Conclusie
Inleiding
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsmotivering
De verklaring van de verdachte.
Een proces-verbaal van aangifte met bijlagend.d. 8 november 2019 van de politie eenheid Den Haag, dienst regionale recherche, afdeling thematische opsporing, team zeden, met nr. PL1500-2019294474-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – […]:
[Ik, A-G, merk op dat dit bericht is afgesloten met een zogenaamd ‘grimas emoji’, die volgens een zoekslag op Google uitdrukking geeft aan onder meer nervositeit, verlegenheid, spanning of onhandigheid]
Een proces-verbaal van verhoorgetuige d.d. 8 januari 2020 van de politie eenheid Den Haag, dienst regionale recherche, afdeling thematische opsporing, team zeden, met nr. PL1500-2019294474-3. Dit proces verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
Algemeen kader
Het eerste cassatiemiddel en de bespreking daarvan
NJ2009/496, m.nt. Borgers: “Het zou overbodig moeten zijn, maar omdat een misverstand gemakkelijk wordt gewekt merk ik toch nog het volgende op. Over de betrouwbaarheid van het bewijs kan in cassatie niet geoordeeld worden. Mijn punt is dan ook niet dat de verklaring van aangeefster geen geloof verdient. Mijn punt is wel dat het geloof in de verklaring van één enkele getuige een onvoldoende waarborg biedt tegen een unsafe conviction. De rechter moet niet alleen subjectief overtuigd zijn, het moet daarnaast boven redelijke twijfel verheven zijn dat die overtuiging juist is. Dat vergt een zekere objectivering, en daarmee een nauwkeurige argumentatie, een verantwoording van het bewijsoordeel die inzichtelijk maakt hoe de rechter heeft geredeneerd en die duidelijk maakt waarom er in redelijkheid niet aan de juistheid van zijn oordeel kan worden getwijfeld.” Overwegingen omtrent de betrouwbaarheid van de verklaring van een aangever kunnen het ontbreken van steunbewijs weliswaar niet compenseren [7] , maar dat neemt volgens Corstens/Borgers & Kooijmans niet weg dat zij wel van betekenis kunnen zijn voor de eisen ter zake van de voldoende steun; hoe robuuster de getuigenverklaring, des te minder groot de behoefte aan nadere controle. [8]
NJ2018/297, m.nt. Rozemond. Getuigen hadden verklaard dat de aangeefster ten tijde van het misbruik op verschillende plekken en momenten bij de verdachte had gelogeerd. De verdachte erkende dat hij in de bewezenverklaarde periode in het bijzijn van de aangeefster was geweest. Daarnaast was er nog de verklaring van de dochter van de verdachte dat hij “vrij dringend was”. De Hoge Raad overwoog dat de “aanwezigheid van de verdachte in het bijzijn van de aangeefster in zijn woning, op een camping en in zijn vakantiehuisje, en de – niet op specifieke omstandigheden betrekking hebbende – verklaring van de dochter van de verdachte over diens "dwingende, geen weigering duldende handelwijze"” onvoldoende steun boden aan de verklaring van de aangeefster. Kennelijk stonden deze omstandigheden in een te verwijderd verband met de bewezenverklaarde gedraging. [9]
NJ2014/329, m.nt. Rozemond de aangeefster verklaard dat zij tijdens het oppassen door haar oom was misbruikt. Bij dit misbruik had de laatstgenoemde volgens de aangeefster pornoboekjes gebruikt om haar te leren hoe ze hem moest bevredigen. De verklaring van de verdachte dat hij in de bewezenverklaarde periode op de aangeefster had gepast, bood mèt de vaststelling dat in de woning pornoboekjes aanwezig waren, voldoende bewijssteun aan de verklaring van de aangeefster. In HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1728,
NJ2010/612, m.nt. Borgers ging het om schennis van de eerbaarheid in een park. Het steunbewijs voor de verklaring van het meisje (9 jaar oud) was gelegen in de verklaring van de verdachte dat hij op dat moment in het park aanwezig was in samenhang met zijn verklaring dat hij naar de kinderen was toegelopen en hun had geholpen met het zoeken van een fietssleutel èn de verklaring van de broer (13 jaar oud) van het meisje dat hij had gezien dat zijn zusje en haar vriendinnetje bij het weglopen van de verdachte “vies” keken, waarna het meisje hem vertelde dat de verdachte zijn geslachtsdeel had laten zien. De Hoge Raad oordeelde dat niet kon worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaringen van B. onvoldoende steun vinden in het overige gebezigde bewijsmateriaal. Uit dit arrest meen ik te kunnen opmaken dat naast de aanwezigheid van de verdachte ter plekke de door de broer waargenomen ‘vieze blik’ van diens zusje en haar vriendinnetje hier van betekenis is geweest. [10]
Het tweede cassatiemiddel en de bespreking daarvan
Ontbreken opzet
Slotsom