ECLI:NL:PHR:2026:382
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling Iraanse bruidsgave en khul echtscheiding in relatie tot Nederlandse openbare orde
Partijen, beiden Iraanse nationaliteit, zijn in 2006 in Iran getrouwd met afspraken over een bruidsgave (mahr) van 800 Bahar-e Azadi gouden munten. Na verhuizing naar Nederland vroeg de vrouw in 2022 echtscheiding aan, die in Nederland werd uitgesproken in 2023. De vrouw vorderde betaling van de volledige bruidsgave, maar het hof wees dit af omdat zij op grond van art. 1146 Iraans Pro BW bij een khul echtscheiding compensatie aan de man moet betalen.
De vrouw stelde dat deze compensatieplicht strijdig is met de Nederlandse openbare orde (art. 10:6 BW Pro), omdat zij daardoor feitelijk haar recht op de bruidsgave verliest. Het hof oordeelde echter dat de compensatieplicht niet leidt tot een ontoelaatbare beperking van haar recht op echtscheiding en dat financiële consequenties inherent zijn aan echtscheiding, ook in Nederlands recht.
De Procureur-Generaal concludeert dat de Iraanse regeling van de bruidsgave en de compensatieplicht bij khul echtscheiding niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde. De bruidsgave is nauw verbonden met het Iraanse huwelijks- en echtscheidingsrecht en moet als zodanig worden beoordeeld. De Nederlandse echtscheiding doet hieraan niet af, mede omdat het Nederlandse alimentatierecht voorziet in financiële zekerheid na echtscheiding.
De conclusie is dat de klachten van de vrouw niet tot cassatie kunnen leiden en dat de compensatieplicht van de vrouw jegens de man op grond van Iraans recht gehandhaafd blijft.
Uitkomst: De verplichting van de vrouw om compensatie te betalen aan de man bij een khul echtscheiding op grond van Iraans recht is niet in strijd met de Nederlandse openbare orde.