Conclusie
1.Trigonon Group N.V. (hierna: ‘Trigonon’)
Cyberluck Curaçao N.V.(hierna: ‘Cyberluck’)
(Trigonon en Cyberluck gezamenlijk hierna ook: ‘Trigonon c.s.’)
1.Feiten
deed of assignment(akte van cessie) getekend op 29 april 2019 vermeldt dat [betrokkene 2] , wonende in Canada, (hierna: ‘ [betrokkene 2] ’) al zijn vorderingen die voortvloeien uit zijn deelname aan spelen van online casino Osiris overdraagt aan SBGOK. [6]
deed of assignment(akte van cessie) getekend op 11 april 2019 vermeldt dat [betrokkene 3] , wonende in Turkije, (hierna: ‘ [betrokkene 3] ’) al zijn vorderingen die voortvloeien uit zijn deelname aan spelen van online casino Bahsine overdraagt aan SBGOK. [8]
2.Procesverloop
Eerste aanleg
gewoon” in de nakoming van een tussen de speler en het casino gesloten overeenkomst. Het gerecht heeft Trigonon veroordeeld tot betaling aan SBGOK van de tegenwaarde in NAƒ (Antilliaanse gulden) van ₺ 620.000 (rov. 14. en het dictum). De vordering jegens [betrokkene 1] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid heeft het gerecht afgewezen (rov. 16. en het dictum). Dat geldt ook voor de vordering jegens Cyberluck. Volgens het gerecht is niet gebleken van een fout (een toerekenbare onrechtmatige daad) van Trigonon en faalt daarom reeds het beroep van SBGOK op art. 6:171 Burgerlijk Pro Wetboek van Curaçao (hierna ook: ‘BWC’). Volgens het gerecht heeft SBGOK voor het overige onvoldoende onderbouwd waarin het onrechtmatige handelen van Cyberluck jegens [betrokkene 3] is gelegen (rov. 17. en het dictum).
belangrijkste vraag” vindt of Cyberluck (“
de vergunninghouder”) kan worden aangesproken voor de uitbetaling van prijzengeld als de online casino’s (zoals in dit geval het door Trigonon, onder een ‘sublicentie’ van Cyberluck, geëxploiteerde online casino Bahsine) daartoe niet overgaan. Het hof heeft eerst het toepasselijke wettelijke kader in kaart gebracht en heeft daarbij overwogen dat het ook relevant acht het kader waarin deze wetgeving tot stand is gekomen (rov. 2.10.).
Cramm v. Cyberluck c.s.(vonnissen van het Hof van 11 oktober 2022, ECLI:NL:OGHACMB:2022:104 en ECLI:NL:OGHACMB:2022:105), waartegen cassatieberoep is ingesteld [18] ), sprak het Hof van ‘een handjevol vergunninghouders [die] vele ‘sublicences’ uitgeven, met wereldwijd zeer vele spelwebsites en een enorme omzet’; in de processtukken van die zaken werd gesproken van een miljardenomzet wereldwijd.”
A-G], vloeit voort dat de vergunninghouder instaat voor uitbetaling van het regulier gewonnen prijzengeld. Deze in artikel 17 opgenomen Pro voorwaarden strekken onmiskenbaar ter bescherming van spelers die meedoen aan kansspelen bij de exploitatie van deze vergunning. Cyberluck behoort als vergunninghouder op de bescherming van die belangen bedacht zijn, moet zich die belangen aantrekken en heeft in die zin een bijzondere zorgplicht ten opzichte van de spelers. Door niet te waarborgen dat de onlinecasino’s zich houden aan de vergunningsvoorwaarden (met name het beschikbaar stellen van prijzengeld) en door niet adequaat te reageren op verzoeken van spelers om informatie daarover schendt Cyberluck deze zorgplicht. Door deze bijzondere zorgplicht te schenden pleegt Cyberluck als vergunninghouder een onrechtmatige daad jegens de spelers.”
Maakt de schuldenaar bij de uitvoering van een verbintenis gebruik van de hulp van andere personen, dan is hij voor hun gedragingen op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk”.
“(…) Overigens is hetzelfde effect eenvoudig langs contractuele weg te realiseren door het aangaan van contracten met Information Providers die op basis en onder verantwoordelijkheid van de vergunning van de vergunninghouder kunnen opereren bij de daadwerkelijke aanbieding van hazardspelen. De vergunninghouder is primair verantwoordelijk voor het gedrag van zijn IP’s (...)”
Cramm v. Cyberluck(ECLI:NL:OGHACMB:2022:104): ‘Voldoende aannemelijk is de stelling van [appellante] dat het in de praktijk onmogelijk is dat een vergunninghouder behoorlijk toezicht houdt op de praktijk van de ‘sublicencehouders’ (rov. 4.14), ‘Dat een handjevol vergunninghouders vele ‘sublicences’ uitgeven, met wereldwijd zeer vele spelwebsites en een enorme omzet, zonder dat de vergunningshouders zelf behoorlijk toezicht kunnen houden, zonder dat het Land Curaçao er iets aan verdient, lijkt voorshands moeilijk te rijmen met enig legitiem doel van deze landsverordening’ (rov. 4.16) en ‘Cyberluck moet uit zichzelf al weten dat zij, met de vele niet in de hand te houden ‘sublicences’, zich op glad ijs bevindt’ (rov. 4.20).”
om aan te nemen dat aan [betrokkene 1] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onrechtmatige handelen van Cyberluck.” (rov. 2.25.) Over het waardeverlies van de Turkse Lira heeft het hof als volgt overwogen:
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
Geen bijzondere zorgplicht voor vergunninghouders buitengaatse hazardspelen”) valt uiteen in drie subonderdelen en is gericht tegen rov. 2.18. van het bestreden vonnis. Onderdeel 4 (“
Geen onrechtmatige daad Cyberluck”) valt uiteen in twee subonderdelen en is gericht tegen rov. 2.19. van het bestreden vonnis. Onderdeel 5 (“
Trigonon is geen hulppersoon van Cyberluck”) valt uiteen in vier subonderdelen en is gericht tegen rov. 2.20.-2.22. van het bestreden vonnis. Onderdeel 6 (“
Kort Geding vonnis in een andere zaak is niet maatgevend voor bewijs”), dat is gericht tegen rov. 2.23. van het bestreden vonnis, en onderdeel 7 (“
In appel stond vast dat Trigonon niet onrechtmatig heeft gehandeld”), dat is gericht tegen rov. 2.19. en 2.31. van het bestreden vonnis, kennen geen subonderdelen. Onderdeel 8 (“
Veegklacht”), ten slotte, bevat een voortbouwklacht gericht tegen rov. 2.31.-2.32. en het dictum (rov. 3.) van het bestreden vonnis. De onderdelen 3-6 bevatten elk een toelichting die voor zover relevant in mijn bespreking van het cassatiemiddel wordt betrokken. Ik houd de nummering van de procesinleiding aan en begin mijn bespreking dus bij onderdeel 3. [21]
A-G):
A-G], hoofdelijk aansprakelijk gehouden voor de geleden schade respectievelijk het faillissementstekort. Het overwoog, voor zover in hoger beroep van belang:
Bij verzoekschrift heeft de curator immers (voldoende) concreet betoogd (1) dat aan de vergunning bepaalde voorwaarden zijn verbonden, (2) wat die voorwaarden inhielden, (3) dat de voorwaarden mede beoogden de spelers te beschermen, (4) dat van Cyberluck ten minste verwacht had mogen worden bij de licentieverlening aan Stacktrace de voorwaarden ook aan Stacktrace op te leggen en (5) toezicht te houden op de naleving door Stacktrace van die voorwaarden en (6) dat Cyberluck geen van beide heeft gedaan. Aan dit betoog heeft de curator de conclusie verbonden dat Cyberluck onrechtmatig jegens de gezamenlijke schuldeisers heeft gehandeld.Gelet op dit betoog kan niet gezegd worden dat de curator niet heeft uitgelegd om welke reden Cyberluck verantwoordelijkheid draagt ten aanzien van het beheer van de vergunning.
Het gerecht komt daarom tot het oordeel dat Cyberluck onrechtmatig jegens de gezamenlijke schuldeisers van Stacktrace heeft gehandeld en dientengevolge schadeplichtig is. Het gerecht acht aannemelijk dat de mogelijkheid bestaat dat de gezamenlijke schuldeisers als gevolg van dit onrechtmatige handelen schade hebben geleden.
Het Hof sluit zich aan bij de boven geciteerde oordelen van het Gerecht en maakt deze tot de zijne.Ook in hoger beroep heeft Cyberluck het door de curator als grondslag van zijn Peeters/ […] -vordering onvoldoende weersproken. Het Hof voegt in dat verband nog het hierna volgende toe.
Landsverordening buitengaatse hazardspelentot het exploiteren van hazardspelen op de internationale markt door middel van servicelijndiensten.
Aan de vergunning zijn bij het Landsbesluit voorwaarden verbonden die, anders dan Cyberluck met een beroep op de historie en achtergronden van de regelgeving wil doen geloven, onmiskenbaar (mede) strekken tot bescherming van de spelers.4.6. Cyberluck heeft, teneinde de aan haar onder voorwaarden verleende vergunning met profijt te exploiteren, een licentie (‘sublicense’) gegeven aan (onder andere) Stacktrace ‘to exploit Games of Chance on the International Market by way of service lines’.
Gelet op de voorwaarden waaraan Cyberluck zich had gebonden, en die zij niet kon ontgaan door een andere vennootschap ‘tussen te schuiven’ ging haar verantwoordelijkheid echter verder dan het (contractueel geregelde) doorsturen van klachten over de wijze waarop Stacktrace klachten afhandelde.
schoot de bedrijfsvoering van Stacktrace ernstig tekort, in het bijzonder waar het ging om het waarborgen dat het prijzengeld tijdig werd uitgekeerd en dat binnen de vennootschap voldoende middelen aanwezig waren om die uitkeringen te kunnen doen, zoals dat mede door de bij het Landsbesluit aan Cyberluck opgelegde voorwaarden was voorgeschreven.Het Hof heeft zich daartoe, met enkele toevoegingen aangesloten bij het oordeel van het Gerecht in het bestreden vonnis. [Door] Stacktrace zijn ‘bij die werkzaamheden’ fouten begaan jegens spelers door de bij Landsbesluit opgelegde voorwaarden niet na te leven. Het Gerecht overwoog:
De curator heeft, met verwijzing naar de (…) overgelegde voorwaarden, onbetwist gesteld dat de toepasselijke voorwaarden mede inhielden (…) dat de vergunninghouder er zorg voor draagt dat hij steeds over voldoende middelen beschikt om het prijzengeld daadwerkelijk te kunnen uitkeren.Ook houden deze voorwaarden in dat aan de deelnemers bekend wordt gemaakt binnen hoeveel tijd in geval van winst uitkering plaatsvindt.
Aangenomen moet worden dat deze voorwaarden verband houden met de zojuist genoemde aard van het bedrijf van Stacktrace en dat deze (mede) strekken ter bescherming van de deelnemers. Meer in het algemeen mag van een onderneming als Stacktrace verwacht worden haar bedrijfsvoering zodanig te organiseren dat winnende deelnemers daadwerkelijk kunnen worden voldaan.
bij Stacktrace al vanaf 2012 signalen binnenkwamen dat spelers niet of te laat kregen uitbetaald.Gesteld noch gebleken is dat [betrokkene 4] iets met deze signalen heeft gedaan. Dat had zij wel moeten doen. Uit haar positie als bestuurder vloeit immers voort dat zij zich primair moet laten leiden door het belang van de door haar bestuurde vennootschap, en tevens de gerechtvaardigde belangen van de crediteuren van de vennootschap in het oog moet houden. Door te handelen zoals hiervoor omschreven heeft [betrokkene 4] die belangen van zowel de vennootschap als haar crediteuren in ernstige mate veronachtzaamd. Zij heeft daarom haar taak als bestuurder kennelijk onbehoorlijk vervuld.
aanverwante zaak”. [23] Een relevant verschil met de onderhavige zaak betreft de faillissementscontext. In de zaak die heeft geleid tot het vonnis van 14 april 2020 ging het immers om een zogenoemde
Peeters/ […]-vordering, dus een vordering die de faillissementscurator bevoegd is in te stellen in geval van benadeling van schuldeisers, waarbij de faillissementscurator voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers opkomt en waarbij onder omstandigheden ook plaats kan zijn voor het geldend maken van een vordering tot schadevergoeding tegen een derde die bij die benadeling was betrokken, ook al kwam een dergelijke vordering uiteraard niet aan de gefailleerde zelf toe. [24] Het hof overwoog in het vonnis van 14 april 2020, kort gezegd, dat Cyberluck door de exploitatie van de aan haar verleende vergunning door Stacktrace te faciliteren zonder dat is gebleken dat zij iets heeft gedaan om toezicht te houden en tegen te gaan dat Stacktrace niet uitkeerde en voor de aanspraken van de spelers ook geen verhaal bood onzorgvuldig (en daarmee onrechtmatig) heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van Stacktrace (rov. 4.9.). De redenering van het hof in rov. 2.18. van het bestreden vonnis in het onderhavige cassatieberoep komt in essentie op hetzelfde neer: door niet te waarborgen dat online casino’s zich houden aan de vergunningvoorwaarden (met name het beschikbaar stellen van het prijzengeld) en door niet adequaat te reageren op verzoeken van spelers om informatie daarover heeft Cyberluck als vergunninghouder onrechtmatig jegens de spelers gehandeld. Het hof heeft deze verwijten aan Cyberluck in rov. 2.18. van het bestreden vonnis echter niet zoals in het vonnis van 14 april 2020 gekwalificeerd als ‘onzorgvuldig’ (een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt als bedoeld in art. 6:162 lid 2 BWC Pro), maar als schending van een “
bijzondere zorgplicht” jegens de spelers. De termen ‘handelen in strijd met de zorgvuldigheid’ en ‘schending van een zorgplicht’ zijn in dit verband, in de context van aansprakelijkheid van Cyberluck als vergunninghouder op grond van art. 6:162 BWC Pro, echter (in hoge mate) inwisselbaar. [25]
bijzondere zorgplicht” aanvaard voor banken (en andere financiële dienstverleners), niet alleen jegens hun cliënten tot wie zij in een contractuele verhouding staan, maar onder omstandigheden ook jegens derden met wier belangen zij rekening dienen te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijke verkeer betaamt. [26]
Safe Haven-zaak [29] het volgende heeft opgemerkt:
bijzondere zorgplicht”, niet uit te sluiten dat het zich bij het onrechtmatigheidsoordeel in rov. 2.18. van het bestreden vonnis niet alleen door het vonnis van 14 april 2020 (waarover randnummers 3.2-3.3 hiervoor) heeft laten inspireren, maar ook door de in randnummers 3.4-3.6 hiervoor aangehaalde rechtspraak van Uw Raad over de bancaire zorgplicht. [31] Onterecht is dat volgens mij niet. Ik licht dat toe aan de hand van de bijzondere positie waarin het beperkte aantal Curaçaose vergunninghouders in de afgelopen twee decennia als gevolg van het in de praktijk ontstane systeem van ‘sublicentiëren’ is komen te verkeren. De vergunninghouders, soms ook ‘masterlicentiehouders’ genoemd, (zoals Cyberluck) exploiteren zelf niet (direct) casino’s (zie ook randnummer 1.4 hiervoor) maar verlenen tegen betaling zogenoemde ‘sublicences’ aan in Curaçao gevestigde vennootschappen (zoals Trigonon) die wereldwijd casino’s (zoals Bahsine) exploiteren (zie ook rov. 2.15. van het bestreden vonnis weergegeven in randnummer 2.13 hiervoor). De positie waarin het handjevol vergunninghouders zoals Cyberluck in dit systeem van ‘sublicentiëring’ is komen te verkeren, wordt wel geduid als “
feitelijk geprivatiseerde toezichthouders” [32] en ook als “
poortwachters” [33] . Frielink & Snel merkten over deze bijzondere verantwoordelijkheid van de vergunninghouder eerder, onder verwijzing naar rov. 4.9. van het vonnis van het hof van 14 april 2020 (geciteerd in randnummer 3.2 hiervoor), het volgende op (zonder voetnoot uit het origineel,
A-G):
Safe Haven-zaak het hof bepalingen met een beschermingsgedachte uit de toenmalige Wet toezicht effectenverkeer kon meewegen bij de in die zaak aangenomen zorgplichtschending (zie ook randnummer 3.7 hiervoor).
de vergunninghouder instaat voor uitbetaling van het regulier gewonnen prijzengeld”. Het hof zal daarbij het oog hebben gehad op art. 17 lid 3 van Pro het Landbesluit van 1 oktober 1996, waarin is bepaald dat de vergunninghouder ervoor zorgdraagt steeds over voldoende middelen te beschikken om het prijzengeld uit te kunnen betalen. Trigonon c.s. stellen volgens mij terecht dat het hier gaat om een aan de vergunninghouder te stellen prudentiële eis. [41] Het is evident, [42] en dat wordt in cassatie ook niet bestreden, [43] dat een dergelijke eis met betrekking tot de uitbetaling van het prijzengeld strekt ter bescherming van de spelers. De vraag waar het in rov. 2.18. van het bestreden vonnis om draait, is hoe deze bepaling zich verhoudt tot het geval waarin de vergunninghouder (zoals in dit geval Cyberluck) niet zelf direct het online casino exploiteert, maar een ‘sublicentiehouder’ (zoals in dit geval Trigonon) dat heeft gedaan. De Landsverordening buitengaatse hazardspelen (en ook het daarop gebaseerde Landbesluit van 1 oktober 1996) gaat (gaan) immers ervan uit dat de vergunning voor het exploiteren van hazardspelen op de internationale markt door middel van servicelijndiensten niet voor overdracht vatbaar is (zie art. 3 lid 1 van Pro de Landsverordening buitengaatse hazardspelen, door het hof geciteerd in rov. 2.11. van het bestreden vonnis, weergegeven in randnummer 2.9 hiervoor). De Landsverordening buitengaatse hazardspelen (en ook het daarop gebaseerde Landbesluit van 1 oktober 1996) richt (richten) zich daarom ook uitsluitend tot de vergunninghouder (zie ook rov. 2.15. van het bestreden vonnis weergegeven in randnummer 2.13 hiervoor). In de door het hof in rov. 2.16. van het bestreden vonnis geciteerde brief van het toenmalige Hoofd van het Centraal Bureau voor Juridische en Algemene Zaken van het Land wordt uiteengezet waarom overdracht van de vergunning niet mogelijk en wenselijk werd geacht: hierdoor zou een extra moeilijkheid worden geschapen in de sfeer van de verantwoordelijkheid van de overheid, aangezien de
span of controlvoor de overheid zou toenemen (zie ook randnummer 2.14 hiervoor). In diezelfde brief werd echter ook gewezen op de mogelijkheid om “
hetzelfde effect[als onderverdeling van de (hoofd)vergunning in subvergunningen,
A-G]
eenvoudig langs contractuele weg te realiseren” (zie ook randnummer 2.14 hiervoor). Die mogelijkheid is kennelijk door een handjevol vergunninghouders waaronder Cyberluck aangegrepen en heeft in de afgelopen twee decennia geleid tot de bestaande praktijk van ‘sublicentiëren’. [44] De reeds aangehaalde brief van het toenmalige Hoofd van het Centraal Bureau voor Juridische en Algemene Zaken van het Land bevat in verband met de aansprakelijkheid van de vergunninghouder nog wel een belangrijke zin: “
De vergunninghouder is primair verantwoordelijk voor het gedrag van zijn IP’s[zogenoemde Information Providers oftewel ‘sublicentiehouders’ die op basis en onder verantwoordelijkheid van de vergunning van de vergunninghouder kunnen opereren bij de daadwerkelijke aanbieding van hazardspelen,
A-G]” (zie ook randnummer 2.14 hiervoor). Als een sublicentiehouder (zoals in dit geval Trigonon) om wat voor reden dan ook niet overgaat tot uitbetaling van het regulier gewonnen prijzengeld van een speler die bij een door die sublicentiehouder geëxploiteerd online casino heeft gespeeld (zoals in dit geval [betrokkene 3] ) kan de vergunninghouder (zoals in dit geval Cyberluck), die immers verantwoordelijk is voor het gedrag van de sublicentiehouder (zoals in dit geval Trigonon), in beeld komen. Dat is volgens mij wat het hof in rov. 2.18. van het bestreden vonnis heeft bedoeld met hetgeen voortvloeit uit het
stelselvan de wet. In het vonnis van 14 april 2020 nam het hof ook al aan dat de vergunninghouder (in dat geval ook Cyberluck) moet toezien op de naleving van de vergunningvoorwaarden door de sublicentiehouder, in het bijzonder met betrekking tot de uitbetaling van het prijzengeld, te meer bij signalen dat prijzengeld door de sublicentiehouder niet tijdig werd uitgekeerd (zie randnummer 3.2 hiervoor). [45] In het onderhavige geval heeft het hof de vergunninghouder vergelijkbare verwijten gemaakt als in de zaak die heeft geleid tot het vonnis van 14 april 2020: Cyberluck heeft niet gewaarborgd dat het online casino zich aan de vergunningvoorwaarden (met name het beschikbaar stellen van het prijzengeld) hield en zij heeft niet adequaat gereageerd op verzoeken van spelers om informatie daarover.
bij de waarborg- of garantieregeling aangesloten belanghebbenden een beroep[kunnen]
doen op het fonds, indien door bijzondere omstandigheden degene die verantwoordelijk en aansprakelijk is voor het leveren van goederen of diensten aan de belanghebbende niet presteert of niet langer het vermogen heeft te presteren (bijvoorbeeld door insolventie).” [47] Een zekere parallel met een waarborg- of garantieregeling is inderdaad in verband met de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van de vergunninghouder ten aanzien van de uitbetaling van het prijzengeld te trekken. De vergelijking gaat echter in zoverre mank dat de aansprakelijkheid van Cyberluck als vergunninghouder niet is gebaseerd op een waarborg- of garantieregeling, maar op art. 6:162 BWC Pro en in rov. 2.18. van het bestreden vonnis voortvloeit uit schending van een op haar rustende zorgplicht. Wat daarvan verder zij, in elk geval is van een ontbrekende rechtsregel of niet-bestaande norm als bedoeld door het subonderdeel geen sprake en faalt het subonderdeel dus.
actiefmeegeholpen aan poging tot oplichting van de speler door valselijk te beweren dat de speler al betaald is en dat zij daarvan bewijs heeft.
ofsprake is van betalingsonwil,
ofdat er geen geld is om te betalen, waaruit de conclusie volgt dat niet aan de vergunningsvoorwaarde voldaan is om ten alle tijd [te allen tijde,
A-G] voldoende fondsen te hebben om het prijzengeld uit te betalen.
(Prod. 8)”
WPNR-bijdrage geduid als ‘meewerken aan wanprestatie (of onrechtmatige daad)’. [67] Van belang is dat beide auteurs in dat verband een parallel hebben getrokken met het strafrecht. [68] Deze parallel is interessant, omdat het hof in rov. 2.19. van het bestreden vonnis eveneens strafrechtelijke terminologie heeft gebezigd (“
oplichtingspraktijken”). [69] Het hof heeft in rov. 2.19. van het bestreden vonnis in wezen geoordeeld dat Cyberluck onrechtmatig heeft gehandeld omdat zij heeft meegewerkt (in de zin van ‘medeplichtig’ is) aan een misdrijf. [70] Tjong Tjin Tai schrijft in dit verband (zonder voetnoten uit het origineel,
A-G):
er niet voor (…) dat haar contractspartners zich houden aan de vergunningsvoorwaarden (met name het uitbetalen van het gewonnen prijzengeld)” [72] en (ii) “
stuurt de spelers met allerlei voorwendselen het bos in, terwijl zij weet dat haar contractspartners zich aan oplichtingspraktijken schuldig maken”. [73] Zowel in rov. 2.18. van het bestreden vonnis als in rov. 2.19. van het bestreden vonnis leidt dit tot een onrechtmatige daad van Cyberluck jegens de spelers. Zo bezien voegt het oordeel in rov. 2.19. van het bestreden vonnis dus niet veel toe aan wat het hof reeds heeft geoordeeld in rov. 2.18. van het bestreden vonnis. In rov. 2.18. van het bestreden vonnis heeft het hof immers reeds aangenomen dat Cyberluck als vergunninghouder een onrechtmatige daad jegens de spelers heeft gepleegd (zie ook randnummer 3.19 hiervoor). Het gebruikmaken van een wanprestatie (althans het uitlokken of bevorderen van of meewerken aan een wanprestatie of onrechtmatige daad) komt voor zover mij bekend in feitenrechtspraak over vergelijkbare zaken ook niet terug. [74]
(Prod. 1)Uit dat stuk blijkt dat de vergunninghouder maandelijks een bedrag van NAf. 10.000, aan het Land Curaçao verschuldigd is als ‘license fee’. Naar verluidt is een casino op haar beurt aan de vergunninghouder gebruikelijk als ‘license fee’ een bedrag van ettelijke duizenden USD per maand verschuldigd.
(Prod. 2)Waarom Curaçao voor dit opmerkelijke systeem gekozen heeft waarbij de bulk van de
license feesniet het Land toekom[t] maar aan een select groepje lokale bedrijven, is onduidelijk. Het lijkt erop dat dit systeem opgezet is met vooral als doel om een beperkt aantal belanghebbenden te faciliteren.
(Prod. 3)
operatorsvan de respectieve online casino’s voor de respectieve vordering moge evident zijn. Deze online casino’s hebben ten onrechte de betreffende spelers niet uitbetaald en hun saldo ingepikt.
operatorde vergunninghouder onder meer de zorg heeft dat de speler uitbetaald wordt. Immers, de vergunninghouder heeft ingevolge de vergunningsvoorwaarden ervoor te zorgen dat er voldoende middelen zijn om tot uitbetaling over te gaan. Verder gaat eiseres ervan uit dat Cyberluck de betreffende (overige) voorwaarden, die vooral strekken ter bescherming van spelers, niet nagekomen is waardoor zij ook aansprakelijk is jegens de betreffende spelers. In dit verband wordt verwezen naar een aanverwante zaak waarbij het gerecht vastgesteld heeft dat Cyberluck in die kwestie onrechtmatig gehandeld heeft jegens de betreffende spelers.
(Prod. 12)”
an sichillegaal is, zoals gedaagden ten onrechte “samenvatten”.
operatorvan het casino. Dit vloeit reeds voort uit het feit dat zij derden onder haar vergunning laat werken.
A-G):
medeplichtigheid aan oplichtingwaar in casu ook over gesproken kan worden en waar later op teruggekomen wordt.)”
de medewerking aan structurele schending van de financiële zorgplicht van financiële dienstverleners.” [80] De bijkomende omstandigheden die het hof heeft genoemd in rov. 2.19. onder (a)-(d) zijn in dat licht bezien relevant en niet te algemeen (zie over rov. 2.19. onder (d) van het bestreden vonnis ook reeds randnummer 3.21 hiervoor). Door zich niet alleen op de spelers [betrokkene 3] en [betrokkene 2] te richten maar het breder te trekken tot “
vele andere spelers” heeft het hof volgens mij het structurele karakter en de ernst van de ‘oplichtingspraktijken’ tot uitdrukking willen brengen en bij zijn onrechtmatigheidsoordeel betrokken. Wat de aard van de medewerking betreft, heeft het hof met de bijkomende omstandigheden ook tot uitdrukking gebracht dat de medewerking van Cyberluck verder ging dan nalaten (het niet ervoor zorgen dat haar contractspartners zich aan de vergunningvoorwaarden hielden), maar dat zij actief en welbewust heeft meegewerkt aan de ‘oplichtingspraktijken’ (door de spelers met allerlei voorwendselen het bos in te sturen terwijl zij wist dat haar contractspartners zich aan deze praktijken schuldig maakten). Dat SBGOK deze omstandigheden aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd blijkt uit randnummers 3.27-3.29 hiervoor. Ook dit subonderdeel is dus tevergeefs voorgesteld.
eer illustratief voor die extensieve toepassing[van art. 6:171 BW Pro[C],
A-G]
binnen de gedigitaliseerde dienstverlening”, [86] terwijl Uw Raad gelet op het uitzonderlijke karakter van deze aansprakelijkheid onder meer heeft geoordeeld dat art. 6:171 BW Pro – en meer in het bijzonder de daarin opgenomen beperking ‘werkzaamheden ter uitoefening van diens bedrijf’ – restrictief moet(en) worden uitgelegd. [87]
masterlicentiehouders zouden spelers hebben opgelicht. Zij mogen geen gebruiksrecht verlenen. Zij zijn daarom altijd aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW Pro.
Gaandeweg heeft SBGOK haar standpunten herzien dat er dan tenminste voor masterlicentiehouders wel sprake is van een afgeleide aansprakelijkheid op grond van artikel 6:171 BW Pro. (…)
A-G] kunnen door Uw Hof aan de Hoge Raad prejudiciële vragen worden gesteld. De online gambling zaken lenen zich daar met [bij,
A-G] uitstek voor omdat:
2. dit rechtstreeks van belang is voor een veelheid aan vorderingen die gegrond zijn op dezelfde althans soortgelijke feiten en zij komen voort uit dezelfde of soortgelijke samenhangende oorzaken; althans
3. dit van belang is voor de beslechting van talrijke andere uit soortgelijke feiten voortvloeiende geschillen, waarin dezelfde vraag zich voordoet.
(…)
de schuldenaar dient in te staan voor de gedragingen van zijn hulppersonen”. [97] Dat is volgens mij ook wat het hof in rov. 2.22. van het bestreden vonnis tot uitdrukking heeft willen brengen met de verwijzing naar het advies van het Hoofd van het Centraal Bureau voor Juridische en Algemene Zaken van het Land (zie ook randnummer 2.14 hiervoor), waaruit het onder meer de volgende zin heeft geciteerd: “
De vergunninghouder is primair verantwoordelijk voor het gedrag van zijn IP’s[lees: sublicentiehouders,
A-G]”.
uitgangspuntdient, namelijk dat dat de vergunninghouder zelf de exploitatie van de vergunning ter hand neemt en geen gebruik maakt van derden (sublicentiehouders). In dat tot uitgangspunt dienende geval bestaat er dus een rechtstreekse contractuele relatie tussen de vergunninghouder en de speler. Een speler die prijzengeld heeft gewonnen en dat niet van de vergunninghouder krijgt uitgekeerd, kan zich dan op de nakoming van dat contract met de vergunninghouder beroepen (zoals een speler zich in het geval van sublicentiëring op nakoming van het contract met de sublicentiehouder kan beroepen, zie randnummer 2.4 hiervoor). De speler kan zich in dit geval voor de uitbetaling van het prijzengeld niet tevens rechtstreeks op de Landsverordening buitengaatse hazardspelen en het daarop gebaseerde Landsbesluit beroepen; daaruit volgt voor een speler geen rechtstreekse verbintenis tot uitbetaling van het prijzengeld (zie ook randnummer 3.12 hiervoor over een prudentiële eis; het gaat om het waarborgen dat het prijzengeld van spelers kan worden uitgekeerd). De verbintenis tot uitbetaling van het prijzengeld van een speler volgt dan dus uit het contract met de vergunninghouder en niet (tevens) uit (het stelsel van) de wet.
contractuele weg”, waarover rov. 2.22. van het bestreden vonnis, heeft de speler een contractuele relatie met de sublicentiehouder (niet ook met de vergunninghouder). De speler kan zich dan voor de uitbetaling van het prijzengeld beroepen op nakoming van het contract met de sublicentiehouder (zie randnummer 2.4 hiervoor). De wettelijke verplichtingen die moeten waarborgen dat prijzengeld aan spelers kan worden uitgekeerd, blijven wel rusten op de vergunninghouder. Dat is echter als gezegd iets anders dan de verbintenis tot uitbetaling van prijzengeld dat een specifieke speler heeft gewonnen. Die verbintenis rust ook in dit geval niet (tevens) op grond van (het stelsel van) de wet op de vergunninghouder, maar op contractuele grondslag op de sublicentiehouder. Indien een speler het prijzengeld niet krijgt uitgekeerd van de sublicentiehouder kan deze zich wel beroepen op de wettelijke verplichtingen van de vergunninghouder (waaronder het waarborgen van de uitbetaling van het prijzengeld aan de spelers). De grondslag voor een dergelijke actie van de speler jegens de vergunninghouder is dan echter art. 6:162 BWC Pro (waarover de bespreking van de onderdelen 3 en 4 hiervoor). De vergunninghouder is met betrekking tot de uitbetaling van het prijzengeld dat een speler heeft gewonnen bij een online casino dat geëxploiteerd wordt door een sublicentiehouder dus geen schuldenaar van de speler die bij de uitvoering van een verbintenis gebruikmaakt van de hulp van andere personen (in casu een sublicentiehouder) als bedoeld in art. 6:76 BWC Pro.
De Landsverordening buitengaatse hazardspelen gaat er immers van uit dat de vergunninghouder de exploitatie van de vergunning zelf ter hand neemt en geen gebruik maakt van derden (sterker nog: de overdracht van de vergunning is niet toegestaan).” Dat dit
uitgangspuntniet onjuist is, blijkt reeds uit randnummers 3.12 en 3.41 hiervoor. Deze overweging is ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd, want volgt uit het wettelijke kader dat het hof in rov. 2.11.-2.16. van het bestreden vonnis uitvoerig uiteengezet heeft. Dit subonderdeel treft dus geen doel.
contractuele weg” geciteerd, waarover ook reeds randnummers 3.12 en 3.42 hiervoor. Deze contractuele weg houdt in dat de vergunninghouder een contract sluit met een zogenoemde ‘Information Provider’ (lees: sublicentiehouder) en dat de sublicentiehouder vervolgens daadwerkelijk hazardspelen aanbiedt aan spelers. Uit de door het hof geciteerde passage blijkt inderdaad niet dat de Landsverordening buitengaatse hazardspelen ervan uitgaat dat de vergunninghouder de exploitatie van de vergunning zelf ter hand neemt en geen gebruikmaakt van derden, maar dat uitgangspunt blijkt wel uit de daaraan voorafgaande passage die het hof ook heeft geciteerd in rov. 2.16. van het bestreden vonnis (zie randnummers 2.14 en 3.41 hiervoor). In de passage die het hof in rov. 2.22. van het bestreden vonnis heeft geciteerd, vindt het steun voor het oordeel dat sublicentiehouders hulppersonen zijn van de vergunninghouder. Dat kan ik bezien vanuit de ratio(nes) van art. 6:76 BWC Pro volgen (zie randnummers 3.39-3.40 hiervoor). De crux in het oordeel van het hof zit volgens mij echter in rov. 2.21. van het bestreden vonnis, waarin het hof uit (het stelsel van) de wet een betalingsverbintenis heeft afgeleid voor de vergunninghouder met betrekking tot het prijzengeld dat een speler heeft gewonnen bij een casino dat wordt geëxploiteerd door een sublicentiehouder (zie over mijn bedenkingen daarbij randnummers 3.41-3.42 hiervoor). Voor zover al aangenomen moet worden dat het (sub)onderdeel laatstgenoemd oordeel bestrijdt, kan dat echter hoe dan ook bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden (zie randnummers 3.19 en 3.43 hiervoor). Ik merk verder nog op dat voor zover het subonderdeel tot uitgangspunt neemt dat voor een geslaagd beroep op art. 6:76 BWC Pro een
overeenkomstis vereist tussen Cyberluck en de spelers het berust op een onjuiste, want te enge, rechtsopvatting. Een verbintenis als bedoeld in art. 6:76 BWC Pro kan immers wel uit andere bronnen dan een overeenkomst (zoals de wet) voortvloeien, [99] maar waar het volgens mij om gaat (zie randnummers 3.41-3.42 hiervoor), is dat het hof in dit geval ten onrechte een dergelijke op Cyberluck rustende betalingsverbintenis uit (het stelsel van) de wet heeft afgeleid.
verbintenis uit de wetkwalificeert.
overeenkomsttussen Cyberluck en de spelers niet is vereist om art. 6:76 BWC Pro te kunnen toepassen (zie ook randnummer 3.47 hiervoor). Het hof was in zoverre dus ook niet gehouden om te desbetreffende stellingen van Trigonon c.s. te beoordelen. Dit subonderdeel faalt dus.
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidentele beroep
Grief IV
SBGOK is gevestigd op Curaçao (…) Er dient ook op Curaçao betaald te worden (…)
[Volgens a]rtikel 6:123 BW kan een schuldeiser betaling vorderen in hier te lande gangbaar geld indien een geldsom is uitgedrukt in buitenlands geld.
1. Strekt een verbintenis tot betaling van ander geld dan dat van het land waar de betaling moet geschieden, dan is de schuldenaar bevoegd de verbintenis in het geld van de plaats van betaling te voldoen.
1. In geval hier te lande een rechtsvordering wordt ingesteld ter verkrijging van een geldsom, uitgedrukt in buitenlands geld, kan de schuldeiser veroordeling vorderen tot betaling te zijner keuze in dat buitenlandse geld of in hier te lande gangbaar geld.
Wordt de verbintenis als gevolg van toepassing van de artikelen 121 tot en met 123 of van omzetting in een vordering tot schadevergoeding overeenkomstig afdeling 9 voldaan in ander geld dan tot betaling waarvan zij strekt, dan geschiedt de omrekening naar de koers van de dag waarop de betaling plaatsvindt.
1. Artikel 119 laat Pro onverlet het recht van de schuldeiser op vergoeding van de schade die hij heeft geleden, doordat na het intreden van het verzuim de koers van het geld tot betaling waarvan de verbintenis strekt, zich ten opzichte van die van het geld van een of meer andere landen heeft gewijzigd.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de verbintenis strekt tot betaling van hier te lande gangbaar geld, de betaling hier te lande moet geschieden en de schuldeiser op het tijdstip van het ontstaan van de verbintenis hier te lande zijn woonplaats had.
121 tot en met 126zijn in belangrijke mate ontleend aan de hierboven reeds vermelde CEME. Zij betreffen zgn. eigenlijke valutaschuld, dat wil zeggen de verbintenis die strekt tot voldoening van een geldsom in ander geld dan dat van het land van betaling, in tegenstelling tot de zgn. oneigenlijke valutaschulden die moeten worden voldaan in het geld van het land van betaling, maar die worden berekend op de tegenwaarde van een bedrag in ander geld; problemen die in deze artikelen worden behandeld, spelen bij deze laatste niet of nauwelijks een rol. Volgens HR 17-2-1995, NJ 1995, 423, geven de artikelen 123, 124 en 125 ook het thans geldende recht weer. [2219 nr. 3 (MvT) pag. 25-26]
artikelen 124, 125 en 126houden zich in het bijzonder bezig met de koers van omrekening en wijzigingen daarin. [2219 nr. 3 (MvT) pag. 26]
artikel 124naar afdeling 6.1.9 heeft betrekking op de omzetting volgens artikel 87 van Pro het recht op nakoming in een vordering tot (vervangende) schadevergoeding, en wel in de valuta waarin de schade het best kan worden uitgedrukt of vergoed. [2219 nr. 3 (MvT) pag. 26]
A-G] de rechtssfeer hier te lande ligt. [2219 nr. 3 (MvT) pag. 26]” [117]
Uiteraard kan zich het geval voordoen dat een dergelijke verbintenis ex art. 6:123 BW Pro wordt voldaan in Nederlands geld, nadat het geld der verbintenis ten opzichte van de gulden in koerswaarde is gedaald. Zo men hier echter al van schade voor de crediteur kan spreken, dient deze in elk geval niet voor vergoeding in aanmerking te komen, omdat zij enkel voortvloeit uit de toevallige omstandigheid dat de crediteur in Nederland een forum heeft, hier zijn vordering aanhangig maakt en ertoe overgaat betaling in Nederlands geld te vorderen. Een en ander zou meer in het algemeen dienen te gelden voor elk geval dat een verbintenis tot betaling van buitenlands geld in het buitenland ex art. 6:123 in Pro Nederlandse guldens wordt voldaan, nadat die buitenlandse munt ten opzichte van de gulden in koerswaarde is gedaald. Men stelle zich voor dat een verbintenis strekt tot betaling van Duitse marken in Oostenrijk, terwijl de debiteur in Nederland woont. De crediteur kan dan ex art. 6:123 BW Pro veroordeling vorderen in marken respectievelijk aanspraak maken op een zodanig bedrag in guldens dat hij zich daarmee onverwijld de hem verschuldigde marken kan verwerven. Zie de artikelen 6:124 jo 6:126. Voor de vraag of de schuldeiser recht heeft op vergoeding van koerswijzigingsschade zou evenwel slechts de relatie mark/schilling relevant mogen zijn.
A-G):
4.50. (…) Naast het ontbreken van toerekeningsverband (in de zin van art. 6:98 BW Pro) tussen de bron van de verbintenis tot betaling van een geldsom (tekortkoming, wettelijke verplichting tot schadevergoeding) en de oorzaak van het koersverlies, kunnen ook andere bepalingen van afdeling 6.1.10 BW, zoals inzake eigen schuld en rechterlijke matiging, aan (gedeeltelijke) vergoeding van schade in de weg staan. (…)” [124]
Of schade is geleden en tot welk bedrag, en of ze toerekenbaar is aan de schuldenaar, moet overeenkomstig de afdelingen 6.1.9 en 6.1.10 worden beoordeeld” (zie randnummer 4.6 hiervoor). De genoemde afdeling 6.1.10 BWC (Wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding) bevat onder meer bepalingen over toerekeningsverband (art. 6:98 BWC Pro) en eigen schuld (art. 6:101 BWC Pro). [125] Uit de in randnummer 4.4 hiervoor geciteerde passage maak ik op dat Trigonon c.s. zich ook met een beroep op art. 6:98 BWC Pro en art. 6:101 BWC Pro hebben verweerd tegen de vordering van SBGOK op de voet van art. 6:125 lid 1 BWC Pro. Zelfs als er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat SBGOK art. 6:125 lid 1 BWC Pro kon inroepen, meen ik dat rov. 2.28. van het bestreden vonnis zo moet worden gelezen dat het hof het niet redelijk heeft geacht om door koerswijziging ontstane schade van SBGOK toe te rekenen aan Trigonon c.s. (art. 6:98 BWC Pro). [126] Het was immers voor Trigonon c.s. op het moment van opeisbaar worden van de vordering tot uitbetaling van het prijzengeld van [betrokkene 3] niet voorzienbaar dat zijn prijzengeld in enige andere valuta dan de Turkse Lira zou moeten worden omgerekend of omgewisseld (zie ook randnummer 4.10 hiervoor). Iets anders is dat SBGOK na de cessie wel op grond van art. 6:123 lid 1 BWC Pro (zie randnummers 4.5-4.6 hiervoor) de keuze heeft het prijzengeld te vorderen in het buitenlandse geld (dus de Turkse Lira) of in gangbaar geld in Curaçao (zoals de Antilliaanse gulden). Bij toepassing van art. 6:123 lid 1 BWC Pro geschiedt de omrekening van Turkse Lira naar Antilliaanse guldens echter op grond van art. 6:124 BWC Pro naar de koers van de dag waarop de betaling plaatsvindt. Wanneer, zoals SBGOK heeft gesteld (zie randnummer 4.3 hiervoor), intussen de koers van de Turkse Lira is gedaald, zal SBGOK gelet op het voorgaande dus genoegen moeten nemen met een geringer bedrag in Antilliaanse guldens.
tot betaling aan SBGOK[van]
het bedrag van 620.000 Turkse Liradan wel de tegenwaarde van dat bedrag in NAf” (onderstreping door mij,
A-G). De tegenwaarde in Antilliaanse gulden van het bedrag in Turkse Lira wordt op de voet van art. 6:124 BWC Pro berekend naar het moment van betaling. Of het oordeel van het hof dat SBGOK geen beroep toekomt op art. 6:125 BWC Pro voldoende begrijpelijk is gemotiveerd, kan gelet op hetgeen ik in randnummer 4.11 hiervoor opmerkte verder in het midden blijven. Van een aanpassing door het hof van de veroordeling van Trigonon door het gerecht in door SBGOK ongewenste zin ten slotte, is evenmin sprake. In eerste aanleg heeft SBGOK gevorderd een veroordeling tot betaling van “
de somma van 620.000,= Turkse Lira, althans de tegenwaarde daarvan in Antilliaanse courant”. [127] Het gerecht heeft die vordering ten aanzien van Trigonon toegewezen (en ten aanzien van Cyberluck afgewezen). In het dictum van het vonnis in eerste aanleg is onder a. opgenomen: “
veroordeelt Trigonon tot betaling aan SBGOK van de tegenwaarde in NAƒ van 620.000 Turkse Lira (…)”. Zoals SBGOK in grief IV tot uitdrukking heeft gebracht (zie randnummer 4.3 hiervoor) heeft het gerecht geen datum gekoppeld aan de tegenwaarde in NAƒ van ₺ 620.000, zodat volgens mij op de voet van art. 6:124 BWC Pro (uitgaande van toepassing van art. 6:123 lid 1 BWC Pro) aangenomen moet worden dat de datum van betaling maatgevend is. In hoger beroep heeft het hof in rov. 2.28. van het bestreden vonnis grief IV van SBGOK met betrekking tot koerswijzigingsschade verworpen. In het dictum van het bestreden vonnis (rov. 3.1 en 3.2) zijn Trigonon respectievelijk Cyberluck, als gezegd, veroordeeld “
tot betaling aan SBGOK[van]
het bedrag van 620.000 Turkse Lira dan wel de tegenwaarde van dat bedrag in NAf”. Dit betreft ook de tegenwaarde op het moment van betaling. Van een aanpassing door het hof van de veroordeling in door SBGOK ongewenste zin als bedoeld door het onderdeel kan dan ook geen sprake zijn. Ik wijs er in dit verband nog op dat het dictum van het hof strookt met de in cassatie onbestreden weergave van de vordering in rov. 2.2. van het bestreden vonnis (zie ook randnummer 2.1 hiervoor) en met rov. 2.31. van het bestreden vonnis, voor zover het hof daarin heeft overwogen dat het om praktische redenen het vonnis in eerste aanleg geheel heeft vernietigd. Het onderdeel faalt dus.
deed of assignment) als bedoeld in randnummer 1.8 hiervoor een overdracht plaatsvond van de vordering van [betrokkene 3] aan SBGOK op “
all the (jointly liable) debtors andincluding all ancillary rights” (met onderstreping door het onderdeel,
A-G). Volgens het onderdeel behoeft het uitleg waarom – als rov. 2.28. van het bestreden vonnis aldus moet worden gelezen – SBGOK geen beroep zou toekomen op art. 6:125 BWC Pro. Het onderdeel stelt dat het hof niet heeft uitgelegd waarom dit recht niet zou zijn mee overgegaan met de cessie, althans waarom dit niet geldt als accessoir of onlosmakelijk verbonden met het aan SBGOK gecedeerde vorderingsrecht.