ECLI:NL:PHR:2026:418

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
24/03730
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 SvArt. 432 leden 1 en 2 SvArt. 588 lid 1 Sv (oud)Art. 588a lid 1 Sv (oud)Art. 590 lid 1 Sv (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigverklaring betekening dagvaarding hoger beroep wegens onjuiste uitreiking

De verdachte werd bij arrest van 31 maart 2016 door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens het niet verschijnen ter terechtzitting. Het cassatieberoep werd tijdig ingesteld na uitreiking van de mededeling van het arrest op Schiphol in september 2024.

Het middel klaagt dat het hof niet heeft onderzocht of de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, terwijl uit de stukken blijkt dat de dagvaarding niet aan het in de appelakte vermelde Nederlandse adres van de verdachte is uitgereikt. De dagvaarding werd slechts aan de griffier en aan een Belgisch adres van de verdachte toegezonden.

De conclusie van de AG is dat het Nederlandse adres in de appelakte als een betekingsadres moet worden beschouwd, omdat het redelijkerwijs als woon- of verblijfplaats van de verdachte kan gelden. Het hof had de dagvaarding aan dit adres moeten aanbieden alvorens uitreiking aan de griffier en toezending aan het buitenlandse adres. Het ontbreken van uitreiking aan dit adres leidt tot nietigheid van de dagvaarding en daarmee tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en het arrest.

De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest en nietigverklaring van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verklaart de betekening van de dagvaarding in hoger beroep nietig wegens onjuiste uitreiking.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03730
Zitting21 april 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 31 maart 2016 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-005707-15) op de voet van het bepaalde in artikel 416 lid 2 Sv Pro bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaat F.P. Slewe heeft een middel van cassatie voorgesteld. Gelet op de datum van het bestreden arrest lijkt het, alvorens het middel te bespreken, zaak om in te gaan op de tijdigheid van het ingestelde cassatieberoep.

2.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1
Zoals hierna bij de bespreking van het middel nog aan de orde komt, volgt uit de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden niet dat de dagvaarding in hoger beroep aan de verdachte in persoon is uitgereikt. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is de verdachte noch een advocaat namens hem op die terechtzitting verschenen. Uit de stukken blijkt ook niet dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.
2.2
Bij de stukken bevindt zich verder een aantal uitreikingsaktes waaruit volgt dat het, ondanks pogingen daartoe van het openbaar ministerie, jarenlang niet is gekomen tot een uitreiking van een mededeling van de uitspraak van het hof aan de verdachte in persoon, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Eerst op 25 september 2024 is zo’n mededeling aan de verdachte uitgereikt op de luchthaven Schiphol. Het cassatieberoep is vervolgens binnen veertien dagen nadien, namelijk op 8 oktober 2024, namens de verdachte ingesteld door een griffiemedewerker die zich daartoe gemachtigd heeft geacht op grond van een e-mail van de verdachte aan de griffie van het hof.
2.3
Gezien deze gang van zaken en gelet op artikel 432 leden Pro 1 en 2 Sv concludeer ik dat het cassatieberoep tijdig is ingesteld.

3.Het middel

3.1
Het middel klaagt dat het hof niet heeft onderzocht of de dagvaarding in hoger beroep geldig is uitgebracht, althans ontoereikend heeft gemotiveerd waarom nietigheid van de dagvaarding in hoger beroep of aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting achterwege kon blijven. In de toelichting op het middel wordt opgemerkt dat in de appelakte als woonadres van de verdachte het adres [a-straat 1] te [plaats] is vermeld en uit de stukken van het geding niet kan blijken dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan dat adres is toegezonden.
3.2
De stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden houden, voor zover van belang, het volgende in:
(i) De appelakte houdt in dat de daartoe gemachtigde advocaat L.A. Versteegh op 17 december 2015 namens de verdachte hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. Deze appelakte vermeldt als woonadres van de verdachte: [a-straat 1] te [plaats] .
(ii) Een eerste dagvaarding in hoger beroep is op 1 februari 2016 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was.
(iii) Een tweede dagvaarding van de verdachte in hoger beroep vermeldt het adres: [b-straat 1] [postcode] [plaats] (België) en is op 1 februari 2016 eveneens uitgereikt aan de griffier van de rechtbank omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was, waarbij een afschrift van die dagvaarding is verzonden aan het voormelde adres in België.
(iv) Bij de stukken bevindt zich een derde dagvaarding in hoger beroep, geadresseerd aan de verdachte op het adres dat is vermeld in de appelakte, te weten: [a-straat 1] te [plaats] . Een uitreikingsakte bij deze dagvaarding heb ik niet aangetroffen in het dossier.
(v) Een de verdachte betreffende ID-staat SKDB van 9 maart 2016 vermeldt als ‘huidig GBA-adres’ van de verdachte met ingang van 10 augustus 2015 het voornoemde Belgische adres van de verdachte: [b-straat 1] [postcode] te [plaats] .
(vi) Op de terechtzitting in hoger beroep van 31 maart 2016 is de verdachte noch een raadsman verschenen. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt niet van een onderzoek door het hof naar de rechtsgeldigheid van de betekening van de dagvaarding of naar de naleving van de (mogelijke) verplichting een afschrift van de dagvaarding te versturen. Het hof heeft op dezelfde dag arrest gewezen, waarbij de verdachte met toepassing van artikel 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk is verklaard in het hoger beroep.
3.3
Uit deze stukken volgt dat de dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt aan de griffier en tevens is toegezonden aan het van de verdachte bekende adres in België. Het ontbreekt aan een uitreikingsakte waaruit kan blijken dat ofwel gepoogd is de dagvaarding uit te reiken op het Nederlandse adres dat is vermeld in de appelakte ( [a-straat 1] te [plaats] ) ofwel op grond van art. 588a (oud) Sv een afschrift van de dagvaarding aan dat adres is toegezonden. Hoewel in de toelichting het middel zich met name op dit laatste toespitst, klaagt het middel in dit verband tevens over de rechtsgeldigheid van de betekening. Dit geeft mij aanleiding kort stil te staan bij de vraag of het adres in de appelakte in dit geval moet worden opgevat als een ‘betekeningsadres’ dan wel als een ‘afschriftadres’.
3.4
Artikel 588 leden Pro 1-3 Sv luidden tot 1 januari 2020 als volgt:
“1. De uitreiking geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde, dan wel,
3°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend.
2 De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling door het openbaar ministerie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan volstaan worden met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat hiervan nog uit een afzonderlijke akte behoeft te blijken.
3 Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, onder 1° of 2°,
a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;
b. niemand wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan de geadresseerde of aan een door deze gemachtigde op de plaats die vermeld wordt in een schriftelijk bericht dat op het in de mededeling vermelde adres wordt achtergelaten. Uitreiking aan een door de geadresseerde schriftelijk gemachtigde geldt als betekening in persoon;
c. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de mededeling teruggezonden aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt de mededeling vervolgens uitgereikt aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend. Het openbaar ministerie zendt alsdan een afschrift van de mededeling onverwijld toe aan dat adres, van welk feit aantekening wordt gedaan op de akte van uitreiking, bedoeld in artikel 589.”
3.5
Art. 588a lid 1 Sv luidde tot 1 januari 2020 als volgt:
“In de navolgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:
a. indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;
b. indien de verdachte bij het begin van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;
c. indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden.”
3.6
Het vertrekpunt van de betekeningsregeling in art. 588 lid 1 aanhef Pro en onder b (oud) Sv voor niet-gedetineerde verdachten is dat de uitreiking plaatsvindt op het Nederlandse BRP-adres van de verdachte dan wel – indien de verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de BRP – op de woon- of verblijfplaats van de verdachte in Nederland. Dit vertrekpunt kan niet zonder meer worden verlaten als van de verdachte tevens een buitenlands adres bekend is. [1] Ook dan dient in de eerste plaats de dagvaarding te worden aangeboden op het hiervoor bedoelde adres van de verdachte in Nederland.
3.7
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt in dat kader dat onbekendheid met een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland niet kan worden aangenomen als niet is geprobeerd de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een adres dat uit de stukken blijkt, voor de hand ligt en redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden. [2] Het kan dan bijvoorbeeld gaan om het adres dat de verdachte in de akte van hoger beroep heeft doen opnemen. [3]
3.8
Eén en ander brengt mee dat als de verdachte niet als ingezetene op een adres in Nederland staat ingeschreven in de BRP, maar hij in de appelakte wel een Nederlands adres heeft doen opnemen dat redelijkerwijs als zijn woon- of verblijfplaats zou kunnen gelden, dit adres geldt als een adres waar op grond van art. 588 lid 1 aanhef Pro en onder b sub 2 (oud) Sv de dagvaarding moet worden aangeboden. Dat adres in de appelakte is dan een ‘betekeningsadres’. Dit wordt als vermeld niet anders als van de verdachte óók een buitenlands adres bekend is; aanbieding van de dagvaarding in Nederland is het vertrekpunt. Indien de betekening op het adres in de appelakte niet (op de juiste wijze) heeft plaatsgevonden, zal dat in de regel dienen te leiden tot nietigheid van de dagvaarding (art. 590 lid Pro 1 (oud) Sv), tenzij de verdachte ondanks het betekeningsgebrek ter terechtzitting verschijnt (dan wel een raadsman verschijnt die niet over het betekeningsgebrek klaagt).
3.9
Daarnaast kan zich het geval voordoen dat een adres in de appelakte een in art. 588a (oud) Sv bedoeld ‘afschriftadres’ is. Dat doet zich voor als – kort gezegd – van de verdachte een adres bekend is alwaar op grond van art. 588 (oud) Sv rechtsgeldig kan worden betekend, maar de verdachte bij het instellen van hoger beroep een daarvan afwijkend adres in Nederland heeft opgegeven dat kan gelden als een adres waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Aan dat adres zal op grond van art. 588a lid 1 aanhef en onder c (oud) Sv een afschrift van de dagvaarding moeten worden toegezonden. Dit betekent mijns inziens dat als de verdachte met een buitenlands adres in de appelakte een Nederlands (correspondentie-)adres laat opnemen voor mededelingen in de strafzaak, en duidelijk is dat dat hij op dat Nederlandse adres niet woont of verblijft en daarom op dat adres niet hoeft te worden betekend, dit adres in de appelakte geldt als een ‘afschriftadres’.
3.1
Het verzuim een afschrift van de dagvaarding te versturen in de gevallen waarin art. 588a (oud) Sv dit voorschrijft, leidt niet tot nietigheid van de dagvaarding. In dat geval rust op grond van art. 590 lid Pro 3 (oud) Sv op de rechter wel de verplichting om na te gaan of schorsing van het onderzoek ter terechtzitting is geboden, zodat kan worden nagegaan of de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wenst te maken. Indien van zo’n onderzoek niet blijkt, leidt dit tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak. [4]
3.11
Voor de onderhavige zaak betekent dit het volgende. Op grond van de ID-staat SKDB van 9 maart 2016 moet worden aangenomen dat de (niet-gedetineerde) verdachte ten tijde van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep aan de griffier op 1 februari 2016 niet als ingezetene was ingeschreven in de BRP. [5] Met ingang van 10 augustus 2015 was als zijn ‘huidige GBA-adres’ immers het adres in België in de BRP opgenomen. In de appelakte van 17 december 2015 heeft de raadsman evenwel het Nederlandse woonadres [a-straat 1] te [plaats] doen opnemen. Gelet op de hiervoor onder 3.7 weergegeven rechtspraak van de Hoge Raad is dit adres in [plaats] aan te merken als adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte in Nederland zou kunnen gelden. Op grond van art. 588 lid 1 aanhef Pro en onder b sub 2° (oud) Sv had de dagvaarding daarom aan dit adres moeten worden aangeboden, alvorens kon worden volstaan met de uitreiking aan de griffier en de toezending van de dagvaarding aan het Belgische adres van de verdachte. [6]
3.12
Daaraan doet overigens niet af dat het adres in [plaats] een voormalig – namelijk tot 9 april 2014 – GBA-adres van de verdachte was. Weliswaar is nadien – met ingang van 10 augustus 2015 – een ander adres van de verdachte geregistreerd ( [b-straat 1] [postcode] te [plaats] ), maar die wijziging dateert van voor het opmaken van de appelakte (en niet van daarna). Nu de advocaat bij het instellen van het hoger beroep op 17 december 2015 het adres (kennelijk) heeft opgegeven als ‘opnieuw’ het woonadres van de verdachte, kan het adres niet worden gezien als een ‘achterhaald’ adres. [7]
3.13
Bij de stukken bevindt zich zoals opgemerkt een dagvaarding in hoger beroep waarop het adres in [plaats] is vermeld. Een uitreikingsakte is evenwel niet aan de dagvaarding gehecht en ontbreekt in het dossier. In cassatie moet er daarom van worden uitgegaan dat de uitreiking op dit adres niet heeft plaatsgevonden.
3.14
Voor zover het middel klaagt over het impliciete oordeel van het hof dat de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep rechtsgeldig heeft plaatsgevonden, is het daarom terecht voorgesteld. Ik geef de Hoge Raad in overweging zelf de betekening van de dagvaarding nietig te verklaren. [8]
3.15
Volledigheidshalve zij opgemerkt dat indien en voor zover de Hoge Raad voornoemd standpunt niet zou volgen en van oordeel is dat het adres in de appelakte niet redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte in Nederland zou kunnen gelden alwaar de dagvaarding moest worden betekend, het cassatiemiddel evenzeer dient te slagen. Artikel 588a lid 1 aanhef en onder c (oud) Sv schreef in dat geval immers voor dat een afschrift van de dagvaarding om op de terechtzitting te verschijnen diende te worden toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres, indien door of namens de verdachte bij het instellen van een gewoon rechtsmiddel in de betrokken zaak een adres in Nederland is opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Ook daarvan kan uit de stukken niet blijken. Evenmin houden de stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending ingevolge het derde lid van art. 588a (oud) Sv achterwege kon blijven.
3.16
In die omstandigheden had het hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek op de terechtzitting tegenwoordig te zijn. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dit verzuim leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak. [9]

4.Slotsom

4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De volgorde van betekeningsmogelijkheden is dwingend voorgeschreven. Vgl. HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1406 en de daaraan voorafgaande conclusie van AG Frielink, ECLI:NL:HR:2022:777, randnr. 2.5, alsmede de conclusie van AG Harteveld voorafgaand aan HR 7 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:3, ECLI:NL:PHR:2019:1387, randnr. 3.5-3.6.
2.Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163,
3.Vgl. HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1406; HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3216.
4.Vgl. o.a. HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2079; HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4736; HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3319; HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1856; HR 18 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4497; HR 14 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:232; HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1085.
5.Art. 1.1 aanhef en onder f van de Wet basisregistratie personen merkt als ‘ingezetene’ aan: “de ingeschrevene, die zijn adres heeft in een gemeente in Nederland, en op wiens persoonslijst niet het gegeven van zijn overlijden of van vertrek uit Nederland als actueel gegeven is opgenomen”.
6.Vgl. HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1406, onder verwijzing naar de voorafgaande conclusie van AG Frielink (ECLI:NL:PHR:2022:777); HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3320.
7.Vgl. HR 16 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1821 en HR 1 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:506, rov. 2.5.3. Bij de stukken bevindt zich ook een uitreikingsakte bij een mededeling van het verstekvonnis van de politierechter aan het adres in [plaats] , waaruit volgt dat 27 mei 2015 een bewoner van dit adres heeft medegedeeld dat de verdachte niet woont of verblijft op dit adres. Ook dat kan ten tijde van het instellen van hoger beroep op 17 december 2015 evenwel veranderd zijn, zodat ook deze uitreikingsakte met mededeling van een bewoner van het adres dus niet meebrengt dat gesproken kan worden van een achterhaald adres.
8.Vgl. HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3320.
9.Vgl. o.a. HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2079; HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4736; HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3319; HR 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1856; HR 18 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4497; HR 14 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:232; HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1085.