ECLI:NL:PHR:2026:382

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
25/01295
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:6 BWArt. 1078 Iraans BWArt. 1080 Iraans BWArt. 1082 Iraans BWArt. 1083 Iraans BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling Iraanse bruidsgave en khul echtscheiding in relatie tot Nederlandse openbare orde

Partijen, beiden Iraanse nationaliteit, zijn in 2006 in Iran getrouwd met afspraken over een bruidsgave (mahr) van 800 Bahar-e Azadi gouden munten. Na verhuizing naar Nederland vroeg de vrouw in 2022 echtscheiding aan, die in Nederland werd uitgesproken in 2023. De vrouw vorderde betaling van de volledige bruidsgave, maar het hof wees dit af omdat zij op grond van art. 1146 Iraans Pro BW bij een khul echtscheiding compensatie aan de man moet betalen.

De vrouw stelde dat deze compensatieplicht strijdig is met de Nederlandse openbare orde (art. 10:6 BW Pro), omdat zij daardoor feitelijk haar recht op de bruidsgave verliest. Het hof oordeelde echter dat de compensatieplicht niet leidt tot een ontoelaatbare beperking van haar recht op echtscheiding en dat financiële consequenties inherent zijn aan echtscheiding, ook in Nederlands recht.

De Procureur-Generaal concludeert dat de Iraanse regeling van de bruidsgave en de compensatieplicht bij khul echtscheiding niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde. De bruidsgave is nauw verbonden met het Iraanse huwelijks- en echtscheidingsrecht en moet als zodanig worden beoordeeld. De Nederlandse echtscheiding doet hieraan niet af, mede omdat het Nederlandse alimentatierecht voorziet in financiële zekerheid na echtscheiding.

De conclusie is dat de klachten van de vrouw niet tot cassatie kunnen leiden en dat de compensatieplicht van de vrouw jegens de man op grond van Iraans recht gehandhaafd blijft.

Uitkomst: De verplichting van de vrouw om compensatie te betalen aan de man bij een khul echtscheiding op grond van Iraans recht is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01295
Zitting10 april 2026
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
[de vrouw] ,
eiseres tot cassatie,
hierna: de vrouw
tegen
[de man] ,
verweerder in cassatie,
hierna: de man

1.Inleiding

1.1
In deze zaak vordert de vrouw veroordeling van de man tot voldoening van de in de Iraanse huwelijksakte van partijen overeengekomen bruidsgave (mahr) van 800 Bahar-e Azadi gouden munten. Anders dan de rechtbank heeft het hof deze vordering afgewezen, omdat de vrouw op grond van art. 1146 Iraans Pro BW verplicht is om in geval van een khul echtscheiding de man te compenseren voor zijn instemming met de door de vrouw gewenste echtscheiding. Volgens het hof is deze bepaling van Iraans recht niet in strijd met de Nederlandse openbare orde in de zin van art. 10:6 BW Pro. De vrouw komt hiertegen in cassatie op.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. [1]
2.2
Partijen hebben de Iraanse nationaliteit. Zij zijn op 30 december 2006 in Esfahan, Iran, met elkaar getrouwd.
2.3
In de huwelijksakte, die door partijen is ondertekend, is volgens de beëdigde Nederlandse vertaling, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
‘(...)
Bruidsprijs en handtekening van de echtgenoten:
1. Een geschenk bestaande uit een koran, een spiegel met kandelaars, een rol termeh-stof, in totaal ter waarde van vijf miljoen en driehonderd rial;
2. Mahr al-soenna ten bedrage van tweehonderdtweeënzestig rial en half;
3. Een set gouden sieraden van 10/tien mithqal;
4. Achthonderd stuks volle Bahar-e Azadi gouden munten;
5. De kosten van een bedevaart naar Mekka en de graftombes van sjiitische heiligen in Irak, ten bedrage van negentien miljoen rial;
6. De prijs van 3 dang van een woning, ten bedrage van vierhonderd miljoen rial;
7. Een contante som voor de bruidsprijs ten bedrage van tweehonderd miljoen rial die echtgenoot volgens de sharia verschuldigd is en aan zijn echtgenote dient te betalen op het ieder moment dat zij ze opeist.
(...)
Overeengekomen voorwaarden tussen partijen:
(...)
B. Verder verleent echtgenoot aan echtgenote de bevoegdheid met het recht van substitutie om in onderstaande gevallen naar de rechtbank te stappen voor een echtscheidingsvergunning en na het kiezen van de soort echtscheiding ook een echtscheiding aan te vragen. Dat geldt ook wanneer echtgenote afstand doet van haar bruidsprijs waardoor echtgenoot akkoord gaat met een echtscheiding.
(…)
In onderstaande gevallen kan echtgenote de rechtbank verzoeken om middels een uitspraak de echtscheiding toe te staan:
1. Indien echtgenoot om welke reden dan ook weigert gedurende zes manden het onderhoudsgeld te betalen, en zij niet in de mogelijkheid verkeert hem daartoe te verplichten. Eveneens is dit van toepassing indien de man overige basisrechten van de vrouw gedurende zes maanden schendt en zij niet in de mogelijkheid verkeert hem hiertoe te verplichten.
2. Indien het wangedrag en de manier van omgang van echtgenoot het samenleven met hem voor echtgenote ondraaglijk maakt.
(...)
8. Indien echtgenoot het gezin gedurende een periode van meer dan zes maanden en zonder geldige reden verlaat.
(...)
12. Indien echtgenoot zonder instemming van de eerste echtgenote een tweede huwelijk aangaat, of indien echtgenoot volgens het oordeel van de rechtbank niet rechtvaardig is ten aanzien van zijn echtgenoten.
(…)’. [2]
2.4
De man is in februari 2019 naar Nederland gekomen, de vrouw en de minderjarige dochter van partijen in september 2021.
2.5
De vrouw heeft op 28 november 2022 in Nederland een verzoek tot echtscheiding ingediend. Het huwelijk is ontbonden op 3 mei 2023 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 6 april 2023 in de registers van de burgerlijke stand. Deze echtscheiding is niet erkend in Iran.
2.6
De vrouw heeft bij dagvaarding van 12 december 2022 gevorderd dat de man wordt veroordeeld tot voldoening van een deel van de overeengekomen bruidsgave, te weten 800 volle Bahar-e Azadi gouden munten van maat 1 met een gewicht van 8.13598 gram, een netto gewicht van 7.32238 gram puur goud, een diameter van 22 millimeter en puurheid van 0.9000 of een equivalent daarvan gelijk aan € 405.360,-, binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis.
2.7
De man heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel afwijzing van de vordering. Subsidiair heeft de man geconcludeerd dat de bruidsgave gematigd wordt, waarbij hij 110 Bahar-e Azadi gouden munten aan de vrouw dient te voldoen.
2.8
De rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 15 november 2023 de man veroordeeld tot overdracht aan de vrouw van 110 Bahar-e Azadi gouden munten maat 1, met een gewicht per munt van 8.13598 (gram), met een nettogewicht van puur goud 7.32238 (gram), 22 mm met de puurheid van 0.90000, binnen 14 dagen na betekening van het vonnis. Verder is de man veroordeeld tot overdracht aan de vrouw van 690 Bahar-e Azadi gouden munten maat 1, met een gewicht per munt van 8.13598 (gram), met een nettogewicht van puur goud 7.32238 (gram), 22 mm met de puurheid van 0.90000, in termijnen van één gouden munt per jaar, vanaf januari 2025.
2.9
De vrouw is hiervan in hoger beroep gekomen. Zij heeft geconcludeerd dat het vonnis wordt vernietigd voor zover het betrekking heeft op de afwijzing van de vordering tot betaling van het equivalent in euro’s van de overeengekomen Bahar-e Azadi gouden munten, en dat haar vorderingen alsnog volledig worden toegewezen.
2.1
De man heeft op zijn beurt incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij heeft geconcludeerd dat het vonnis wordt vernietigd en de vrouw in haar vorderingen in eerste aanleg alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard, althans dat de vorderingen worden afgewezen.
2.11
Bij arrest van 21 januari 2025 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het principale appel de vordering van de vrouw afgewezen, en in het incidentele appel het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering van de vrouw in eerste aanleg alsnog afgewezen.
2.12
De vrouw is tijdig in cassatie gekomen van het arrest van het hof (hierna: het bestreden arrest). De man heeft verweer gevoerd en zijn standpunt schriftelijk toegelicht. De vrouw heeft gerepliceerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Alvorens de klachten van het middel te bespreken, geef ik weer hoe het hof tot zijn beslissing is gekomen. Voor zover van belang heeft het hof het volgende overwogen.
In geschil is de bruidsgave die partijen zijn overeengekomen in de Iraanse huwelijksakte. Vast staat dat partijen ter gelegenheid van de huwelijksvoltrekking op 30 december 2006 in Iran afspraken hebben gemaakt over een door de man aan de vrouw verschuldigde bruidsgave. (rov. 3.3)
De man stelt dat de vrouw naar Iraans recht door het indienen van het echtscheidingsverzoek afstand heeft gedaan van de bruidsgave. Dat verzoek is namelijk niet gebaseerd op een van de echtscheidingsgronden die volgen uit de wet of de huwelijksakte van partijen. De vrouw betwist dat zij afstand heeft gedaan van de bruidsgave. Partijen zijn volgens de vrouw naar Iraans recht nog gehuwd en de bruidsgave betreft een rechtsfiguur die los gezien moet worden van de echtscheiding. Dat de vrouw met het indienen van het echtscheidingsverzoek afstand zou hebben gedaan van de bruidsgave, is volgens haar daarnaast in strijd met de Nederlandse openbare orde (art. 10:6 BW Pro). (rov. 3.4)
De bruidsgave (mahr) is een rechtsfiguur in het islamitische recht. Het gaat om een toezegging tot betaling van geld en/of goederen van de man aan de vrouw ter gelegenheid van de huwelijkssluiting. Vanaf de dag van de huwelijkssluiting is de vrouw eigenaar en rechthebbende van de bruidsgave. Zij kan vanaf dat moment de bruidsgave op ieder moment opeisen. Dit volgt uit art. 1082 Iraans Pro BW. De bruidsgave moet bezien worden tegen de achtergrond dat naar islamitisch recht echtgenoten in beginsel ieder hun eigen vermogen behouden. Hoewel partijen afwijkende afspraken kunnen maken, kan de vrouw na de ontbinding van het huwelijk daardoor in principe geen aanspraak maken op het vermogen van de man. De bruidsgave voorziet daarmee in enige bestaanszekerheid voor de vrouw in geval van een echtscheiding. (rov. 3.5)
Naar Iraans recht kan de vrouw slechts op basis van een aantal gronden die volgen uit de wet of uit de huwelijksakte van partijen zelfstandig een echtscheidingsverzoek indienen. Indien het echtscheidingsverzoek van de vrouw is gebaseerd op een van die echtscheidingsgronden, behoudt zij haar aanspraak op de bruidsgave. De wettelijke echtscheidingsgronden voor Iraanse vrouwen zijn: ‘the husband’s disappearance for a period of at least four years without any sign of life’ (art. 1029 Iraans Pro BW); ‘the husband’s refusal to pay maintenance and the imposibility to force him to do so’ (art. 1129 Iraans Pro BW); ‘the husband’s breach of any other marital duties and the impossibility to have him observe them’ (art. 1130 Iraans Pro BW). In de huwelijksakte hebben partijen (aanvullende) echtscheidingsgronden opgenomen. (rov. 3.6)
Indien de echtscheiding wordt verzocht door de vrouw en niet is gebaseerd op een van de genoemde echtscheidingsgronden, is sprake van een khul echtscheiding in de zin van art. 1146 Iraans Pro BW. In geval van een khul echtscheiding zal de vrouw aan haar echtgenoot een vergoeding aanbieden in ruil voor zijn toestemming om te kunnen scheiden. De compensatie bestaat meestal uit de kwijtschelding van het onbetaalde deel van de bruidsgave, alsook uit elke andere vorm van compensatie. (rov. 3.7)
Anders dan de vrouw stelt, kan de bruidsgave niet los worden gezien van de echtscheidingsprocedure. De bruidsgave is immers een vorm van financiële zekerheid voor de vrouw voor na de echtscheiding. De bruidsgave is daarmee zodanig met het huwelijk en, in het bijzonder, de echtscheiding verbonden dat deze niet los van elkaar kunnen worden gezien. Dat partijen naar Iraans recht nog zijn gehuwd, maakt dit oordeel niet anders. Naar Nederlands recht heeft immers een rechtsgeldige echtscheiding plaatsgevonden. (rov. 3.8)
Niet in geschil is dat de echtscheiding is verzocht door de vrouw. De grond van het echtscheidingsverzoek is naar Iraans recht ‘dislike of her husband’ (art. 1146 Iraans Pro BW), zodat sprake is van een khul echtscheiding. Hieruit volgt dat de vrouw op grond van het Iraans BW niet zonder meer recht heeft op uitkering van de bruidsgave, maar dat zij op grond van Iraans recht de man compenseert, welke compensatie kan bestaan uit kwijtschelding van de door de man voor of tijdens het huwelijk niet betaalde bruidsgave of een andere vorm van compensatie. (rov. 3.9)
De vrouw stelt dat deze conclusie in strijd is met het in Nederland voor fundamenteel gehouden recht van de echtgenoten om van elkaar te kunnen scheiden, zodat op grond van art. 10:6 BW Pro de bepalingen uit het Iraans BW buiten toepassing moeten blijven. Hoewel het hof inziet dat de echtscheiding op deze manier negatieve financiële consequenties voor de vrouw heeft, maakt dit niet dat het voor haar onmogelijk is om van de man te scheiden. Een situatie van gevangenschap van de vrouw in het huwelijk is dus niet aan de orde. Bovendien geldt ook voor de man dat een initiatief tot echtscheiding van zijn zijde voor hem financiële consequenties heeft, aangezien hij in dat geval de bruidsgave moet voldoen. Daarbij komt dat het ook bij huwelijken naar Nederlands recht voorstelbaar is dat een van de echtgenoten negatieve financiële consequenties ondervindt door de echtscheiding. De negatieve financiële consequenties hetzij aan de zijde van de vrouw, hetzij aan de zijde van de man kunnen dan ook niet tot gevolg hebben dat de bepalingen uit het Iraans BW strijdig zijn met de Nederlandse openbare orde. Daarbij overweegt het hof dat als de vordering van de vrouw zou worden toegewezen, de man geconfronteerd zou worden met de financiële consequenties van de echtscheiding. (rov. 3.10)
Op grond van het voorgaande komt aan de man het recht van compensatie toe. Nu die doorgaans in de vorm van kwijtschelding van de nog niet betaalde bruidsgave plaatsvindt, en onderhandelingen tussen partijen in het kader van de echtscheiding niet meer aan de orde zijn omdat de Nederlandse echtscheiding inmiddels een feit is, is het hof van oordeel dat de man de nog niet betaalde Bahar-e Azadi gouden munten niet aan de vrouw hoeft te voldoen. Dit maakt dat de vordering van de vrouw om de man te veroordelen de munten aan haar te betalen, moet worden afgewezen. (rov. 3.11)
3.2
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel I komt op tegen het oordeel van het hof in rov. 3.10 dat de compensatie die de vrouw op grond van art. 1146 Iraans Pro BW aan de man dient te betalen in geval van een khul echtscheiding niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde in de zin van art. 10:6 BW Pro. Onderdeel II bevat een voortbouwklacht. De klachten komen, kort gezegd, neer op het volgende.
De bepaling in de huwelijksakte die de vrouw beperkt in haar mogelijkheden om echtscheiding te verzoeken, waardoor zij als gevolg van de khul echtscheiding geen aanspraak meer kan maken op de bruidsgave, is kennelijk onverenigbaar met de Nederlandse openbare orde in de zin van art. 10:6 BW Pro. Een dergelijke bepaling maakt onderscheid tussen de echtgenoten in een echtscheidingsprocedure en leidt tot een beperking van het recht van de vrouw op toegang tot de rechter. Op grond van de huwelijksakte heeft de vrouw recht op de bruidsgave; zij kan de bruidsgave van de man vorderen wanneer zij dat wenst. Dit heeft het hof miskend.
De bruidsgave kan niet los worden gezien van de echtscheiding. De bruidsgave is immers een vorm van financiële zekerheid voor de vrouw na de echtscheiding. De consequentie van de beslissing van het hof is evenwel dat aan de vrouw de facto de bruidsgave wordt ontnomen, omdat de grond van haar echtscheidingsverzoek ‘dislike of her husband’ in de zin van art. 1146 Iraans Pro BW is en niet een van de Iraanse wettelijke echtscheidingsgronden of de aanvullende echtscheidingsgronden uit de huwelijksakte. Het hof heeft miskend dat dit in strijd is met de Nederlandse openbare orde.
Althans heeft het hof geen blijk ervan gegeven betekenis toe te kennen aan de (voor de toetsing aan de openbare orde relevante) overige feiten en omstandigheden van het concrete geval, in het bijzonder de mate van betrokkenheid van Nederland bij het onderhavige geval. Dat Nederland bij het onderhavige geval is betrokken, volgt uit het feit dat de man in februari 2019 naar Nederland is gekomen en de vrouw met de dochter van partijen in september 2021, dat de vrouw een verzoek tot echtscheiding in Nederland heeft ingediend en het huwelijk van partijen is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
Althans zijn onbegrijpelijk de overwegingen van het hof dat ook een initiatief tot echtscheiding van de zijde van de man voor hem financiële consequenties zou hebben, aangezien hij in dat geval de bruidsgave moet voldoen, dat het ook bij huwelijken naar Nederlands recht voorstelbaar is dat een van de echtgenoten negatieve financiële consequenties ondervindt door de echtscheiding, en dat de man bij toewijzing van de vordering van de vrouw financiële consequenties zou ondervinden. Die overwegingen doen niet eraan af dat als gevolg van de khul echtscheiding de vrouw geen recht heeft op de bruidsgave, hetgeen een ontoelaatbaar onderscheid tussen de rechtspositie van de vrouw en de man en daarmee een schending van de Nederlandse openbare orde oplevert.
3.3
Bij de bespreking van deze klachten stel ik het volgende voorop.
Naar het oordeel van het hof geldt de in Nederland tot stand gekomen echtscheiding tussen partijen als een khul echtscheiding in de zin van art. 1146 Iraans Pro BW. Dit betekent dat de vrouw op grond van Iraans recht niet zonder meer recht heeft op uitkering van de overeengekomen bruidsgave; zij dient de man te compenseren, welke compensatie kan bestaan uit kwijtschelding van de door de man voor of tijdens het huwelijk niet betaalde bruidsgave of een andere vorm van compensatie. Tegen deze uitleg van het Iraanse recht in rov. 3.9 zijn in cassatie geen klachten gericht. [3] Dit betekent dat in cassatie tot uitgangspunt moet worden genomen dat de in Nederland, op grond van het verzoek van de vrouw tot stand gekomen echtscheiding kwalificeert als een khul echtscheiding in de zin van art. 1146 Iraans Pro BW. [4] De klachten in cassatie beperken zich tot het oordeel van het hof in rov. 3.10 dat de compensatie die de vrouw op grond van art. 1146 Iraans Pro BW aan de man dient te betalen in geval van een khul echtscheiding, niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde in de zin van art. 10:6 BW Pro.
Voor zover het middel ervan uitgaat dat de verplichting tot compensatie van de vrouw in geval van een khul echtscheiding voortvloeit uit de huwelijksakte van partijen, mist het feitelijke grondslag. Die verplichting vloeit niet voort uit de huwelijksakte maar uit art. 1146 Iraans Pro BW. Anders dan het middel veronderstelt, heeft het hof in rov. 3.10 niet beoordeeld of een bepaling uit de huwelijksakte in strijd is met de Nederlandse openbare orde, maar of de uit art. 1146 Iraans Pro BW voortvloeiende verplichting van de vrouw tot compensatie in strijd is met de Nederlandse openbare orde.
3.4
De Nederlandse rechtspraak wordt in toenemende mate geconfronteerd met de bruidsgave, in het bijzonder de Iraanse variant. [5] De bruidsgave (mahr) is een rechtsfiguur uit het islamitische recht en komt voor in de wetgeving van landen waar het personen- en familierecht is gebaseerd op het islamitische recht. Aangezien er verschillen bestaan in de wetgeving van deze landen, beperk ik mij tot de Iraanse bruidsgave. [6]
De bruidsgave vormt een essentieel onderdeel van het huwelijk in Iran. De wettelijke regeling van de bruidsgave is te vinden in art. 1078 t/m 1101 Iraans BW. [7] De bruidsgave betreft een overeenkomst waarbij de man in het kader van de huwelijksvoltrekking zich ertoe verbindt om een geldbedrag, een bepaalde hoeveelheid goud of iets anders van waarde aan de vrouw te geven. [8] De aard en omvang van de bruidsgave kunnen partijen zelf bepalen. [9] De bruidsgave is geen vereiste voor een rechtsgeldig huwelijk. Als partijen hebben nagelaten om afspraken te maken over de bruidsgave, is de vrouw gerechtigd tot een redelijke bruidsgave. [10]
De bruidsgave wordt doorgaans vermeld in de huwelijksakte. De bruidsgave is een exclusief recht van de vrouw. Zij is vanaf de huwelijksvoltrekking eigenaar van de bruidsgave en kan deze van de man opeisen. [11] In de praktijk wordt een bruidsgave doorgaans niet opgeëist tijdens het huwelijk. [12] Partijen kunnen ook afspreken dat een (beperkt) deel van de bruidsgave bij de huwelijksvoltrekking wordt voldaan en het resterende deel wordt uitgesteld tot het einde van het huwelijk. [13] De bruidsgave dient (mede) als financieel vangnet voor de vrouw in geval van echtscheiding. Dit moet worden gezien in het licht van het wettelijke stelsel van algehele scheiding van goederen (behoudens andersluidende afspraken) en het (nagenoeg) ontbreken van een wettelijke aanspraak op levensonderhoud na echtscheiding voor de vrouw. [14]
Een bruidsgave tot 110 Bahar-e Azadi gouden munten of het daarmee corresponderende geldbedrag kan door de vrouw van de man worden opgeëist zonder tussenkomst van de rechter. Voor het opeisen van het meerdere deel dient de vrouw zich te wenden tot de rechter, die bij de beoordeling van de vordering rekening zal houden met de draagkracht van de man. Blijkt de man onvoldoende draagkracht te hebben om de resterende bruidsgave te betalen, dan kan de rechter hem veroordelen tot betaling in termijnen. [15]
3.5
Naar Iraans recht beschikt de vrouw over beperkte mogelijkheden om een echtscheiding tot stand te brengen. [16] De man beschikt over vrijwel een onbeperkt recht om van zijn vrouw te scheiden. [17] De vrouw daarentegen, kan slechts om echtscheiding vragen wanneer de man zijn huwelijkse verplichtingen niet nakomt. De wettelijke gronden waarop de vrouw om echtscheiding kan vragen zijn: de afwezigheid van de man voor een periode van tenminste vier jaar zonder een teken van leven; [18] de weigering van de man om in het levensonderhoud van de vrouw te voorzien; [19] en de ondraaglijkheid voor de vrouw om het huwelijk met de man voort te zetten [20] . Naast deze wettelijke echtscheidingsgronden kunnen partijen (in de huwelijksakte) aanvullende echtscheidingsgronden afspreken ten gunste van de vrouw. [21]
In de Iraanse wet worden twee aanvullende echtscheidingsgronden genoemd die zijn gebaseerd op de consensus tussen de echtgenoten: [22] een khul echtscheiding, waarbij de echtscheiding tot stand komt op verzoek van de vrouw op grond van haar aversie tegen de man (‘dislike of her husband’), [23] en een mubarat echtscheiding, waarbij beide echtgenoten willen scheiden wegens aversie tegen elkaar [24] . Voor de onderhavige zaak is de khul echtscheiding van belang. De Iraanse wet (art. 1146 Iraans Pro BW) schrijft voor dat een khul echtscheiding mogelijk is wanneer de vrouw de man een vergoeding betaalt in ruil voor zijn instemming met de door de vrouw gewenste echtscheiding. [25] Die vergoeding kan bestaan uit een deel of het geheel van de nog niet betaalde bruidsgave die partijen zijn overeengekomen. De hoogte van de vergoeding is onderwerp van onderhandelingen tussen de echtgenoten.
3.6
In de literatuur worden verschillende functies van de bruidsgave genoemd. [26]
De bruidsgave kan een symbolische functie hebben, waarbij de bruidsgave in het teken staat van bijvoorbeeld de sociale status van de echtgenoten. Een hoge bruidsgave is statusverhogend, zonder dat de vrouw daadwerkelijk zal overgaan tot het opeisen van de bruidsgave tijdens het huwelijk. De bruidsgave kan ook in het teken staan van een religieuze verplichting of een plaatselijke gewoonte waar de echtgenoten uiting aan geven, waarbij de hoogte van de bruidsgave niet centraal staat.
De bruidsgave kan ook een financiële functie hebben, waarbij de bruidsgave de vrouw financiële zekerheid biedt tijdens het huwelijk (als financiële buffer) en in geval van echtscheiding (waarbij als uitgangspunt geldt dat de vrouw volgens de op het islamitische recht gebaseerde rechtsstelsels geen aanspraak kan maken op vermogensdeling op grond van huwelijksvermogensrecht en op partneralimentatie). [27]
Ook wordt aan de bruidsgave een gedragsregulerende functie toegeschreven. Zowel de man als de vrouw zullen niet al te lichtvaardig besluiten tot een echtscheiding, omdat dit financiële gevolgen zal hebben. Als de man de echtscheiding initieert, zal hij de (resterende) bruidsgave aan de vrouw moeten voldoen. Een hoge bruidsgave beschermt de vrouw tegen een al te lichtvaardige huwelijksbeëindiging door de man. En als de vrouw de echtscheiding initieert buiten de wettelijk toegestane of door de echtgenoten aanvullend afgesproken echtscheidingsgronden, kan zij gehouden worden om afstand te doen van (een deel van) de bruidsgave.
In het verlengde hiervan kan de bruidsgave ook een onderhandelingsinstrument zijn voor de vrouw die een khul echtscheiding beoogt te bewerkstelligen.
3.7
Uit de Iraanse bruidsgave zaken die aan de Nederlandse rechter worden voorgelegd blijkt, net als in de onderhavige zaak, dat de echtgenoten in de Iraanse huwelijksakte exorbitant hoge bruidsgave afspraken maken in de vorm van Iraanse Bahar-e Azadi gouden munten, die, voor zover kan worden nagegaan, de financiële draagkracht van de man ver te boven gaan. [28] Een verklaring voor deze exorbitant hoge bruidsgave afspraken heb ik niet kunnen vinden, anders dan dat dit gebruikelijk is in Iran. [29] In bruidsgave zaken uit andere landen, zoals Marokko, Pakistan en Afghanistan, die aan de Nederlandse rechter worden voorgelegd komen dergelijke exorbitant hoge bruidsgave afspraken in de regel niet voor. [30] Deze Iraanse praktijk staat haaks op het uitgangspunt van islamitisch recht dat de bruidsgave ingetogen dient te zijn. [31]
In de feitenrechtspraak wordt tot uitgangspunt genomen dat de bruidsgave gekwalificeerd dient te worden als een rechtsfiguur sui generis, die volgens een ongeschreven conflictregel wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de huwelijkssluiting waarmee de bruidsgave nauw is verbonden. Dit betekent dat de vordering van de vrouw uit hoofde van de bruidsgave beoordeeld dient te worden naar Iraans recht, wanneer het huwelijk van de echtgenoten in Iran is voltrokken. In de onderhavige zaak heeft het hof zich niet expliciet uitgelaten over de kwalificatie van de bruidsgave. [32] Het hof heeft de bruidsgave beoordeeld naar Iraans recht. Hiertegen is in cassatie geen klacht gericht. [33]
Zoals ik hiervoor (onder 3.3) al opmerkte, geldt in cassatie als uitgangspunt dat de in Nederland, op grond van het verzoek van de vrouw tot stand gekomen echtscheiding kwalificeert als een khul echtscheiding in de zin van art. 1146 Iraans Pro BW. De vrouw heeft naar Iraans recht niet zonder meer recht op uitkering van de overeengekomen bruidsgave; zij dient de man de compenseren, welke compensatie kan bestaan uit kwijtschelding van de door de man voor of tijdens het huwelijk niet betaalde bruidsgave of een andere vorm van compensatie. Levert deze verplichting van de vrouw op grond van art. 1146 Iraans Pro BW strijd op met de Nederlandse openbare orde in de zin van art. 10:6 BW Pro?
3.8
Op grond van art. 10:6 BW Pro geldt dat vreemd recht in Nederland niet wordt toegepast, voor zover de toepassing ervan kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. De toepassing van deze exceptie is slechts in uitzonderlijke gevallen gerechtvaardigd. Alleen wanneer de harde kern van de Nederlandse rechtsorde in het geding is, waarbij de toepassing van vreemd recht de in Nederland voor fundamenteel gehouden waarden en beginselen (zoals het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod) in het gedrang brengt, kan de openbare orde als afweermiddel worden ingezet. [34] Bij de toepassing van de openbare orde exceptie wordt onderscheid gemaakt tussen de inhoud van het vreemde recht en de gevolgen waartoe toepassing van het vreemde recht in het concrete geval leidt. Van vreemd recht dat naar zijn inhoud in strijd is met de openbare orde, is sprake wanneer de grenzen van wat naar Nederlandse opvattingen voor een wetgever behoorlijk en geoorloofd is, worden overschreden. In dat geval kan het vreemde recht in Nederland niet worden toegepast, ongeacht of de casus enige verbondenheid met Nederland heeft (buitengrenscriterium). Vreemd recht dat niet op zichzelf al naar zijn inhoud onaanvaardbaar is, kan toch buiten toepassing blijven indien toepassing zou leiden tot een gevolg dat naar Nederlandse opvattingen niet kan worden geduld. Hierbij spelen de omstandigheden van het geval, en met name de betrokkenheid van Nederland, een belangrijke rol. Naarmate de Nederlandse betrokkenheid groter is, zal eerder sprake (kunnen) zijn van strijd met de openbare orde (binnengrenscriterium). [35] De exceptie van de openbare orde is in processuele zin van openbare orde. Dit betekent dat zowel de rechter in eerste aanleg als de rechter in hoger beroep deze exceptie ambtshalve dient toe te passen. [36]
3.9
Anders dan het middel betoogt zie ik niet in waarom de verplichting van de vrouw naar Iraans recht om in geval van een door haar geïnitieerde khul echtscheiding de man een compensatie te bieden in ruil voor zijn instemming met de echtscheiding, in dit geval in strijd is met de Nederlandse openbare orde in de zin van art. 10:6 BW Pro. Deze verplichting van de vrouw heeft niet geleid tot een beperking van haar, in Nederland als fundamenteel te beschouwen recht op toegang tot de rechter teneinde een echtscheiding tot stand te brengen. De echtscheiding is in Nederland uitgesproken op verzoek van de vrouw en ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Dat de vrouw bij de toegang tot de rechter in Nederland een, met het oog op de openbare orde niet te dulden (al dan niet op financiële aspecten terug te voeren) beperking heeft ondervonden als gevolg van haar verplichting naar Iraans recht om afstand te doen van (een deel van) haar bruidsgave, is in dit geval niet gebleken. Zoals het hof ook benoemt (rov. 3.1), is geen sprake van een situatie van huwelijkse gevangenschap van de vrouw.
Het enkele feit dat het initiëren van een khul echtscheiding door de vrouw voor haar ongunstige financiële consequenties heeft, levert naar mijn mening nog geen strijd op met de Nederlandse openbare orde. Aan een echtscheiding is nu eenmaal eigen dat deze voor de echtgenoten over en weer financiële consequenties zal hebben. Dat is wat het hof ook tot uitdrukking heeft willen brengen in rov. 3.10 (‘(…) Daar komt bij dat dat het ook bij huwelijken naar Nederlands recht voorstelbaar is dat een van de echtgenoten negatieve financiële consequenties ondervindt door de echtscheiding. (…)’).
De beslissing van het hof doet het meest recht aan het met de bruidsgave beoogde doel van partijen. Hierbij is van belang dat de bruidsgave op het moment dat zij werd overeengekomen geheel in de Iraanse rechtssfeer lag: de nationaliteit en de gewone verblijfplaats van partijen was Iran; de bruidsgave was verbonden met het in Iran voltrokken huwelijk van partijen; de bruidsgave is neergelegd in de Iraanse huwelijksakte waarin partijen ook afspraken hebben gemaakt over aanvullende echtscheidingsgronden ten behoeve van de vrouw. Op basis hiervan kan worden aangenomen dat het de bedoeling van partijen is geweest om de bruidsgave overeen te komen volgens de in Iran heersende opvattingen daarover. Dat de casus inmiddels (door de gewone verblijfplaats van partijen) nauw is verbonden met de Nederlandse rechtssfeer doet hieraan niet af.
De bruidsgave is door de echtgenoten kennelijk overeengekomen met het oog op de situatie waarin het huwelijk, de echtscheiding en de echtscheidingsgevolgen worden beheerst door Iraans recht. Het wringt dan ook om in dit geval, waarin de echtscheiding naar Nederlands recht is uitgesproken, de bruidsgave los te weken van het Iraanse echtscheidingsrecht en als afzonderlijke partijafspraak te beoordelen binnen de context van (een afzonderlijke procedure na) een Nederlandse echtscheiding waarin de bruidsgave geen onderdeel uitmaakt van de echtscheidingsgevolgen. Bovendien geldt dat in het met de bruidsgave (mede) beoogde doel van financiële zekerheid voor de vrouw na de echtscheiding, in dit geval wordt voorzien door het Nederlandse alimentatierecht dat op grond van art. 3 lid 1 Haags Pro Alimentatieprotocol [37] – gelet op de gewone verblijfplaats van de vrouw in Nederland – van toepassing is. Indien de vrouw na de echtscheiding niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, kan zij naar Nederlands recht een bijdrage van de man vragen.
Ik meen dan ook dat het hof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de openbare orde exceptie van art. 10:6 BW Pro door te oordelen dat de man in dit geval recht heeft op compensatie door de vrouw in geval van een door de vrouw geïnitieerde khul echtscheiding op grond van art. 1146 Iraans Pro BW. [38]
3.1
Op zichzelf genomen voert het middel terecht aan dat het hof niet uitdrukkelijk aandacht heeft besteed aan de mate van betrokkenheid van Nederland bij het onderhavige geval, als relevante omstandigheid in het kader van het binnengrenscriterium van de openbare orde exceptie. [39] Dit kan echter niet tot cassatie leiden. Het oordeel van het hof dat de toepassing van het Iraanse recht niet leidt tot een rechtsgevolg dat in strijd is met de Nederlandse openbare orde, houdt namelijk ook stand wanneer met het middel wordt aangenomen dat de casus nauw is verbonden met de Nederlandse rechtssfeer.
3.11
In rov. 3.11 heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het recht van compensatie van de man naar Iraans recht doorgaans plaatsvindt in de vorm van kwijtschelding van de nog niet betaalde bruidsgave en onderhandelingen tussen partijen in het kader van de echtscheiding niet meer aan de orde zijn omdat de Nederlandse echtscheiding inmiddels een feit is. Uitgaande van deze vaststelling, die in cassatie niet met een klacht is bestreden, heeft het hof kunnen oordelen dat de man de nog niet betaalde Bahar-e Azadi gouden munten niet aan de vrouw hoeft te voldoen.
3.12
Op grond van het voorgaande meen ik dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie rov. 2.1 e.v. van het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:266, JPF 2025/45, m.nt. A.J.I. Mullenders.
2.In de Nederlandse vertaling van de huwelijksakte wordt gesproken van ‘bruidsprijs’, maar bedoeld is de bruidsgave. Zie over deze terminologie S.W.E. Rutten, De islamitische bruidsgave, FJR 2025/17, p. 76; F.J.A. van der Velden, Inleiding in de shari’a, Boom juridisch 2016, p. 103, noot 65; N. Yassari, Die Brautgabe im Familienvermögensrecht. Innerislamischer Rechtsvergleich und Integration in das deutsche Recht, Mohr Siebeck 2014, p. 5-12.
3.Rechtsklachten over de schending van buitenlands recht zijn in cassatie gedoemd te falen (art. 79 lid Pro 1, sub b RO). Motiveringsklachten over de uitleg en toepassing van buitenlands recht zijn wel mogelijk en leiden nog wel eens tot cassatie; zie bijvoorbeeld HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1630, RvdW 2023/1129; HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:126, NJ 2026/76. Zie hierover recentelijk T.F.E. Tjong Tjin Tai, Cassatie en de toepassing van buitenlands recht, WPNR 2026/7533, p. 102-104.
4.Dat hierover ook wel anders wordt gedacht, blijkt uit de feitenrechtspraak genoemd in S.W.E. Rutten, De islamitische bruidsgave (deel II), FJR 2025/22, onder 3.1, noot 11. Ik wijs erop dat deze kwestie aan bod komt in het kader van het cassatieberoep (zaak 25/02838) tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 4 juni 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1020, waarin ik binnenkort zal concluderen.
5.De zoekterm ‘bruidsgave’ levert op rechtspraak.nl 55 uitspraken op in de periode 2025 t/m heden, waarvan 35 uitspraken betrekking hebben op de Iraanse bruidsgave. Zie over de bruidsgave S.W.E. Rutten, De islamitische bruidsgave, FJR 2025/17 (deel I) en FJR 2025/22 (deel II); M.J. de Klerk, De bruidsgave, lessen uit een jaar jurisprudentie, EB 2026/3; Asser/Vonken & Ibili 10-II 2025/256-258; F.J.A. van der Velden, Inleiding in de shari’a, Boom juridisch 2016, p. 103-110.
6.Zie N. Yassari, Suppl. 89 (Iran), in: W. Pintens (red.), International Encyclopaedia of Laws, Family and Succession Law, Wolters Kluwer 2017, p. 47-50; N. Yassari, Die Brautgabe im Familienvermögensrecht. Innerislamischer Rechtsvergleich und Integration in das deutsche Recht, Mohr Siebeck 2014, p. 97-100; P. Kruiniger, Islamic divorces in Europe. Bridging the gap between European and Islamic legal orders, Eleven International Publishing 2015, p. 160-164.
7.In mijn conclusie heb ik gebruik gemaakt van de Engelse vertaling van het Iraans BW die te vinden is op https://www.refworld.org/legal/legislation/natlegbod/1928/102142. Zie voor een Duitse vertaling Bergmann/Ferid, Internationales Ehe- und Kindschaftsrecht, Verlag für Standesamtswesen.
8.Zie art. 1078 Iraans Pro BW: ‘Anything which can be called property and which can be owned and possessed can be designated as a marriage portion.’ Vgl. N. Yassari, The financial relationship between spouses under Iranian law. A never-ending story of guilt and atonement?, in: N. Yassari (red.), Changing God’s law: the dynamics of Middle Eastern family law, Routledge 2016, p. 132: ‘Typically, Iranian mahr consist of a sum of money or an amount of gold coins.’
9.Zie art. 1080 Iraans Pro BW: ‘Fixing of the amount of marriage portion depends upon the mutual consent of the marrying parties.’
10.Zie art. 1087 Iraans Pro BW: ‘If a marriage portion is not mentioned, or if the absence of marriage portion is stipulated in a permanent marriage, that marriage will be authentic and the parties to it can fix the marriage portion subsequently by mutual consent. If previous to this mutual consent matrimonial intercourse takes place between them, the wife will be entitled to the marriage portion ordinarily due.’
11.Zie art. 1082 Iraans Pro BW: ‘Immediately after the performance of the marriage ceremony the wife becomes the owner of the marriage portion and can dispose of it in any way and manner that she may like.’; en art. 1118: ‘The wife can independently do what she likes with her own property.’
12.N. Yassari, The financial relationship between spouses under Iranian law. A never-ending story of guilt and atonement?, in: N. Yassari (red.), Changing God’s law: the dynamics of Middle Eastern family law, Routledge 2016, p. 133: ‘Statutes and the standard clause in the marriage certificate specify that the mahr is due on the wife’s demand, even though in practice wives rarely ask for the mahr during marital life, particularly when the marriage is a happy one.’
13.Zie art. 1083 Iraans Pro BW: ‘A duration of time or instalments can be fixed for the payment of the marriage portion, as a whole or in parts.’
14.N. Yassari, Suppl. 89 (Iran), in: W. Pintens (red.), International Encyclopaedia of Laws, Family and Succession Law, Wolters Kluwer 2017, p. 57, 74-75; Vgl. N. Yassari, The financial relationship between spouses under Iranian law. A never-ending story of guilt and atonement?, in: N. Yassari (red.), Changing God’s law: the dynamics of Middle Eastern family law, Routledge 2016, p. 133.
15.S.W.E. Rutten, De Islamitische bruidsgave (deel I), FJR 2025/17, p. 79; N. Yassari, Suppl. 89 (Iran), in: W. Pintens (red.), International Encyclopaedia of Laws, Family and Succession Law, Wolters Kluwer 2017, p. 47-50.
16.N. Yassari, Suppl. 89 (Iran), in: W. Pintens (red.), International Encyclopaedia of Laws, Family and Succession Law, Wolters Kluwer 2017, p. 53-56; P. Kruiniger, Islamic divorces in Europe. Bridging the gap between European and Islamic legal orders, Eleven International Publishing 2015, p. 135 e.v. Vgl. M. van den Berg, Islamitisch huwelijks- en echtscheidingsrecht, in: S. Rutten e.a. (red.), Recht in een multiculturele samenleving, Intersentia 2018, p. 239-240.
17.Zie art. 1133 Iraans Pro BW: ‘A man can divorce his wife whenever he wishes to do so.’
18.Zie art. 1029 Iraans Pro BW: ‘If a man has been for four years continuously absent with unknown whereabouts , his wife can apply for a divorce. (…).’
19.Zie art. 1129 Iraans Pro BW: ‘If the husband refuses to pay the cost of maintenance of his wife, and if it is impossible to enforce a judgment of the court and to induce him to pay the expenses, the wife can refer to the judge applying for divorce and the judge will compel the husband to divorce her. The same stipulation will be binding in a case where the husband is unable to provide for the maintenance of the wife.’
20.Zie art. 1130 Iraans Pro BW: ‘In the following circumstances, the wife can refer to the Islamic judge and request for a divorce. When it is proved to the Court that the continuation of the marriage causes difficult and undesirable conditions, the judge can for the sake of avoiding harm and difficulty compel the husband to, divorce his wife. If this cannot be done, then the divorce will be made on the permission of the Islamic judge.’
21.Zie art. 1119 Iraans Pro BW: ‘The parties to the marriage can stipulate any condition to the marriage which is not incompatible with the nature of the contract of marriage, either as part of the marriage contract or in another binding contract: for example, it can be stipulated that if the husband marries another wife or absents him self during a certain period, or discontinues the payment of cost of maintenance, or attempts the life of his wife or treats her so harshly that their life together becomes unbearable, the wife has the power, which she can also transfer to a third party by power of attorney to obtain a divorce herself after establishing in the court the fact that one of the foregoing alternatives has occurred and after the issue of a final judgment to that effect.’
22.N. Yassari, Suppl. 89 (Iran), in: W. Pintens (red.), International Encyclopaedia of Laws, Family and Succession Law, Wolters Kluwer 2017, p. 55; P. Kruiniger, Islamic divorces in Europe. Bridging the gap between European and Islamic legal orders, Eleven International Publishing 2015, p. 156.
23.Zie art. 1146 Iraans Pro BW: ‘A Khul’a divorce occurs when the wife obtains a divorce owing to dislike of her husband, against property which she cedes to the husband. The property in question may consist of the original marriage portion, or the monetary equivalent thereof, whether more or less than the marriage portion.’
24.Zie art. 1147 Iraans Pro BW: ‘A Mubarat divorce occurs when the dislike is mutual in which case the compensation must not be more than the marriage portion.’
25.Anders dan het hof suggereert in rov. 3.7 van het bestreden arrest (‘In het geval van een khul echtscheiding zal de vrouw aan haar echtgenoot een vergoeding aanbieden in ruil voor zijn toestemming om te kunnen scheiden.’), gaat het dus niet zozeer om de
26.S.W.E. Rutten, De islamitische bruidsgave, FJR 2025/17 (deel I), p. 80. Vgl. M.S. Berger, Het islamitische echtscheidingsrecht, EB 2019/27, p. 65.
27.B. Reinhartz, Invloed van islamitische rechtsfiguren in het civiele recht in Nederland, Preadvies NVvR 2012, p. 26; P. Kruiniger, Islamic divorces in Europe. Bridging the gap between European and Islamic legal orders, Eleven International Publishing 2015, p. 206, noot 44; M.S. Berger, Het islamitische echtscheidingsrecht, EB 2019/27, p. 64-65.
28.Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18 maart 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:2610 (600 Bahar-e Azadi gouden munten ter waarde van € 506.610,-); Gerechtshof Den Haag 5 juli 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1315 (1.100 Bahar-e Azadi gouden munten ter waarde van € 254.595,-); Rb. Limburg 27 september 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:5870 (200 Bahar-e Azadi munten ter waarde van € 101.340,-); Rb. Oost-Brabant 10 januari 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:47 (2.500 Bahar-e Azadi gouden munten ter waarde van € 1.266.750,-); Rb. Overijssel 21 februari 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:921 (200 Bahar-e Azadi gouden munten ter waarde van € 101.340,-); Rb. Amsterdam 6 maart 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1395 (500 Bahar-e Azadi gouden munten ter waarde van € 242.650,-).
29.Vgl. N. Yassari, Die Brautgabe im Familienvermögensrecht. Innerislamischer Rechtsvergleich und Integration in das deutsche Recht, Mohr Siebeck 2014, p. 185: ‘Statistiken zufolge sind die Durchschnittswerte der Brautgabe im Iran von 150 Goldmünzen bahār āzādī (BA) im Jahre 1985 auf 260–350 im Jahre 2004 und auf 300–450 im Jahre 2009 gestiegen.’ N. Yassari, The financial relationship between spouses under Iranian law. A never-ending story of guilt and atonement?, in: N. Yassari (red.), Changing God’s law: the dynamics of Middle Eastern family law, Routledge 2016, p. 134, maakt melding van parlementaire discussies in Iran over wettelijke regulering van de hoogte van bruidsgave afspraken; dit heeft echter niet geleid tot een wetswijziging.
30.Zie bijvoorbeeld Rb. Den Haag 14 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3578 (Marokkaanse bruidsgave ter waarde van MAD 10.000, omgerekend € 944,-); Rb. Rotterdam 25 februari 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:1187 (Marokkaanse bruidsgave ter waarde van € 2.734,30); Rb. Amsterdam 1 oktober 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:6291 (Pakistaanse bruidsgave ter waarde van € 1.071,-); Rb. Midden-Nederland 29 januari 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:271 (Afghaanse bruidsgave ter waarde van AFN 1.480.000, omgerekend € 19.000,-).
31.F.J.A. van der Velden, Inleiding in de shari’a, 2016, p. 105; P. Kruiniger, Islamic divorces in Europe. Bridging the gap between European and Islamic legal orders, Eleven International Publishing 2015, p. 106. Vgl. N. Yassari, Die Brautgabe im Familienvermögensrecht. Innerislamischer Rechtsvergleich und Integration in das deutsche Recht, Mohr Siebeck 2014, p. 59-61.
32.De rechtbank heeft in rov. 4.2 van het vonnis van 15 november 2023 de bruidsgave gekwalificeerd als een rechtsfiguur sui generis die in dit geval wordt beheerst door Iraans recht.
33.Zie nader over de kwalificatie van de bruidsgave Asser/Vonken & Ibili 10-II 2025/257-258. Ik wijs erop dat het Bundesgerichtshof in een recente uitspraak van 18 februari 2026, ECLI:DE:BGH:2026:180226BXIIZB254.25.0, de in die zaak aan de orde zijnde Iraanse bruidsgave heeft gekwalificeerd als een kwestie van huwelijksvermogensrecht in de zin van de EU-Verordening Huwelijksvermogensstelsels (Nr. 2016/1103, PbEU 2016, L 183/1).
34.Zie Parl. Gesch. BW Boek 10 2014/II.8.3 (MvT); voorts L. Strikwerda/S.J. Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, 2026/131 e.v.; Asser/Vonken 10-I 2023/485; P. Vlas, IPR en BW (Mon. BW nr. A27) 2015/31; Th.M. de Boer/L. Strikwerda, in: F. Ibili e.a., Nederlands internationaal personen- en familierecht (R&P nr. PFR3) 2022/2.4.2.
35.HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1721, NJ 2023/95, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.2.
36.HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:126, NJ 2026/76, rov. 4.2.2.
37.Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, ‘s-Gravenhage, 23 november 2007, Trb. 2011, 145.
38.In dezelfde zin (geen strijd met de openbare orde): Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 24 juni 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1759; Rb. Amsterdam 22 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7958; Rb. Rotterdam 30 augustus 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:8126. In andere zin (wel strijd met de openbare orde): Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:5421; Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 augustus 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:2614; Gerechtshof Amsterdam 4 maart 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:559.
39.Zie 3.8 van mijn conclusie.