Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde:
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd in 2001 door het gerechtshof Amsterdam bij verstek veroordeeld voor meervoudige diefstallen uit woningen met braak en inklimming en het pinnen van geld met gestolen bankpassen. Het cassatieberoep richt zich onder meer op de verjaring van het tenlastegelegde.
De Hoge Raad concludeert dat de verjaringstermijnen van twaalf en twintig jaren, afhankelijk van het soort diefstal, zijn verstreken zonder dat een daad van vervolging binnen die termijnen is verricht. Het verzoek tot signalering in het BETIP-systeem en VIP-controles worden niet als stuitingshandelingen aangemerkt. De eerstvolgende daad van vervolging vond pas in 2024 plaats, ruim na het verstrijken van de verjaringstermijnen.
Daarom is het recht tot strafvordering ten aanzien van alle feiten verjaard. Dit leidt tot vernietiging van het arrest en het vonnis, niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de schadevordering en compensatie van proceskosten.
De zaak betreft diefstal gedurende de nachtrust met braak en inklimming en diefstal met valse sleutels, waarbij de verjaringstermijnen volgens het oude Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn. De Hoge Raad bevestigt de toepassing van de relevante artikelen over verjaring en stuiting en benadrukt dat de aanzegging van de rechtsdag als enige daad van vervolging binnen de termijn kan worden aangemerkt.
De overige middelen van cassatie behoeven geen bespreking nu het middel over verjaring slaagt. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van het arrest en vonnis en niet-ontvankelijkverklaring van vervolging en schadevordering.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie en de benadeelde partij worden niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van de vervolging en schadevordering.