ECLI:NL:PHR:2026:388

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
23/04885
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48 SrArt. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplichtigheid aan hennepteelt op basis van eerdere veroordeling en gelijke modus operandi

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplichtigheid aan het opzettelijk aanwezig hebben en telen van hennep in een woning, waarbij het hof het opzet deels afleidde uit een eerdere onherroepelijke veroordeling van de verdachte voor een soortgelijk feit met dezelfde modus operandi.

De verdachte had een woning en het energiecontract op haar naam gezet in ruil voor een beloning, verbleef zelf niet in de woning en ontving de huur- en energiekosten van een derde. Het hof achtte op basis van deze overeenkomsten en de eerdere veroordeling aannemelijk dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardde medeplichtig te zijn aan hennepteelt.

De advocaat-generaal stelde dat de verklaring van de verdachte ongeloofwaardig was en dat opzet bewezen kon worden. Het cassatiemiddel klaagde dat uit de bewijsvoering het vereiste opzet niet kon worden afgeleid, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel begrijpelijk en toereikend had gemotiveerd.

De Hoge Raad benadrukte dat enkel (ver)huur onder dubieuze omstandigheden niet volstaat voor bewijs van opzet, maar dat in deze zaak de eerdere veroordeling en de grote overeenkomsten met de eerdere situatie een voldoende grond vormden om opzet aan te nemen.

De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee de veroordeling in stand blijft.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplichtigheid aan hennepteelt op basis van eerdere veroordeling en gelijke modus operandi.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/04885
Zitting14 april 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 30 november 2023 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-003131-22) [1] wegens 1. (subsidiair) “medeplichtigheid aan/tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B en C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft hof een taakstraf opgelegd voor de duur van veertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door twintig dagen hechtenis. De benadeelde partij is in haar vordering tot schadevergoeding door het hof niet-ontvankelijk verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M.A.C. de Bruijn en L.C. Hemmer, beiden advocaat in Amsterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2.De zaak in het kort

2.1
In de onderhavige zaak speelt het volgende. De verdachte wordt er (onder meer) van verdacht medeplichtig te zijn aan het opzettelijk aanwezig hebben en telen van hennep in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . Het hof heeft het opzet van de verdachte voor een belangrijk deel afgeleid uit een eerdere zaak uit 2017, waarin de verdachte van een soortgelijk feit werd verdacht en daarvoor (onherroepelijk) werd veroordeeld. In die zaak had de verdachte een woning en het bijbehorende energiecontract op haar naam laten zetten in ruil voor een geldelijke beloning. De verdachte had in die zaak verklaard dat zij op de hoogte was van het voornemen om in de betreffende woning een hennepplantage op te bouwen. Zij verbleef zelf niet in de woning en het geld om de huur en de energierekening te voldoen kreeg zij van de man die haar de geldelijke beloning in het vooruitzicht had gesteld.
2.2
De onderhavige zaak vertoont volgens het hof grote overeenkomsten met die zaak uit 2017. Ook hier heeft de verdachte een woning en het energiecontract op haar naam gezet in ruil voor een beloning (ditmaal: het verkrijgen van een inschrijfadres), heeft de verdachte nooit in die woning verbleven en ontving de verdachte de huur- en energiekosten van de man die haar dit aanbod had gedaan. Gelet op deze grote overeenkomsten heeft de verdachte “(minst genomen) willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij zich wederom schuldig zou maken aan medeplichtigheid aan de telt van hennep”, aldus het hof. Volgens de steller van het middel zijn de(ze) vaststellingen van het hof echter onvoldoende om het vereiste opzet aan te kunnen nemen.

3.Het middel

3.1
Het middel klaagt dus dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte opzet heeft gehad op het gronddelict.
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1. subsidiair
een of meer onbekend gebleven personen in de periode 17 mei 2019 t/m 18 februari 2020 te [plaats] met elkaar, althans één van hen opzettelijk hebben geteeld en opzettelijk aanwezig hebben gehad in een pand aan de [a-straat 1] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 337 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode 17 mei 2019 t/m 18 februari 2020 te [plaats] , meermalen telkens opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest, door
- aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen en
- de huur voor die woning aan de [a-straat 1] te betalen en
- de rekeningen voor de energiekosten te betalen.
3.3
Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“1.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 25 november 2022.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik zocht een woning. Ik heb toen een bekende gesproken die een oplossing had bedacht. Die persoon zei: ik huur een woning voor je en jij kan je daar inschrijven. (...).
Toen moest ik een kopie van mijn paspoort inleveren. Dat heb ik gedaan. (...)
U houdt mij voor dat de huur van de woning vanaf mijn bankrekening werd betaald. Dat klopt. Ik had mijn bankgegevens en een kopie van mijn paspoort gegeven. (...)
U vraagt mij hoe het dan met het geld zat. Dat betaalde hij. U vraagt mij hoe hij dat betaalde. (...) Hij betaalde het van zijn geld. U vraagt mij hoe het dan kan dat het geld van mijn rekening werd afgeschreven. (...)
Wij spraken ergens af. hij gaf mij contant geld en ik moest dat storten om de huur te betalen.
U, politierechter, vraagt mij wie het energiecontract heeft afgesloten. Ik moest dat doen van hem. U, politierechter, zegt dat je bij het afsluiten van een energiecontract ook een adres moet opgeven en vraagt mij of het klopt dat ik het adres kende. Ja, dat klopt.
Ik wilde niet zelf aan de [a-straat] gaan wonen.
2. Een proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van 19 februari 2020 met bijlagen, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 25 tot en met 41.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van verbalisanten:
Ter zake een verdenking van overtreding van de Opiumwet stelden wij op 18 februari 2020 een onderzoek in op het adres de [a-straat 1] . [postcode 1] [plaats] . Op het genoemde adres staat volgens het GBA niemand ingeschreven.
Het bleek dat op genoemd adres een hennepkwekerij met planten aanwezig was. Het pand betreft een flat op de 4e etage van een woonblok van 8 woonlagen.
Wij zagen dat er in de woning twee ruimtes waren ingericht voor het vervaardigen van softdrugs. Deze ruimtes zullen verder ruimte A en B genoemd worden. Verder zagen wij ook dat er twee ruimtes als opslagruimte diende. Deze ruimtes zullen verder worden benoemd als ruimte C en D. Wij troffen de volgende goederen aan in ruimte A:
- 196 hennepplanten
- 29 armaturen
- 32 assimulatielampen
- 1 schakelbord
- 27 transformatoren
- 1 koolstoffilter
- 3 slakkenhuizen
- 3 ventilatoren
- 1 opticlimate
- 1 kachel
Wij troffen de volgende goederen aan in ruimte B:
- 141 hennepplanten
- 11 assimulatielampen
- 11 armaturen
- 12 transformatoren
- 1 koolstoffilter
- 1 slakkenhuis
- 4 ventilatoren
- 1 hygro-ph/ec en thermometer
- 1 groeitent
Wij troffen de volgende goederen aan in ruimte C:
- 1 armatuur
- 1 transformator
- 1 luchtbevochtiger
- 1 water-, beluchting- en dompelpomp
Wij troffen de volgende goederen aan in ruimte D:
- 2 ventilatoren
- 4 groeimiddelen
Wij constateerden gezien de waargenomen uiterlijke kenmerken, kleur en vorm, en daarnaast de herkenbare geur, dat de aangetroffen planten hennepplanten betroffen. De bovenstaande hennep is vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet en verboden in artikel 3 en Pro strafbaar gesteld in artikel 11 van Pro de Opiumwet.
3. Een proces-verbaal van bevindingen van 18 maart 2020 met bijlagen, in de wettelijke vorm opge maakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , doorgenummerde pagina’s 53 tot en met 81.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van verbalisant:
Op 21 februari 2020 heb ik via de officier van justitie [Officier van Justitie] bij [A] een vordering gedaan tot overgave van het huurcontract en onderliggende documentatie van de woning [a-straat 1] te [plaats] .
Op 26 februari 2020 ontving ik het huurcontract, onderliggende documentatie en betaalrekening van [A] . Deze zullen worden bijgevoegd bij het proces verbaal.
De betaalrekening is: [rekeningnummer] ten name van [verdachte] .
In het huurcontract zie ik dat de woning werd gehuurd door [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1989. Wonende te [b-straat 1] . [postcode 2] [plaats] . Ik zie dat het huurcontract is ingegaan op 1 mei 2019 voor de gedurende tijd van vijfentwintig kalendermaanden, voor het bedrag van 1345 euro per maand.
Ik zie dat er in het huurcontract één aan de achternaam afwijkt van de betaalrekening. Echter komen de rest van de gegevens geheel overheen met de in de politiesystemen gevonden persoon genaamd: [verdachte] geboren op [geboortedatum] -1989 te [plaats] .
Tevens staan diezelfde gegevens in de ontvangen werkgeversverklaring staan.
Ik zie dat het bedrijf betreft: [B] . Aan de [c-straat 1] te [plaats] . Tevens zie ik dat [verdachte] een bruto jaarsalaris van 75.600 euro ontvangt.
4. Een proces-verbaal van bevindingen van 12 december 2020 met bijlage, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , doorgenummerde pagina’s 82 tot en met 84.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van verbalisant:
Na het opvragen van de stroomcontract en betaalgegevens bij Vattenfall overlegde zij mij het volgende:
Begin datum contract: 01-05-2019
Contract staat op naam van: [verdachte]
Geboorte datum contractant: [geboortedatum] -1089
Telefoonnummer contractant: [telefoonnummer]
Mailadres contractant: [e-mailadres 1] en [e-mailadres 2]
Betalende rekeningnummer: [rekeningnummer]
Na het verkrijgen van het rekeningnummer van Vattenfall heb ik de NAW gegevens van deze rekeningnummer opgevraagd. Deze rekeningnummer blijkt op naam te staan van
Achternaam [verdachte]
Voornaam [verdachte]
Geboortedatum [geboortedatum] -1989
Adresgegevens [d-straat 1] , [postcode 3] [plaats]
Huidige status rekening Actief
Het stroom contractant, huurcontract en rekeningnummer staan allemaal op de zelfde naam.
5. Een proces-verbaal van bevindingen van 1 juli 2022 met bijlage, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] , doorgenummerde pagina’s 85 tot en met 87.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van verbalisant:
Op 3 mei 2022 heb ik een vordering binnengekregen van de ABN-AMRO over de historische gegevens van het [rekeningnummer] .
Ik zag dat het [rekeningnummer] sinds 5 mei 2010 op naam staat van: Naam: [verdachte]
Adres: [d-straat 1] Postcode en Woonplaats: [postcode 3] [plaats]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1989.
Ik zag dat [verdachte] de procuratiehouder is van het genoemde rekeningnummer. Ik zag dat er geen gemachtigde(n) zijn geweest in het verleden.
Uit het politiedossier met parketnummer 18-189245-16 van de zaak die heeft geleid tot de (onherroepelijke) veroordeling van de verdachte door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland op 16 maart 2017:
6. Een proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte van 1 juli 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6] en [verbalisant 7] , doorgenummerde pagina’s 136 tot en met 139.
Dit proces-verbaal houdt in. voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van
de verdachte:
Huurovereenkomst [e-straat 1] [plaats]
V: Kun je in chronologische volgorde zeggen hoe de dingen zijn gegaan, hoe ben je benaderd hoe is het gegaan, je contacten met makelaars het huurcontract de salarisstroken je rekeningoverzicht wat gebeurde er nadat het pand was gehuurd. Waar komt het geld vandaan op je bankrekeningnummer?
V: Ik heb een man leren kennen in het uitgaansleven in Amsterdam . We raakten aan de praat en leren elkaar een beetje kennen. Hij vroeg of ik geld wilde verdienen. Ik zat zonder baan ik had schulden, kon geen rekeningen meer betalen. Ik dacht er niet lang over na en toen heb ik ja gezegd. Toen begonnen we met het zoeken van een pand. (...) Die man heeft de salarisstroken geregeld voor mij. (...) In ieder geval toen gingen wij langs om het contract te tekenen. (...) Volgens mij heb ik toen een of twee keer de huur overgemaakt. En voor de rest ben ik helemaal niet meer in Sneek geweest.
V: Wat was jouw beloning voor je deelname?
A: De afspraak was dat ik 5000 euro zou krijgen. Nadat ze waren volgroeid of zo.
V: Wist je dat er een hennepkwekerij zou komen in het pand?
A: Ja dat wist ik.
V: Het geld dat je op je rekening gestort kreeg van wie was dat?
A: Van hen die er achter zitten het was voor de huur bestemd.”
3.4
Het hof heeft ten aanzien van het bewijs nog het volgende overwogen:

Bewijsoverweging ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle tenlastegelegde feiten. Mede gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad over het opzet bij medeplichtigheid aan de teelt van hennep moet worden geconcludeerd dat het dossier onvoldoende bewijs bevat voor strafrechtelijke betrokkenheid van de verdachte bij de hennepplantage aan de [a-straat 1] te [plaats] . Toevoeging door het hof van het dossier in de oudere zaak voegt in dit opzicht niets toe voor het bewijs, aldus de verdediging.
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. Omdat de verklaring van de verdachte in de onderhavige zaak als ongeloofwaardig moet worden beschouwd, kan het niet anders dan dat zij wist van de hennepplantage op de [a-straat 1] te [plaats] . Zij was bovendien een gewaarschuwd mens door de veroordeling in de eerdere zaak. Opzet kan daarom in de onderhavige zaak ook worden bewezen, aldus de advocaat-generaal.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het politiedossier van de zaak die heeft geleid tot de (onherroepelijke) veroordeling door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland op 16 maart 2017 voor medeplichtigheid aan de teelt van hennep blijkt het volgende. De verdachte was huurder van de woning waarin de hennepplantage werd aangetroffen. Zij heeft in die zaak bij de politie verklaard dat zij op de hoogte was van het voornemen om in de woning een hennepplantage op te bouwen. Ze had een man leren kennen die haar een beloning (€ 5.000,00) in het vooruitzicht stelde als zij de woning zou huren en op haar naam zou zetten. In deze woning heeft zij zelf nooit verbleven. De man zorgde voor zowel de aan de verhuurder aan te leveren salarisstroken ten behoeve van het afsluiten van het huurcontract als de geldbedragen die vervolgens op de rekening van de verdachte werden gestort, waarmee zij de huur- en energiekosten kon betalen.
In de zaak betreffende de [a-straat 1] te [plaats] (de onderhavige verdenking) blijkt uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting bij de politierechter wederom dat sprake was van een man die haar een beloning in het vooruitzicht stelde (ditmaal - naar eigen zeggen - een inschrijfadres) als zij een woning op haar naam zou huren. Uit het dossier blijkt verder dat de verdachte ook hier het energiecontract op haar naam heeft gezet en dat de man haar het geld betaalde om de huur en de energierekening te voldoen. Ook in dit geval heeft zij - naar eigen zeggen - nooit in de woning verbleven.
Het hof is van oordeel dat de verdachte in de onderhavige zaak gelet op de grote overeenkomsten met de vorige zaak en haar onherroepelijke veroordeling daarvoor (minst genomen) willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij zich wederom schuldig zou maken aan medeplichtigheid aan de teelt van hennep door de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] te huren op de wijze en onder de omstandigheden zoals hiervoor geschetst.
De verdachte zal van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde worden vrijgesproken. Ten aanzien van de diefstal van elektriciteit ten behoeve van het in stand houden van de hennepplantage (in verschillende varianten onder 2 tenlastegelegd) overweegt het hof nog dat aan een bewezenverklaring daarvan ingevolge vaste jurisprudentie extra eisen worden gesteld. Het dossier bevat onvoldoende bewijs om ook dat te kunnen bewezen verklaren.”
3.5
Onder 1 (subsidiair) is bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – medeplichtigheid aan hennepteelt door de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] ter beschikking te stellen. Daarvoor is niet alleen vereist dat wordt bewezen dat verdachtes opzet was gericht op het verschaffen van gelegenheid en middelen als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 2 Sr, maar ook dat verdachtes opzet – al dan niet in voorwaardelijke vorm – was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). [2] Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat enkel (ver)huren onder dubieuze omstandigheden voor het vaststellen van dit opzet niet volstaat. Daarover het volgende.
3.6
In de zaak die leidde tot HR 3 november 20009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6931 had de verdachte een door hem in 2004 gehuurde (bedrijfs)ruimte, terwijl dat contractueel niet was toegestaan, onderverhuurd aan personen van wie hij geen adres- of telefoongegevens had. In die ruimte werd (in 2005) een hennepkwekerij aangetroffen. De verdachte had niet gecontroleerd wat in de door hem verhuurde ruimte gebeurde, terwijl hij al eerder (vanaf 2002) (bedrijfs)ruimtes had onderverhuurd waarin hennepkwekerijen waren aangetroffen en in 2002-2003 zelf een hennepkwekerij had gehad. Het hof achtte (voorwaardelijk) opzet op medeplichtigheid aan het opzettelijk kweken van hennep bewezen en overwoog daartoe dat “de verdachte – door de loods onder te verhuren aan personen die hij niet kende of kon traceren en gezien in het licht van zijn (…) ervaring met hennepkwekerijen – willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in genoemde loods een hennepkwekerij zou worden opgezet.” De Hoge Raad casseerde en oordeelde dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte opzet heeft gehad op de medeplichtigheid aan de teelt van hennep.
3.7
Datzelfde oordeelde de Hoge Raad in HR 25 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4845. In die zaak had de verdachte aan een vriend aangeboden om in een door de verdachte gehuurde woning te verblijven, omdat deze vriend drugsproblemen en schulden had. De verdachte was regelmatig op bezoek geweest in de woning en was van plan om daar uiteindelijk zelf te gaan wonen. Het hof schoof de verklaring van de verdachte dat hij niets geweten heeft van de in die woning aangetroffen hennepkwekerij als ongeloofwaardig terzijde en veroordeelde hem voor medeplichtigheid aan het telen en aanwezig hebben van hennep. Het arrest werd vernietigd omdat het daarvoor vereiste opzet volgens de Hoge Raad niet zonder meer uit de bewijsvoering kon volgen.
3.8
In HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1961 bleef het bestreden arrest om die reden evenmin in stand. Het hof had vastgesteld dat de verdachte een ruimte had verhuurd aan een hem onbekend persoon die hem 3.000 euro per maand bood als hij daarin vervalste merkartikelen zou mogen opslaan. De verdachte had geen controle uitgevoerd op het daadwerkelijke gebruik van de verhuurde ruimten en kon met de betreffende persoon uitsluitend “via briefjes” communiceren. De Hoge Raad oordeelde dat deze feiten en omstandigheden onvoldoende grond vormen voor het aannemen van het voor medeplichtigheid aan – kort gezegd – hennepteelt vereiste opzet.
3.9
In HR 19 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1560 ging het – anders dan in de voorgaande zaken en evenals in de onderhavige zaak – om het huren (en dus niet verhuren) van een ruimte voor een ander. Uit de bewijsmiddelen volgde dat de verdachte een loods had gehuurd voor iemand die “iets met valse kleding [deed] en een opslagplek [zocht]”. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel over het opzet op de omstandigheid dat er hennep in de loods zou worden geteeld niet toereikend heeft gemotiveerd, “in het bijzonder nu het hof in de bewijsvoering betekenis heeft toegekend aan het verhaal van de andere man over zijn illegale activiteiten met betrekking tot namaakkleding, maar het hof daarbij in het midden heeft gelaten of dat verhaal voor de verdachte ongeloofwaardig was of op enig moment in de bewezenverklaarde periode zijn betekenis heeft verloren.”
3.1
Ook in HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8363 had de verdachte, ditmaal: een woning, gehuurd voor een ander. De verdachte had over deze persoon verklaard dat zij drie maanden een relatie met hem had gehad. Volgens de vaststellingen van het hof wist de verdachte verder nagenoeg niets over hem. De betreffende persoon had een valse identiteitskaart voor de verdachte gemaakt die de verdachte bij de woningverhuur had laten zien. Net als in de onderhavige zaak had deze persoon de verdachte geld gegeven voor de huur van de woning. Het hof overwoog dat het een feit van algemene bekendheid is dat een dergelijke handelwijze illegale praktijken in de hand werkt en dat de verdachte “aldus” de aanmerkelijke kans had aanvaard dat in de woning hennep zou worden geteeld. De Hoge Raad casseerde en oordeelde dat uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte opzet heeft gehad op de medeplichtigheid aan het telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken van hennep.
3.11
De zaak die leidde tot HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:226 vertoont, voor wat betreft het feitencomplex, eveneens belangrijke overeenkomsten met de onderhavige zaak. In die zaak was de verdachte bij de voedselbank aangesproken door iemand die hem aanbood om tegen een financiële beloning een huurcontract op zijn naam te (laten) zetten. De verdachte had de opdracht gekregen om zo nu en dan in de woning te komen, zodat men het idee had dat de woning daadwerkelijk bewoond werd. Hij mocht overal in de woning komen, behalve in de kelder, waarin uiteindelijk een hennepkwekerij werd aangetroffen. Het hof nam voorwaardelijk opzet aan omdat de verdachte in deze omstandigheden had nagelaten zich ervan te vergewissen dat in het pand geen strafbare feiten zouden worden gepleegd. De Hoge Raad oordeelde dat de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen is omkleed “aangezien de bewezenverklaring, voor zover behelzende dat de verdachte opzet heeft gehad op de medeplichtigheid aan het telen van hennep niet zonder meer uit ’s Hofs bewijsvoering kan worden afgeleid”.
3.12
In HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:681 en HR 15 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:189 liet de Hoge Raad het bestreden arrest wel in stand. In de eerstgenoemde zaak had de verdachte een voormalige skiruimte onderverhuurd, waarin later een hennepkwekerij werd aangetroffen. De verdachte had de onderhuurders geholpen met het bouwen van een muur van gipsblokken in die skiruimte, had zelf een waterleiding laten aanleggen naar die ruimte, had zelf een houten vloer laten aanleggen waar die waterleiding onder lag en wist dat er een tweede dikke stroomkabel vanuit de skiruimte naar de meterkast liep. Het hof oordeelde dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in de door hem verhuurde ruimte hennep werd geteeld en dat hij opzettelijk behulpzaam is geweest bij dit feit door aan een of meer anderen opzettelijk de gelegenheid te verschaffen tot het inrichten en exploiteren van een hennepkwekerij in een daartoe door hem ter beschikking gestelde ruimte. Dat oordeel achtte de Hoge Raad niet onbegrijpelijk.
3.13
In de zaak uit 2022 had de verdachte verklaard dat hij door iemand is benaderd en gevraagd om tegen een maandelijkse geldelijke vergoeding een garagebox te huren en (daarnaast) in een bepaalde woning te overnachten met als doel de woning bewoonbaar te doen lijken. Het hof overwoog dat de verdachte meerdere keren in die woning – die in zijn geheel werd gebruikt ten behoeve van hennepteelt – was geweest, dat de door hem gehuurde garagebox vol stond met hennepgerelateerde goederen die voor de hennepteelt in voornoemde woning werden gebruikt en dat de verdachte had verklaard dat hij wel vermoedde dat de garagebox werd gebruikt ten behoeve van de hennepteelt. De Hoge Raad deed het middel, dat klaagde dat het voor medeplichtigheid aan hennepteelt vereiste opzet niet uit de bewijsvoering kon volgen, af met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
3.14
Uit deze jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat (ver)huur onder dubieuze omstandigheden op zichzelf onvoldoende is voor het bewijs van het opzet dat voor medeplichtigheid aan hennepteelt is vereist. Zoals AG Harteveld schrijft in zijn conclusie voorafgaand aan voornoemd arrest uit 2017 [3] en zoals ook tot uitdrukking lijkt te worden gebracht in het onder 3.9 weergegeven arrest van 19 oktober 2021, lijkt het probleem te zijn gelegen in het ontbreken van een (door de rechter in zijn motivering expliciet gemaakte) koppeling tussen de verdachte en de hennepteelt. De omstandigheden waaronder de (ver)huur plaatsvond waren in de onder 3.6 tot en met 3.11 weergegeven zaken zijn weliswaar dubieus, zodat wellicht kan worden aangenomen dat de verdachte zich bewust was van de (aanmerkelijke) kans dat de betreffende ruimte voor illegale zaken in gebruik zou worden genomen. Echter, dat de verdachte ook wist van de (aanmerkelijke) kans dat die ‘illegale zaken’ specifiek hennepteelt zouden betreffen, kan daaruit niet zonder meer worden afgeleid.
3.15
Dat is anders, zo blijkt uit de onder 3.12 en 3.13 besproken zaken, als de verdachte heeft verklaard dat hij vermoedde dat het om hennepteelt ging en/of als blijkt dat de verdachte iets heeft gezien wat met hennepteelt in verband kan worden gebracht. Wat daarentegen niet zonder meer bijdraagt aan een bewezenverklaring, zo volgt uit de aangehaalde rechtspraak, is dat de verdachte niet heeft gecontroleerd dat geen strafbare feiten worden gepleegd in de ver-/gehuurde ruimte, dat het een feit van algemene bekendheid is dat de handelwijze van de verdachte illegale praktijken in de hand werkt of dat de verklaring van de verdachte niet geloofwaardig is.
3.16
Dat in de feitenrechtspraak dergelijke elementen wel regelmatig worden gebruikt in de bewijsredenering, lijkt erop te duiden dat rechters zoeken naar manieren om op te treden tegen verdachten die dergelijk gedrag vertonen. AG Harteveld schrijft in de reeds genoemde conclusie op zichzelf terecht “dat ingeval die geur van hennep zogezegd evident uit het dossier naar voren komt het nu juist aan de feitenrechter is om de koppeling van de verdachte met die hennep te expliciteren in de bewijsvoering”. Dat is echter lastig als degene die een ruimte ter beschikking stelt (bewust) niets vraagt en degene die in deze ruimte een hennepkwekerij wil inrichten (bewust) niets zegt over dit beoogde gebruik. Als degene die de ruimte heeft geregeld er verder voor zorgt daar niet bij in de buurt te komen, dan kan een handeling straffeloos blijven die essentieel is voor zowel het kunnen kweken van de hennep als voor het belemmeren van de opsporing van de telers.
3.17
Uitgaande van het standpunt in het cassatiemiddel, zou dit in versterkte mate spelen in de onderhavige zaak. Het hof heeft immers vastgesteld dat de verdachte eerder onder vrijwel gelijke omstandigheden (in ruil voor een beloning, combinatie tussen huur- en energiecontract, het niet verblijven in de woning, etc.) heeft gehuurd voor een ander en dat die zaak daadwerkelijk heeft geleid tot een onherroepelijke veroordeling van de verdachte voor medeplichtigheid aan het aanwezig hebben en telen van hennep. Destijds is de verdachte veroordeeld mede op basis van haar verklaring dat zij wist dat er een hennepkwekerij zou komen in het pand. Een dergelijke verklaring ontbreekt nu. Volgens de steller van het middel zou dat moeten leiden tot een vrijspraak. Dit standpunt impliceert dat de verdachte in beginsel ook niet zou kunnen worden bestraft bij een eventuele volgende keer dat zij onder dezelfde omstandigheden en zonder vragen te stellen een ruimte zou huren waarin daarna een hennepkwekerij wordt ingericht.
3.18
Dit mogelijke gevolg is geen reden de grenzen van de wettelijke strafbaarheid op te rekken. Het stelt wel nadrukkelijk de vraag aan de orde of in déze omstandigheden niet toch moet worden geoordeeld dat het niet anders kan dan dat déze verdachte zich bewust moet zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat de door haar gehuurde ruimte zou worden gebruikt voor het daadwerkelijk telen van hennep.
3.19
Ik acht het begrijpelijk en toereikend gemotiveerd dat het hof deze vraag bevestigend heeft beantwoord, aangezien het niet anders kan dan dat de verdachte de gelijkenis heeft gezien met het eerdere geval. Volgens de vaststellingen van het hof is de verdachte in de onderhavige zaak i) door een man is benaderd om ii) in ruil voor een beloning (naar zeggen van de verdachte: een inschrijfadres) iii) een huurwoning en een (bijbehorend) energiecontract op haar naam te laten zetten, terwijl de verdachte iv) niet op het betreffende adres wilde gaan wonen en ook nooit in de woning heeft verbleven. (v) Het bedrag voor de huur- en energiekosten ontving de verdachte contant van degene die haar dit aanbod had gedaan, opdat de verdachte deze kosten (giraal) kon voldoen. Het hof heeft verder vastgesteld dat de verdachte reeds eerder is benaderd door een persoon en in ruil voor een (toen: geldelijke) beloning een huurwoning en bijbehorend energiecontract op haar naam heeft laten zetten, dat zij ook toen zelf nooit in de woning heeft verbleven, dat de man die haar deze beloning in het vooruitzicht stelde ook toen geld aan de verdachte gaf voor de huur- en energiekosten, dat de betreffende woning ook toen werd gebruikt ten behoeve van een hennepkwekerij en dat de verdachte in die zaak (onherroepelijk) is veroordeeld.
3.2
Daar doet, naar ik meen, niet aan af dat de Hoge Raad in het onder 3.6 weergegeven arrest van 3 november 2009 voor het bewijs kennelijk niet voldoende heeft geacht dat de verdachte eerder herhaaldelijk ruimtes had onderverhuurd waarin vervolgens hennepkwekerijen werden aangetroffen. Anders dan in de onderhavige zaak had het hof daarin immers geen precieze vaststellingen gedaan over de modus operandi bij die eerdere gevallen en had het hof evenmin vastgesteld dat deze daadwerkelijk tot een (onherroepelijke) veroordeling van de verdachte hadden geleid. Bovendien gaat het in de onderhavige zaak om een verdachte die een woning heeft gehuurd (en dus niet verhuurd) zonder dat zij in de betreffende woning wilde gaan wonen, hetgeen – anders dan bij verhuur het geval is – op zichzelf reeds oneigenlijk is.
3.21
Het middel faalt.

4.Afronding

4.1
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar is verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep op 14 december 2023. Daarmee wordt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro overschreden. Omdat aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van veertig uren is opgelegd, behoeft deze overschrijding niet tot strafvermindering dient te leiden. [4]
4.2
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

2.Vgl. o.a. HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4372, rov. 3.4, HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1961, rov. 2.3, HR 14 februari 2017, ECLI:HR:2017:226, rov. 2.3 en HR 19 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2002:1560, rov. 2.3.
3.ECLI:NL:PHR:2017:58, randnr. 4.8.
4.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.6.2 (onder C).