ECLI:NL:PHR:2024:661

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juli 2024
Publicatiedatum
19 juni 2024
Zaaknummer
22/01804
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.C OpiumwetArt. 26 WWMArt. 31 WWMArt. 55 WWMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt opzettelijk aanwezig hebben van ruim een kilo hennep in schuur verdachte

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 1.021 gram hennep in een plastic zak in de schuur achter zijn woning te Zwolle. De verdediging voerde aan dat de schuur vrij toegankelijk was voor meerdere personen en dat niet kon worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de hennep.

Het hof oordeelde dat verdachte wetenschap had van de hennep, omdat de zak in zijn schuur werd aangetroffen en de eigenaar in het algemeen verantwoordelijk is voor goederen in zijn huis of schuur. Het verweer dat anderen de hennep hadden geplaatst, werd niet aannemelijk geacht vanwege het ontbreken van concrete onderbouwing.

De advocaat-generaal concludeert dat het hof zijn oordeel toereikend heeft gemotiveerd en dat de bewezenverklaring niet ontoereikend is. Tevens wordt ambtshalve opgemerkt dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, maar dat dit geen gevolgen heeft voor het oordeel. De conclusie van de AG strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor het opzettelijk aanwezig hebben van ruim een kilo hennep wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/01804
Zitting2 juli 2024

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 13 mei 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle , wegens 1. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II of III en handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II en III” en 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest.
Er bestaat samenhang met de zaken 22/01865 en 22/01977. In de zaak 22/01865 zal ik vandaag ook concluderen. In de zaak 22/01977 zijn geen middelen ingediend en heeft de Hoge Raad reeds uitspraak gedaan.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en D.R. Kops, advocaat in Breukelen, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
4.1
Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit ontoereikend is gemotiveerd.
4.2
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij op 4 juni 2018 te Zwolle , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1.021 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
4.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende (promis)bewijsoverwegingen van het hof (met weglating van voetnoten):
“Overweging met betrekking tot het bewijs
[…]
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. […]
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de zak met hennep in zijn schuur. De schuur zat immers niet op slot en was voor eenieder toegankelijk.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de rechtbank tot de juiste bewijsbeslissing is gekomen en zal de motivering in het vonnis overnemen en op onderdelen aanvullen.
[…]
Ten aanzien van feit 2
Op 4 juni 2018 vond een doorzoeking plaats in de woning van verdachte. Tijdens de doorzoeking werd een plastic zak met hennep aangetroffen in de schuur achter de woning van verdachte. Deze werd inbeslaggenomen.
Het resultaat van een test met betrekking tot de inhoud van de zak met behulp van een drugstestkit was - op basis van kleur, geur en samenstelling - positief ten aanzien van cannabis, een middel op lijst II Opiumwet. Het gewicht van de zak wiet was 1.021 gram. In genoemd proces-verbaal staat onder ‘Testen’ abusievelijk de naam ‘ [naam] ’ vermeld. In een aanvullend proces-verbaal heeft [verbalisant] gerelateerd dat de zak wiet niet bij medeverdachte [naam] werd aangetroffen maar in een schuur achter de woning van verdachte [verdachte] aan de [a-straat 1] te [plaats] .
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wetenschap heeft gehad ten aanzien van deze zak hennep. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de zak met hennep in zijn schuur is aangetroffen, en dat in het algemeen geldt dat de eigenaar verantwoordelijk is voor de goederen die in huis of schuur liggen. Dat is in dit geval niet anders.
Namens verdachte is aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat hij wetenschap had van de aanwezigheid van de zak met hennep in zijn schuur, aangezien de schuur vrij toegankelijk is en veel mensen daar in- en uitlopen. Die verklaring, waarmee gesuggereerd wordt dat een ander de zak met hennep in de schuur heeft neergezet, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Het hof verwerpt het verweer.
Gelet op het bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 4 juni 2018 ruim één kilo hennep voorhanden heeft gehad.”
4.4
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2022 blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte daar het woord heeft gevoerd overeenkomstig een per e-mail overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in (met weglating van voetnoten):

“FEIT 2: HENNEP

11. In een schuur wordt bij de doorzoeking een tas met hennep aangetroffen. Cliënt heeft verklaard die tas nooit te hebben gezien en dat de hennep niet van hem is.
12. De hennep zou zijn aangetroffen in een schuur, waarbij nog de nodige vraagtekens zijn welke schuur dit is. Maar zelfs als we er vanuit gaan dat het de schuur van cliënt is, dan heeft hij daar over verklaard dat de schuur nooit op slot is en dat meerdere personen daar in kwamen.
13. Normaliter is de eigenaar van een pand verantwoordelijk voor hetgeen daar in wordt aangetroffen, hetgeen de rechtbank ook als uitgangspunt heeft genomen. Dit is echter anders wanneer er omstandigheden zijn die anders doen vermoeden. Dat is in onderhavige zaak aan de orde.
14. Het betreft een locatie op een woonwagenkamp, waar meerdere personen toegang toe hadden. Dit blijkt inmiddels ook uit de jurisprudentie, die enigszins een vastere vorm op dit gebied begint aan te nemen.
In een arrest casseerde de Hoge Raad een uitspraak van het hof waarin door het hof was beslist dat een verdachte 4 XTC pillen in een keukenkastje van een woning waar hij de hoofdbewoner was opzettelijk aanwezig had gehad.
De Hoge Raad overwoog (r.o. 2.3):
“Het hof heeft zijn oordeel, dat de verdachte de in dit verband vereiste bewustheid had van de aanwezigheid van de vier XTC-tabletten in het keukenkastje, immers slechts erop gebaseerd “dat verdachte reeds gedurende langere tijd de hoofdbewoner van de woning was en toegang had tot alle in de woning aanwezig ruimten en plaatsen waar de verdovende middelen zijn aangetroffen. Die motivering is niet toereikend.”. Hier ging het zelfs om de hoofdbewoner. De enkele omstandigheid dat cliënt er toegang toe had en wetenschap op had is hiervoor ook onvoldoende.
Dit is in lijn met de Hoge Raad. In dit tweede arrest casseerde de Hoge Raad een uitspraak van het hof die een verdachte had veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van hennep omdat er in de woning waarin zij verbleef een hennepkwekerij van een medeverdachte was aangetroffen waar de verdachte wetenschap van had. Ondanks wetenschap en beschikking tot de hennep was dit onvoldoende om tot het medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben te kunnen komen.
Hoge Raad 14 juni 2011 UN BQ3804: wapen in kantoorruimte
Een wapen werd gevonden in een opbergdoos in een kast van de kantoorruimte van verdachte. De raadsman van verdachte heeft aangegeven dat er vele momenten zijn zijn dat andere personen toegang hebben tot de plek waar het wapen is gevonden. Desondanks oordeelde het hof dat verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen. De Hoge Raad achtte dit oordeel niet zonder mee begrijpelijk en vernietigde de uitspraak van het hof.
15. In deze zaken zijn het dus zelfs de bewoners die dagelijks aanwezig waren op de specifieke locatie en daar dus gebruik van maakten. Zelfs in die zaken was er onvoldoende wetenschap c.q. beschikkingsmacht om tot een veroordeling te komen. In de zaak betreffende het wapen was een belangrijke overweging dat andere personen toegang hadden tot de plaats waar het wapen was gevonden.
16. Dit is slechts een zeer beperkte greep in de jurisprudentie omtrent beschikkingsmacht. Nu deze lijn inmiddels vaak terug komt in de jurisprudentie, ga ik niet alle relevante uitspraken aan u voorhouden, maar heb ik de meest typerende voor de zaak van cliënt zojuist met u besproken. Een aantal andere belangrijke uitspraken heb ik hier onder opgesomd:
Hoge Raad 2 februari 2010 UN BK6138: wapens over het hoofd gezien, geen meer of mindere mate van bewustzijn
Hoge Raad 25 januari 2011 UN BN4133: wapen in afzuigkap
Gerechtshof Den Haag d.d. 27 april 2011, ECU:NL:2011:BR5078: in ontvangst nemen pakketje heroïne. Geen wetenschap.
Hoge Raad 14 juni 2016 ECU:NL:HR:2016:1194: zwijgrecht omtrent aantreffen wapen, ontbreken van een weerlegging kan geen wetenschap uit worden afgeleid
17. In de zaak van cliënt is dat nog dunner. Zo is niet vastgesteld dat cliënt gebruik maakte van de schuur, is hij daar niet geobserveerd, zijn er geen camerabeelden dat hij er naar binnen gaat en verklaart cliënt dat hij er juist geen gebruik van maakte. Derhalve kan in de lijn met de jurisprudentie niet worden vastgesteld dat cliënt wetenschap c.q. beschikkingsmacht heeft gehad.
18. Ik verzoek u cliënt derhalve vrij te spreken voor feit 2.”
4.5
Uit de toelichting op het middel leid ik af dat geklaagd wordt over het bewijs met betrekking tot het opzet van de verdachte op het aanwezig hebben van de onder 2 bewezenverklaarde hennep. Het hof zou zijn oordeel dat de verdachte wetenschap had van de hennep ontoereikend hebben gemotiveerd in het licht van wat door de verdediging is aangevoerd. Volgens de steller van het middel heeft de motivering van het hof veel weg van twee zaken waarin de Hoge Raad casseerde. [1]
4.6
Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. Handelen in strijd met art. 3, aanhef en onder C, Opiumwet (hierna: Ow), levert een misdrijf op wanneer wordt bewezenverklaard dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet. Het ‘aanwezig hebben’ in de zin van art. 3, aanhef en onder C, Ow vereist feitelijke macht over de verdovende middelen, waarmee wordt bedoeld dat de verdachte over die middelen kan beschikken. Het is daarvoor niet noodzakelijk dat de verdovende middelen in de directe nabijheid van de verdachte zijn, noch dat zij aan de verdachte toebehoren of dat de verdachte beschikkings- of beheersbevoegdheid heeft met betrekking tot de verdovende middelen. [2] Verder vereist opzet wetenschap van de aanwezigheid van de verdovende middelen, waarbij als ondergrens geldt dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. [3] Voor het bewijs van opzet wordt in Opiumwetzaken regelmatig gebruik gemaakt van algemene ervaringsregels. [4] Een algemene ervaringsregel is niet toereikend voor het bewijs van opzet wanneer die ervaringsregel in zijn algemeenheid niet opgaat, [5] of als de voorwaarden waarop dat uitgangspunt is gebaseerd in een specifiek geval niet zijn vervuld. [6]
4.7
In de onderliggende zaak is bewezenverklaard dat de verdachte op 4 juni 2018 ongeveer 1.021 gram hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad. Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat de hennep is aangetroffen in een plastic zak in de schuur achter de woning van de verdachte. De verdachte heeft ontkend dat hij wetenschap had van de aanwezigheid van de hennep. Daartoe heeft de raadsvrouw van de verdachte in hoger beroep aangevoerd dat de schuur, die zich op een woonwagenkamp bevond, nooit op slot was en meerdere personen in de schuur kwamen.
4.8
Het hof heeft geoordeeld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte wetenschap heeft gehad ten aanzien van de zak hennep. Dat oordeel berust op een tweetal gronden, te weten:
(i) dat de hennep is aangetroffen in de schuur van de verdachte en “in het algemeen geldt dat de eigenaar verantwoordelijk is voor de goederen die in huis of schuur liggen”, terwijl dat in dit geval niet anders is;
(ii) dat de verklaring van de verdachte, inhoudende dat de schuur vrij toegankelijk is en veel mensen daar in- en uitlopen, waarmee gesuggereerd wordt dat een ander de zak met hennep in de schuur heeft neergezet, niet aannemelijk is geworden.
4.9
Ik meen dat het hof zijn oordeel dat de verdachte de hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad, hiermee toereikend heeft gemotiveerd. Daartoe wijs ik op het volgende.
4.1
Hoewel de door het hof geformuleerde regel dat “in het algemeen geldt dat de eigenaar verantwoordelijk is voor de goederen die in [AG: ik begrijp ‘zijn of haar’] huis of schuur liggen”, strikt genomen een normatieve regel is, [7] kan hierin naar mijn mening de algemene ervaringsregel worden ingelezen dat de eigenaar van een schuur in beginsel weet wat zich in die schuur bevindt. [8] Dit lijkt mij een plausibel uitgangspunt, dat het hof in zijn bewijsvoering kon betrekken.
4.11
Bovendien heeft het hof bij zijn oordeel in aanmerking genomen dat de door de verdachte gestelde alternatieve gang van zaken niet aannemelijk is geworden. Daarmee heeft het hof niet de juistheid in het midden gelaten van een verweer van de verdachte. [9] Anders dan in de schriftuur is betoogd, heeft de motivering van het hof dan ook niet “veel weg van” de motivering van het hof in de zaak HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1459. De vergelijking met de zaak HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3804, gaat eveneens mank. Het hof had in die zaak vastgesteld dat de mogelijkheid bestond dat ook anderen dan de verdachte toegang hadden tot de ruimte waar de verdovende middelen waren aangetroffen. In de onderhavige zaak heeft het hof deze mogelijkheid niet aannemelijk geacht.
4.12
Ik acht het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte niet aannemelijk is geworden ook niet onbegrijpelijk in het licht van de onderbouwing van het verweer. Het verweer heeft niet meer om het lijf dan dat “de schuur nooit op slot is en dat meerdere personen daar in kwamen”. Het verweer is niet voorzien van enige onderbouwing of concretisering. Hoewel een nadere motivering door het hof niet misplaatst zou zijn, kon het hof vanwege de magere onderbouwing van het verweer in dit geval volstaan met het kale oordeel dat de door de verdachte gegeven verklaring niet aannemelijk is geworden. [10]
4.13
De bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep is toereikend gemotiveerd.
5. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
6. Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte cassatie is ingesteld op 16 mei 2022. Dat betekent dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, en de mate waarin de redelijke termijn zal worden overschreden, zal de Hoge Raad kunnen volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. [11]
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1459 en HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3804.
2.HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:622, r.o. 2.3.1 en 2.3.2 en HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1945,
3.Vgl. HR 3 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7435, r.o. 2.4.
4.Vgl. HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3056, r.o. 2.4 (“degene die doende is een door hem gehuurde woonruimte op te (laten) knappen en in te richten, [heeft] wetenschap […] van hetgeen zich in die woning bevindt”); HR 5 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY9993, r.o. 2.3 (“de eigenares van een tas als de onderhavige, waarin zich behalve een flesje met de in de bewezenverklaring bedoelde GHB, ook een aantal vrouwenartikelen, een gedeeltelijk verbruikte strip anticonceptiepillen en een ten haren name gestelde identiteitskaart bevonden, [pleegt] bekend […] te zijn met de inhoud van die tas”); HR 25 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9587, r.o. 5.2 (“de bestuurder, tevens enige inzittende, van een hem toebehorende personenauto, waarin zich een niet onaanzienlijke hoeveelheid heroïne bevindt, [pleegt] met de aanwezigheid van die heroïne in zijn auto bekend […] te zijn”) en HR 22 oktober 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9054,
5.Vgl. HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0095, r.o. 3.1.2.
6.Vgl. HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1545, r.o. 2.3.2. Het hof ging uit van de ervaringsregel dat “een huurder weet wat zich in zijn woning bevindt dan wel afspeelt”, terwijl het hof de juistheid van het verweer in het midden had gelaten dat de verdachte niet in dit pand, maar bij haar vriend woonde.
7.Vgl. ECLI:NL:PHR:2014:1889, onder 8.
8.Vgl. HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3056, r.o. 2.4.
9.Anders dan het hof had gedaan in HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1545, r.o. 2.3.2.
10.Vgl. HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359,
11.Vgl. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.2 en HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,