Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het middel
Eerste deelklacht
PHvK].
uiterlijk 5 januari 2023te reageren op de onderzoekswensen van de verdediging.
17 januari 2023te 14.45 uur”.
toegewezen, nu het hof daartoe de noodzaak ziet;
binnen één maand na de terechtzitting van heden (dat wil zeggen: vóór 17 februari 2023)adresgegevens van voornoemde getuige aan het hof doet toekomen, waarbij het hof nu reeds vaststelt dat het bij het uitblijven van deze informatie onaannemelijk is dat de getuige binnen aanvaardbare tijd zal kunnen worden gehoord;
waarbij het hof nu reeds vaststelt dat het bij het uitblijven van deze informatie onaannemelijk is dat de getuige binnen aanvaardbare tijd zal kunnen worden gehoord’. De verdediging van de betrokkene heeft de adresgegevens van de getuige [medebetrokkene] niet tijdig aan het hof doen toekomen.
8 april 2024 te 13.30 uur”.
NJ2022/156 onder meer het volgende in:
Kamerstukken II1988/89, 21 241, nr. 3, p. 25,
PHvK] zou kunnen worden afgeleid, houdt artikel 288 lid 1 Sv Pro niet de verplichting voor de rechter in, als hij afziet van het oproepen van een getuige op de grond dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, ervan blijk te geven in die beslissing de aard van de zaak en – in het bijzonder – het belang van de getuigenverklaring te hebben betrokken. Bij de toepassing van artikel 288 lid Pro 1, aanhef en onder a, Sv staat de vraag voorop of het mogelijk is de getuige binnen afzienbare termijn te (doen) horen. Op het moment dat zo’n beslissing moet worden genomen, zal ook niet steeds vaststaan wat de betekenis en het gewicht van de verklaring van de getuige zijn of kunnen zijn voor onder meer de beantwoording van de bewijsvraag en daarmee wat het concrete belang van de verdachte is om die getuige te (doen) ondervragen.
Schatschaschwili tegen Duitsland(EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10):
NJ2022/156 komt naar voren dat de daarin door de Hoge Raad verwoorde waarborgen rondom de toepassing van art. 288 lid 1 aanhef Pro en onder a Sv onder meer voortvloeien uit de jurisprudentie van het EHRM over art. 6 lid 3 aanhef Pro en onder d EVRM. Een van die waarborgen is dat de rechter – in geval van het horen van een getuige wordt afgezien omdat deze niet traceerbaar is of omdat te verwachten valt dat de getuige pas na verloop van lange tijd kan worden gehoord – voordat hij uitspraak doet zich ervan dient te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het recht op een eerlijk proces in art. 6 EVRM Pro. Op grond van het voorgaande – in het bijzonder over art. 6 lid 3 aanhef Pro en onder d EVRM – kom ik tot de slotsom dat de “procedure in haar geheel”-waarborg niet van toepassing is op de ontnemingsprocedure voor zover de beslissing daarin geen schuldoordeel over andere strafbare feiten betreft, maar bijvoorbeeld – zoals in de onderhavige zaak – de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel of de verdeling van dat voordeel betreft. Dat de Hoge Raad de “procedure in haar geheel”-benadering in ontnemingszaken niet op zodanige beslissingen toepast, geeft verdere steun aan die conclusie.
NJ2022/156 voor de toepassing van art. 288 lid 1 aanhef Pro en onder a Sv niet onverkort van toepassing zijn op de ontnemingsprocedure, in die procedure bij de toepassing van deze bepaling moet zijn gewaarborgd dat aan de verdedigingsrechten van de betrokkene wordt tegemoetgekomen (zie onder 3.16 r.o. 2.4.1 van het arrest van 30 oktober 2018). De vraag is of dat in onderhavige zaak in voldoende mate het geval is.
NJ2022/156 opgenomen waarborgen voor de toepassing van art. 288 lid 1 aanhef Pro en onder a Sv niet onverkort gelden voor in de ontnemingsprocedure te nemen beslissingen over onder meer de voordeelsschatting of de voordeelsverdeling, meen ik dat het oordeel van het hof zonder nadere motivering, die in het geheel ontbreekt, niet begrijpelijk is. Het hof heeft geoordeeld dat het horen van de getuige noodzakelijk was, en daaraan een opdracht met termijnstelling verbonden terwijl het vervullen daarvan al op voorhand onrealistisch leek. Daarnaast is door het hof niet gereageerd op de constatering door de raadsman of (ik begrijp: door de autoriteiten) is onderzocht waar beide betrokkenen staan ingeschreven. Een en ander impliceert dat het hof de inspanningsverplichtingen om de getuige te vinden geheel eenzijdig op de verdediging heeft afgewenteld en dit bovendien deed in een situatie waarin dit niet mogelijk leek voor de verdediging en waarin de verdediging er in feite op wees dat hulp door de autoriteiten noodzakelijk was. Daarbij merk ik nog op dat het hof noch bij zijn oordeel onder opschortende voorwaarde van 17 januari 2023 noch op 25 maart 2024 heeft vastgesteld dat de verdediging – ondanks hetgeen de raadsman reeds had aangevoerd – over een reële mogelijkheid beschikte om die verblijfplaats wel te achterhalen en kenbaar te maken. [5] Aan de conclusie dat het bestreden oordeel van het hof ontoereikend is gemotiveerd doet niet af dat de raadsman uiteindelijk pas op de zittingsdag van 25 maart 2024 per e-mail liet weten dat de verdediging geen adres van de getuige had weten te achterhalen.