden). Ook overigens is voor de opvatting van belanghebbende geen steun te vinden in de feitenrechtspraak en literatuur, met uitzondering van mogelijk Kats (5.30).
indiendie (gedeelten van) eigendommen onmiskenbaar een geografisch samenhangend geheel vormen, of dat bedrijf als één samenhangend geheel moet worden beschouwd, waarbinnen alle (gedeelten van) eigendommen voor één organisatorisch doel worden aangewend. Deze subregel is aldus opgebouwd uit een voorwaarde voor de toepassing (toepassingscriterium) en een beslissingscriterium. Ook een deel van de feitenrechtspraak en de literatuur gaat er (kennelijk) van uit dat uit het Schiphol-arrest een regel is af te leiden (bijv. 5.17, 5.19, 5.21, 5.25, 5.26 en 5.29), zij het dat de regel soms net wat anders wordt geformuleerd.
Indien daarentegen niet aan het toepassingscriterium (onmiskenbaar een geografisch samenhangend geheel) is voldaan, dan sluit dat niet uit dat wel sprake is van een samenstel. Het enige wat het niet-voldoen aan het toepassingscriterium meebrengt, is dat de subregel niet van toepassing is. Dat betekent ook dat ‘gewoon’ een open (niet door subcriteria ingekaderde) weging van de omstandigheden moet plaatsvinden. Als de geografische samenhang in minder sterke mate aanwezig is, zullen andere factoren zoals organisatorische of functionele samenhang in sterkere mate aanwezig moeten zijn, wil sprake zijn van een samenstel (vgl. Bosma in 5.29). Deze benadering – die inhoudt dat de omstandigheid dat eigendommen
nietonmiskenbaar een geografisch samenhangend geheel vormen, niet doorslaggevend is – komt (impliciet) ook terug in een deel van de feitenrechtspraak en de literatuur (naast de onderhavige uitspraak ook 5.18, 5.19, 5.20, 5.24, 5.26, 5.27, 5.28, en 5.29). Wel lijkt gerechtshof Den Haag (in een andere zaak) een andere opvatting te hebben (zie 5.17). [67]
vice versa). Díe onderliggende omstandigheden lijken mij veeleer van belang te zijn dan de afzonderlijke verkoopbaarheid als zodanig.
7.Beoordeling van de middelen
Eerste middel
in het algemeenniet van belang is bij de beoordeling of sprake is van een samenstel (vgl. 6.16 en 6.18), dit belanghebbende niet kan baten. Het oordeel van het Hof is namelijk nog steeds toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk, indien de afzonderlijke verkoopbaarheid buiten beschouwing zou worden gelaten. Bovendien zou ik de overweging van het Hof wat betreft de afzonderlijke verkoopbaarheid zo willen begrijpen dat het Hof daarmee – in combinatie met de afzonderlijke bruikbaarheid – een motivering heeft gegeven voor zijn in rov. 6.4 gegeven oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de locaties dienstbaar aan elkaar zijn. Dat laatste oordeel is trouwens in cassatie niet met zoveel woorden bestreden door belanghebbende.