Conclusie
Vliegveld Valkenburg(ECLI:NL:HR:2014:899) met regels over uitleg van ‘gebouwde onroerende zaak’ uit art. 7:230a BW. Daarbij kan in de eerste plaats worden gedacht aan ‘een gebouw’. Een gebouw is in die beschikking onder verwijzing naar de Woningwet gedefinieerd als ‘een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt’. Daar voldoet het onbemande tankstation volgens het hof niet aan (het gehuurde is niet met wanden omsloten). De verkoopruimte naast de luifel (de voormalige ‘tankshop’) maakt geen deel uit van het gehuurde en de ‘betaalpaal’ evenmin. In
Vliegveld Valkenburgis verder geoordeeld dat een zaak die niet (geheel) aan bedoelde omschrijving van een gebouw voldoet, onder omstandigheden toch kan worden aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak (wat ik aanduid als een ‘twijfelgeval-escape’). Behalve dat een enkele verharding of bewerking van de grond daartoe in de regel niet volstaat en ook niet of het gehuurde naar normaal spraakgebruik al dan niet ‘gebouwd’ is, is de invulling daarvan in die beschikking open gelaten. In het ‘tussengebied’ van twijfelgevallen die niet volledig voldoen aan de ‘gebouw’-omschrijving, maar wel méér zijn dan een enkele verharding of bewerking van de grond, zou betekenis kunnen toekomen aan de strekking van de huurrechtelijke bescherming van art. 7:290 BW Pro (‘plaatsgebondenheid’) en art. 7:230a BW (die strekking is voor deze categorie minder duidelijk). Volgens het bestreden oordeel zijn hier geen omstandigheden aanwezig die maken dat het gehuurde toch moet worden aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak, waarbij is meegewogen dat ‘plaatsgebondenheid’ hier niet kon worden vastgesteld (afgedaan op niet voldoen aan stelplicht door Huurder). Ook het gegeven dat hier geen contractuele keuze is gemaakt voor toepassing van het 290-huurregime, is door het hof van belang geacht.
1. Het gehuurde
Bijlage 1aan deze overeenkomst gehechte tekening rood gearceerde perceel inclusief het daarop gevestigde verkooppunt voor motorbrandstoffen met toebehoren in de ruimste zin des woords, (…)
2.Looptijd
5.Bestemming
12.Einde van de overeenkomst en oplevering
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
Onderdeel 1bestrijdt dat het begrip ‘gebouwde onroerende zaak’ in art. 7:230a BW en art. 7:290 BW Pro dezelfde betekenis heeft.
Onderdeel 2bestrijdt dat onbemande tankstations geen gebouwde onroerende zaak kunnen zijn in de zin van deze bepalingen – ook niet in het licht van de
Vliegveld Valkenburg-beschikking.
Onderdeel 3bestrijdt het oordeel over plaatsgebondenheid, dat geen verband houdt met de kwalificatie als ‘gebouwde onroerende zaak’ en hier ook niet bij de kwalificatie als 290-bedrijfsruimte. Volgens
onderdeel 4zijn essentiële stellingen van Huurder gepasseerd, waarna de voortbouwende klacht van
onderdeel 5volgt.
een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, die krachtens overeenkomst van huur en verhuur is bestemd voor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf, van een restaurant- of cafébedrijf, van een afhaal- of besteldienst of van een ambachtsbedrijf, een en ander indien in de verhuurde ruimte een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening aanwezig is;
een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvanen is die zaak of dat gedeelte noch woonruimte [bedoeld is ex art. 7:233 BW Pro, A-G], noch bedrijfsruimte in de zin van deze titel [bedoeld is ex art. 7:290 lid 2 BW Pro, A-G], dan kan de huurder na einde van de huurovereenkomst de rechter verzoeken de termijn waarbinnen de ontruiming moet plaats vinden, te verlengen. (…)’ (Onderstreping A-G)
een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan. De kernvraag in deze zaak is of daaraan is voldaan. Zo niet, dan hebben we te maken met bedrijfsmatige huur van een (gedeelte van een)
ongebouwde onroerende zaak, waarvoor geen specifieke huurrechtelijke bescherming geldt [8] . Van dat laatste gaat Verhuurder in deze zaak uit en dat is ook wat de kantonrechter en het hof hebben geoordeeld. In dat geval gelden alleen de algemene huurbepalingen uit art. 7:201 – 7:231 BW (m.u.v. art. 7:230a BW) en daarvan is dan met name art. 7:228 BW Pro van belang. Beperking van het 290-bedrijfsruimte huurregime tot een (gedeelte van) een
gebouwdeonroerende zaak was een bewuste keuze van de wetgever destijds; al sinds 1960 geldt geen speciaal huurrechtelijk regime meer voor huur van ongebouwde onroerende zaken [9] . Of het begrip ‘onroerende zaak’ in 290- en 230a-bedrijfsruimte overeenstemt, komt hierna nog aan bod.
Utrecht/ […] [11] :
vereiste elementenaanwezig zijn –
waaronder: gebouwd onroerend goed, bestemming voor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf, de aanwezigheid in de verhuurde ruimte van een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van goederen of voor dienstverlening –, waarbij de Rb. o.g.v. de vastgestelde feiten zonder schending van enige rechtsregel [13] tot een bevestigend antwoordop die vraag kon komen. Voor die opvatting vond de Rb. blijkens r.o. 4f [14] nog steun hierin dat daarmede bij een huurobject als het onderhavige en in de omstandigheden van dit geval
recht wordt gedaan aan de strekking van de bepalingen inzake huur en verhuur van bedrijfsruimte, t.w. bescherming van de huurder i.v.m. de bijzondere ligging van de gehuurde ruimte, de aldaar gekweekte goodwill, de gedane investeringen en de moeilijkheid elders een geschikte plaats van vestiging te vinden. Aldus opgevat is het tegen deze overwegingen gewekte verwijt van onbegrijpelijkheid ongegrond [15] .’ (Voetnoten en onderstrepingen toegevoegd, A-G)
Utrecht/ […](kenbaar uit NJ 1979/507).
ongebouwdonroerend goed, omdat de gebouwen dan zelf niet onder de huurovereenkomst vallen.
onbebouwd terreinmet de bedoeling of verplichting voor de huurder om daarop bebouwing te doen plaatsvinden bestemd voor gebruik als 290-bedrijfsruimte, zoals een tankstation. Dat valt volgens de Hoge Raad in
Shell/ […] nietonder het huurregime van 290-bedrijfsruimte [22] . Of dat na bebouwing anders wordt, hangt ervan af of partijen een nieuwe zelfstandige huurovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot de inmiddels gebouwde en tot 290-bedrijfsruimte bestemde onroerende zaak, zo volgt uit
Utrecht/ […] ,al aangehaald, waar naar wordt verwezen in
Shell/ […] .
ongebouwdeonroerende zaak waarop art. 7:290 e.v. BW niet van toepassing was [23] . Dat, hoewel de huurder hier feitelijk een ‘middenstandsbedrijfsruimte’ in de vorm van een tankstation exploiteerde [24] .
Vliegveld Valkenburg-beschikking [25] een ander voorbeeld van dergelijke (grote) huurrechtelijke verschillen bij economisch vergelijkbare situaties: ‘het enorme verschil’ in huurbescherming tussen de huurder van een bloemenwinkel en de huurder van een stuk grond waarop de huurder zelf een ‘bloemenstalletje’ plaatst, met de toevoeging dat
X/Stg. Berregratte [26] wat hem betreft ‘een treffende illustratie op[levert] van het tekortschieten van de bescherming voor de huurder van een ongebouwde onroerende zaak’.
tussen de huurder en de Staatzowel art. 7:290 e.v. BW als art. 7:230a BW buiten toepassing verklaard [34] . Dat geldt uitdrukkelijk
nietvoor de huurverhouding tussen de
huurder en de exploitant, zo is van regeringswege toegelicht [35] :
Om ieder misverstand te voorkomen is bepaald, dat afdeling 6 van titel 4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is. Deze uitsluiting van de toepassing van de bepalingen inzake het huurrecht van bedrijfsruimte
heeft uitsluitend betrekking op de rechtsverhouding tussen de huurder en de Staat en niet op de rechtsverhouding tussen de huurder en de exploitant.
In die laatste rechtsverhouding zal, uitgaande van de huidige rechtspraak, nog steeds sprake zijn van huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 290 leden Pro 2 en 3 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zoals bepaald in het zesde lid van artikel 3. (…)
Ten slotte is in het vijfde lid
ook artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek buiten toepassing verklaard. Deze laatste afwijking is opgenomen omdat het niet valt uit te sluiten dat er zich op een locatie gebouwde onroerende zaken als bedoeld in artikel 230a van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek bevinden.’ (onderstrepingen A-G)
kanvallen, maar dat dit in de praktijk (afgezien van de in de Benzinewet geregelde specifieke gevallen) niet altijd het geval zal zijn – onder meer niet als zich op de locatie geen gebouwde onroerende zaak bevindt. Andere uitzonderingen zijn hiervoor besproken.
Vliegveld Valkenburg-beschikking – het ging om de landingsbaan van vliegveld Valkenburg – is daar duidelijkheid over gegeven in de context van art. 7:230a BW [36] :
Vliegveld Valkenburgonder omstandigheden toch sprake kan zijn van een ‘gebouwde onroerende zaak’. Volgens A-G Wissink in zijn conclusie vóór deze beschikking zal ‘met name in twijfelgevallen (…) de beoordeling in het teken dienen te staan van de vraag of zich een geval voordoet waarin de door de wetgever wenselijk geachte bescherming van de huurder van de in art. 7:230a bedoelde zaak passend moet worden geacht’ [39] .
Vliegveld Valkenburgdat deze gedachte van A-G Wissink – of de door de wetgever wenselijk geachte bescherming in het desbetreffende geval passend moet worden geacht – niet uitdrukkelijk terugkomt in de beschikking en hij zegt daar onder 4 het volgende over:
Utrecht/ […], waarin deze
strekkingvan de huurrechtelijke bescherming voor middenstandsbedrijfsruimte door de rechtbank uitdrukkelijk werd meegewogen, hetgeen vervolgens in stand is gelaten in cassatie.
Vliegveld Valkenburg(Woningwet-analogie met ‘twijfelgeval-escape’) in een art. 7:230a BW zaak, onverkort kan worden doorgetrokken naar het overeenkomstige begrip uit art. 7:290 BW Pro. Dat lijkt voor de hand te liggen en daar wordt ook vaak, net als in onze zaak door het hof, gewoon van uitgegaan, maar er lijkt een tendens in literatuur en feitenrechtspraak te zijn dat bij 290-bedrijfsruimte eerder dan bij 230a-bedrijfsruimte over de drempel van ‘gebouwd’ kan worden gekomen (onderdeel 1 gaat hierover).
Vliegveld Valkenburgonder 10, met de figuur van de ‘casco-verhuur’ van bedrijfsruimte in het vizier [40] , en geeft de volgende benadering:
in de zin van art. 7:230a BW,hetgeen de mogelijkheid openlaat dat het begrip in het kader van art. 7:290 lid 2 BW Pro (iets) anders wordt ingekleurd.
Verdedigbaar is dat uit de strekking van afdeling 7.4.6 BW voortvloeit dat onder omstandigheden iets minder strenge eisen gelden voor kwalificatie als ‘gebouwd’ van een onroerende zaak die is verhuurd met een bestemming als bedoeld in art. 7:290 lid 2 onder Pro a BW, dan van een onroerende zaak die is verhuurd met een niet onder art. 7:290 lid 2 BW Pro vallende bestemming. Zie ook Rossel, in:
T&C Huurrecht2020, art. 7:290 BW Pro, aant. 3 onder a. Al met al lijkt de uitspraak voldoende ruimte te bieden om bijvoorbeeld
de huur van onbemande benzinestations in voorkomend geval onder het regime van afdeling 7.4.6 te brengen.
Onbemande benzinestations doen zich echter in verschillende gedaanten voor en vooralsnog is onduidelijk wel ‘bouwwerken’ minimaal vereist zijn om van een gebouwde onroerende zaak te kunnen spreken. Dat (enkel) een ondergrondse tank met vloeistofdichte vloer (zonder daarop staande brandstofpomp) niet als gebouwde onroerende zaak wordt gekwalificeerd, is niet verrassend (Ktr. Haarlem 27 september 2017,
WR2018/63). Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 9 januari 2019,
WR2019/56 (ondergrondse tanks, leidingwerk, creditcardautomaat, verlichting en vloeistofdichte bestrating: geen onroerende zaak). Als ook de pompen tot het gehuurde behoren en sprake is van een overkapping, komt kwalificatie als gebouwde onroerende zaak wel in zicht, ook als is geen sprake van een geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte. Zie ook de noot van Le Clerq onder Ktr. Tilburg 12 december 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:6751,
TvHB2019/20.
Vliegveld Valkenburg-beschikking, dat een onbemand tankstation
welals 290-bedrijfsruimte zag, waarin (dus) ook werd aangenomen dat sprake was van een ‘gebouwde onroerende zaak’ [43] :
dat sprake is van de verhuur van een gebouwd onroerend goed.
of een onbemand benzinestation onder de criteria van een 290-bedrijfsruimte valt, zoals Kuwait stelt.
een lokaal” in de zin van artikel 7:290 lid 2 sub a BW Pro ruim te worden opgevat. Daaronder hoeft niet per se een afgesloten of af te sluiten ruimte te worden verstaan. Zelfs hoeft geen sprake te zijn van een lokaal in strikte zin, maar is een ruimte al voldoende. De wetgever heeft met het begrip “lokaal” tot uitdrukking gebracht dat er een verkooppunt voor het publiek moet zijn. In de onderhavige situatie is bij het tankstation
een paal met kassasysteemgeplaatst, voor een ieder toegankelijk, waar “het publiek” brandstoffen kan afrekenen en waarbij men ten bewijze van betaling een kwitantie verkrijgt. Deze paal is daarmee geschikt voor de rechtstreekse levering van roerende zaken of dienstverlening. Daarbij betrekt de kantonrechter dat er een “
watchman-functie” is, waardoor de rollen kassapapier worden bijgehouden. Verder zijn er handschoenen- en handdoekbakjes opgehangen en worden het terrein en de installaties door de watchman netjes en schoon gehouden. Dit alles ten behoeve van een goede dienstverlening aan het publiek. Er is naar het oordeel van de kantonrechter dan
ook sprake van een voor het publiek toegankelijk lokaal/ toegankelijke ruimte voor rechtstreekse levering van roerende zaken of dienstverlening.
plaatsgebondenheid. Door Kuwait is beoogd het lokale en regionale publiek aan te trekken en aan zich te binden door het benzinestation netjes en schoon te houden en het aanbieden van aantrekkelijke kortingen. Daarnaast ondersteunt de locatie het Libertynetwerk voor de zakelijke klanten van Kuwait die tanken met de Q8 Libertycard. Verder zijn er door Kuwait op deze locatie diverse investeringen gedaan, ook tijdens de looptijd van de overeenkomst, om het publiek te bedienen, en die binnen een redelijke tijd moeten worden terugverdiend. Een en ander is door Kuwait voldoende aannemelijk gemaakt.
Vliegveld Valkenburgwordt de maatstaf voor ‘gebouwde onroerende zaak’ een-op-een toegepast in de 290-context, met als uitkomst dat hier
geensprake was van een gebouwde onroerende zaak [44] :
de uitleg die de Hoge Raad in het arrest van 11 april 2014 (NJ 2014/438) heeft gegeven aan het begrip “gebouwde onroerende zaak” in artikel 7:230a BW ook van belang is voor de uitleg van dit begrip in artikel 7:290 lid 2 BW Pro. Dat betekent dat ook in het kader van artikel 7:290 lid 2 BW Pro tot uitgangspunt kan worden genomen dat een zaak in elk geval kan worden aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak als zich op of onder de grond een gebouw bevindt, tenzij dat gebouw als onderdeel van het gehuurde van verwaarloosbare betekenis is, en dat een gebouw een bouwwerk is dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. De Hoge Raad overwoog dat ook een zaak die niet (geheel) aan deze omschrijving voldoet onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak, maar dat een enkele verharding of bewerking van de grond in de regel niet toereikend is om een zaak aan te merken als gebouwd in de zin van artikel 7:230a BW.
[X] heeft blijkens de huurovereenkomst gehuurd het onbemande tankstation, dat uit niet meer bestaat dan ondergrondse tanks, leidingwerk, een creditcardautomaat, verlichting en vloeistofdichte bestrating. Deze elementen waren al eerder aangelegd ten behoeve van de exploitatie van een tankstation door [X], die de exploitatie na het sluiten de huurovereenkomst tussen partijen heeft voortgezet. In de huurovereenkomst is bepaald dat deze elementen in eigendom toebehoren aan [X] en dat zij verantwoordelijk is voor onderhoud en instandhouding daarvan. Tussen partijen is verder niet in geschil dat het onbemande tankstation hoofdzakelijk is bedoeld en wordt gebruikt voor het tanken van diesel door vrachtwagens die bij TTS in onderhoud en reparatie zijn.
mede gelet op de beperkte functie van het geheel als tankstation,
niet aan te merken als een gebouwde onroerende zaakin de onder 7.2 bedoelde zin. Door [X] zijn verder geen omstandigheden aangevoerd waaruit valt op te maken dat partijen niettemin hebben beoogd een huurovereenkomst te sluiten die betrekking heeft op bebouwde grond.
Dit betekent dat [X] zich niet kan beroepen op de (huur)bescherming die de artikelen 7:290 respectievelijk 7:230a BW bieden.’ (Onderstrepingen A-G)
Vliegveld Valkenburg-maatstaf voor gebouwde onroerende zaak ook bij 290-bedrijfsruimte huur is toe te passen, maar deze uitspraak geeft vervolgens invulling aan de ‘twijfelgeval-escape’ uit
Vliegveld Valkenburg, die neerkomt op een divergentie bij 230a- en 290-verhuur, te weten vanwege het beschermingsaspect van 290-huur
een minder strenge gebouwde onroerende zaak-maatstafdan bij 230a-huur, dus in lijn met het hiervoor geciteerde betoog van Asser/Rossel & Heisterkamp [45] :
behoren in ieder geval de boven- en ondergronds[e] installatie, de luifel, de vloeistofdichte vloer tot het tankstation. Volgens Tamoil volgt hieruit dat partijen beoogden een huurovereenkomst aan te gaan met betrekking tot bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 7:290 BW Pro. [X] betwist dit.
dat het mogelijk is dat een zaak die niet aan de door de Hoge Raad gegeven omschrijving voldoet toch valt aan te merken als ‘gebouwde onroerende zaak’. Daarnaast spreekt de Hoge Raad in het Valkenburg-arrest uitdrukkelijk over het begrip ‘gebouwde onroerende zaak’ c.q. ‘gebouwd’ in de zin van artikel 7:230a BW. Deze twee omstandigheden in onderling verband beschouwd bieden de mogelijkheid om het begrip ‘gebouwde onroerende zaak’ in het kader van artikel 7:290 lid 2 BW Pro (iets) anders in te kleuren dan in het Valkenburg-arrest is gedaan.
. De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat bij de beoordeling van de vraag hoe het gehuurde moet worden gekwalificeerd, gebouwd of ongebouwd, de uitleg die de Hoge Raad in het arrest van 11 april 2014 (NJ 2014/438) heeft gegeven aan het begrip “gebouwde onroerende zaak” in artikel 7:230a BW ook van belang is voor de uitleg van dit begrip in artikel 7:290 lid 2 BW Pro.Dat betekent dat ook in het kader van artikel 7:290 lid 2 BW Pro tot uitgangspunt kan worden genomen dat een zaak in elk geval kan worden aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak als zich op of onder de grond een gebouw bevindt, tenzij dat gebouw als onderdeel van het gehuurde van verwaarloosbare betekenis is, en dat een gebouw een bouwwerk is dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat ook een zaak die niet (geheel) aan deze omschrijving voldoet onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak, maar dat een enkele verharding of bewerking van de grond in de regel niet toereikend is om een zaak aan te merken als gebouwd in de zin van artikel 7:230a BW.
Deze zaak wijkt daarmee in zoverre af vanhet door [eiser 1] genoemde arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 november 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:7134 [bedoeld zal zijn: ECLI:NL:GHARL:2024:7133,
het bestreden arrest in de onderhavige zaak, A-G]) en het daaraan voorafgaande vonnis van deze rechtbank van 5 september 2023 ((…)ECLI:NL:RBNNE:2023:3658),
waarbij geen sprake was van een voormalige shop. Zoals de kan[t]onrechter in het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 26 juni 2024 heeft geoordeeld, kwalificeert de betaalpaal als een lokaal/verkooppunt als bedoeld in artikel 7:290 BW Pro. De kantonrechter neemt dat oordeel hier over. Zie in vergelijkbare zin ook het vonnis van deze rechtbank van 26 november 2024 (ECLI:NL:RBNNE:2024:4522 en het hiervoor genoemde arrest van 26 november 2024 (waarbij de betaalpaal juist
geenonderdeel uitmaakte van het gehuurde). Dat sprake is van detailhandel in de zin van artikel 7:290 BW Pro lijkt tussen partijen niet in geschil te zijn.
Vliegveld Valkenburg(gewezen voor 230a-huur) ook met niet veel aarzeling of omhaal wordt toegepast bij 290-huur, maar dat daarin net als in de literatuur steun kan worden gevonden voor het stellen van minder zware eisen aan het vereiste van ‘gebouwde onroerende zaak’ bij 290-huur, met name als niet geheel wordt voldaan aan de omschrijving van ‘gebouw’ uit de Woningwet, omdat geen sprake is van ‘een geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte’.
bemandtankstation in de rechtspraak sinds jaar en dag als bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro wordt beschouwd’ [49] . Deze laatste uitgangspunten lenen zich voor de volgende nuancering.
Shell/ […] .Dat alles lijkt (mij) niet per se anders te moeten zijn voor onbemande tankstations. Onderscheid tussen bemande en onbemande tankstations qua huurregime zou ongerijmd kunnen zijn, als het
enige verschiltussen beide typen tankstations zou zijn dat in het eerste personeel aanwezig is en het in het tweede niet [52] . Maar de diversiteit aan kenmerken van tankstations in de huurpraktijk is groot. Dat illustreert bijvoorbeeld ook onze zaak: de voormalige tankshop van het tot 2010 door Verhuurder zelf geëxploiteerde toen nog bemande tankstation, is
nietdoor Huurder meegehuurd hier (zie hiervoor 1.3 en 1.5) – dus het ‘gebouw(tje)’ à la
Utrecht/ […]behoort hier niet tot het gehuurde. En juist in een dergelijke tankshop schuilt de ‘retailfunctie’ van een bemand tankstation in de rechtspraak, zo we hebben gezien [53] . Daarmee wil niet gezegd zijn dat het uitgesloten is dat een
onbemandtankstation
zonder shoponder het regime van art. 7:290 BW Pro of art. 7:230a BW kan vallen, maar de
afwezigheidvan zo’n shop kan ook hier naar ik meen wel een aanwijzing vormen dat zo’n onbemand tankstation
geen‘gebouwde onroerende zaak’ is.
Vliegveld Valkenburg-beschikking biedt daar immers richtsnoeren voor, die voor 290-huur mogelijk iets soepeler kunnen worden ingevuld dan bij 230a-huur, zo hebben we gezien. Uit rov. 3.5.1 van
Vliegveld Valkenburgvolgt dat een enkele verharding of bewerking van de grond ‘in de regel’ niet toereikend is om een zaak die niet (geheel) aan de omschrijving van ‘een gebouw’ voldoet toch aan te merken als ‘gebouwd’. Dus een onbemand tankstation waarbij het gehuurde alleen bestaat uit een ondergrondse tank en een vloeistofdichte vloer, is geen ‘gebouwde onroerende zaak’ [54] . Als bij een onbemand tankstation verder, zoals in onze zaak, ook de brandstofpompen en een luifel tot het gehuurde behoren, lijkt mij de in
Vliegveld Valkenburggegeven ‘uiterste ondergrens’ wel te worden gehaald; er is dan méér dan een enkele verharding of bewerking van de grond, maar er wordt nog niet helemaal voldaan aan de omschrijving van ‘een gebouw’ [55] – want er is geen sprake van een ‘geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte’.
Vliegveld Valkenburgleert voor zulke twijfelgevallen in rov. 3.5.2 dat ook een andere relevante omstandigheid gewicht in de schaal kan leggen – niet van doorslaggevende betekenis maar wel als ‘aanwijzing’ – namelijk het normale spraakgebruik:
Vliegveld Valkenburgniet expliciet uitgemaakt of uitgewerkt, maar open gelaten (geen ‘hard and fast rule’, in de al geciteerde woorden van NJ-annotator Huydecoper), zodat hier ruimte bestaat voor verduidelijking. In een dergelijk twijfelgeval zou mogelijk de
strekkingvan de huurrechtelijke bescherming voor bedrijfsruimte – de plaatsgebondenheid – een rol kunnen spelen, zoals hiervoor is besproken. In onze zaak heeft het hof daar overigens over geoordeeld dat Huurder
onvoldoende heeft onderbouwddat sprake is van een dergelijke plaatsgebondenheid – dus dat is op de stelplicht gesneuveld.
opgezegdmet een opzegtermijn van ten minste een jaar [59] (en hier is drie jaar voor ommekomst aangegeven dat zou worden beëindigd). De beëindigingsvordering kan dan niet slechts worden toegewezen op de gronden vermeld in art. 7:296 lid 1 onder Pro a (‘slechte bedrijfsvoering’) en onder b (‘dringend eigen gebruik’) BW, maar op
allegronden vermeld in art. 7:296 BW Pro, dus ook op grond van de algemene belangenafweging bedoeld in art. 7:296 lid 3 BW Pro [60] . Verder dienen in dat geval de (overige) opzeggingsformaliteiten van art. 7:293-294 BW in acht te worden genomen, zoals dat de verhuurder op straffe van nietigheid de gronden moet vermelden die tot de opzegging hebben geleid [61] . Men kan erover twisten, en dat is ook gebeurd [62] , of de brief van 7 december 2021 aan alle formaliteiten voldoet. Aan die vraag werd in deze zaak niet toegekomen, nu het partijdebat zich in alle instanties heeft toegespitst op de vraag of sprake was van een ‘gebouwde onroerende zaak’. Niet onmogelijk lijkt dat bij toepassing van het 290-bedrijfsruimte huurregime ook zou zijn beëindigd op 31 december 2024 op een van de gronden vermeld in de brief van 7 december 2021 [63] .
Vliegveld Valkenburgaan ‘gebouwde onroerende zaak’ is gegeven, heeft alleen betrekking op art. 7:230a BW en is in ieder geval niet (ook) van belang voor de uitleg van dat begrip in art. 7:290 BW Pro. Het hof heeft althans eraan voorbijgezien dat ‘gebouwde onroerende zaak’ in art. 7:290 BW Pro een minder streng criterium vormt dan in art. 7:230a BW, zodat sneller sprake kan zijn van een ‘gebouwde onroerende zaak’ bij huur van middenstandsbedrijfsruimte, dan bij 230a-huur.
Vliegveld Valkenburgalleen om uitleg van het begrip ‘gebouwde onroerende zaak’ uit art. 7:230a BW ging en niet over het overeenkomstige begrip uit art. 7:290 BW Pro. Ook is besproken dat er een trend in literatuur en feitenrechtspraak is te zien die eerder ruimte lijkt aan te nemen voor een ‘gebouwde onroerende zaak’ bij 290-bedrijfsruimte dan bij 230a-bedrijfsruimte, met name in twijfelgevallen waarbij niet helemaal is voldaan aan de Woningwetdefinitie van ‘gebouw’ en waartoe in
Vliegveld Valkenburgook ruimte lijkt te zijn gelaten. Dus of de begrippen helemaal een-op-een congruent zijn in art. 7:230a BW en 7:290 BW, is de vraag. Ik denk het niet; er is veel te zeggen voor een mogelijk iets lagere drempel bij 290-huur vanwege het hiervoor in de inleiding besproken ‘plaatsgebondenheidaspect’ bij ‘twijfelgevallen’ als ook in onze zaak, waarin niet helemaal is voldaan aan de definitie van ‘gebouw’ uit de Woningwet (in gelijke zin s.t. Huurder 12-15). Het zou op grond daarvan kunnen zijn dat de rechtsklacht inhoudelijk terecht is voorgesteld, maar tot cassatie zie ik dat niet leiden bij gebrek aan belang. Het hof heeft in rov. 4.9 namelijk ten overvloede (‘En voor zover toch van belang (…)’) het aspect van ‘plaatsgebondenheid’ onderzocht, maar feitelijk geoordeeld dat Huurder wat dat punt betreft niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Cassatie op dit punt kan Huurder dan, bij de stand van zaken dat rov. 4.9 zoals hierna zal blijken bij de bespreking van onderdeel 3 stand houdt in cassatie, niet baten, zodat de klacht in mijn ogen geen doel treft.
Vliegveld Valkenburg-beschikking [64] . Die vraag speelt in de praktijk in breder verband dan de onderhavige zaak, zoals deze zaak en de besproken feitenrechtspraak over onbemande tankstations, onbemande pakketafhaallocaties en onbemande wasserettes laat zien.
Vliegveld Valkenburg-beschikking volgt voor 230a-verhuur.
Vliegveld Valkenburg-beschikking het kader geeft en dat het antwoord op die vraag niet volgt uit de inhoud van de huurovereenkomst en/of de partijbedoelingen. Het hof heeft dat echter, zoals blijkt uit rov. 4.2 en 4.6 t/m 4.8 (in gelijke zin s.t. Verhuurder 8), niet miskend. Wat het hof kennelijk in rov. 4.3 tot uitdrukking heeft willen brengen, is het primaat van de partijautonomie op dit vlak. Huurder en verhuurder hebben een grote mate van vrijheid om het object van huur te bepalen, zoals in de inleiding onder ogen is gezien. Dat het hof hierop het oog had in rov. 4.3 blijkt ook uit de rechtspraakverwijzing in voetnoot 2, in het bijzonder het al aangehaalde en in 3.10 besproken arrest
Benzinestations Rotterdam,dat ging over huur van een onbebouwd terrein. De klacht faalt.
Vliegveld Valkenburg-beschikking, zodat deze op zichzelf dan wel in onderlinge samenhang bezien wél (kunnen) leiden tot of (kunnen) bijdragen aan het oordeel dat een onbemand tankstation (als uitgangspunt) een ‘gebouwde onroerende zaak’ is volgens genoemde bepalingen. Dat maakt in ieder geval onjuist de oordelen in rov. 4.6 dat het gebruik van de luifel geen aanwijzing oplevert dat sprake is van een ‘gebouwde onroerende zaak’ en/of dat de in- en uitritten tot de standaarduitrusting van een tankstation behoren en niet valt in te zien waarom deze dan omstandigheden opleveren die tot de conclusie leiden dat het gehuurde toch een gebouw is. De tien kenmerken uit de klacht zijn deze:
Vliegveld Valkenburg,kunnen die kenmerken noch afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien doorslaggevend zijn daarvoor. Dit, omdat het hof van meer gewicht acht dat er kenmerken zijn die juist niet wijzen op een gebouwde onroerende zaak, zoals het gegeven dat de verkoopruimte die zich naast de luifel bevindt (de voormalige tankshop) geen deel uitmaakt van het gehuurde (rov. 3.5 en 4.8) en dat een onbemand tankstation zoals hier (met luifel zonder wanden) in het normale spraakgebruik doorgaans niet als een ‘gebouw’ of als ‘gebouwd’ zal worden aangemerkt (rov. 4.6). Als besproken komt het dan in een dergelijk twijfelgeval mogelijk aan op de strekking van de huurrechtelijke bescherming (de plaatsgebondenheid) waarover het hof in rov. 4.9 heeft geoordeeld dat die in deze zaak onvoldoende is onderbouwd door Huurder. Deze feitelijke beoordeling door het hof is geheel in lijn met de
Vliegveld Valkenburg-beschikking en (dus) niet onjuist. Voor een hernieuwde afweging is in cassatie geen plaats (in gelijke zin s.t. Verhuurder 10).
luifelheeft het hof het volgende geoordeeld:
Vliegveld Valkburg-beschikking hier wordt gehaald; de constructie is immers meer dan een ‘enkele bewerking of verharding van de grond’. Het hof heeft met dit oordeel echter niet miskend dat het mogelijk is dat daarmee die ondergrens kan worden gehaald, uit rov. 4.6 volgt evenwel dat er naar de beoordeling van het hof niet voldoende ‘bij’ komt om de ‘twijfelgevallen-escape’ zodanig te ‘vullen’ dat hier kan worden gesproken van een ‘gebouwde onroerende zaak’. Daartoe betrekt het hof namelijk een andere omstandigheid uit de
Vliegveld Valkenburg-beschikking, het besproken ‘normale spraakgebruik’ – aspect, dat naar het feitelijke hofoordeel juist een aanwijzing oplevert dat het onbemande tankstation hier geen gebouwde onroerende zaak is. Van onjuistheid is geen sprake.
Vliegveld Valkenburg-beschikking.
Vliegveld Valkenburg-beschikking en daarmee andermaal niet onjuist, maar juist relevant – zij het niet doorslaggevend; wel een mogelijke aanwijzing. Dat is in de uitspraak niet miskend. De aangevallen passage uit rov. 4.8 wordt te geïsoleerd beschouwd in de klacht en faalt ook. De plaatsing van het woord ‘niet’ uit de vierde zin van rov. 4.8 kan een verschrijving zijn, waarmee dan is bedoeld: ‘niet in ieder geval’ in plaats van ‘in ieder geval niet’. Maar ook als dit geen verschrijving is, is gelet op de in de huurpraktijk voorkomende grote verscheidenheid aan typen verhuurde tankstations niet onjuist dat een onbemand tankstation met alleen een luifel zonder shop, waarbij de betaalpaal ook nog eens niet is meeverhuurd, geen ‘gebouwde onroerende zaak’ is
in dit geval [65] : dan wordt de ‘ondergrens’ wel gehaald, maar de ‘twijfelgevallen-escape’ naar het feitelijke oordeel van het hof onvoldoende opgevuld om ondanks dat geen sprake is van een ‘gebouw’ in de zin van de definitie uit de Woningwet hier toch gesproken kan worden van een ‘gebouwde onroerende zaak’. Van onjuistheid is hier – hoe ook opgevat – geen sprake. Dat geen aandacht zou zijn geweest voor (in ieder geval) alle relevante omstandigheden van het geval voor het begrip ‘gebouwde onroerende zaak’ uit de
Vliegveld Valkenburg-beschikking, mist ten slotte feitelijke grondslag. Die zijn aan bod gekomen in rov. 4.6 en 4.9 (in gelijke zin s.t. Verhuurder 14, die verwijst naar rov. 4.2 t/m 4.11). Subonderdeel 2.3 kan niet tot cassatie leiden.
Vliegveld Valkenburg-beschikking volgt dat deze omstandigheden wel relevant zijn. Dat het hof in rov. 4.6 wel oog heeft gehad voor ‘de (reeds bij aanvang van de huurovereenkomst) aanwezige bebouwing’ is geen voldoende respons, omdat daaruit niet volgt om welke reden de omstandigheden (i)-(iv) niet (kunnen) leiden of (kunnen) bijdragen aan het oordeel dat sprake is van een ‘gebouwde onroerende zaak’.
Vliegveld Valkenburg-lijn en dat is in het licht van (onder meer) deze omstandigheden goed te volgen. Er ontbreken immers wanden (in gelijke zin s.t. Verhuurder 16). Daarna is onderzocht of de ‘twijfelgevallen-escape’ uit die beschikking hier kan leiden tot het halen van de ‘gebouwde onroerende zaak’-drempel. Het antwoord in de aangevallen overwegingen is negatief en ook dat is een goed te volgen feitelijk oordeel. Daar strandt deze motiveringsklacht op.
subonderdeel 3.3heeft het hof miskend dat plaatsgebondenheid noch voor een ‘gebouwde onroerende zaak’ volgens art. 7:230a BW of art. 7:290 BW Pro, noch voor kwalificatie als 290-bedrijfsruimte een zelfstandige toepassingsvoorwaarde vormt. Ook zonder plaatsgebondenheid kan een onbemand tankstation een gebouwde onroerende zaak zijn volgens een van de twee bepalingen en de enkele omstandigheid dat geen sprake is van plaatsgebondenheid van het daarin uitgeoefende bedrijf, kan niet tot gevolg hebben dat geen sprake is van een ‘gebouwde onroerende zaak’ dan wel van 290-bedrijfsruimte.
Utrecht/ […]-uitspraak uit 1979 ligt besloten dat de plaatsgebondenheid in twijfelgevallen mag worden betrokken bij de vraag of sprake is van een gebouwde onroerende zaak, zoals in de inleiding is besproken. Ook
Vliegveld Valkenburglaat ruimte om in twijfelgevallen rekening te houden met plaatsgebondenheid bij de vraag of sprake is van een gebouwde onroerende zaak, zo hebben we gezien. Ik heb dat in deze conclusie de ‘twijfelgeval-escape’ genoemd. Van een twijfelgeval is sprake als niet helemaal wordt voldaan aan de Woningwet-definitie van gebouw – en dus niet als daar wel aan is voldaan en evenmin als de zaak de ‘ondergrens’ niet haalt van niet meer zijn dan louter bestrating etc. De onderhavige zaak is een twijfelgeval – een onbemand tankstation met luifel maar zonder wanden. In zo’n twijfelgeval kan voor de toets of sprake is van een gebouwde onroerende zaak meewegen of al dan niet is voldaan aan de strekking van de huurbescherming van art. 7:290 BW Pro (of art. 7:230a BW, zo daarvan al sprake is; zie Huydecopers in de inleiding besproken geringschattende uitlating daarover in zijn NJ-noot onder
Vliegveld Valkenburg). In dit geval heeft het hof geoordeeld dat plaatsgebondenheid – zo al van belang voor de gebouwde onroerende zaak maatstaf (lees: de ‘twijfelgeval-escape’ uit
Vliegveld Valkenburg) niet is komen vast te staan, omdat Huurder op dat punt in het licht van Verhuurders betwisting niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Dat is volgens het boekje en daar ketsen de overige klachten van onderdeel 3 op af. Subonderdeel 3.2 en het deel van subonderdeel 3.3 dat betrekking heeft op de vraag of sprake is van een ongebouwde onroerende zaak ventileren in mijn ogen geen juiste rechtsopvatting. Daarmee faalt onderdeel 3 in zijn geheel.
Vliegveld Valkenburg-beschikking volgt, onder verwijzing naar subonderdeel 1.3.