Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
eerste onderdeelricht zich tegen rechtsoverwegingen 5.7 en 5.8 van het arrest van het hof. Die overwegingen zijn het vervolg op rechtsoverwegingen 5.5 en 5.6:
onbegrijpelijkzijn. Het hof had moeten beoordelen wat de kans was dat, indien de Gemeente haar toezegging was nagekomen,
de dienstwoning, en niet
het perceel, de bestemming woondoeleinden zou hebben gekregen. [7] De steller van het middel verwijst daarbij mede naar rechtsoverwegingen 5.12 en 5.14, waaruit ook zou blijken dat het hof uitgaat van het verzuim van de Gemeente om
het perceeleen woonbestemming te geven.
de dienstwoningin het vast te stellen bestemmingsplan de bestemming ‘woondoeleinden’ zou hebben gekregen. Die formulering verandert intussen niets aan de vormgeving van bestemmingsplannen, als plannen waarin de bestemming werd aangewezen van de ‘in het plan begrepen
grond’en regels gegeven met het oog op die bestemming (art. 3.1 lid 1 oud Wro). Die regels betroffen in elk geval regels omtrent (in één adem): ‘het gebruik van de grond en van de zich daar bevindende bouwwerken’ (eveneens art. 3.1 lid 1 oud Wro). Kortom, er zit niet werkelijk licht tussen een formulering volgens welke het aankomt op de kans van [eiser] op een woonbestemming voor zijn
perceelen een formulering volgens welke bepalend is de kans op een woonbestemming voor
de dienstwoning op dat perceel.Het hof in de schadestaatprocedure heeft zich dus niet werkelijk verwijderd van hetgeen waar het volgens het oordeel van uw Raad en het hof Amsterdam in de hoofdzaak op aankomt. De klacht mist feitelijke grondslag.
tweedeals het
derde onderdeelricht zich tegen hetgeen het hof over de peildatum heeft overwogen en beslist. Ik citeer de overwegingen van het hof:
De peildatum: 1 juli 1997
vierde onderdeelvalt uiteen in twee subonderdelen: 4A en 4B.
subonderdeel 4Bricht zich tegen rechtsoverweging 5.21 en betreft de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de kelder niet meetelt als woonoppervlakte. De steller van het middel citeert de meetinstructie (NEN 2580) en maakt daarbij het woord ‘KELDER’ vet in kapitalen, maar ziet over het hoofd dat de geciteerde passage juist pleit voor de kwalificatie door het hof van de kelder als ‘gebruiksoppervlak overige inpandige ruimte’ in plaats van ‘gebruiksoppervlak wonen’. Intussen is ook het hof ervan uitgegaan dat een kelder bij uitzondering wél tot het gebruiksoppervlak wonen kan worden gerekend, maar volgens het hof is dat hier niet aan orde omdat de kelder (onder meer) geen daglicht heeft. Dat die eis mag worden gesteld, bestrijdt het onderdeel niet (anders dan met het zojuist bedoelde onjuiste beroep op de meetinstructie). Dat inderdaad tot de kelder geen daglicht toetreedt, bestrijdt het subonderdeel niet en blijkt bovendien duidelijk uit de bouwtekening waar het subonderdeel zich op beroept. De afwezigheid van daglicht is het verschil met de verwarmde schuur die door het hof vanwege het hoge afwerkingsniveau en een gemeenschappelijke muur met de woning wél tot het ‘gebruiksoppervlak wonen’ wordt gerekend. De steller van het middel beroept zich dus ten onrechte op de analogie met die schuur. Het subonderdeel faalt.
vijfde onderdeelricht zich tegen rechtsoverweging 5.36:
ex aequo et bonote moeten schatten. Dat stond het hof vrij.
zesde onderdeelbetreft een voortbouwklacht en behoeft geen zelfstandige bespreking.