ECLI:NL:PHR:2025:1300

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
24/03592
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslag op 19,5 miljoen euro contant geld van Surinaamse banken en de immuniteit van staten

In deze zaak gaat het om een beklag tegen het beslag op een geldbedrag van 19,5 miljoen euro, dat door de FIOD in beslag is genomen. De betrokken banken, [bank 1], [bank 2], [bank 3] en [bank 4], hebben gezamenlijk een klaagschrift ingediend, waarin zij stellen dat het beslag onrechtmatig is, omdat het in strijd is met de immuniteit die de Centrale Bank van Suriname geniet op basis van internationaal gewoonterecht. De Hoge Raad heeft eerder in 2021 geoordeeld dat de inbeslagname niet in strijd is met de immuniteit, maar het gerechtshof Den Haag heeft in 2024 het klaagschrift ongegrond verklaard. De klaagsters hebben vijf middelen van cassatie voorgesteld, die alle zijn verworpen. De Hoge Raad concludeert dat het Openbaar Ministerie voldoende redenen heeft om aan te nemen dat het inbeslaggenomen geld afkomstig is van misdrijf, en dat het beslag derhalve rechtmatig is. De zaak is complex door de betrokkenheid van internationale immuniteitsregels en de rol van de Centrale Bank van Suriname in het geldtransport. De uiteindelijke beslissing van de Hoge Raad bevestigt de eerdere uitspraken en de rechtmatigheid van het beslag.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03592 B
Zitting2 december 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[bank 1] ,
[bank 2] N.V.,
[bank 3] N.V.,
[bank 4] N.V.,
allen gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna gezamenlijk: de klaagsters.

1.Inleiding

1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft - na eerdere verwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij beschikking van 27 juni 2023 [1] - bij beschikking van 6 augustus 2024 het gezamenlijk ingediende beklag strekkende tot teruggave van een geldbedrag van € 19.499.000,00 ongegrond verklaard. [2]
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagsters. R. de Bree, A. Verbruggen en A.J.F. Gonesh hebben vijf middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het procesverloop in het kort

2.1
Op 17 april 2018 heeft de FIOD een geldzending van bijna 19,5 miljoen euro in beslag genomen. Deze geldzending was een paar dagen daarvoor per vliegtuig uit Suriname aangekomen op de luchthaven Schiphol. Het geld is eigendom van drie Surinaamse banken (hierna: de handelsbanken). De [bank 1] (hierna ook: [bank 1] ) is de ‘shipper’ van het geld. De handelsbanken en de [bank 1] hebben een klaagschrift tegen de inbeslagneming ingediend.
2.2
De rechtbank Noord-Holland heeft bij beschikking van 24 december 2019 het klaagschrift gegrond verklaard en - kort gezegd - geoordeeld dat de inbeslagneming strijdig is met de immuniteit die de [bank 1] op grond van internationaal gewoonterecht geniet en de teruggave van het geldbedrag gelast. [3]
2.3
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 6 juli 2021 de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 24 december 2019 vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof Amsterdam. De Hoge Raad achtte het oordeel van de rechtbank dat de regels van internationaal gewoonterecht met betrekking tot immuniteit in de weg staan aan de inbeslagneming van het in eigendom van de handelsbanken zijnde geldbedrag niet begrijpelijk. [4]
2.4
Het gerechtshof Amsterdam heeft vervolgens bij beschikking van 10 januari 2023 het gezamenlijk ingediende klaagschrift gegrond verklaard op de grond dat het hoogst onwaarschijnlijk wordt geacht dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd zal verklaren of aan het verkeer zal onttrekken. [5]
2.5
De Hoge Raad boog zich vervolgens opnieuw over deze zaak en heeft bij beschikking van 27 juni 2023 de beschikking van het gerechtshof Amsterdam vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof Den Haag. [6]
2.6
Het gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 6 augustus 2024 - als gezegd - het ingediende klaagschrift ongegrond verklaard en het verweer verworpen dat de inbeslagneming strijdig is met de immuniteit die de [bank 1] op grond van internationaal gewoonterecht geniet. Tegen deze beschikking is namens de klaagsters beroep in cassatie ingesteld.

3.Het eerste middel

3.1
Het eerste middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de [bank 1] geen immuniteit geniet omdat niet is komen vast te staan dat het inbeslaggenomen geld ‘property’ van de [bank 1] is, dat bestemd is of wordt aangewend voor de taakuitoefening van de centrale bank in verband met monetaire politiek en valutabeleid.
3.2
Voordat ik het middel bespreek, geef ik eerst de relevante onderdelen weer van een aantal stukken.
Het klaagschrift, de beschikking van de Hoge Raad van 6 juli 2021, de nadere toelichting op het klaagschrift van 25 juni 2024 en de bestreden beschikking van het hof
3.3
Het klaagschrift houdt, voor zover van belang, in (met weglating van voetnoten):

Geen rechtsmacht: [bank 1] en Geldzending genieten immuniteit
21. Alvorens Klaagsters ingaan op de onrechtmatigheid en de disproportionaliteit van (de voortduring van) het gelegde beslag op de geldzending binnen de Nederlandse strafvorderlijke kaders, wensen zij aan de orde te stellen dat Nederland geen rechtsmacht heeft en dat het leggen van beslag door het OM op de geldzending onder [bank 1] in strijd is met het volkenrechtelijke beginsel van de staatsimmuniteit. Met de beslaglegging door het OM op gelden die [bank 1] als staatsorgaan van Suriname onder zich had, heeft Nederland Suriname immers zonder grondslag aan zijn rechtsmacht onderworpen. Dit is in strijd met de soevereine gelijkheid van staten. Prof. dr. [deskundige] , hoogleraar internationaal publiekrecht aan de Universiteit van Utrecht (‘ [deskundige] ’), zet dit in zijn deskundigenadvies (bijlage 7) gemotiveerd uiteen (‘deskundigenbericht‘). De inhoud van dit bericht dient als hier ingelast en herhaald te worden beschouwd.
22. Kort en zakelijkweergegeven komt het neer op het volgende. [bank 1] is een staatsorgaan en daarmee onderdeel van de staat Suriname. Art. 13 a Wet AB en art. 8dSr. bepalen dat- kort en zakelijk weergegeven - de rechtsmacht van de Nederlandse strafrechter wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend, in dit geval is met name van belang het volkenrechtelijk beginsel dat een staat immuniteit van executie geniet, wanneer goederen gebruikt worden of bestemd zijn voor de publieke dienst van die staat. Dit beginsel is, onder meer, neergelegd in art. 19, aanhef sub c van het VN-verdrag betreffende de immuniteit van staten en hun eigendommen uit 2004 (‘VN-verdrag’). Aangezien het VN-Verdrag de codificatie behelst van internationaal gewoonterecht, heeft de Hoge Raad overwogen dat het VN-verdrag, alhoewel door Nederland niet ondertekend, niettemin kan worden beschouwd als bron voor internationaal gewoonterecht.
23. Internationaal wordt in den brede erkend dat goederen van de centrale bank immuniteit genieten. Daarbij valt een onderscheid te onderkennen tussen twee stromingen met de volgende benaderingen: (1) goederen vaneen centrale bank zijn slechts voor beslag vatbaar indien ze bestemd zijn voor commerciële doeleinden; (2) goederen van een centrale bank zijn nooit voor beslag vatbaar.
24. Onderkend moet worden dat ‘goederen van’ een centrale bank verder gaat dan eigendom en ook insluit de situatie dat een centrale bank op basis van haar wettelijke taken goederen onder zich houdt of ze beheert.
25. Hiervóór werd al uiteengezet dat [bank 1] de Geldzending verzorgde op grond van een haar bij wet toegekende taak. In dat geval genieten ook goederen van derden, die zij in dat verband onder zich heeft, (de geldmiddelen van de handelsbanken) immuniteit. [deskundige] , die daarover het vigerende recht onder verwijzing naar internationale en nationale jurisprudentie uiteen zet, licht dat gemotiveerd toe.
26. Zijn concluderende paragraaf luidt als volgt:
“In deze opinie heb ik uiteengezet dat aan vreemde staten, met inbegrip van hun centrale banken, immuniteit van executie toekomt. Dit betekent dat Nederland in beginsel geen beslag, met inbegrip van conservatoir beslag, kan leggen op goederen van buitenlandse centrale banken.
De internationale regels voor immuniteit van executie, zoals zij met name zijn neergelegd in het VN-verdrag uit 2004, zijn voornamelijk ontwikkeld voor civiele zaken. Zij voorzien in een aantal uitzonderingen op de principiële immuniteit van de staat. Er kan worden geargumenteerd dat zij niet gelden voor strafzaken. In dat geval blijven vreemde staten op basis van het internationaal gewoonterecht absolute immuniteit van executie genieten. Er kan echter ook worden geargumenteerd dat de regels voor immuniteit van executie in civiele zaken richtinggevend zijn voor strafzaken.
Welke gewoonterechtelijke immuniteitsregels precies gelden voor eigendommen van de centrale bank, is niet geheel duidelijk. Artikel 21 van het VN-verdrag opteert voor een absolute immuniteit. Het Hof Amsterdam is van oordeel dat dit artikel het gewoonterecht weerspiegelt. Indien men van oordeel is dat artikel 21 het gewoonterecht niet weerspiegelt, geldt de algemene regel van artikel 19, die stelt dat goederen slechts voor beslag vatbaar indien ze bestemd zijn voor commerciële doeleinden. Zowel de Hoge Raad als het Internationaal Gerechtshof hebben vastgesteld dat deze regel het gewoonterecht weerspiegelt.
In alle genoemde scenario’s komt aan de [bank 1] immuniteit toe. In de eerste twee scenario’s geldt absolute immuniteit en is beslag ten enenmale uitgesloten In het derde geval geldt weliswaar een relatieve immuniteit, maar aangezien de [bank 1] de geldzendingen verzorgt op basis van haar wettelijke taken als centrale bank om het betalingsverkeer van Suriname met het buitenland te bevorderen en te vergemakkelijken, hebben deze zendingen een soevereine bestemming en genieten zij derhalve immuniteit van executie.
Dat de eurobiljetten formeel eigendom bleven van handelsbanken is niet relevant. Uit de staatspraktijk blijkt immers dat staatsimmuniteit van executie ook geldt ten aanzien van goederen van derde partijen die door een centrale bank worden beheerd, wanneer de centrale bank hiermee uitvoering geeft aan zijn mandaat om het nationale monetaire systeem te reguleren."
27. Het bovenstaande voert tot de conclusie dat het OM geen rechtsmacht had en heeft om een strafvorderlijk beslag te leggen omdat dit in strijd is met (de ratio van) het volkenrechtelijke beginsel van staatsimmuniteit. Het onbevoegdelijk - en daarmee: onrechtmatig - gelegde en gecontinueerde beslag dient reeds daarom te worden opgeheven.”
3.4
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 6 juli 2021 de beschikking van de rechtbank Noord-Holland waarin de rechtbank - kort gezegd - had geoordeeld dat de inbeslagneming strijdig is met de immuniteit die de [bank 1] op grond van internationaal gewoonterecht geniet, vernietigd. De Hoge Raad heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

4 Juridisch kader
In cassatie zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- artikel 8d van het Wetboek van Strafrecht waarin, kort gezegd, is bepaald dat de toepasselijkheid van de Nederlandse rechtsmachtbepalingen wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend. Hoewel deze bepaling naar de letter alleen betrekking heeft op immuniteit van jurisdictie, moet mede gelet op de wetsgeschiedenis waarin wordt gesproken over de beperking van de “heerschappij” van de “nederlandsche strafwet”, worden aangenomen dat deze bepaling ook betrekking heeft op de immuniteit van beslag en executie (vgl. H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel I, 1881, p. 147).
- artikel 13a van de Wet algemene bepalingen:
“De regtsmagt van den regter en de uitvoerbaarheid van regterlijke vonnissen en van authentieke akten worden beperkt door de uitzonderingen in het volkenregt erkend.”
4.2.1
Het door de rechtbank bedoelde VN-Verdrag betreft de bij resolutie 59/38 van 2 december 2004 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen – maar nog niet in werking getreden - Convention on Jurisdictional Immunities of States and their Property (hierna: VN-Verdrag), zoals weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 7.2. In het bijzonder is van belang dat in artikel 21 in verbinding met artikel 19 van het VN-Verdrag een specifieke regeling is opgenomen over de immuniteit van centrale banken, waarin immuniteit van executie wordt toegekend aan “property of the central bank or other monetary authority of the State”. Deze bepalingen luiden, voor zover hier van belang:
- artikel 19. (“State immunity from post-judgment measures of constraint”):
“No post-judgment measures of constraint, such as attachment, arrest or execution, against property of a State may be taken in connection with a proceeding before a court of another State unless and except to the extent that:
(...)
c) it has been established that the property is specifically in use or intended for use by the State for other than government non-commercial purposes and is in the territory of the State of the forum, provided that postjudgment measures of constraint may only be taken against property that has a connection with the entity against which the proceeding was directed.”
- artikel 21. (“Specific categories of property”)
“1. The following categories, in particular, of property of a State shall not be considered as property specifically in use or intended for use by the State for other than government non-commercial purposes under article 19, subparagraph (c):
(...)
c) property of the central bank or other monetary authority of the State;”
4.2.2
Blijkens zijn totstandkomingsgeschiedenis bevat artikel 21 onderdeel c van het VN-Verdrag een compromis tussen uiteenlopende internationale opvattingen en gewoonten, waarbij er op zichzelf wel brede steun was voor de toekenning van immuniteit aan centrale banken en andere monetaire autoriteiten van staten, maar namens veel staten de wens is uitgesproken de reikwijdte van de bepaling te beperken tot “property (...) of a State central bank held by it for central banking purposes”. (Vgl. Yearbook of the International Law Commission 1985, Vol. II, Part One, p. 43, Yearbook of the International Law Commission 1988, Vol. II, Part One, p. 45 e.v, i.h.b. p. 119, en Yearbook of the International Law Commission 1990, Vol. II, Part Two, p. 42). Deze beperking is echter niet in de verdragstekst opgenomen.
(…)

6.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

6.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de inbeslagneming van het contante geldbedrag inbreuk maakt op de aan de [bank 1] toekomende immuniteit.
6.2.1
In eerdere arresten heeft de civiele kamer van de Hoge Raad geoordeeld dat het VN-Verdrag een codificatie behelst van het internationale gewoonterecht met betrekking tot de immuniteit van jurisdictie en de immuniteit van executie en de daaraan gestelde grenzen (vgl. met betrekking tot de immuniteit van executie zoals bedoeld in artikel 21 lid 1 onder a VN-Verdrag: HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:45; zie verder onder andere HR 5 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6673 met betrekking tot immuniteit van jurisdictie en HR 14 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2371 met betrekking tot immuniteit van executie zoals bedoeld in artikel 19 aanhef en onder c VN-Verdrag).
6.2.2
Hoewel in artikel 2 van de voormelde resolutie 59/38 van 2 december 2004 tot uitdrukking is gebracht dat het VN-Verdrag geen betrekking heeft op “criminal proceedings” moet worden aangenomen dat de immuniteit in strafzaken in ieder geval niet beperkter is dan in civiele zaken. Dit vindt steun in de geschiedenis van de totstandkoming van het VN-Verdrag, waarbij werd uitgegaan van een vergaande immuniteit van staten in ‘criminal proceedings’ (zie H. Fox en Ph. Webb, The Law of State Immunity, 3e druk, Oxford International Law Library 2015, i.h.b. p. 313 en 314).
6.2.3
Niet alle bepalingen van het VN-Verdrag kunnen als internationaal gewoonterecht worden aangemerkt (vgl. o.a. HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2236, rechtsoverweging 3.4.4). Mede in het licht van de totstandkomingsgeschiedenis, zoals vermeld onder 4.2.2, kan niet worden aangenomen dat artikel 21 lid 1 onder c van het VN-Verdrag als vastlegging van internationaal gewoonterecht kan worden aangemerkt. Daarbij speelt een rol dat in de wetgeving en rechtspraak van veel andere staten wordt uitgegaan van een minder vergaande immuniteit van centrale banken (vgl. het rechtsvergelijkende onderzoek dat is opgenomen in M. Bsaisou, Vollstreckungsimmunität von Zentralbanken, Mohr Siebeck 2020; dit onderzoek heeft betrekking op rechtspraak en regelgeving in tal van staten in en buiten Europa).
6.2.4
Mede in het licht van dat rechtsvergelijkende onderzoek kan hooguit worden aangenomen dat als een algemeen geldende, ongeschreven regel van internationaal gewoonterecht kan worden aangemerkt de regel dat een centrale bank aanspraak kan maken op immuniteit van inbeslagneming en executie voor zover het “property” van de centrale bank betreft dat bestemd is of wordt aangewend voor de taakuitoefening van de centrale bank in verband met monetaire politiek en valutabeleid (Bsaisou, a.w, i.h.b. hoofdstuk 4 en p. 389, 390 en 396). Hoewel deze bepalingen, mede gelet op wat hiervoor is overwogen over het toepassingsbereik, hier niet van toepassing zijn, biedt ook artikel 19 aanhef en onder c in samenhang met artikel 21 lid 1 onder c VN-Verdrag steun voor de opvatting dat de immuniteit in ieder geval is beperkt tot “property” van de centrale bank.
6.3.1
De rechtbank heeft vastgesteld dat naar Surinaams recht het inbeslaggenomen geldbedrag eigendom is van de onderscheidenlijke handelsbanken. Het geldbedrag zou weer aan de liquide middelen van de handelsbanken worden toegevoegd nadat het bij de [betrokken bank 1] was omgezet in giraal geld. Met betrekking tot de betrokkenheid van de [bank 1] bij het geldbedrag, heeft de rechtbank vastgesteld dat de [bank 1] optreedt als ‘shipper’- maar niet als feitelijk vervoerder - van de geldzending en de omzetting van het geldbedrag zou plaatsvinden op grond van een overeenkomst tussen haar en de [betrokken bank 1] . De [bank 1] heeft deze taak op zich genomen nadat overeenkomsten die met datzelfde doel waren gesloten tussen de Surinaamse handelsbanken en Europese banken, door de Europese banken werden beëindigd in het kader van ‘de-risking’.
6.3.2
De rechtbank heeft het klaagschrift gegrond verklaard omdat naar haar oordeel regels van internationaal gewoonterecht met betrekking tot immuniteit in de weg staan aan de inbeslagneming van het in eigendom van de handelsbanken zijnde geldbedrag. Dat oordeel is niet begrijpelijk in het licht van wat hiervoor is overwogen met betrekking tot de eis dat sprake is van “property” van de centrale bank. De Hoge Raad neemt hierbij in het bijzonder in aanmerking dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de handelsbanken rechthebbende waren en bleven met betrekking tot het inbeslaggenomen geld en dat uit de vaststellingen van de rechtbank over de betrokkenheid van de [bank 1] bij dat geld niet meer blijkt dan dat zij een faciliterende rol had bij de voorgenomen omzetting van het geldbedrag door de handelsbanken.” [7]
3.5
Bij de behandeling van het klaagschrift in de raadkamer van het gerechtshof Den Haag hebben de raadslieden van de klaagsters het woord gevoerd overeenkomstig een nadere toelichting op het klaagschrift van 25 juni 2024. Deze nadere toelichting op het klaagschrift houdt, voor zover van belang, in:

OVERIGE GRONDEN BEKLAG
44. Ook de overige bij klaagschrift aangevoerde bezwaren tegen de beslaglegging en voortduring daarvan, houden Klaagsters ten volle staande. Gemakshalve zullen Klaagsters deze hieronder in deze toelichting opnemen.
SOEVEREINITEIT – IMMUNITEIT VAN EXECUTIE
45. Ter gelegenheid van de eerste behandeling van dit klaagschrift is door Klaagsters betoogd dat immuniteit van executie in de weg staat aan het voortduren van het beslag.
46. De op die stelling gegeven toelichting komt er in de kern op het volgende neer:
• Strafvordering moet het volkenrecht eerbiedigen;
• immuniteit van executie geldt ten aanzien van staten en hun goederen;
• strafrechtelijke toepassing van het beginsel van immuniteit van executie maakt dat ofwel sprake is van absolute immuniteit ofwel van immuniteit ten aanzien van goederen die voor publieke doeleinden gebruikt worden;
• in geval van het laatste moet het OM bewijs moet leveren in geval hij van opvatting is dat daarvan geen sprake is;
• De immuniteit bij Centrale Banken moet ruim worden opgevat met een functionele benadering; de Centrale Bank moet vrijheid hebben invulling te geven aan haar staatstaak zonder inmenging van vreemde staten en dus zonder beslagmogelijkheid;
• De [bank 1] verrichtte de geldzendingen als onderdeel van haar staatstaken als bedoeld in artikel 9 van de Bankwet 1956;
• Uit de statenpraktijk volgt dat houderschap of beheer van de goederen ook voldoet (eigendom geen vereiste is), waarbij aansluiting wordt gevonden, bij de bredere benadering die is gegeven aan het property criterium in die statenpraktijk (zoals bijvoorbeeld in de MongolBank zaak).
47. Klagers concludeerden dat sprake was van absolute immuniteit of, in elk geval immuniteit nu het uitgevoerde beheer en houderschap valt onder de vereiste property interest zoals de [bank 1] dat had en waardoor immuniteit van executie gold.
48. Klaagster hadden in het stadium van de rechtbank prof. [deskundige] geconsulteerd die een duidelijke deskundigenadvies afgaf waarin hij toelichtte dat een functionele benadering Van immuniteit opgeld doet.
49. Zijn overkoepelende conclusie was helder:
(…)
50. De rechtbank volgde Klaagsters in die slotsom met als criterium dat de [bank 1] immuniteit van strafvorderlijk beslag geniet voor zover dat beslag betrekking heeft op voorwerpen die de [bank 1] onder zich heeft ten behoeve van de uitoefening van haar publieke taak, waarvan naar het oordeel van de rechtbank sprake was. Ook de A-G kwam tot die uitkomst.
51. De Hoge Raad evenwel was een andere opvatting toegedaan.
52. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 6 juli 2021 op basis van rechtsvergelijkend onderzoek de regel geformuleerd ‘dat een centrale bank aanspraak kan maken op immuniteit van inbeslagneming en executie voor zover het "property" van de centrale bank betreft dat bestemd is of wordt aangewend voor de taakuitoefening van de centrale bank in verband met monetaire politiek en valutabeleid’ (rov. 6.4.1.).
53. De immuniteit is, naar uit de beschikking van de Hoge Raad lijkt te volgen, in de optiek van de Hoge Raad beperkt tot (eng geïnterpreteerd) property van een centrale bank.
54. Daarbij overwoog de Hoge Raad verder dat de rol van de [bank 1] een faciliterende was (rov. 6.3.2.).
55. Het oordeel van de Hoge Raad is niet gebaseerd op de feiten uit de procedure (de rechtbank stelde immers niet vast dat [bank 1] slechts een faciliterende rol had) en daarnaast rechtens niet juist. 56. Ten aanzien van de feiten is alhier van belang dat:
• De geldtransporten reeds geruime tijd door de [bank 1] werden gearrangeerd;
• De [bank 1] daarbij handelde als gevolmachtigde van de Handelsbanken;
• Het transport werd verzorgd door de [bank 1] ; zij de verantwoording droeg voor de bankbiljetten tijdens het transport;
• De [betrokken bank 1] slechts met de [bank 1] handelde en wilde handelen;
• De gelden via aankomst bij de [betrokken bank 1] door haar werden gekocht; de koopsom werd bijgeschreven op de rekening die de [bank 1] aanhield bij de [betrokken bank 1] ;
• De [bank 1] haar handelingen ter zake verrichtte op basis van de Bankwet 1956.
57. De vaststelling van de Hoge Raad dat de [bank 1] een, of slechts een, faciliterende rol heeft gehad doet tekort aan haar essentiële betrokkenheid. Zonder de rol van de [bank 1] kon immers de omzetting van chartaal in giraal niet plaatsvinden. Zonder die omzetting zou de Surinaamse economie schade worden toegebracht. Dit terwijl het mede de taak van de [bank 1] is dergelijke schade te voorkomen, reden waarom zij de transporten, incluis het omzetten bij de [betrokken bank 1] als taak opvatte en uitvoerde. Anders dan de Hoge Raad dus lijkt te stellen, zonder onderbouwing overigens, voerde de [bank 1] een staatstaak uit met de transporten en haar rol daarin. Een rol die dus verder ging dan faciliteren. De [bank 1] deed dit onder meer ter bevordering van de stabiliteit in de waarde van de geldeenheid van Suriname; ter verzorgen van de geldsomloop in Suriname, voor zover uit bankbiljetten bestaande, alsmede het vergemakkelijken van het girale betalingsverkeer; het bevorderen van de ontwikkeling van een gezond bank- en kredietwezen in Suriname; het bevorderen en vergemakkelijken van het betalingsverkeer van Suriname met het buitenland; en het bevorderen van een evenwichtige sociaal-economische ontwikkeling van Suriname. Allemaal taken in de Bankwet 1956 (artikel 9) die de [bank 1] moet vervullen. Het is ook om die reden dat zij het contract had met en de rekening aanhield bij [betrokken bank 1] .
58. Wat betreft de juridische uitleg van de immuniteit door de Hoge Raad valt het volgende op te merken.
59. De Hoge Raad stelt tot zijn uitleg van het immuniteitsleerstuk te komen door raadpleging van rechtsvergelijkende literatuur, meer in het bijzonder een proefschrift van Dr. Bsaisou.
60. Het bedoelde proefschrift geeft evenwel geen steun voor de uitleg van de Hoge Raad. Uit dat proefschrift volgt niet dat het immuniteitsleerstuk beperkt blijft tot een strikt geïnterpreteerd property right; er volgt evenmin uit dat dit opgeld zou doen voor het strafrecht.
61. Bovendien, en fundamenteel, de Hoge Raad licht niet toe dat het zou gaan om de vaststelling van of het toepassen van het volkenrecht. Waar het bij dergelijke toepassing immers op aankomt is het onderkennen van de statenpraktijk (die eenvormig en standvastig is) gekoppeld aan een opinio iuris.
62. De Hoge Raad belicht geen van beide. En dat verbaast niet omdat de visie van de Hoge Raad zich niet met het internationaal publiekrecht verhoudt. Property is niet gelijk aan eigendom. Het immuniteitsvraagstuk ligt wederom voor bij uw hof. Waar de Hoge Raad het oordeel van de rechtbank vernietigde op dit aspect, moet (niettemin) hernieuwd het oordeel worden geveld dat het beslag afstuit op het volkenrechtelijk beginsel van immuniteit van executie.
63. Al bij de vorige behandeling - bij het hof Amsterdam - brachten Klaagsters de opinie van Dr. Bsaisou in. Hij was het naar wie de Hoge Raad verwees. Maar ten onrechte en onjuist.
64. Bsaisou is immers tot een geheel andere conclusie gekomen dan de Hoge Raad hem toedichtte.
65. Samengevat oordeelde Bsaisou als volgt:
• Under customary international law property of a foreign central bank is immune from measures of constraint in criminal and civil proceedings if the property is used for governmental non-commercial purposes. Assets deployed by central banks for typical central banking functions are generally viewed to be protected by such immunity. [...]
• Under customary international law rules a foreign central bank only benefits from immunity in relation to assets that qualify as "property" of the central bank under state immunity law.
• State practice suggests that under customary international law assets have to be considered property of a central bank in terms of state immunity law if the central bank holds and controls assets on behalf of private parties in the exercise of central bank functions protected by state immunity. According to the United Nations Convention on Jurisdictional Immunities of States and Their Property and recent national legislation transposing its rules into national law, "property" includes assets in control but not necessarily in the ownership of the foreign state or its central bank.
• Excluding assets from the state immunity of central banks if they are held but not owned by it would disregard characteristics of central bank activities. A Central bank regularly holds and controls assets on behalf of private commercial banks in the exercise of typical central bank functions. [...] The transport of the Euro banknotes by [bank 1] is another example of a central bank holding assets on behalf of commercial banks in the exercise of typical central bank functions. The transport of the Euro banknotes by [bank 1] aimed to ensure sufficient access of commercial banks to Euro currency to be able to efficiently execute payments. With the transport [bank 1] carried out its statutory tasks to manage the circulation of money in the Surinamese economy and to facilitate the flow of payments processed by the Surinamese banking sector.
• Assets in use for these typical central bank functions are protected by state immunity from measures of constraint under current rules of customary international law. [...]
• The Euro banknotes seized by the Dutch prosecutor's office, therefore, have to be considered property of [bank 1] in terms of state immunity from measures of constraint under public international law.
66. De slotsom moet dan ook zijn dat het beklag alsnog en wederom gegrond moet worden verklaard wegens immuniteit van executie. Bsaisou, de deskundige bij uitstek, heeft immers de statenpraktijk onderzocht evenals de opinio juris om te concluderen dat een (breed) concept van property moet worden gehanteerd bij de vraag of immuniteit van executie geldt, al helemaal in het strafrecht. Zijn heldere conclusie is dat de onderwerpelijke geldzending, vervoerd onder auspiciën van de [bank 1] immuniteit, van executie toekomt, hetgeen dan ook het oordeel van uw hof heeft te zijn.
67. Dit betekent dat het beslag van meet af aan om die reden onrechtmatig was en opgeheven moet worden.”
3.6
Het hof heeft in de bestreden beschikking - kort gezegd - geoordeeld dat aan de [bank 1] geen immuniteit toekomt en heeft daartoe als volgt overwogen:

Aanleiding
Op 13 april 2018 heeft, de Douane op Schiphol een geldzending vanuit Suriname met bestemming Hongkong aan een controle onderworpen. Op de vrachtpapieren stond de [bank 1] als “shipper" vermeld. Bij de vrachtpapieren bevond zich verder documentatie over de inhoud van de zending, die € 19.500.000,00 aan contant geld betrof, en volgens de documentatie afkomstig was van de handelsbanken, in de volgende verdeling: € 4.500.000,00 van [bank 4] N.V., € 10.000.000,00 van [bank 2] N.V. en € 5.000.000,00 (waarvan € 1.000,00 in 2 valse coupures van € 500,00) van [bank 3] . N.V. De geldzending is douane-technisch stopgezet, waarna per e–mail is gecorrespondeerd met de [bank 3] N.V. (hierna de [bank 1] ). De Douane heeft haar bevindingen vervolgens overgedragen aan de FIOD, die op 17 april 2018 klassiek strafvorderlijk beslag op het geld heeft gelegd. Het geldbedrag is bij De Nederlandse Bank geteld en, met uitzondering van twee valse biljetten van elk € 500,00, giraal gemaakt. Op 1 juni 2018 werd een bedrag ter grootte van € 19.499.000,00 door De Nederlandse Bank op een bankrekening van de Belastingdienst gestort.
Strafrechtelijk onderzoek
Het Openbaar Ministerie heeft de verdenking dat het inbeslaggenomen geldbedrag geheel of grotendeels (on)middellijk van misdrijf afkomstig is. De handelsbanken en een vijftal in Suriname gevestigde geldwisselkantoren (cambio's) zijn door het Openbaar Ministerie dan ook als verdachten aangemerkt. Een deel van het inbeslaggenomen geld zou afkomstig zijn van deze wisselkantoren.
Op 24 juni 2024 is aan het hof een voorlopig einddossier (digitaal) ter beschikking gesteld en ter terechtzitting in raadkamer is door de advocaten-generaal toegelicht dat i de vertegenwoordigers van de verdachten zijn uitgenodigd voor verhoor.
(…)
Beroep op (staats)immuniteit [bank 1]
Namens klaagsters is betoogd - op gronden zoals weergegeven in het klaagschrift en de (schriftelijke) toelichtingen daarop - dat aan [bank 1] als staatsorgaan immuniteit toekomt ten aanzien van (ook) de onderhavige geldzending die vanuit Suriname via Nederland naar de [betrokken bank 1] in Hongkong werd vervoerd. Hiertoe hebben klaagsters een beroep gedaan op de bij resolutie 59/38 van 2 december, 2004 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen - maar nog niet in werking getreden - Convention on Jurisdictional Immunities of States and their Property (hierna: VN-verdrag), in het bijzonder de artikelen 18 tot en met 21 van dat verdrag. Klaagsters hebben aangevoerd dat [bank 1] de geldzending ter uitvoering van een wettelijke taak, heeft verricht en dat met deze zending een publiek belang van Suriname is gediend. Klaagsters stellen zich op het standpunt dat met de inbeslagneming van de € 19.500.000 het volkenrechtelijke beginsel van de staatsimmuniteit is geschonden.
Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.
Volgens vaste rechtspraak van de civiele kamer van de Hoge Raad behelst het VN-verdrag een codificatie van het internationale gewoonterecht met betrekking tot de immuniteit van jurisdictie en de immuniteit van executie en de daaraan gestelde grenzen. Hoewel in artikel 2 van het VN-verdag tot uitdrukking is gebracht dat dit verdrag geen betrekking heeft op "criminal proceedings" moet worden aangenomen dat de immuniteit in strafzaken niet beperkter is dan in civiele zaken. Dit vindt steun in de geschiedenis van de totstandkoming van het VN-verdrag. Onder verwijzing naar de in de onderhavige procedure gewezen beschikking van de Hoge Raad van 6 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1042) overweegt het hof dat kan worden aangenomen dat als een algemeen geldende, ongeschreven regel van internationaal gewoonterecht inderdaad kan worden aangemerkt de regel dat een centrale bank aanspraak kan maken op immuniteit van inbeslagneming en executie voor zover het “property” van de centrale bank betreft dat bestemd is of wordt aangewend voor de taakuitoefening van de centrale bank in verband met monetaire politiek en valutabeleid.
Het hof stelt echter vast dat naar Surinaams recht de inbeslaggenomen geldbedragen eigendom zijn van de onderscheiden handelsbanken en niet van de [bank 1] , zoals door klaagsters is erkend. De geldbedragen zouden ook weer aan de liquide middelen van die handelsbanken worden toegevoegd nadat het bij de [betrokken bank 1] was omgezet in giraal geld. Met betrekking tot de betrokkenheid van [bank 1] bij de geldbedragen stelt het hof vast dat [bank 1] slechts optreedt als “shipper” - niet als feitelijk vervoerder - van de geldzending en dat de omzetting van het geldbedrag zou plaatsvinden op grond van een overeenkomst tussen haar en de [betrokken bank 1] . De [bank 1] heeft deze taak pas op zich genomen nadat overeenkomsten die met datzelfde doel waren gesloten tussen de Surinaamse handelsbanken en. Europese banken door de Europese banken werden beëindigd in het kader van "de-risking".
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het inbeslaggenomen geld "property" van de centrale bank is, dat bestemd is of wordt aangewend voor de taakuitoefening van de centrale bank in verband met monetaire politiek en valutabeleid. Om deze reden komt de [bank 1] ten aanzien van deze geldbedragen geen immuniteit van inbeslagneming en executie toe.
Naar het oordeel van het hof doet aan het voorgaande niet af dat de geldtransporten volgens de stellingen van klaagsters reeds geruime tijd op de genoemde wijze werden uitgevoerd en dat de [betrokken bank 1] alleen na tussenkomst van [bank 1] met de handelsbanken wilde handelen, zodat de betrokkenheid' van [bank 1] essentieel was bij de transacties met betrekking tot de omzetting van contanten in giraal geld. Haar rol bij de transacties is en blijft een faciliterende en de geldbedragen waren niet haar "property".
Concluderend is het hof van oordeel dat door [bank 1] geen aanspraak kan worden gemaakt op de namens klaagsters voorgestelde immuniteit. Hetgeen namens de klaagsters op dit punt ter aanvulling op het klaagschrift is ingediend leidt niet tot een ander oordeel.”
Bespreking van het middel
3.7
Voor het juridisch kader verwijs ik in de eerste plaats naar de onder 3.4 geciteerde beschikking van de Hoge Raad van 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1042. In de onderhavige derde cassatieronde is immers vrijwel hetzelfde geschilpunt aan de orde als in die beschikking is beslist. Bij het eerste middel gaat het namelijk weer om de vraag of op internationaal gewoonterecht gebaseerde immuniteit van staten in de weg staat aan het leggen van beslag.
3.8
Daarbij nemen de stellers van het middel grotendeels de door de Hoge Raad in rov. 6.2.4 van de genoemde beschikking geformuleerde regel van internationaal gewoonterecht tot uitgangspunt, inhoudende “dat een centrale bank aanspraak kan maken op immuniteit van inbeslagneming en executie voor zover het “property” van de centrale bank betreft dat bestemd is of wordt aangewend voor de taakuitoefening van de centrale bank in verband met monetaire politiek en valutabeleid”. Volgens de eerste deelklacht heeft de Hoge Raad echter vervolgens het begrip ‘property’ te eng uitgelegd, namelijk als “gelijkend op of gelijkgesteld aan het nationaal civielrechtelijk begrijp “eigendom””. De stellers van het middel onderbouwen deze klacht met een beroep op een expertisrapport over de inhoud van het internationale gewoonterecht op dit punt. Volgens dit advies zouden ook vermogensbestanddelen die een centrale bank enkel “holds and controls” onder het begrip ‘property” vallen. De tweede deelklacht houdt in dat de (impliciete) vaststelling van het hof dat de [bank 1] handelde ter uitvoering van zijn monetaire taak niet te rijmen is met het oordeel dat de [bank 1] slecht een faciliterende taak had en geen sprake is van ‘property’.
3.9
Deze
tweede deelklachtfaalt al omdat ik niet inzie waarom het voor een centrale bank niet mogelijk is een monetaire taak te behartigen door anderen te faciliteren en zonder dat relevante goederen ‘property’ zijn van die bank. Onder deze deelklacht lijkt eerder een rechtsopvatting schuil te gaan over het begrip ‘property’ die een meer functionele invulling van het begrip voorstaat. Het gebruik van het goed voor de monetaire taak zou dan (mede) grond zijn om het goed als ‘property’ aan te merken dat immuniteit geniet.
3.1
Daarmee zijn we weer bij de
eerste deelklacht. Daarin wordt geklaagd over een oordeel van het hof dat nauw aansluit bij het oordeel van de Hoge Raad uit 2021. Naar eigen zeggen vallen de stellers van het middel daarmee ook dit oordeel van de Hoge Raad aan. [8] Om een en ander goed te duiden, leg ik de beschikkingen van de rechtbank Noord-Holland uit 2019, de Hoge Raad uit 2021 en de bestreden beschikking van het gerechtshof Den Haag uit 2024 naast elkaar.
3.11
De Hoge Raad vatte in zijn beschikking uit 2021 de door de rechtbank Noord-Holland vastgestelde feiten als volgt samen:
“6.3.1 De rechtbank heeft vastgesteld dat naar Surinaams recht het inbeslaggenomen geldbedrag eigendom is van de onderscheidenlijke handelsbanken. Het geldbedrag zou weer aan de liquide middelen van de handelsbanken worden toegevoegd nadat het bij de [betrokken bank 1] was omgezet in giraal geld. Met betrekking tot de betrokkenheid van de [bank 1] bij het geldbedrag, heeft de rechtbank vastgesteld dat de [bank 1] optreedt als ‘shipper’- maar niet als feitelijk vervoerder - van de geldzending en de omzetting van het geldbedrag zou plaatsvinden op grond van een overeenkomst tussen haar en de [betrokken bank 1] . De [bank 1] heeft deze taak op zich genomen nadat overeenkomsten die met datzelfde doel waren gesloten tussen de Surinaamse handelsbanken en Europese banken, door de Europese banken werden beëindigd in het kader van ‘de-risking’.
(…) dat uit de vaststellingen van de rechtbank over de betrokkenheid van de [bank 1] bij dat geld niet meer blijkt dan dat zij een faciliterende rol had bij de voorgenomen omzetting van het geldbedrag door de handelsbanken.”
3.12
De vaststellingen in de bestreden beschikking van het hof Den Haag van 6 augustus 2024 zijn vrijwel letterlijk dezelfde:
Het hof stelt echter vast dat naar Surinaams recht de inbeslaggenomen geldbedragen eigendom zijn van de onderscheiden handelsbanken en niet van de [bank 1] , zoals door klaagsters is erkend. De geldbedragen zouden ook weer aan de liquide middelen van die handelsbanken worden toegevoegd nadat het bij de [betrokken bank 1] was omgezet in giraal geld. Met betrekking tot de betrokkenheid van [bank 1] bij de geldbedragen stelt het hof vast dat [bank 1] slechts optreedt als “shipper” - niet als feitelijk vervoerder - van de geldzending en dat de omzetting van het geldbedrag zou plaatsvinden op grond van een overeenkomst tussen haar en de [betrokken bank 1] . De [bank 1] heeft deze taak pas op zich genomen nadat overeenkomsten die met datzelfde doel waren gesloten tussen de Surinaamse handelsbanken en. Europese banken door de Europese banken werden beëindigd in het kader van "de-risking".
(…)
Haar rol bij de transacties is en blijft een faciliterende (…)”
3.13
Deze feitelijke vaststellingen van het hof zijn in cassatie niet bestreden zodat wederom daarvan moet worden uitgegaan. Zoals hiervoor vermeld, keert het middel zich wel tegen de term ‘faciliteren’. Dit is echter geen feitelijke vaststelling, maar een samenvattende kwalificatie van het handelen van de [bank 1] op basis van de vaststaande feiten.
3.14
Op basis van deze feiten heeft de rechtbank Noord-Holland bij beschikking van 24 december 2019 het beklag gegrond geacht. Daarbij heeft zij onder andere overwogen (met weglating van een voetnoot):
“6.2.9 Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen en toegespitst op de onderhavige zaak heeft naar het oordeel van de rechtbank in Nederland als ongeschreven regel van internationaal publiekrecht (volkenrecht) te gelden dat vreemde staten, in deze zaak Suriname, immuniteit van strafvorderlijk beslag genieten voor zover dat beslag betrekking heeft op voorwerpen die de vreemde staat onder zich heeft ten behoeve van de uitoefening van haar publieke taak.
(…)
6.2.16
De officieren van justitie hebben nog aangevoerd dat [bank 1] geen beroep op immuniteit toekomt, aangezien het inbeslaggenomen geld eigendom is van de - inmiddels als verdachten aangemerkte - handelsbanken en [bank 1] hooguit als (middellijk) houder van het geld kan worden beschouwd. Het gaat hier niet om staatseigendommen, aldus de officieren van justitie. De rechtbank volgt de officieren van justitie hierin niet. De vraag welke voorwerpen de immuniteit van het strafvorderlijk beslag omvat, moet worden beantwoord op een wijze die in overeenstemming is met het doel en de strekking van (gecodificeerde en niet-gecodificeerde) regels waaraan staten (en burgers) zich in het internationale (publieke) rechtsverkeer hebben te houden. Hoewel de inbeslaggenomen gelden naar het nationale (civiele) recht van Suriname eigendom zijn van de drie handelsbanken, stelt de rechtbank vast dat het onder zich nemen en houden door [bank 1] van deze gelden inherent is aan de handeling(en) die zij in de vervulling van haar publieke taken verricht. Doel en strekking van immuniteit is, zoals hiervoor onder 6.2.8 weergegeven, het waarborgen dat een staatsorgaan zijn taken en bevoegdheden namens zijn staat op effectieve wijze kan uitoefenen. Toepassing van het strafvorderlijke dwangmiddel van inbeslagneming tegen in dit geval (onder meer) [bank 1] - wat erop neer is gekomen dat de gelden aan de feitelijke beschikkingsmacht van [bank 1] zijn onttrokken - kan de rechtbank niet anders bestempelen dan “
having the effect of directly hampering his ability to continue to perform his duties" en is daarom in strijd met de door Nederland te eerbiedigen immuniteit van [bank 1] .” [9]
3.15
De rechtbank geeft hiermee in feite ook een meer functionele invulling aan het begrip ‘property’. Volgens de rechtbank staat bij dit begrip immers niet centraal hoe de staat zich in rechte verhoudt tot het beslagen ‘voorwerp’, maar het doel en de strekking van de immuniteitsregels. Volgens de rechtbank zijn dit doel en deze strekking het “waarborgen dat een staatsorgaan zijn taken en bevoegdheden namens zijn staat op effectieve wijze kan uitoefenen”. [10]
3.16
Dit oordeel kon volgens de Hoge Raad echter niet door de beugel. Samengevat stelt de Hoge Raad als eerste vast dat art. 8d Sr, over - kort gezegd - de beperking van het strafrecht door het volkenrecht, ook betrekking heeft op immuniteit van beslag en executie. Op zoek naar eventueel internationaal gewoonterecht komt de Hoge Raad uit bij het VN-Verdrag dat deels en codificatie van dit gewoonterecht inhoudt. Hij stelt vast dat dit verdrag geen betrekking heeft op strafzaken, maar dat strafrechtelijke immuniteit in ieder geval niet beperkter is dan civielrechtelijke immuniteit. Verder stelt de Hoge Raad vast dat de absolute immuniteit van ‘property’ van centrale banken die is neergelegd in art. 21 lid 1 onder c VN-Verdrag géén regel van internationaal gewoonterecht is. Ten slotte formuleert de Hoge Raad de hiervoor al geciteerde regel “dat een centrale bank aanspraak kan maken op immuniteit van inbeslagneming en executie voor zover het “property” van de centrale bank betreft dat bestemd is of wordt aangewend voor de taakuitoefening van de centrale bank in verband met monetaire politiek en valutabeleid.”
3.17
Het oordeel van de rechtbank over de immuniteit van [bank 1] voor de inbeslaggenomen bankbiljetten acht de Hoge Raad niet begrijpelijk:
“niet begrijpelijk in het licht van wat hiervoor is overwogen met betrekking tot de eis dat sprake is van “property” van de centrale bank. De Hoge Raad neemt hierbij in het bijzonder in aanmerking dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de handelsbanken rechthebbende waren en bleven met betrekking tot het inbeslaggenomen geld en dat uit de vaststellingen van de rechtbank over de betrokkenheid van de [bank 1] bij dat geld niet meer blijkt dan dat zij een faciliterende rol had bij de voorgenomen omzetting van het geldbedrag door de handelsbanken.” [11]
3.18
Hiermee verwerpt de Hoge Raad de meer functionele benadering van de rechtbank dat het ‘onder zich hebben’ voor de uitoefening van een bepaalde taak al voldoende is voor het aannemen van immuniteit. Het zijn van ‘property’ is een zelfstandige eis naast de bestemming van het betreffende goed. Over de vereiste verhouding tussen het goed en de staat/centrale bank doet de Hoge Raad geen algemene uitspraak. Met name lees ik niet dat de Hoge Raad zou menen dat alleen bij civielrechtelijke eigendom sprake zou zijn van ‘property’. De Hoge Raad vermijdt vertaling van dit begrip in het Nederlands, waarmee hij recht doet aan de autonome invulling van het begrip in het internationale gewoonterecht. Hij oordeelt enkel dat het in de door de rechtbank vastgestelde verhouding van de [bank 1] tot de inbeslaggenomen 19,5 miljoen euro, niet begrijpelijk is dit bedrag aan te merken als ‘property’.
3.19
Gegeven de ongewijzigde vaststelling van feiten, komt dan al snel de conclusie in beeld dat het oordeel van het hof Den Haag dat geen sprake is van ‘property’, niet onbegrijpelijk is.
3.2
De stellers van het middel hebben echter ook aangevoerd dat de door de Hoge Raad gegeven uitleg aan het begrip ‘property’ niet juist is. Ook al is dit een herhaling van zetten, zie ik toch reden hierop in te gaan. Het gaat hier immers om een regel van internationaal gewoonterecht. Van dergelijk gewoonterecht is sprake bij een algemene praktijk van staten gedurende een bepaalde periode, terwijl deze staten de overtuiging hebben dat deze gedragingen door internationaal recht worden toegestaan, geduld dan wel gevorderd. [12] Een dergelijke praktijk en/of rechtsovertuiging zou sinds de beschikking uit 2021 vastere contouren hebben kunnen aannemen of meer kenbaar kunnen zijn geworden.
3.21
Als eerste stel ik daarbij vast dat het VN-Verdrag nog niet in werking is getreden. Wel heeft het Koninkrijk der Nederlanden dit verdrag inmiddels goedgekeurd bij Rijkswet van 2 oktober 2024 (
Stb. 2024, 289). Op 23 april 2025 heeft ratificatie door Nederland plaatsgevonden. [13] Daarbij is geen voorbehoud gemaakt bij de uitgebreide immuniteit van ‘property’ van centrale banken, die is neergelegd in art. 21 lid 1 sub c VN-Verdrag. [14] Het aantal ondertekeningen en ratificaties van dit verdrag is echter sinds 2021 niet significant toegenomen. Daaraan zijn dus geen aanwijzingen voor een statenpraktijk te ontlenen, waarbij ik nogmaals opmerk dat dit verdrag niet rechtstreeks immuniteit in het strafrecht regelt.
3.22
De stellers van het middel beroepen zich voor hun stelling over de reikwijdte van het begrip ‘property’ in het internationale gewoonterecht op het genoemde expertiserapport van de juristen M. Bsaisou en W. Spoerr van 24 november 2022. [15] Zij concluderen, kort gezegd, dat sprake is van ‘property’ als een centrale bank ter uitvoering van zijn taken een ‘asset holds and controls’, ook als dat een ‘asset’ is van een derde (privé)persoon. [16] Zij stellen dat [bank 1] op deze wijze de bankbiljetten van de drie handelsbanken ‘held and controlled’.
3.23
Dit expertiserapport bevat nauwelijks bronnen die niet al bekend waren ten tijde van de beschikking van de Hoge Raad van 6 juli 2021. Bsaisou en Spoerr beschrijven verder dat de vraag wat ’property’ is maar beperkte aandacht heeft gekregen in de statenpraktijk en in de wetenschappelijke literatuur. [17] Ook in de rechtspraak is volgens hen nog geen duidelijke definitie van ‘property of a central bank’ ontwikkeld. [18] Zij zien ten slotte ook geen definitie van ‘property’ in het VN-Verdrag. [19]
3.24
Op basis van de totstandkomingsgeschiedenis van dit verdrag en de literatuur daarover, beargumenteren Bsaisou en Spoerr wel wat onder ‘control’ moet worden verstaan. [20] Zij sluiten aan bij een commentaar op het VN-Verdrag waarin wordt uiteengezet dat ‘ownership’, ‘possession’ en ‘control of the State’ onder ‘property’ vallen, maar niet een “lesser species of right or interest”. [21] Dit standpunt, dat sprake moet zijn van op zijn minst ‘control’, begrijp ik als de eis dat de staat/centrale bank dient te kunnen bepalen wat met het goed gebeurt, oftewel, dat de staat/centrale bank zeggenschap moet uitoefenen over de inbeslaggenomen goederen. [22] Deze uitleg is ook in overeenstemming met een in het expertiserapport aangehaalde uitspraak van de hoogste rechter in civiele zaken in Zweden van 18 november 2021. Dit arrest gaat onder andere in op de vraag in hoeverre de meer omvattende bescherming van de ‘property’ van centrale banken die is neergelegd in art. 21 onder c VN-Verdrag internationaal gewoonterecht is. Volgens de Engelse vertaling van dit arrest oordeelt de Högsta Domstolen dat onder dit artikel ook “property otherwise at the bank’s disposal valt”. [23]
3.25
Deze uitleg is te herkennen in andere door de Bsaisou en Spoerr genoemde nationale rechtsbronnen zoals de in België en Frankrijk geldende immuniteitswetgeving die het heeft over tegoeden die centrale banken “aanhouden of beheren” [24] respectievelijk “détiennent ou gèrent”. [25] Het merendeel van de door de hen aangehaalde nationale rechtspraak gaat over tegoeden die door centrale banken worden aangehouden bij een buitenlandse bank. Daarbij zal over het algemeen sprake zijn van dergelijk houderschap (‘hold’) en een vorm zeggenschap (control’). [26] [27]
3.26
Anders dan de stellers van het middel zie ik niet dat het oordeel van het hof niet te verenigen zou zijn met deze invulling van het begrip ‘property’. Het hof heeft in deze zaak immers vastgesteld dat naar Surinaams recht de inbeslaggenomen geldbedragen eigendom zijn van de onderscheiden handelsbanken en niet van de [bank 1] . De vaststellingen van het hof houden verder in dat de geldbedragen weer aan de liquide middelen van die handelsbanken zouden worden toegevoegd nadat het bij de [betrokken bank 1] was omgezet in giraal geld, dat de [bank 1] bij de geldbedragen slechts optreedt als “shipper” - niet als feitelijk vervoerder - van de geldzending, dat de omzetting van het geldbedrag zou plaatsvinden op grond van een overeenkomst tussen haar en de [betrokken bank 1] en dat de [bank 1] deze taak pas op zich heeft genomen nadat overeenkomsten die met datzelfde doel waren gesloten tussen de Surinaamse handelsbanken en Europese banken door de Europese banken werden beëindigd. Daarin ligt als oordeel van het hof besloten dat de [bank 1] over de inbeslaggenomen geldbedragen geen ‘ownership’, geen ‘possession’ had en dat slechts sprake was van een beperkte vorm van zeggenschap zodat ook geen sprake was van ‘hold and control’.
3.27
Dit oordeel getuigt, ook gelet op de beschikking van de Hoe Raad van 6 juli 2021, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is - mede in het licht van hetgeen namens de klaagsters is aangevoerd - ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
3.28
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof bij de beoordeling van het klaagschrift ten onrechte niet een minder restrictief criterium heeft aangelegd dan de vraag of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, zal overgaan tot verbeurdverklaring van het beslagene, althans dat het hof dit ruimere criterium onjuist heeft toegepast dan wel, mede in het licht van hetgeen door de klaagsters daaromtrent is aangevoerd, die toepassing onjuist en/of ontoereikend heeft gemotiveerd.
4.2
Voordat ik het middel bespreek, geef ik eerst de relevante delen van een aantal stukken weer.
Het proces-verbaal van de in raadkamer gehouden terechtzitting, de nadere toelichting op het klaagschrift en de relevante overweging van het hof
4.3
Het proces-verbaal van de in raadkamer gehouden terechtzitting van het hof van 25 juni 2024 houdt, voor zover van belang, in:
“Gevraagd naar de actuele stand van zaken verklaren de advocaten-generaal:
Gisteren is aan het gerechtshof een digitaal afschrift van het einddossier van onderzoek Juno overhandigd. In de visie van hef Openbaar Ministerie (hierna: OM) ligt er een bewijsvermoeden van witwassen en is het aan de verdediging hier al dan niet gehoor aan te geven. De vertegenwoordigers van de verdachten zijn daarom inmiddels uitgenodigd voor verhoor. Het OM heeft uiteraard kennisgenomen van de weigering van het rechtshulpverzoek door Suriname.
De raadslieden voeren hierop het woord overeenkomstig hun overgelegde en in het procesdossier gevoegde nadere toelichting op het klaagschrift ex artikel 552a Sv. (…)
De advocaten-generaal voeren hierop het woord overeenkomstig hun overgelegde en in het procesdossier gevoegde 'Standpunt OM op klaagschrift beslag' d.d. 25 juni 2024. Zij verklaren in aanvulling hierop:
Wat het OM betreft is het gerechtshof Amsterdam buiten de summiere toets van het beslag getreden, en staat ook het uitblijven van uitvoering van het rechtshulpverzoek door Suriname niet in de weg aan een vervolging door het Nederlandse OM.(…)
Hierop verklaart de raadsman mr. Verbruggen:
Het OM stelt zich in deze zaak niet bepaald magistratelijk op. Ik leg over een bericht van De Nederlandsche Bank van 8 juli 2019, en verwijs naar het hierin opgenomen randnummer 64. Er is niet eerder aan verdachten om een verklaring gevraagd. Witwasindicatoren zijn niet geschreven voor een zaak als deze, maar zien op de onderwereld. (…) Het belang van klaagsters bij opheffing van het beslag blijft onverminderd groot. Wanneer het OM de verdachten om een verklaring vraagt, zal het zeker antwoord ontvangen.”
4.4
Blijkens dit proces-verbaal hebben de raadslieden van de klaagsters het woord gevoerd overeenkomstig hun overgelegde en in het procesdossier gevoegde nadere toelichting op hun klaagschrift. Deze nadere toelichting op het klaagschrift houdt, voor zover van belang, in (met weglating van voetnoten):

BEOORDELING - INHOUDELIJK
VERBEURDVERKLARING WEL HOOGST ONWAARSCHIJNLIJK – CRITERIUM
14. Geregeld maant de cassatierechter de feitenrechter tot terughoudendheid bij de hantering van het ‘hoogst onwaarschijnlijk-criterium’. (…)
15. De omstandigheden die er normaal gesproken toe moeten leiden dat de feitenrechter terughoudend is bij de opheffing van het beslag op deze grond, omdat hij niet te veel vooruit mag lopen op de behandeling ten gronde, doen zich in dezen niet (meer) voor. Het onderzoek is klaarblijkelijk afgerond (behoudens de eventuele verhoren van vertegenwoordigers van de banken) en alle informatie op basis waarvan de strafrechter later eventueel zou kunnen oordelen, is voorhanden met het opmaken en verstrekken van het eindproces-verbaal in deze zaak. Daarom menen Klaagsters dat uw Hof wat meer ruimte kan nemen dan standaard is; de factoren die daar doorgaans toe nopen, zijn in dezen afwezig. Tegen die achtergrond naar de beslissing van het Hof Amsterdam.”
4.5
Het hof heeft in de bestreden beschikking onder meer het volgende overwogen:

Belang van strafvordering bij het voortduren van het beslag
Namens klaagsters is betoogd - op gronden zoals weergegeven in het klaagschrift en de schriftelijke toelichtingen daarop - dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen geldbedrag zal besluiten.
Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.
Bij de beoordeling van een klaagschrift dat is gericht tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv, moet de rechter
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering houdt hierbij verband met het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat. Het belang van strafvordering vordert onder meer het voortduren van het beslag als niet
hoogstonwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
Aan het hanteren van het criterium of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter - kort gezegd - tot de oplegging van een straf of maatregel zoals verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer overgaat, ligt ten grondslag dat het onderzoek in raadkamer doorgaans (zo ook in deze zaak) plaatsvindt op een moment dat het onderzoek nog loopt, dus voordat de strafzaak inhoudelijk wordt behandeld. Daarbij heeft het onderzoek in raadkamer een summier karakter, waarbij de beoordeling van het beklag plaatsvindt op grond van de informatie die op dat moment voorhanden is over de strafzaak. De rechter die oordeelt over het beklag, kan slechts in zeer beperkte mate vooruitlopen op de beslissingen die zullen worden genomen in de strafzaak (ECLI:NL:HR:2023:128).
In de onderhavige zaak heeft het hof in raadkamer kennisgenomen van de mededelingen van de advocaten-generaal, waaruit volgt dat het Openbaar Ministerie heeft beslist de handelsbanken te vervolgen op verdenking van witwassen en dat de (vertegenwoordigers van de) handelsbanken zijn uitgenodigd voor verhoor. Voorafgaand aan de behandeling in raadkamer heeft het hof kennis kunnen nemen, van het voorlopige (digitale) einddossier.
Het hof kan en zal gelet op het karakter van de beklagprocedure niet treden in de beperkingen die volgen uit de weigering van de Surinaamse autoriteiten om uitvoering te geven aan een door het Openbaar Ministerie ingediend rechtshulp.
Concluderend is het hof van oordeel dat thans niet kan worden geoordeeld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later inhoudelijk oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen geldbedrag zal bevelen.
Met betrekking tot de proportionaliteit en subsidiariteit van het voortduren van het beslag maakt het hof uit hetgeen klaagsters hebben toegelicht op dat de handelsbanken door de [bank 1] aanvullende liquiditeit is verstrekt om de als gevolg van het beslag ontstane situatie het hoofd te bieden. Voorts hebben klaagsters aangegeven dat de geldzendingen ten behoeve van het giraal maken van contanten in euro's inmiddels zijn hervat via een andere route. De [bank 1] kan daarmee weer invulling geven aan de gestelde monetaire taak met betrekking tot het deviezenverkeer, die volgens klaagsters door de beslaglegging ernstig zou zijn verstoord. Mede gelet daarop is het hof van oordeel dat er geen grond is om het beslag (gedeeltelijk) op te heffen omdat voortduring van de beslaglegging disproportioneel zou zijn. Ook het tijdsverloop sinds de beslaglegging en het uitblijven van overeenstemming tussen klaagsters en het Openbaar Ministerie over opheffing van het beslag tegen zekerheidstelling maakt naar het oordeel van het hof niet dat de belangen van klaagster bij opheffing van het beslag op dit moment zwaarder wegen dan het strafvorderlijk belang bij het voortduren van het beslag.
Het beklag wordt daarom ongegrond verklaard.”
Bespreking van het middel
4.6
Ik stel voorop dat uit bestendige jurisprudentie (HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823) van de Hoge Raad volgt dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Daaraan ligt ten grondslag dat de beklagrechter niet ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure dient te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier, zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel.
4.7
De rechter moet bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen een beslag dat is gelegd op grond van art. 94 Sv, a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, b. de teruggave van het in beslag genomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het door art. 94 Sv beschermde belang van strafvordering verzet zich onder meer tegen teruggave indien het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen.
4.8
In de toelichting op het middel wordt het standpunt ingenomen dat het hof in het onderhavige geval een ruimere toets had moeten aanleggen en niet kon volstaan met de beoordeling of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen. Daartoe wordt aangevoerd dat zich hier niet het geval voordoet dat het dossier, zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofdzaak zal worden voorgelegd, niet compleet is. In dat verband wijzen de stellers van het middel erop dat door het openbaar ministerie reeds een eindproces-verbaal was verstrekt.
4.9
Ik stel om te beginnen vast dat in de rechtspraak van de Hoge Raad over het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer geen onderscheid wordt gemaakt tussen gevallen waarin de raadkamer nog niet of al wel een eindproces-verbaal van politie ter beschikking staat.
4.1
Verder stel ik vast dat blijkens het proces-verbaal van de in raadkamer gehouden terechtzitting van het hof van 25 juni 2024 door de advocaat-generaal is medegedeeld: “gisteren [ik begrijp: 24 juni 2024; MvW] is aan het hof een digitaal afschrift van het einddossier van het onderzoek Juno overhandigd. In de visie van het Openbaar Ministerie (…) ligt er een bewijsvermoeden van witwassen en is het aan de verdediging om hier al dan niet gehoor aan te geven.” Uit het proces-verbaal volgt verder dat de advocaat-generaal daarnaast heeft verklaard dat de vertegenwoordigers van de verdachten inmiddels zijn uitgenodigd voor verhoor en dat mr. Verbruggen daarop heeft gereageerd dat “Wanneer het OM de verdachten om een verklaring vraagt, (…) het zeker antwoord [zal] ontvangen.”
4.11
Het hof heeft in de bestreden beschikking overwogen dat het kennis heeft genomen van de mededelingen van de advocaten-generaal, waaruit volgt dat het openbaar ministerie heeft beslist de handelsbanken te vervolgen op verdenking van witwassen en dat de (vertegenwoordigers van de) handelsbanken zijn uitgenodigd voor verhoor. Het hof heeft verder vastgesteld dat het voorafgaand aan de behandeling in raadkamer kennis heeft kunnen nemen van het “voorlopige (digitale) einddossier”. In die vaststelling van het hof ligt besloten dat het hof tijdens de behandeling van het klaagschrift nog niet de beschikking had over een compleet dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in hoofdzaak zal worden voorgelegd. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit het proces-verbaal van de in raadkamer gehouden terechtzitting van het hof weliswaar volgt dat er een eindproces-verbaal is opgemaakt en verstrekt, maar ook dat er nog verhoren van de vertegenwoordigers van de verdachten zullen gaan plaatsvinden. [28] Tevens is daarbij van belang dat ‘een dossier zoals dat aan de zittingsrechter zal worden voorgelegd’ niet alleen bestaat uit een politiedossier, maar ook uit de resultaten van de eventuele door de rechter-commissaris nog in het vooronderzoek te verrichten onderzoekshandelingen.
4.12
Het middel faalt reeds om die reden.
4.13
Daar komt mijns inziens nog het volgende bij. Het summiere karakter van het onderzoek in de raadkamer hangt enerzijds samen met de omstandigheid dat in voorkomende gevallen ten tijde van de behandeling van het klaagschrift nog geen compleet dossier voorhanden is. Dat is echter niet het enige argument waarom het onderzoek in de raadkamer een summier karakter heeft. Het andere argument is dat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel dat mede gebaseerd zal zijn op het onderzoek ter terechtzitting. Dat argument blijft, ook indien er een compleet politiedossier ligt, onverkort overeind.
4.14
Het tweede middel faalt.

5.Het derde middel

5.1
Het derde middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd om te beslissen op het standpunt van de klaagsters inhoudende dat het beslag onrechtmatig is gelegd en/of gehandhaafd.
5.2
Voordat ik het middel bespreek, geef ik eerst de relevante delen van enkele stukken weer.
Klaagschrift, nadere toelichting op het klaagschrift, de reactie van het openbaar ministerie op het klaagschrift en het schriftelijk standpunt van het openbaar ministerie
5.3
Het klaagschrift houdt voor zover van belang in (met weglating van voetnoten):

Onrechtmatigheid beslag
Geen verdenking van witwassen
28. Zoals vermeld onder randnummer 17 is de betreffende geldzending op 13 april 2018 door de Douane op Schiphol opgehouden voor nadere controle. Douane-medewerker [betrokkene 1] (‘ [betrokkene 1] ’) heeft [bank 1] verzocht om de onderliggende documentatie van de geldzending te overleggen. Daaruit zou moeten blijken wat de herkomst van het geld is en voor wie het is bestemd. Erkend waarde transporteur Brinks vervoerde het geld in opdracht van [bank 1] en beschikte over alle relevante documentatie ten aanzien van de geldzending, waaronder de Surinaamse douaneformulieren, paklijsten,
letters of authorization/commercial invoicesen stortingsspecificaties met daarop vermeld de cliënten van de handelsbanken (…). Om iedere mogelijke verwarring te voorkomen ten aanzien van de herkomst en bestemming van het geld, heeft [bank 1] deze stukken nogmaals verzonden aan [betrokkene 1] (…).
29. Zoals bekend, heeft het OM desalniettemin op 17 april 2018 opdracht gegeven beslag te leggen op de bijna EUR 19,5 miljoen aan bankbiljetten ter zake van een verdenking van witwassen. De verdenking van het OM is gebaseerd op een aantal zogeheten witwasindicatoren die klaarblijkelijk zijn ontwikkeld in het kader van project ‘Vespasianus’, waarover in het aanvangsprocesverbaal AMB-002 onder meer het volgende is geschreven:
(…)
30. Uit de bovenstaande omschrijving van de achtergrond en het doel van de in het project Vespasianus ontwikkelde indicatoren, blijkt dat deze ertoe dienen grensoverschrijdende transporten van contant geld uit het criminele circuit afkomstig, te onderscheiden van reguliere, legitieme transporten van contant geld. De indicatoren zijn niet geschikt en niet ontwikkeld om binnen een geldzending, onmiskenbaar afkomstig van bonafide partijen, eventuele besmette gelden te detecteren. Dat volgt ook evident uit de aard van de diverse indicatoren. In dit geval staat buiten kijf dat de Geldzending (evenals de geldzendingen daarvóór) afkomstig waren van banken en werden vervoerd door een waardetransporteur onder verantwoordelijkheid van [bank 1] . Daarmee staat vast dat de Geldzending afkomstig is van bonafide partijen die geld als core business hebben en missen de indicatoren ieder discriminerend vermogen. Hieronder zal dat nog nader uitgewerkt worden.
31. Sterker, het vervoer van geld door een reguliere bank kan evident niet onder het doel of de strekking van de voornoemde rapportages vallen. Dat geldt ook hier nu de Geldzending werd vervoerd door de nationale Surinaamse centrale bank en afkomstig is van handelsbanken van onbesproken gedrag. Overigens hebben Douane, FIOD en OM daarover ook geen twijfel geuit.
32. De criteria zijn derhalve disfunctioneel en niet van toepassing. Vast staat dat het géén transport van cash uit het criminele circuit betreft, maar een regulier en beveiligd geldtransport van [bank 1] , uitgevoerd door een gecertificeerde waarde transporteur en vergezeld van de relevante documentatie. Bovendien is reeds toegelicht dat het transport haar oorsprong vindt in een controleerbare economische activiteit die reeds vele jaren plaatsvindt.
33. De op basis van dit niet toepasselijke kader ontwikkelde indicatoren hebben -uiteraard a fortiori-evenmin gelding op de onderhavige casus. Het gaat om indicatoren die, gelet op de aard van het bankbedrijf en de achtergrond van de transporten, geen onderscheidend vermogen hebben én zodoende geen indicator kunnen vormen van onwettig handelen. Zonder hier uitputtend te willen zijn illustreren klaagsters dit als volgt.
34. Indicator 1 gaat ervan uit dat Suriname een bronland/hub voor drugs is. Onduidelijk is waarop deze aanname is gebaseerd, aangezien Suriname niet voorkomt op de vele lijsten van hoog risicolanden witwassen, waaronder op de recent voorgestelde EU-lijst. In elk geval levert de indicator geen verdenking ten aanzien van regulier bankgeldtransport.
35. Volgens Indicator 2 past de hoeveelheid en verzending van euro’s niet bij Suriname en volgens indicator 37 is het fysiek vervoeren van grote bedragen in contanten niet gebruikelijk en brengt het een veiligheidsrisico met zich. Dat laatste is uiteraard onjuist en zelfs onzinnig in dit geval. Het ging immers om een goed georganiseerd zwaar beveiligd transport door een erkend gespecialiseerd bedrijf. Daarbij: grensoverschrijdend vervoer is voor de banken de enige optie. Ook het eerste is onjuist. De Surinaamse economie is in grote mate een cash economie waarbij doorinzichtelijke en reguliere achtergrond (in hoofdzaak toeristen en andere bezoekers) een overschot aan euro’s voorhanden is. Bedacht moet worden dat naast de Surinaamse dollar, de euro en US dollar in Suriname gebruikt worden.
36. Indicator 3, 4, 5, 6 en 9 stellen kort gezegd dat het ongebruikelijk is dat de biljetten zijn ‘gebruikt’, de verpakking opmerkelijk zou zijn en dat het voornamelijk grote coupures betreffen. Dit illustreert treffend dat de indicatoren niet van toepassing zijn op de onderwerpelijke situatie. Deze indicatoren zijn volstrekt bezijden de orde in het licht van het bankbedrijf dat wordt uitgevoerd door [bank 1] en de handelsbanken en de manier waarop de contante euro’s van klanten bij de banken terecht komen. Uiteraard zijn de bankbiljetten gebruikt - het zou verdacht en opmerkelijk zijn als het anders was. Ook in de verpakking en coupuregrootte ligt, gelet op het bankbedrijf van klaagsters, geen bijzondere betekenis en ermee kan in elk geval geen verdenking worden geschraagd.
37. Volgens indicatoren 25 en 27 is de route van de geldzending ongebruikelijk. Die veronderstelling is onjuist. De route heeft in tegenstelling tot hetgeen wordt gesteld in indicator 25 niets te maken met de handel in goud, maar is logisch verklaarbaar tegen de achtergrond van de relatie tussen [bank 1] en [betrokken bank 1] . Klaagsters verwijzen naar hun uitleg onder randnummers 2, 3, 13 en 14.
38. Er is, kortom, niet één voor deze situatie betekenisvolle indicator die zou wettigen dat er twijfel ontstaat aan de rechtmatige herkomst van de Geldzending.
39. Klaagsters benadrukken nogmaals dat de indicatoren niet zijn ontwikkeld voor situaties zoals deze, waarin al vast staat dat het gaat om bedrijfsmatig regulier vervoer van geld, met een verklaarbare herkomst en oorzaak.
40. Het zij herhaald: de indicatoren zijn nadrukkelijk niet ontwikkeld om te detecteren of zich binnen een dergelijke geldzending, met duidelijke herkomst, mogelijk middelen van wederrechtelijke oorsprong bevinden. De indicatoren zijn in wezen in dezen niet meer dan door de opsporing zelf geschapen aanwijzingen, die in dit geval geen relevantie hebben. Dit maakt de toepassing van de indicatoren op de geldzendingen zinledig en betekent dat hieruit geen strafrechtelijk relevante conclusies getrokken kunnen worden.
41. Het OM (en de FIOD) slaan bovendien een stap over in hun standpunt dat een verdenking ter zake van witwassen bestaat. Het raamproces-verbaal en opvolgend het OM, laten geheel in het midden hoe de stap van indicatoren naar een verdenking van witwassen zou kunnen zijn gemaakt. Dit klemt temeer nu de indicatoren in deze situatie geen toepassing hebben; ze duiden alhier immers niet op mogelijk onwettige herkomst van de gelden, ze wijzen niets bijzonders aan gelet op de achtergrond van. het geldtransport door banken.
42. Klaagsters is geen informatie uit (nader) onderzoek bekend waaruit een gegronde verdenking (wel) zou kunnen volgen. Zonder gesubstantiveerde verdenking, ontbreekt de grond voor het leggen van beslag. Dat een verdenking hier ontbreekt blijkt uit het voorgaande. Het zal denkelijk de reden zijn geweest van het OM voor het in hun ogen onoorbare voorstel te doen dat zij de banken deed. In elk geval kan worden vastgesteld dat het beslag onrechtmatig is gelegd en voortgezet.”
5.4
De nadere toelichting op het klaagschrift van 25 juni 2024 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in (met weglating van voetnoten):

BESLAG ONRECHTMATIG GELEGD
68. Bij klaagschrift zetten Klaagsters uiteen dat en waarom het beslag ab initio onrechtmatig is gelegd en gehandhaafd. De feiten en omstandigheden legitimeerden het vereiste vermoeden van witwassen niet; de Vespasianus-indicatoren missen toepasselijkheid op de onderwerpelijke casus.
(…)
Klaagsters houden dit betoog staande. Lezing van het einddossier Juno sterkt hen in de overtuiging dat de indicatoren betekenisloos zijn voor de casus at hand:
(…)
70. Dit maakt in één klap duidelijk dat de indicatoren geen zweem van een vermoeden van witwassen billijken - laat staan dat de indicatoren duidelijk zouden maken dat het niet anders kan dan dat de gelden van misdrijf afkomstig zijn.
71. Hier, voor uw Hof, na de tweede verwijzing door de Hoge Raad, voegen zij daar nog het volgende aan toe.
72. Zoals eerder aangehaald, bracht de Hoge Raad enige nuancering aan op het door Hof Amsterdam ontworpen stappenplan om al dan niet te komen tot bewezenverklaring van witwassen. Waar het Hof Amsterdam een verdenking van witwassen vergde, legt de Hoge Raad de lat hoger. De eisen voor de toegang tot het stappenplan formuleert de Hoge Raad als volgt.
(…)
73. Dat de Hoge Raad meer vergt dan een gewone verdenking, valt te begrijpen vanuit constitutioneel perspectief. Eigendom is nog altijd een grondrecht, zelfs een mensenrecht en hier te lande geldt - gelukkig - nog altijd dat men bezit of eigendom niet hoeft te legitimeren op straffe van onteigening of confiscatie bij gebreke daarvan. Zo lang er derhalve geen bekend misdrijf in het spel is, luidt de eis dat er zeer serieuze aanwijzingen moeten zijn dat een voorwerp niettemin van een misdrijf afkomstig is, wil strafvorderlijk ingrijpen gelegitimeerd zijn.
74. Bij klaagschrift werd al aangegeven dat het verbaal lukraak wat indicatoren op de geldzending plakt, maar zowel het PV als het OM verzuimt aan te geven waarom zulks een vermoeden van witwassen rechtvaardigt. In het eindproces-verbaal zoekt men eveneens tevergeefs naar een dergelijke redenering. Een uitleg die zindelijk redenerend tot de conclusie komt dat onder de gegeven omstandigheden het niet anders kan dan dat de geld hen uit misdrijf afkomstig zijn, ontbreekt. Nu laat een dergelijke redenering zich ook lastig denken: als een drietal te goeder naam en faam bekendstaande handelsbanken onder de verantwoordelijkheid van hun centrale bank, zoals al jaar en dag te doen gebruikelijk, hun handelswaar, contante, euro’s, vervoeren, dan kan men toch bezwaarlijk uit die feiten en omstandigheden afleiden dat dat cash-geld wel afkomstig moet zijn van misdrijf. Zeker, omdat de indicatoren toepassing missen en redeneringen uitgaan van onjuiste feiten of informatie onjuist duiden.”
5.5
De schriftelijke reactie van het openbaar ministerie op het klaagschrift van 5 november 2019 houdt ,voor zover van belang, in:

VERDENKING
Feitencomplex en douanecontroles
Het staat de douane vrij douanecontroles te houden, zowel gericht als ongericht (willekeurig).
In het kader van Project Vespasianus is gekozen voor gerichte controles. Om de douane een beter instrumentarium te bieden om fysiek geld te controleren, zijn binnen dat project indicatoren ontwikkeld die onregelmatigheden bij ogenschijnlijk legale en reguliere geldzendingen kunnen duiden. Voor de goede orde: het gaat dus niet om verstopt geld, maar vele tonnen geldbiljetten die via reguliere vervoerders, “die dus ook van bonafide banken afkomstig zijn", verscheept worden.
Aanleiding voor project Vespasianus zijn onder meer de rapporten
"Moneylaundering. through the phychical transportation of cash" (FATF, oktober 2014) en "
Why is cash still king?" A strategic report on the use of cash by criminal groups as a facilitator for money laundering" (Europol, juni 2015).
Uit deze rapporten komt onder andere naar voren dat grensoverschrijdend vervoer van liquide middelen een veel gebruikte manier is om de criminele herkomst van geld te verhullen. Het FATF-rapport signaleert dat criminele organisaties mogelijk een manier hebben gevonden om het legitieme bank-naar-bank contanten geldtransportsysteem te misbruiken. Uit het rapport komt verder naar voren dat zolang crimineel geld op dezelfde wijze als legaal contant geld wordt vervoerd, het verschil tussen beiden moeilijk te onderkennen is.
Derhalve verdient het grensoverschrijdende vervoer van contant geld extra aandacht en zijn de eerdergenoemde indicatoren ontwikkeld. Het vermoeden bestond dat er ook op de luchthaven Schiphol onregelmatigheden bestaan bij het vervoer van liquide middelen onder andere in de vorm van contanten via de vracht.
Voor de Douane is het niet ongewoon om met indicatoren op de luchthaven te werken. Sinds jaar en dag worden koeriers van verdovende middelen onder meer op deze wijze onderkend.
Ook ten aanzien van witwassen is het heel gebruikelijk om met abstracte omstandigheden tot een verdenking te komen. Deze worden geen indicatoren genoemd, maar typologieën: naar uiterlijke verschijningsvorm kenmerkende indicaties van crimineel geld.
Niet iedere indicator is even sterk noch komt iedere indicator gelijk gewicht toe. Een verdenking laat zich niet als een wiskundige formule duiden. Het is echter de onderlinge samenhang van indicatoren, die bij deze geldzending de eerste opmaat was om tot een verdenking te komen.
Gebleken is dat er vijf soortgelijke contante geldzendingen in Euro's vanuit Suriname naar Hong Kong werden verscheept voor een bedrag van in totaal 75 miljoen euro. Reeds bij de eerste zending werd er contact gezocht met de [bank 1] . Naar aanleiding van de door de Douane geconstateerde onregelmatigheden bij deze 5 zendingen (AMB-001), zoals de wijze van verpakking en de soorten coupures, in combinatie met enkele bekende witwasindicatoren, waaronder afkomstig van een drugsbronland, het ontbreken van een economische verklaring, het ontbreken van noodzakelijke gegevens op de airwaybill waaronder de UBO en de vreemde route, is de laatste zending door de Douane aan de FIOD overgedragen.
Uit het FIOD- onderzoek, met name gebaseerd op de door de [bank 1] verstrekte gegevens, kwamen, zoals benoemd in AMB-002, feiten en omstandigheden, witwasindicatoren en witwastypologieën naar voren op basis waarvan een verdenking van witwassen werd aangenomen. Aangezien er op dat moment geen concrete verdachte in beeld was, zijn NN-(rechts)personen als verdachten aangemerkt.
Door klaagsters wordt gesteld dat ten tijde van inbeslagname geen grond voor verdenking was, nu deze gelden afkomstig zijn van bonafide banken. Wij zullen hieronder enkele feiten en omstandigheden bespreken waarop een redelijk vermoeden van schuld kon worden gebaseerd.
-
de route: uit die stukken bleek dat de contante euro’s via Nederland naar de [betrokken bank 1] werden verstuurd en dat deze via een omweg (Duitsland) weer naar Nederland, althans op de rekening van [bank 1] bij de DNB werd overgemaakt, waarna via deze rekening het geld werd overgemaakt naar de rekeningen van de handelsbanken bij de Nederlandse, Belgische en Italiaanse handelsbanken. Het was onlogisch om deze gelden eerst naar China te sturen. Er was geen enkele bedrijfseconomische reden om deze route te hanteren. De reden dat deze gelden niet direct bij de DNB werden afgeleverd, is door de [bank 1] en de handelsbanken nog steeds niet opgehelderd. Ik zal hieronder daarop nog terugkomen.
-
gelden afkomstig van Cambio's: uit het onderzoek bleek dat door vijf Cambio's (wisselkantoren) in Suriname over een periode van maximaal twee maanden in totaal € 12.084.679 aan contanten werden afgestort bij banken in Suriname, terwijl de herkomst van het geld dat door de Cambio's gestort werd onbekend was. Uit het FATF-rapport Money Laundering through money remittance and currency exchange providers (FATF juni 2010) komt onder meer naar voren dat wisselkantoren een belangrijke rol spelen bij het witwassen van geld.
-
Contante stortingen door natuurlijke personen: Uit onderzoek kwam naar voren dat diverse hoge stortingen door natuurlijke personen waren gedaan, waarbij de herkomst van deze 4 stortingen onduidelijk was. Op naam van een (1) natuurlijke persoon ( [betrokkene 2] ) werd in
twee dagen € 1.000.000 (1 miljoen euro)contant gestort bij de [bank 4] , terwijl door drie (3) andere natuurlijke personen een storting
van €100.000,- en €150.000,-was verricht. Ook bij de andere twee banken waren door natuurlijke personen bedragen van €25.000,- tot €140.000,- gestort. Het is een feit van algemene bekendheid dat het voorhanden hebben van dergelijke hoeveelheden contant geld grote risico's meebrengt en bovendien hoogst ongebruikelijk is in het geval dat geld op legale wijze is verkregen. (ECLI:NL:GHLEE:2011:BR5801).
-
coupures van 100/200/500: De zendingen bevatten een flink aantal hoge coupures van 100, 200 en 500 Euro. Over een periode van 5 maanden is in totaal 5.020 stuks €500,- biljetten verstuurd. Dit roept vragen op nu blijkens de brief van [bank 1] de contante euro’s vooral door toeristen in Suriname zouden zijn binnengebracht. Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld in doorgaans grote coupures, terwijl coupures van € 500,- in het normale betalingsverkeer een zeldzaamheid zijn. (ECLI:NL:RBMNE:2015:1838)
-
ontbreken van specificaties omtrent herkomst: Bij [bank 2] waren geen specificaties bijgevoegd van de herkomst van eurobiljetten afkomstig van "middelgrote cliënten". Dit gaat om een bedrag ter grootte van in totaal € 886.310,-. Derhalve is niet bekend wat de herkomst is van dit geldbedrag.
Bij [bank 3] ontbraken de specificaties over de herkomst van eurobiljetten afkomstig van "overige cliënten" ter waarde van €340.702,76.
-
groot verschil tussen toelichtingsdocumenten en de bedragen die zijn aangeboden ter verscheping: Uit onderzoek van de aangeboden herkomstdocumenten en de vluchtdocumenten ter verscheping bleek dat bij [bank 2] een verschil van €1.587.168 en bij de [bank 4] een verschil van €87.636 te zijn. Dus volgens de toelichtingsdocumenten zou bij [bank 2] om een bedrag van €11.578.168 en bij [bank 4] om een bedrag van €4.587.636 gaan, terwijl volgens de verschepingsdocumenten door [bank 2] €10.0000,- en door [bank 4] €4.500.000,- is;
Op grond van deze feiten en omstandigheden persisteren wij bij het oordeel dat er voldoende grond was om een verdenking van witwassen aan te nemen en tot inbeslagneming over te gaan.
Gezien het bovenstaande is begin juni/juli 2018 ter verificatie van de verstrekte informatie aan Suriname drie rechtshulpverzoeken gestuurd om meer duidelijkheid te krijgen ter zake de herkomst van deze contante gelden.
Op basis van de analyse (AMB-009) naar deze uitvoeringsstukken is vervolgens de NN-verdenking omgezet haar onder andere deze klaagsters [bank 2] , [bank 3] en de [bank 4] . Daarnaast zijn ook de wisselkantoren als verdachten aangemerkt. Zij worden er van verdacht over de periode december 2017 tot en met april 2018 zich schuldig te hebben gemaakt aan witwassen van grote sommen contante geldbedragen.
De klaagsters hebben als internationaal opererende financiële instellingen een grote verantwoordelijkheid, een verantwoordelijkheid die verder gaat dan klanten of aandeelhouders. Zij zijn medeverantwoordelijk voor de betrouwbaarheid van het financiële stelsel en kunnen en behoren in belangrijke mate bij te dragen aan de integriteit hiervan. Ook van de klaagsters mag dus worden verwacht dat zij maatschappelijk verantwoord ondernemen en integriteit hoog in het vaandel hebben.
Daarnaast genieten klaagsters als (systeem)banken een goede reputatie. Als een betaling eenmaal over hun rekening is gelopen, zal hef met die betaling wel goed zitten, daar wordt in het nationale en internationale handelsverkeer over het algemeen op vertrouwd. Zij weten ook dat criminelen juist hiervan misbruik willen maken, zie bovenvermelde FATF rapporten. Klaagsters hebben aldus een belangrijke poortwachtersfunctie bij de bestrijding van allerlei vormen en soorten van financieel economische criminaliteit. Ook de Surinaamse wetgever heeft die taak nadrukkelijk bij deze instellingen zoals klaagsters neergelegd. Suriname is lid van CFATF (Caribbean FATF) en stelt ook zich te houden aan anti money laundering-regels. Dat betekent derhalve dat vooral de financiële instellingen maatregelen moeten nemen die in verhouding staan tot de aard en omvang van de instelling om de risico's op witwassen en financieren van terrorisme vast te stellen en te beoordelen. De poortwachtersfunctie houdt in dat een bank ongewenste elementen in het financiële stelsel waar nodig identificeert, weert en ongewenste transacties tegengaat of meldt. Banken zijn namelijk bij uitstek geschikt om aanwijzingen van witwassen te signaleren, omdat zij zicht hebben op de transacties van cliënten. Van een instelling als een bank kan en moet dus het nodige worden verwacht op dit vlak en de bank dient haar wettelijke verplichtingen serieus te nemen.
Uit de analyse van uitvoeringsstukken blijkt overduidelijk dat veelal de herkomst van de contant gestorte euro's niet achterhaald kon worden doordat in een groot aantal gevallen
- geen identiteit werd vastgesteld van de klanten die gewisseld hebben;
- van de transacties waar wel een identiteit is aangeleverd, deze niet van toeristen maar afkomstig is van personen met een Surinaamse nationaliteit;
- de onderliggende documentatie die wel is aangeleverd gebrekkig, incompleet- of roept meer vragen op over de herkomst van de gewisselde gelden;
- geen (eenduidige-) controle geweest te zijn op bijvoorbeeld 'smurfen' van kleinere contante bedragen;.
- de FIU-meldingen en FIU-registraties niet aansluiten bij de geconstateerde vragen die veel wisseltransacties oproepen;
Al deze punten zijn vervolgens per entiteit in een afzonderlijk proces-verbaal van bevindingen (AMB-009A tm 009H) weergegeven.
Het beeld dat op basis van deze bevindingen is vastgesteld, dat van een bewuste nalatigheid, waarin kenbare risico’s op witwassen zijn aanvaard en voor lief genomen.
Als we kijken naar de analyses die op basis van de uitvoeringsstukken zijn verricht, dan zien we dat klaagsters hun verplichtingen ter zake de wisselkantoren niet of volstrekt onvoldoende hebben nageleefd. Wat klaagsters thans doen is de verantwoordelijkheid van zich afschuiven en wijzen naar de toezichthouder, bijvoorbeeld ten aanzien van toezicht op de wisselkantoren. Dat is naar ons oordeel veel te makkelijk. Die wisselkantoren zijn immers klant bij deze klaagsters en zij hebben in verband met de klant-bank verhouding ook de verantwoordelijkheid om de herkomst van de gelden die van de wisselkantoren afkomstig zijn te controleren. Alleen al de omstandigheid dat er zoveel €500,- biljetten worden ingeleverd, dat er wordt gestort zonder dat de identiteit wordt vastgesteld of omdat er is gesmurft, had al een redelijke argwaan moeten opwekken en moeten uitnodigen tot het stellen van vragen omtrent de herkomst van die contanten. Ter zake de contante stortingen door natuurlijke personen die rechtstreeks bij de klaagsters zijn verricht, zijn, zoals van een 1 miljoen euro in het geval van de [bank 4] , nog steeds vrijwel geen gegevens verstrekt.
In verband met het bovenstaande zal het onderzoek worden voortgezet en zullen middels rechtshulpverzoeken nadere onderzoekshandelingen in Suriname moeten worden verricht. Dit onderzoek zal betrekking hebben op de ontbrekende stukken die nog niet zijn uitgeleverd en het horen, van medewerkers van de klaagsters als natuurlijke personen die de contante euro’s hebben gestort.
Naar ons oordeel is het vermoeden van schuld aan het strafbare feit van witwassen door deze geleverde stukken nog niet weggenomen.
Wij gaan specifiek in op enkele stellingen van de verdediging.
-
De indicatoren zouden niet geschikt zijn voor bonafide partijen
Gezien het eerder aangehaalde rapporten van de FATF en Europol waarbij wordt gesignaleerd dat criminele organisaties legitieme bank-naar-bank contanten geld transportsysteem misbruiken om hun van misdrijf afkomstige contanten te witwassen, is dit een onbegrijpelijke stelling. Het is immers niet voor niets dat ook aan de bonafide banken die een poortwachtersfunctie hebben, strenge regels zijn opgelegd. Indien zij die regels, zoals blijkt uit de analyse (AMB-009), onvoldoende uitoefenen en daarin nalatig zijn, zullen de criminele organisaties gemakkelijker misbruik van deze legitieme banksystemen kunnen gebruikmaken.
-
Suriname is geen bronland voor drugs
Het is wellicht overvloedig om hierop te reageren en derhalve verwijs ik maar kortheidshalve naar de AMB-018 waaruit duidelijk kan worden opgemaakt dat zelfs tot de hoogste rangen van het politiekstelsel in Suriname zich met drugshandelinlaat.
-
De route is niet ongebruikelijk
Blijkens het antwoord van de [bank 1] (notitie geldverschepingen d.d. 30 april 2018) werden tot enkele jaren geleden de geldzendingen door de commerciële banken in Suriname zelf verzorgd waarbij zij de contante middelen naar hun correspondentbanken (Verenigde Staten, Nederland, Duitsland etc.) toestuurden ter bijschrijving op hun nostro rekeningen. Vanwege het optreden van het correspondentbankenvraagstuk zijn relaties met in het buitenland gevestigde instellingen systematisch verbroken waardoor stagnatie optrad waarvoor een oplossing gevonden diende te worden. Tegen die achtergrond heeft de [bank 1] (de Bank) in 2013 met succes een arrangement met de [betrokken bank 1] kunnen sluiten op grond waarvan de geldmiddelen van alle in Suriname gevestigde bankinstellingen centraal via de Bank naar de [betrokken bank 1] gestuurd worden en waarbij de rekeningen van deze bankinstellingen vervolgens gecrediteerd worden. In deze moet bedacht worden dat de volumes van de aan de Bank aangeboden middelen in de tijd aanmerkelijk zijn toegenomen, in belangrijke mate vanwege de intensiteit waarmee wegtrekken van correspondentbanken zich heeft voltrokken.
Naar het oordeel van het Openbaar Ministerie is bij deze stelling enkele opmerkingen te maken die niet overeenstemmen met de gestelde noodzaak om de route via [betrokken bank 1] te gaan hanteren.
Allereerst is door de handelsbanken noch door de [bank 1] enig document aangeleverd waaruit zou kunnen blijken dat de banken waarnaar de contante euro’s werden gestuurd, in 2013 hebben aangegeven deze contante euro’s niet meer te willen accepteren. Daarbij is overigens ook duidelijk dat deze correspondentbanken, zoals ING, ABN Amro, Rabobank en de Italiaanse bank Intesa Sanpaolo, de rekeningen van de handelsbanken niet hebben opgeheven. Immers nadat de contante euro’s via [betrokken bank 1] giraal waren gemaakt en op rekening van [bank 1] bij de DNB waren bijgeschreven, werden vervolgens overboekingen gedaan naar de nostrorekeningen van de handelsbanken bij de voormelde correspondentbanken. Het is bovendien niet juist dat de contante euro’s van alle banken vervolgens vanaf 2013 via [bank 1] naar [betrokken bank 1] zijn vervoerd. Zoals blijkt uit AMB-011 heeft de [betrokken bank 2] naast de contante geldzendingen van de [bank 1] zelfstandig, dus zonder de tussenkomst van [bank 1] , vanaf begin 2015 nog in ieder geval 14 geldzendingen van Suriname via Schiphol verricht. Bovendien zijn deze zendingen niet naar China gegaan, maar naar één correspondentbank in Europa.
Maar zelfs als we de stelling van de handelsbanken en [bank 1] zouden aannemen dat de correspondentbanken geen contante euro's meer wilden aannemen, is de route via Schiphol naar [betrokken bank 1] niet logisch en vanuit bedrijfseconomisch oogpunt onbegrijpelijk. Zoals blijkt uit AMB-016 en BOB-004-03, verscheepte [bank 1] tot 2013 de contante euro's vanuit Suriname naar DNB in Amsterdam en DNB boekte deze euro's vervolgens op de rekening van [bank 1] bij DNB. DNB deed dus eigenlijk precies wat [betrokken bank 1] ook doet. Het vreemde is echter dat DNB geen enkele kosten in rekening brengt, terwijl [betrokken bank 1] 0,077% kosten in rekening brengt. DNB heeft blijkens BOB-004-03 verstrekte stukken nooit aangegeven dat zij deze transporten van contante euro's niet langer wilde faciliteren. De vraag rijst dan ook waarom [bank 1] , zoals zij stelt, nu in 2013, per se een oplossing moest zoeken voor de vermeende problematiek, terwijl het probleem van het vervoeren van contante euro’s naar DNB niet was opgetreden en het probleem van correspondentbanken voor de handelsbanken eveneens niet was opgetreden. Zoals gesteld is deze oplossing er ook een die extra kosten met zich mee brengt.
Gezien de vastgestelde nalatigheden in de transacties, waarbij een groot deel van de herkomst van de contante stortingen niet te achterhalen is, kan er naar het oordeel van het Openbaar Ministerie hiervoor maar een logische reden voor worden genoemd. En dat is dat getracht is om een oplossing te vinden om zich te onttrekken aan de strenge eisen die vanuit de Europese banken, mede vanuit het voorkomen van witwassen, werden gesteld. Zie daarvoor ook de eerder aangehaalde mail van DNB die toevallig bij [bank 1] was terechtgekomen.
-
De hoeveelheid contante euro's staat in verhouding met de economie van Suriname
De argumenten die worden aangedragen als verklaring voor de aanwezigheid van euro's in Suriname, zijn: 1) Suriname is een casheconomie en 2) toeristen en andere bezoekers Suriname brengen euro’s met zich mee.
De euro's die vanuit de export van het buurland Frans Guyana zouden kunnen zijn binnengekomen, is in 2018 maximaal een bedrag gelijk aan 3,6 miljoen US Dollars. Uiteraard zijn deze bedragen ook niet allemaal contant. Als we vervolgens kijken naar de toeristen zien we dat bijvoorbeeld in 2017 door alle toeristen uit de Euro landen maximaal een bedrag van € 38.855.770,- aan contanten euro’s zou kunnen zijn uitgegeven. Het is echter onmogelijk dat alle toeristen alle uitgaven contant hebben verricht, nu er in Suriname ook kan worden gepind, met creditcards wordt betaald en er van te voren girale boekingen zijn verricht. Zoals gezegd is er door [bank 1] vanaf december 2017 tot april 2018 een bedrag van ruim 75,5 miljoen aan euro’s via Schiphol vervoerd. In 2013, toen [bank 1] had besloten om de verzending van de contante euro’s te gaan coördineren, is blijkens de stukken van DNB, door [bank 1] enkel in twee zendingen in totaal een bedrag van 14 miljoen uitgevoerd. Dit betekent aldus dat in dat jaar een dergelijk bedrag als surplus werd beschouwd. In 2018 is dat bedrag gestegen met een factor 5.
Deze stijging kan echter onmogelijk worden verklaard met de ontwikkeling van de Surinaamse economie. Blijkens de statistieken van de Wereldbank (AMB-019) was de BNP van Suriname in 2013 hoger dan in 2018. We zien namelijk dat na een stijging, waarbij in 2013 $5.146 miljard, in 2014 $5.241 miljard bedroeg, de BNP van Suriname vanaf 2015 een scherpe daling laat zien, waarbij in 2015 $4.787 miljard, 2016 $3.167 miljard, 2016 $3.069 miljard, en in 2018 met kleine stijging op $3.427 miljard stond.
Deze economische ontwikkeling strookt niet met de geldzendingen die vervolgens in die jaren vanuit Suriname zijn verzonden. Terwijl we dus zien dat de economische groei afkalft en Suriname bij de Wereldbank om leningen vraagt vanwege de dalende grondstofprijzen, zien we dat de contante geldzendingen significant aan het stijgen zijn. Uit AMB-011 blijkt dat in de periode 2013 tot 2018 een behoorlijke stijging was waargenomen van aantal contante geldzendingen naar Schiphol, namelijk van 22 zendingen in 2015 naar 41 zendingen in 2017. Niet alleen in aantal zendingen, maar ook in gewicht was er sprake van een significante stijging. In 2015 was dat van 5316kg gestegen tot 9543kg in 2017.
Gezien het dalende BBP van Suriname lijkt het niet aannemelijk dat de toename van contante Euro’s afkomstig is uit de groei van de Surinaamse economie als geheel. Op basis van deze vaststellingen en bovenvermelde maximale inkomsten aan toerisme en verkopen aan Frans Guyana kan dus genoeglijk worden aangenomen dat de verzending van deze geldzendingen met deze omvang inderdaad niet past bij de Surinaamse economie en dat het een andere herkomst zal moeten hebben. Het is dan ook verbazingwekkend dat een toezichthouder als [bank 1] daarop geen toezicht houdt en de banken daarop niet ter verantwoording roept.”
5.6
De relevante overwegingen uit de bestreden beschikking van het hof staan hiervoor weergegeven onder randnummer 4.5.
Bespreking van het middel
5.7
Samengevat is namens de klaagsters in de onderhavige beklagprocedure aangevoerd dat geen redelijk vermoeden van schuld aan witwassen van de inbeslaggenomen 19,5 miljoen euro jegens hen bestond en thans bestaat, waardoor het beslag onrechtmatig is gelegd en gehandhaafd.
5.8
In zo’n geval dient de vraag of ten tijde van de inbeslagneming een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond, beoordeeld te worden met het oog op beantwoording van de vraag of een belang van strafvordering aanwezig is voor het voortduren van het beslag. Dat betekent dat de beklagrechter moet beoordelen of op basis van het dossier en hetgeen in raadkamer namens het openbaar ministerie en door of namens de klager is aangevoerd - en derhalve uitgaande van de stand van zaken ten tijde van de behandeling van het klaagschrift - jegens de klager een redelijk vermoeden van schuld aan de verweten gedraging kan volgen. Het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv draagt daarbij een summier karakter, mede omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of ontnemingszaak te geven oordeel. [29]
5.9
Het hof heeft in de bestreden beschikking het klaagschrift ongegrond verklaard. Het hof heeft vastgesteld dat het openbaar ministerie de verdenking heeft dat het inbeslaggenomen geldbedrag geheel of grotendeels (on)middellijk van misdrijf afkomstig is en dat het openbaar ministerie heeft beslist de handelsbanken te vervolgen op verdenking van witwassen. In verband met het strafvorderlijk belang van het voortduren van het beslag heeft het hof, mede na kennisneming van het voorlopige einddossier, overwogen “dat thans niet kan worden geoordeeld dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later inhoudelijk oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen geldbedrag zal bevelen.” In deze vaststellingen ligt als oordeel van het hof besloten dat - uitgaande van de stand van zaken ten tijde van de behandeling van het klaagschrift - jegens de klaagsters een redelijk vermoeden van schuld aan de verweten gedraging kan volgen. Het summiere karakter van het onderzoek in de raadkamer in acht nemende, meen ik dat het oordeel van het hof - ook in het licht van hetgeen (voorafgaand aan en) in raadkamer namens het openbaar ministerie en de klaagsters is aangevoerd - niet onbegrijpelijk en toereikend is gemotiveerd. [30]
5.1
Het derde middel faalt.

6.Het vierde middel

6.1
Het vierde middel bevat de klacht dat het hof, mede in het licht van hetgeen door de klaagster in verband met de proportionaliteit en subsidiariteit van het (voortduren van het) beslag is aangevoerd, ontoereikend heeft gemotiveerd waarom het belang van strafvordering de voortduring van het beslag vergt.
Klaagschrift, de nadere toelichting op het klaagschrift en de reactie van OM
6.2
Het klaagschrift houdt, voor zover van belang, voor de beoordeling van dit middel in (met weglating van voetnoten):
““
Beslag disproportioneel en vexatoir
(…)
Beslag onnodig: voldoende zekerheid geboden
68. In het onwaarschijnlijke geval dat een rechter ooit een verbeurdverklaring zou uitspreken .en zou menen dat de banken in (een deel van) hun vermogen moeten worden getroffen, is beslag volstrekt onnodig om zekerheid te verkrijgen omtrent de executie. De banken - zijn immers solvent en liquide en bieden verhaal. Dat blijkt ook uit het feit dat [bank 1] per mei 2019 beschikt over USD 605.4 miljoen aan internationale reserves, waaronder bij andere centrale banken in Europa (…).
69. Daarenboven heeft [bank 1] het OM aangeboden borgte staan voorhet geval er ooit een dergelijke uitspraak zou komen. Dit voorstel hield in dat het OM zou overgaan tot teruggave onder zekerheidsstelling in de vorm van een borgstelling tot het bedrag van EUR 19,5 miljoen door [bank 1] .
70. Tot onbegrip van Klaagsters heeft het OM dit voorstel op formele gronden afgewezen. Het OM beredeneerde dat het in casu gaat om een klassiek beslag in plaats van een conservatoir beslag en dat teruggave onder zekerheidsstelling ex art. 118a Sv niet van toepassing kan zijn. De ratio van de mogelijkheid van teruggave van het conservatoir beslagen voorwerp onder zekerheidsstelling ex art. 118a Sv is dat de inbeslagneming niet zozeer ziet op de aard van de voorwerpen, maar op de economische waarde daarvan. Daartoe behoeft het voorwerp zelf niet per se ter beschikking van justitie te blijven indien dat verhaal anderszins kan worden gewaarborgd.
71. Klaagsters wijzen in dit kader op de uitspraak van de Hoge Raad uit 2015 waarin is geoordeeld dat het voor verbeurdverklaring niet uitmaakt of een voorwerp ex art. 94 Sv of ex art 94a Sv beslagen is, hetgeen verband houdt met art. 34 Sr.
Op voet van deze bepaling is immers niet vereist dat voor verbeurdverklaring het voorwerp in beslag genomen dient te zijn. In een dergelijk geval dient het voorwerp te worden uitgeleverd of zal de geschatte waarde ervan dienen te worden betaald. Voor de tenuitvoerlegging van de bijkomende straf van verbeurdverklaring is dus -net als bij een conservatoir beslag - evenmin de aard, maar slechts de economische waarde van het voorwerp relevant.
72. In het licht van de ratio van art. 118a Sv, in samenhang met de voormelde jurisprudentie van de Hoge Raad, behoeft derhalve in beginsel geen bezwaar te bestaan voor een teruggave onder zekerheidsstelling van de geldzending, waarop een klassiek beslag, gegrónd op verbeurdverklaring, ligt.
73. Voorts gaf het OM aan dat de voorgestelde borgstelling door [bank 1] niet mogelijk is omdat deze ‘een borgstelling onder zichzelf behelst’, niet zijnde een verbintenis van een derde als waarborg zoals bedoeld in art. 118a lid 2 Sv. Klaagsters hebben het OM er op gewezen dat [bank 1] zich als borg Verbindt ten behoeve van de drie handelsbanken, ingeval van teruggave van de gelden onder voorwaarde van een borgstelling door [bank 1] , kan [bank 1] derhalve worden aangemérkt ais derde die borg staat voor de handelsbanken, waarop ook op dit punt art. 118a lid 2 Sv geen belemmering kan vormen voor het aanvaarden van het voorstel van Klaagsters.
74. Klaagsters zien niet in hoe een borgstelling tot het maximale beslagen bedrag van EUR 19,5 miljoen door [bank 1] , aan wiens gegoedheid niet getwijfeld behoeft te worden, de benodigde zekerheid niet kan bieden. Klaagsters hebben tevens vermeld dat de borgstellingsovereenkomst in een direct voor executie vatbare notariële akte kan worden opgemaakt, zodat het zonder meer en op eenvoudige wijze in Europa doch ook in Suriname ten uitvoer kan worden gelegd, mocht het zeer onwaarschijnlijke geval zich voordoen dat (een deel van) de geldzending verbeurd verklaard wordt bij een toekomstig veroordelend vonnis.
75. Dat het OM deze handreiking van Klaagsters heeft afgewezen, geeft blijk van een onwrikbare opstelling en bevestigt andermaal dat het gelegde beslag niet alleen onrechtmatig maar ook disproportioneel en daarmee vexatoir is.”
6.3
De nadere toelichting op het klaagschrift van 25 juni 2024 houdt voor zover van belang in:

BESLAG DISPROPORTIONEEL EN VEXATOIR
75. Het beslag voldoet niet aan de maatstaven van proportionaliteit en subsidiariteit - zo betoogden Klaagsters bij inleiden klaagschrift en later in de procedure.
(…)
77. Gewijzigde omstandigheden en bijgestelde rechtspraak maken dat de proportionaliteit én subsidiariteit van (de voortzetting van) het beslag anders gewogen moeten worden, meer gewicht in de schaal leggen. De Hoge Raad stelde zijn rechtspraak op dit punt namelijk bij.
(…)
78. Uit een meer recent arrest volgt dat de Hoge Raad hierover niet anders is gaan denken. Sterker: hij benadrukt het belang van de weging tussen het strafvorderlijk belang en de persoonlijke belangen van de verdachte in het licht van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit:
(…)
79. In dezen werd al uiteengezet hoe de strafvorderlijke belangen, gemoeid met de voortzetting van het beslag, als niet verdwenen, dan toch behoorlijk geërodeerd zijn. Het verstrekken van het eindproces-verbaal heeft duidelijk gemaakt dat er niet meer of anders is op basis waarvan een veroordeling zou kunnen volgen en de steekhoudende verklaring van verdachten onweersproken standhouden zal. Tevens heeft de verdediging aangegeven dat het OM een aanzienlijk deel van het beslag handhaaft, zonder dat het zelf durft uit te spreken dat ten aanzien van dat gedeelte een vermoeden is dat het uit misdrijf afkomstig is. Daarbij heeft de verdediging aangegeven dat het OM alternatieven zijn geboden in de vorm van een zekerheidstelling of borgstelling en dat, in het hoogst onwaarschijnlijke geval van een veroordelend vonnis met verbeurdverklaring, parate executie op de rekeningen die door de banken aangehouden worden binnen de EU, maar ook ingevolge het executieverdrag dat met Suriname is gesloten, zeer wel tot de mogelijkheden behoort.”
6.4
De relevante overwegingen uit de bestreden beschikking van het hof staan hiervoor weergegeven onder randnummer 4.5.
Bespreking van het middel
6.5
De rechter is bij de beoordeling van het beklag over de inbeslagneming niet verplicht ambtshalve te onderzoeken of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Als echter door of namens de klager wordt aangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 en/of 94a Sv nagestreefde strafvorderlijk belang bij het voortduren daarvan, kan de rechter gehouden zijn blijk te geven van zo’n onderzoek. [31] De vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een dergelijk onderzoek en welke eisen in dat geval moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten. Ook is van belang wat daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. [32]
6.6
Namens de klaagsters is bij klaagschrift en op de terechtzitting bij het hof aangevoerd dat het voortduren van het beslag in strijd is met de proportionaliteit en de subsidiariteit onder meer omdat door de klaagsters voldoende zekerheid aan het openbaar ministerie is aangeboden.
6.7
Het openbaar ministerie heeft in de eerste plaats erop gewezen dat de mogelijkheid tot zekerheidstelling ex art. 118a Sv door de wetgever enkel in het leven is geroepen voor conservatoir beslag ex art. 94a Sv en niet voor het in de onderhavig geval van toepassing zijnde klassiek beslag ex art. 94 Sv. In de tweede plaats heeft het openbaar ministerie aangevoerd dat overleg is gezocht om over een buitenwettelijk geregelde zekerheidstelling te spreken. In dat verband heeft het openbaar ministerie een aanbevelingsbrief opgesteld en daarbij een aantal voorwaarden gesteld. Van dit aanbod is door de klaagsters geen gebruik gemaakt. Namens de klaagster is een voorstel gedaan dat volgens het openbaar ministerie, op nader genoemde gronden, “onbespreekbaar” is.
6.8
Het hof heeft in verband met de proportionaliteit en de subsidiariteit van het voortduren van het beslag vastgesteld dat de klaagsters hebben aangegeven dat de geldzendingen ten behoeve van het giraal maken van contanten in euro's inmiddels zijn hervat via een andere route en dat de [bank 1] daarmee weer invulling kan geven aan de gestelde monetaire taak met betrekking tot het deviezenverkeer, die volgens klaagsters door de beslaglegging ernstig zou zijn verstoord. Het hof komt vervolgens tot het oordeel dat mede gelet daarop er geen grond is om het beslag (gedeeltelijk) op te heffen omdat voortduring van de beslaglegging disproportioneel zou zijn. Het hof heeft daarbij nog overwogen dat het uitblijven van overeenstemming tussen klaagsters en het openbaar ministerie over opheffing van het beslag tegen zekerheidstelling naar het oordeel van het hof niet maakt dat de belangen van klaagster bij opheffing van het beslag op dit moment zwaarder wegen dan het strafvorderlijk belang bij het voortduren van het beslag. Het hof heeft daarmee in de bestreden beschikking blijk gegeven te hebben onderzocht of de persoonlijke belangen van de klaagsters bij de opheffing van het beslag zwaarder moeten wegen dan het met artikel 94 Sv nagestreefde strafvorderlijk belang en daarbij de mogelijkheid van een zekerheidstelling als een van de relevante factoren betrokken. Dat oordeel acht ik, mede gelet op hetgeen daarover namens de klaagsters is aangevoerd en door het openbaar ministerie is ingebracht, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
6.9
Het vierde middel faalt.
Het vijfde middel
6.1
Het vijfde middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het standpunt van de klaagsters dat het beslag op een deel van het beslagene grondeloos is en daarmee onrechtmatig is gelegd en/of gehandhaafd, althans in ieder geval disproportioneel is, omdat de verdenking van witwassen niet alle inbeslaggenomen gelden betreft.
Het klaagschrift, de nadere toelichting op het klaagschrift van 24 juni 2025 en schriftelijk standpunt van het openbaar ministerie
6.11
Het klaagschrift houdt onder meer in (met weglating van voetnoten):

Beslag disproportioneel en vexatoir
62. Het beslag is niet alleen onrechtmatig en grondeloos, maar ook disproportioneel en vexatoir.
63. In overleg heeft het OM duidelijk gemaakt dat de verdenking met name uitgaat naar het geld dat afkomstig is van de cambio’s (maximaal EUR 12.084.679). De disproportionaliteit van het beslag volgt reeds uit het feit dat het OM zelfs niet genegen is het overige gedeelte van de gelden te retourneren, ten aanzien waarvan het OM toch echt moet toegeven dat er geen kans bestaat dat dit afkomstig is van misdrijf.”
6.12
De nadere toelichting op het klaagschrift houdt onder meer in (met weglating van voetnoten):

OMVANG BESLAG
89. Klaagsters brachten het eerste deel van de argumentatie (oorspronkelijke randnummers 62 t/m 67) al een paar keer onder de aandacht van het OM. Ook de rechter vroeg het OM met nadruk waarom het dan niet overging tot teruggave van die gelden, die toch ook in de ogen van het OM onbesmet zijn. Het OM bleef evenwel volharden en riposteerde met de mededeling dat het dan alle vijf de geldzendingen als verdacht transport zou beschouwen, waarmee het bedrag dat mogelijk als besmet zou kunnen worden bezien, 76 miljoen euro beliep. Tevens gaf het aan de cambio’s thans ook als verdachten in het onderzoek te beschouwen. Dat laatste was natuurlijk ondenkbaar: de relevante handelingen van de cambio’s, Surinaamse entiteiten, speelde zich op Surinaams territoir. Evident was dat iedere rechtsmacht ontbrak. Het eindproces-verbaal maakt in ieder geval duidelijk dat het OM die onhoudbare stelling heeft verlaten. De cambio’s zijn niet langer object van onderzoek en de overige geldzendingen evenmin
(…)
90. Hoewel: het OM lijkt zich dit niet ten volle bewust: het brengt bij schriftelijk standpunt plots weer een lange pleegperiode en vijf geldzendingen op als verdenking.
(…)
91. Het OM lijkt de draad in dezen een beetje kwijt. Het pv lijkt hier evenwel leidend de andere geldzendingen zijn namelijk niet onderzocht en ter zake wordt niet geverbaliseerd. Dat maakt het toch wat lastig deze in een eventuele vervolging te betrekken.”
6.13
Het schriftelijk standpunt OM op klaagschrift beslag houdt, voor zover van belang, in:

Redelijke Termijn en proportionaliteit
(…)
De onderzochte periode waarin de strafbare feiten zijn gepleegd, te weten van december 2018 tot april 2018, behelst vijf geldzendingen van in totaal ruim 75 miljoen euro. Enkel een deel daarvan, te weten: 19,5 miljoen euro, is in beslaggenomen. Bovendien is er een directe relatie tussen een strafbaar feit, namelijk witwassen, en de gelden die in verband daarmee in beslag zijn genomen. Daarbij is het uitgangspunt dat een van misdrijf afkomstig voorwerp geheel wordt verbeurdverklaard. Gezien het bovenstaande en het reeds besprokene, is er naar het oordeel van het Openbaar Ministerie ook geen sprake van vexatoir beslag”
Bespreking van het middel
6.14
Zoals ook uit de nadere toelichting op het middel blijkt, beriepen de klaagsters zich daarmee op de stelling dat het OM inmiddels zelf had erkend dat niet het gehele bedrag voor verbeurdverklaring in aanmerking zou kunnen komen omdat de cambio’s klaarblijkelijk niet meer verdachte zijn en enkel de vijfde, inbeslaggenomen geldzending onderwerp van onderzoek en verdenking is.
6.15
Het hof heeft het standpunt van de klaagsters kennelijk niet opgevat en niet op hoeven vatten als een verweer dat bespreking behoefde. Over de cambio’s heeft het hof immers, in cassatie onbestreden, vastgesteld dat zij “door het Openbaar Ministerie dan ook als verdachten [zijn] aangemerkt. Een deel van het inbeslaggenomen geld zou afkomstig zijn van deze wisselkantoren.” Zoals hiervoor geciteerd, heeft het openbaar ministerie bovendien bij het hof wel degelijk het standpunt ingenomen dat de pleegperiode waarop de verdenking ziet vijf geldzendingen omvat. Dat het voorlopige eindproces-verbaal volgens de klaagsters geen steun biedt aan deze verdenking, doet daar niet aan af. Ten overvloede verwijs ik ten slotte nog naar de bespreking van het derde middel.
6.16
Het vijfde middel faalt.

7.Afronding

7.1
Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
7.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

8.Randnrs. 2.8 en 2.10 van de cassatieschriftuur.
10.In haar conclusie voorafgaand aan de beschikking van de Hoge Raad uit 2021 sluit AG Spronken zich uiteindelijk bij deze benadering aan, ECLI:NL:PHR:2021:88, randnr. 8. Zij schrijft dat daarbij de [bank 1] de bankbiljetten “houdt en beheert” tot aan de aankomst bij de [betrokken bank 1] (randnr. 8.11).
11.ECLI:NL:HR:2021:1042, rov. 6.3, met weglating van een voetnoot.
12.A. Nollkaemper,
13.Suriname is overigens volgens de gegevens van de Rijksoverheid nog geen partij bij het verdrag: https://verdragenbank.overheid.nl/nl/Verdrag/Details/010995.
14.Wel is het voorbehoud gemaakt bij de
15.De Hoge Raad heeft het proefschrift van M. Bsaisou aangehaald in zijn beschikking uit 2021.
16.In het rapport wordt ook gesproken over ‘holds
17.Randnr. 19 van het rapport.
18.Randnr. 35 van het rapport.
19.Randnr. 22 van het rapport.
20.Randnrs. 23 en 24 van het rapport.
21.C. Brown en R. O’Keefe in ‘
22.Deze vertaling met ‘zeggenschap’ wordt aangehouden door het gerechtshof Den Haag in zijn arrest van 14 juni 2022, ECLI:NL:GHDH:2022:977, rov. 3.6. De Hoge Raad heeft cassatieberoep tegen dit arrest verworpen op 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1281 maar dit punt was in cassatie niet aan de orde.
23.Högsta Domstolen 18 november 2021, zaaknr. Ö 3828-20, rov. 22-24.
24.Art. 1412quater lid 1 Gerechtelijk Wetboek.
25.Art. L153-1 Code monétaire en financier. In haar arrest van 11 januari 2018 heeft de Cour de cassation, ECLI:FR:CCASS:2018: C200021, uitgesproken dat tegoeden die enkel worden gehouden of beheerd voor eigen rekening zonder eigendom te zijn, niet vallen onder immuniteit: “que ne sont par conséquent concernés par l'immunité d'exécution que les biens appartenant directement à l'Etat ou qui sont la propriété de sa banque centrale ou d'une autre autorité monétaire, et non tous les biens qui peuvent être simplement détenus ou gérés pour son propre compte par une banque centrale ou une autorité monétaire étrangère sans être sa propriété”.
26.Ik wijs erop dat in art. 21 lid 1 onder a VN-Verdrag wordt gesproken over “property, including any bank account”.
27.In het expertiserapport wordt verder onder andere gewezen op een uitspraak van de High Court of Justice of England and Wales in de zaak
28.Daarbij teken ik aan dat in een geval als het onderhavige, waarin geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen kan worden geacht dat een voorwerp “afkomstig is uit enig misdrijf” indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is (HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352).
29.HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:142 en HR 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:502.
30.Vgl. bijvoorbeeld HR 2 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:506 en de daaraan voorafgaande conclusie van AG Frielink ECLI:NL:PHR:2024:143. AG Frielink wijst in zijn conclusie ook op een conclusie van AG Spronken waarin zij stelt dat eigenlijk alleen een redelijk vermoeden dat “volstrekt uit de lucht gegrepen is” kan leiden tot het oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat verbeurdverklaring (of onttrekking aan het verkeer) van het in beslag genomen voorwerp zal volgen.
31.Zie HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, rov. 2.4.1-2.4.2. En nadien bijvoorbeeld HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1071, rov. 2.3.2.
32.In het arrest van 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1071 was namens de klager - kort gezegd - aangevoerd dat de klager vader is van drie jonge kinderen en kostwinner is van zijn gezin, dat hij in grote financiële problemen verkeert en dat het in het bijzonder van groot belang is dat hij over zijn inbeslaggenomen chauffeurspas beschikt om zijn werkzaamheden uit te voeren en inkomen te genereren. De overweging van de rechtbank dat de voortduring van het beslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit volstond naar het oordeel van de Hoge Raad niet.