Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
Copernicus’ -, waarin door de PWN aan Copernicus voor vijfentwintig jaar een onderopstalrecht is verleend met betrekking tot het kadastrale perceel nummer 10994 voor de vestiging van een observatorium en observatieterras, op basis van een door het PWN aan Copernicus verleend gebruiksrecht voor de als ondergrond dienende opstal. De Gemeente heeft voor vestiging van dit onder-opstalrecht toestemming verleend.(...)
3.Procesverloop
volledigebedrijfsbeëindiging (rov. 3.17).
4.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
5.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1besproken.
volledigebedrijfsbeëindiging vereist is (slot rov. 3.17). Ook verwerpt het hof de door Cobraspen gestelde definitie van ‘bedrijfsvoering’ met de overweging dat de vestigingsakte geen aanknopingspunten biedt voor de (beperkte) uitleg van Cobraspen c.s. dat ook sprake is van bedrijfsbeëindiging als het terrein slechts marginaal voor activiteiten ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening wordt gebruikt. Op deze manier heeft het hof de stelling van Cobraspen voldoende in zijn beoordeling betrokken.
grief III) als in zaak B (
grief X(l)) stellen Cobraspen c.s. zich op het standpunt dat het verweer van PWN in deze procedures misbruik van recht oplevert. Volgens Cobraspen c.s. is dit verweer onverenigbaar met de eerdere uitlatingen en toezeggingen van PWN over het beëindigen van het gebruik van het terrein ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening en voert PWN dit verweer alleen om te voorkomen dat Cobraspen het terrein kan herontwikkelen. Deze opstelling van PWN frustreert de afwikkeling van het recht van erfpacht en opstal zonder dat dit enig valide of gerechtvaardigd belang van PWN dient, aldus Cobraspen c.s.
Subonderdeel 5.1klaagt dat het hof heeft miskend dat de vraag of sprake is van misbruik van recht, afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval, althans dat het hof zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd in het licht van een achttal stellingen. Volgens het subonderdeel heeft het hof deze stellingen onvoldoende en niet genoeg in onderlinge samenhang meegewogen. De wijze waarop het hof deze stellingen in zijn beoordeling heeft betrokken wordt hierna besproken. Begonnen wordt met de eerste, tweede, derde en zesde stelling.
".Ook wijst zij erop dat uit de eigen stukken van PWN niet blijkt dat PWN zich op enig moment op het standpunt heeft gesteld dat het huidige gebruik van het terrein niet in het kader van de openbare drinkwatervoorziening zou plaatsvinden. [76] Verder heeft zij aangevoerd dat zij het terrein voor de toekomst zou willen gebruiken. [77] Het hof heeft PWN in haar verweer gevolgd in rov. 3.35 met de overweging dat zij haar belang bij haar verweer voldoende heeft onderbouwd, namelijk dat zij het terrein voor de toekomst zou willen gebruiken. Daarmee heeft het hof, het partijdebat in aanmerking nemende, voldoende gereageerd op de stelling van Cobraspen c.s. Daarbij weegt ook mee dat in de notulen waar Cobraspen c.s. zich op beroepen de economische belangen van de provincie Noord-Holland en/of PWN ook niet met zoveel woorden genoemd.
Subonderdeel 5.2klaagt dat het hof heeft miskend dat het de stellingen van Cobraspen c.s. mede in het licht van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur had moeten beoordelen. Voor wat betreft dit geschil zou PWN moeten worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van de Awb, omdat alle aandelen van PWN in handen van de provincie Noord-Holland zijn. [80]