Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De strafzaak (23/00518)
3.Het eerste middel
2. De vordering
3.Grondslag van de vordering
4.Het wederrechtelijk verkregen voordeel
bijlage Izijn vervat.
5.De verplichting tot betaling
6.Toepasselijke wettelijke voorschriften
7.Beslissing
[verdachte]de verplichting tot betaling van € 207.864,92 (tweehonderdzevenduizend achthonderdvierenzestig euro en tweeënnegentig cent) aan de Staat.”
Vonnis waarvan beroep
NJ2011/294, m.nt. P.A.M. Mevis] heeft de Hoge Raad uiteengezet op welke wijze de appelrechter in strafzaken toepassing dient te geven aan art. 423 Sv Pro. Kort samengevat dient het hof het vonnis te vernietigen indien en voor zover het hof zich niet kan verenigen met door de eerste rechter op de voet van art. 358 in Pro verbinding met de art. 348 en Pro 350 Sv genomen beslissingen. Een vonnis waarmee de appelrechter zich wat betreft de gronden niet kan verenigen, leent zich voor bevestiging, zij het met aanvulling of verbetering van die gronden.
4.Het tweede middel
eerste deelklachtwordt aangevoerd dat het strafbare feit dat de grondslag vormt voor de oplegging van de ontnemingsmaatregel niet een feit betreft waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kon (en kan) worden opgelegd. Uit art. 6 lid Pro 1, onder 2°, WED volgt immers – thans en ook voor 1 juli 2011 – dat een geldboete van de vierde categorie het maximum is voor overtreding van art. 2:3a WFT, terwijl de bepaling dat indien van het plegen van het misdrijf als bedoeld in art. 6 lid Pro 1, onder 2°, WED een gewoonte is gemaakt (onder meer) een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd (art. 6 lid Pro 1, onder 3°, WED) pas op 1 januari 2015, te weten na het begaan van het feit, in werking is getreden. In de
tweede deelklachtwordt – onder verwijzing naar HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1906,
NJ2021/48, m.nt. W.H. Vellinga – geklaagd dat het oordeel van het hof dat sprake is van het gewoonte maken van overtreding van art. 2:3a WFT onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is. Het enkele feit dat uit de bewijsmiddelen in het ontnemingsvonnis blijkt dat de ontnemingsvordering is gegrond op “een groot aantal transacties” dat in een Excel-overzicht in rubriek 12.92 van het dossier is opgenomen kan, anders dan het hof overweegt, niet zonder meer volgen dat van het (mede)plegen van het ondergronds bankieren een gewoonte is gemaakt. De eerste en de tweede deelklacht lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
derde deelklachtwordt aangevoerd dat het hof zich niet heeft uitgelaten over de vraag of “voldoende aanwijzingen” bestaan dat de betrokkene een feit dat wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie heeft begaan.
1. Een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het ondergronds bankieren van 22 juni 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (Rubriek 5.30, pagina 5 0263 t/m 0289).
5.Het derde middel
NJ2025/158 het volgende overwogen met betrekking tot de eisen die worden gesteld aan de motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel: