ECLI:NL:PHR:2026:708

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
25/04731
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 WwftArt. 218 SvArt. 98 SvArt. 552a SvArt. 420bis Sr
Verwijzingen
40 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bescherming verschoningsrecht niet-verdachte notaris bij beslag op digitale gegevens

In deze zaak staat het verschoningsrecht centraal van een niet-verdachte notaris (de klager) wiens digitale gegevensdragers deels in beslag zijn genomen in een strafrechtelijk onderzoek naar overtreding van de Wwft en witwassen door een andere notaris en diens medewerker.

De rechtbank had eerder geoordeeld dat zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen, niet konden worden vastgesteld voor de klager, mede omdat veel stukken dateren van buiten de verdenkingsperiode en de klager zelf niet als verdachte is aangemerkt. De Hoge Raad vernietigde dit oordeel en verwees terug voor nader onderzoek naar de aard en inhoud van de stukken en de belangenafweging.

Na terugwijzing heeft de rechtbank opnieuw geoordeeld dat het belang van waarheidsvinding niet zwaarder weegt dan het verschoningsrecht van de klager, mede vanwege het ontbreken van een directe link tussen de stukken en de verdenking en het feit dat relevante gegevens ook op andere wijze verkregen kunnen worden. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verklaart het cassatieberoep van het OM ongegrond en het beroep van de klager niet-ontvankelijk, waarmee het verschoningsrecht van niet-verdachte vertrouwenspersonen wordt beschermd.

Uitkomst: Het verschoningsrecht van de niet-verdachte klager wordt beschermd; het cassatieberoep van het OM wordt verworpen en het beroep van de klager niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/04731 Bv
Zitting7 juli 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[klager] ,
geboren op [geboortedatum] 1963,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
Het klaagschrift van de klager ex art. 98 lid 4 Sv Pro in verbinding met art. 552a Sv waarmee deze zaak een aanvang heeft genomen, is gericht tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 9 juni 2023, waarin de rechter-commissaris heeft beslist dat de officier van justitie mag kennisnemen van 6003 bestanden op een digitale gegevensdrager. De rechtbank Amsterdam verklaarde het daartegen gerichte klaagschrift van de klager bij uitspraak van 30 januari 2024 ongegrond. Nadat deze beschikking in cassatie door de Hoge Raad was vernietigd, [1] heeft dezelfde rechtbank na terugwijzing van de zaak bij beschikking van 17 juni 2025 het beklag ten aanzien van een aantal stukken gegrond verklaard.
1.2
Daartegen is cassatieberoep ingesteld door het openbaar ministerie. G.K. Schoep, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Namens de klager heeft mr. R. Croes -Hoogendoorn, advocaat, een schriftuur houdende tegenspraak ingediend, waarbij integraal wordt aangesloten bij de schriftuur houdende tegenspraak van mr. Van der Hut, advocaat, zoals ingediend in de zaak van [medeklager] (25/02404).
1.3
Ook namens de klager is cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank. Nu namens de klager evenwel geen schriftuur met cassatiemiddelen is ingediend, kan de Hoge Raad het beroep van de klager niet in behandeling nemen (vgl. art. 437 lid 2 Sv Pro).
1.4
In de zaak van [medeklager] zal ik vandaag ook concluderen.

2.Het verloop van de procedure tot 24 september 2024

2.1
Begin 2021 is een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen notaris [betrokkene 1] en zijn kantoor [A] . Ook [betrokkene 2] , een voormalig juridisch medewerker van [A] , is als verdachte aangemerkt. Het gaat om een verdenking van het niet melden van ongebruikelijke transacties (art. 16 Wwft Pro) in de periode 1 januari 2015 t/m 12 oktober 2022 en witwassen. Deze verdenking ziet op – in totaal – 409 transacties met een waarde van tientallen miljoenen euro’s, waarbij meerdere personen betrokken zouden zijn geweest met criminele antecedenten.
2.2
Tijdens dit onderzoek zijn onder [betrokkene 2] meerdere gegevensdragers in beslag genomen. Deze gegevensdragers zijn doorzocht en (vervolgens) gefilterd op de namen van de panden waarop de verdenking betrekking heeft, alsook op de namen van de personen met criminele antecedenten en hun ondernemingen. Toen kwam de vraag aan de orde of het verschoningsrecht van de verdachte notaris [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ten aanzien van deze gegevens doorbroken mocht worden. De rechtbank oordeelde – in navolging van de rechter-commissaris – dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordeden op basis waarvan het verschoningsrecht doorbroken kon worden. De Hoge Raad liet dit oordeel in stand. [2]
2.3
De resultaten van de filtering op – kort gezegd – verdachte transacties en verdachte adressen leverden (in totaal) 6003 relevante documenten en artefacten op. Onder deze resultaten bevindt zich echter ook een groot aantal bestanden waarin de namen van derde-verschoningsgerechtigden voorkomen, waaronder de naam van de klager in de onderhavige procedure. Het gaat voor de klager om 2176 bestanden. Vervolgens doemde de vraag op of ook het verschoningsrecht van deze derde-verschoningsgerechtigden – waaronder dus de klager – moest wijken voor het belang van de waarheidsvinding.
2.4
Op 9 juni 2023 oordeelde de rechter-commissaris dat de officier van justitie mag kennisnemen van deze 6003 documenten en artefacten, waaronder dus ook alle documenten en artefacten waarin de naam van de klager voorkomt. In haar beslissing overweegt de rechter-commissaris dat zich in verband met de eerder genoemde 409 verdachte transacties zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die doorbreking van het verschoningsrecht van de verdachte notaris rechtvaardigen en dat deze zeer uitzonderlijke omstandigheden tevens de doorbreking van het (mogelijke) verschoningsrecht van derde-verschoningsgerechtigden rechtvaardigen.
2.5
Op 3 juli 2023 heeft de klager tegen deze beschikking van de rechter-commissaris het aan de onderhavige procedure ten grondslag liggende klaagschrift ingediend. Dit klaagschrift is op 28 november 2023 in openbare raadkamer behandeld. Het standpunt van de klager hield – blijkens de beschikking van de rechtbank van 30 januari 2024 – onder meer het volgende in:
“Verdachte [betrokkene 2] was werkzaam bij klager in de periode van 1 februari 2002 tot en met 31 augustus 2012, voorafgaand aan de periode waarop de verdenkingen betrekking hebben.
[…]
Er bestaat voorts geen rechtvaardiging voor het doorbreken van het verschoningsrecht van klager.
Klager maakt bezwaar tegen het kennelijke uitgangspunt van het OM en de rechter-commissaris dat de omstandigheid dat er zeer uitzonderlijke omstandigheden zijn die doorbreking van het verschoningsrecht van [betrokkene 1] rechtvaardigen automatisch betekent dat daarmee ook het verschoningsrecht van klager als derde-verschoningsgerechtigde gerechtvaardigd zou zijn. Voor iedere verschoningsgerechtigde dient een geheel eigen afweging te worden gemaakt. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat klager (anders dan [betrokkene 1] ) niet als verdachte is aangemerkt. De vergelijking door het OM met een eerdere beslissing van de rechtbank op een klaagschrift van een derde verschoningsgerechtigde (advocaat) in het onderzoek Ambon gaat niet op omdat deze advocaat kennelijk betrokken was geweest bij één of meer van de verdachte transacties.
De algemene stelling dat zich bij deze derde verschoningsgerechtigde mogelijk ook stukken kunnen bevinden die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen in het strafrechtelijk onderzoek van een ander, is voor doorbreking van het verschoningsrecht onvoldoende.
Bovendien zien de door de rechter-commissaris genoemde 409 verdachte transacties op transacties die hebben plaatsgevonden in de periode dat [betrokkene 2] werkzaam was bij [A] (2015-2022) en niet bij klager. De inbeslaggenomen stukken voor zover die konden worden gecontroleerd zien echter op de periode dat [betrokkene 2] bij klager werkzaam was (2007-2012).
[…]
Het oordeel van de rechter-commissaris dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht van [betrokkene 1] / [A] in verband met de 409 transacties waar de verdenking op ziet, en tevens de doorbreking van het verschoningsrecht van derde-verschoningsgerechtigden rechtvaardigen, is ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd. Uit jurisprudentie volgt dat dit door de Hoge Raad slechts wordt toegestaan in zaken van verschoningsgerechtigden die zelf verdachten zijn en het een verdenking betreft van een ernstig strafbaar feit (levens- en zedendelicten). Daar is in deze zaak geen sprake van.
Verder voldoet de inbeslagneming en beslissing tot vrijgave niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De gevorderde gegevens zijn niet strikt noodzakelijk voor het aan het licht brengen van de waarheid. Daarvoor is onvoldoende dat, zoals de rechter-commissaris vermeldt in het e-mail bericht van 30 juni 2023, de gegevens relevant zijn voor het strafrechtelijke onderzoek omdat ze betrekking hebben op transacties waarop de verdenking ziet. Ook blijkt uit niets dat de rechter-commissaris heeft getoetst of de informatie niet op andere wijze kon worden verkregen, zoals uit openbare bronnen en registers.”
2.6
De rechtbank heeft het beklag bij beschikking van 30 januari 2024 ongegrond verklaard. Voor wat betreft het verschoningsrecht van de klager oordeelde de rechtbank in lijn met de rechter-commissaris dat de eerder aangenomen zeer uitzonderlijke omstandigheden die de doorbreking van het verschoningsrecht van de verdachten [betrokkene 1] en [A] rechtvaardigden, tevens de doorbreking van het verschoningsrecht van de klager als derde-verschoningsgerechtigde rechtvaardigen.
2.7
Tegen deze beschikking werd door de klager cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. In zijn arrest van 24 september 2024 heeft de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank vernietigd, waarbij voor de motivering door de Hoge Raad wordt verwezen naar de redenen die zijn vermeld in het arrest in de samenhangende zaak. [3] De Hoge Raad overwoog daartoe als volgt (lees in dit citaat uit de samenhangende zaak op de plek van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] steeds de naam van de klager in de onderhavige zaak):
“3.4.2 De rechtbank heeft geoordeeld dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die doorbreking van het verschoningsrecht van de klager […] rechtvaardigen met betrekking tot de onder [betrokkene 2] inbeslaggenomen stukken. De rechtbank heeft dat oordeel ontoereikend gemotiveerd, nu daaraan uitsluitend ten grondslag is gelegd dat eerder door de rechtbank is geoordeeld dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht van [betrokkene 1] en [A] rechtvaardigen in verband met de transacties waarop het onderzoek ‘Ambon’ ziet. De rechtbank had er echter blijk van moeten geven te hebben onderzocht – mede aan de hand van de aard en de inhoud van het materiaal waarover het verschoningsrecht van de klager zich uitstrekt (dus de stukken waarin de namen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] voorkomen) en de mate waarin de betrokken belangen van de cliënten van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken – of ook specifiek in relatie tot het verschoningsrecht van de klager […] sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het belang van waarheidsvinding prevaleert boven het verschoningsrecht van deze klager.” [4]
2.8
Kort samengevat komt het oordeel van de Hoge Raad er dus op neer dat de rechtbank de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden ook specifiek ten aanzien van het verschoningsrecht van de klager had moeten beantwoorden. Doorbreking van het verschoningsrecht van de ene verschoningsgerechtigde kan niet automatisch leiden tot de doorbreking van het verschoningsrecht van een ander. De zaak werd teruggewezen naar de rechtbank.

3.Het verloop van de procedure na terugwijzing

3.1
Op 28 januari 2025 heeft de rechter-commissaris blijkens de beschikking van de rechtbank en het proces-verbaal van de rechter-commissaris van 27 mei 2025 per e-mail een toelichting gegeven op de manier waarop het onderzoek aan de gegevensbestanden heeft plaatsgevonden en wat haar bevindingen waren. Daarbij is een inventarisatie verstrekt van de bestanden waarin de naam van de klager wordt genoemd. Ook zijn Excel-overzichten verstrekt, waarin een nadere verduidelijking wordt gegeven van de inhoud van de bestanden.
3.2
Naar aanleiding van de regiezitting op 4 februari 2025 heeft de rechtbank op 18 februari 2025 een tussenbeslissing gewezen. Daarin heeft de rechtbank – zo leid ik uit de beschikking van de rechtbank af – overwogen dat nader onderzoek noodzakelijk is naar de aard en de inhoud van de bestanden waarin de naam van de klager voorkomt. De rechtbank heeft de rechter-commissaris in dit verband opdracht gegeven om de klagers (de klager in de onderhavige zaak en [medeklager] ) in de gelegenheid te stellen om kennis te nemen van de Excel-overzichten en – indien nodig – van de onderliggende stukken en aan te geven met betrekking tot welke stukken zij zich op hun verschoningsrecht beroepen en welke belangen van cliënten daarmee gemoeid zijn. De rechter-commissaris werd tevens opgedragen om een proces-verbaal op te maken waarin de reactie van de klagers na de inzage wordt gecategoriseerd. Ook werd het openbaar ministerie in deze beslissing opgedragen om een geheimhoudersofficier van justitie aan te wijzen.
3.3
De rechter-commissaris heeft de op 13 maart 2025 aangestelde geheimhoudersofficier van justitie op 14 maart 205 gevraagd om – na kennisname van de stukken – een (voorlopig) standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de voortduring van het beslag. Op 19 maart 2025 heeft de geheimhoudersofficier van justitie de rechter-commissaris het volgende bericht:
“Geachte rechter-commissaris,
U heeft mij als geheimhouderofficier in onderzoek Ambon verzocht om een voorlopig standpunt in te nemen met betrekking tot de voortduring van het beslag. Daartoe heb ik de inventarisatielijsten en de Excel lijsten bekeken die tevens zijn verstrekt aan klagers.
Uit deze overzichten blijkt dat het gaat om documenten van uiteenlopende aard, zoals overeenkomsten, aktes, volmachten en werklijsten. Deze documenten gaan terug tot het jaar 2003. Al deze documenten hebben treffers op panden met verdachte transacties of namen van betrokken personen met criminele antecedenten en hun ondernemingen.
Ten behoeve van de waarheidsvinding is het belangrijk inzicht te krijgen in de rol en verhouding van verdachten met betrekking tot de genoemde panden en de personen met criminele antecedenten. Ook de oude berichten die teruggaan tot 2003 zijn van belang om te onderzoeken of een bepaalde klantenkring zich al dan niet heeft gekoppeld aan een bepaalde verdachte, hetgeen belastend kan zijn voor die verdachte, maar ook ontlastend voor medeverdachten. De documenten hebben treffers op de gefilterde termen en daarmee ga ik er vanuit dat deze documenten relevant zijn voor het strafrechtelijk onderzoek.
Het betreft een onderzoek naar zeer ondermijnende criminaliteit, waarbij de verdenking is dat het notariaat, als beschermer van de legaliteit van vastgoedtransacties, lijkt te zijn misbruikt. Juist bij deze vorm van criminaliteit is een breed onderzoek naar onderlinge verhoudingen, soms jaren terug, van groot belang. In dit onderzoek is het gevolg daarvan dat derde verschoningsgerechtigden zijn betrokken. Ik meen dat het vrijgeven van deze documenten de toets van proportionaliteit en subsidiariteit doorstaat, gezien allereerst de belastende danwel ontlastende relevantie en ten tweede het grote belang van de waarheid omtrent deze vorm van criminaliteit, zodat er gepaste straffen kunnen volgen.
Ik zie dan ook geen reden om op voorhand het beslag te beperken.”
3.4
De advocaat van de [medeklager] – mr. Van der Hut – heeft op 20 maart 2025 de volgende reactie aan de rechter-commissaris gestuurd, waarbij de advocaat van de klager zich heeft aangesloten:
“Dank voor uw bericht.
Het moet mij van het hart dat het standpunt van de GH-ovj mij verbaast en in mijn optiek ook geenszins in lijn is met de beschikking van de Hoge Raad (of overige jurisprudentie op het punt van het verschoningsrecht en de mogelijke doorbreking daarvan). Het standpunt geeft geen blijk van een concreet onderzoek, (mede) aan de hand van de aard en inhoud van het verschoningsgerechtigde materiaal, of - kort gezegd - aan de voorwaarden voor doorbreking van het verschoningsrecht van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] is of kan zijn voldaan. Laat staan, dat de betrokken belangen van de (andere) cliënten van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] zijn meegewogen. Daarnaast is evident niet getoetst of er bijvoorbeeld sprake is van stukken die uit openbare bronnen, zoals openbare registers of kadasters, kunnen worden gehaald, en dus in elk geval niet via deze weg vrijgegeven mogen worden. En dat in het onderhavige beslag daarvan sprake is, is gewoon bekend; mr. Croes heeft immers aan het begin van deze procedure een (heel klein) deel van het beslag inzake [klager] ingezien en dergelijke documenten al aangetroffen.
Ik hoop dan ook van harte dat u de GH-ovj verzoekt om nogmaals, maar nu grondig en in lijn met de beschikking met de beschikking van de Hoge Raad, naar het beslag te kijken en een gemotiveerd standpunt in te nemen ten aanzien van de vele duizenden documenten die het betreft (het beslag in beide zaken even tezamen genomen) en in elk geval (ook) onderscheid te maken per categorie documenten.
Verder zal het onderzoek van cliënt nu aanvangen. Wij gaan daar spoedig en voortvarend mee aan de slag, maar dit zal logischerwijze wel enige tijd kosten.
Zodra mogelijk, zullen wij u berichten of cliënt nog behoefte heeft aan inzage in de stukken op uw kabinet.”
3.5
Daarop heeft de geheimhoudersofficier van justitie per e-mail van 21 maart 2025 als volgt gereageerd:
“Bij deze mijn reactie op het verzoek van mr Van der Hut.
De rechtbank heeft bij beslissing van 18 februari 2025 bepaald dat de rechter-commissaris door de genoemde inventarisatie en excel-overzichten het mogelijk heeft gemaakt om tot een zinvol debat te komen. Daarbij is klager de mogelijkheid gegeven de onderliggende stukken in te zien ‘voor zover deze overzichten onvoldoende informatie bieden’. Klager krijgt de opdracht om de belangen in het kader van het verschoningsrecht te specificeren of op een specifiek stuk of op een bepaalde categorie stukken.
Klager heeft mij op voorhand verzocht een standpunt in te nemen. Daarbij heb ik aangegeven welk belang er strafrechtelijk gezien is bij inhoudelijke kennisname van de stukken en wat het belang daarvan is. Daarbij heb ik de toets aangelegd van belang onderzoek, proportionaliteit en subsidiariteit aan de hand van de selectie die is gemaakt. Op voorhand heb ik geen stukken uitgezonderd die, op basis van de overzichten, niet relevant lijken voor het strafrechtelijk onderzoek.
Dat daarbij openbare stukken zitten doet niet af aan het belang van deze stukken voor het onderzoek. De stelling van klagers dat deze stukken ‘niet via deze weg mogen worden vrijgegeven’ begrijp ik niet. Op deze stukken zal klager so wie so geen beroep op het verschoningsrecht toekomen. Deze stukken zijn immers niet ‘geheim’ en vallen daarmee m.i. niet onder de geheimhouding. Ik verwacht dan ook dat klager met de uitvoering van de opdracht van de rechtbank ten aanzien van de openbare stukken zich niet zal beroepen op het verschoningsrecht. Voor de overige stukken is het aan klager om aan te geven, op basis van het onderliggende stuk, wat de belangen zijn van klager. Dat kan ik niet voor klager doen.
Nadat klager de verschoningsgerechtigde belangen heeft onderbouwd, zal in raadkamer het debat worden gevoerd hoe die belangen zich verhouden tot het strafrechtelijk onderzoek.”
3.6
Op 17 april en 8 mei 2025 heeft de advocaat van de klager de mogelijkheid gehad om de onderliggende stukken in te zien.
3.7
Op 26 mei 2025 heeft de advocaat van de klager – zoals door de rechtbank in de tussenbeslissing van 18 februari 2025 verlangd – in een schriftelijk standpunt kenbaar gemaakt welke stukken volgens de klager onder zijn verschoningsrecht vallen en – zo ja – welke belangen van zijn cliënten daarbij zijn betrokken. Dat standpunt heeft de rechtbank in de bestreden beschikking als volgt samengevat:

Schriftelijk standpunt 26 mei 2025
[…]
Klager stelt voorop dat hij ook na de inzage - nog steeds van oordeel is dat alle gegevens uit de Axiom 1 en 2 bestanden in beginsel onder het verschoningsrecht van klager vallen en dus onderhevig zijn aan strikte geheimhouding en niet vrijgegeven kunnen worden aan het openbaar ministerie. Klager stelt zich op het standpunt dat het enkel toepassen van de genoemde ‘tags’, zonder nader inhoudelijk onderzoek van de hits onvoldoende is om te kunnen motiveren dat het verschoningsrecht van klager doorbroken kan worden. Dientengevolge geldt de hoofdregel: “niet verstrekken tenzij” en kunnen de stukken dus niet ter beschikking van het Openbaar Ministerie worden gesteld.
De hits lijken voor een groot deel gekoppeld te kunnen worden aan 16 interne kantoordossiers te weten:
1. [a-straat 1] te [plaats]
2. […]
3. [b-straat 1] te [plaats]
4. [c-straat 1] te [plaats]
5. [d-straat 1] te [plaats]
6. [e-straat 1] te [plaats]
7. [f-straat 1] (e.a.) te [plaats]
8. [g-straat 1] te [plaats]
9. [h-straat 1] en [h-straat 2] te [plaats]
10. [i-straat 1] te [plaats]
11. [j-straat 1] te [plaats]
12. [k-straat 1] te [plaats]
13. [l-straat] te [plaats]
14. [m-straat 1] te [plaats]
15. [n-straat 1] te [plaats]
16. [o-straat 1] te [plaats]
Klager stelt dat, voor zover hij heeft kunnen zien, dat in twee van de bovenstaande dossiers helemaal geen ‘tag-cliënten’ betrokken zijn en alle partijen strikte geheimhouding toekomt. In de overige dossiers zijn naast de ‘tag-cliënten’ ook andere partijen betrokken die niet als ‘tag-cliënten’ zijn aangemerkt. De stukken uit deze 16 interne dossiers kunnen dus allen niet verstrekt worden.
Daarnaast troffen klager en zijn raadsvrouw tijdens de inzage stukken aan die zij niet konden koppelen aan één van de bovenstaande dossiers. Het gaat daarbij om werklijsten van [betrokkene 2] en andere medewerkers van het kantoor van klager
- Axiom 1-bestand, Word Documents: nrs. 20, 30-32, 338 en 339
- Axiom 2-bestand, Word Documents, nrs. 135, 223, 68, en 23
In deze lijsten komen zonder meer andere cliënten dan de genoemde “tag-cliënten” voor. Ook zitten er tussen de stukken losse transacties, die niet gekoppeld kunnen aan een bepaald dossier(nummer)
- Axiom 1-bestand, Word Documents, nrs. 28, 29, 151-165, 224, 309, 312, 335, 341, 344 en 648
- Axiom 1-bestand, PDF Documents, nrs. 11, 21, 69-72
- Axiom 2-bestand, PDF Documents, nrs. 6, 18, 41, 43-45, 59, 67, 69, 88, 100, 103 en 116
- Axiom 2-bestand: Word Documents, nrs. 104-108, 184-188, 224-227, 69, 205, 212, 118, 170, 173, 47, 151 en 194
Eén document uit het Excel-bestand Axiom 1-bestand, Word Documents, nr. 277 kon niet worden gevonden bij de inzage, de hoofdregel is hier van toepassing: niet verstrekken.
De documenten
- Axiom 2-bestand, PDF Documents, nrs. 53, 104-1 06, 123-124 waren niet te openen/niet downloadbaar en voor deze documenten geldt eveneens de hoofdregel: niet verstrekken.
Klager en zijn raadsvrouw troffen ook documenten aan die in het geheel niet konden worden thuisgebracht en waarmee ook geen link naar klager kon worden ontdekt, zoals bijvoorbeeld de (concept) belastingaangiften van (de bedrijven van) [betrokkene 2] en een (geanonimiseerd) model. Vanwege het ontbreken van een link met klager, refereert klager zich met betrekking tot deze stukken aan het oordeel van de rechtbank
- Axiom 1-bestand, PDF Documents, nr. 225
- Axiom 1-bestand, Apple Mail, nrs. 32 en 62
- Axiom 1 1-bestand, PDF Documents, nrs. 54-56
- Axiom 2-bestand, Word Documents, nr. 222
Ook ten aanzien van de treffers met betrekking tot adressen ( [p-straat 1] , [q-straat] (zonder nummer), [r-straat 1] i.c.m. [s-straat 1] ) die niet als interne dossiers van het kantoor van klager zijn teruggevonden en waarmee we geen link met klager kon worden teruggevonden refereert klager zich aan het oordeel van de rechtbank.”
3.8
Het beklag is vervolgens op 3 juni 2025 in openbare raadkamer inhoudelijk behandeld. De officier van justitie heeft blijkens het proces-verbaal van die zitting het volgende aangevoerd:
“In het schriftelijk standpunt is niet ingegaan op de mate waarin de belangen van klager bij doorbreking van het verschoningsrecht worden geschaad, terwijl dat blijkens de tussenbeslissing van de rechtbank van 18 februari 2025 wel had gemoeten. Ik zie alleen dat wordt gesteld dat de stukken onder het verschoningsrecht vallen en dat daar mogelijk derden bij betrokken zijn, maar de mate van schending wordt niet concreet omschreven. Na de algemene beschouwing wordt specifiek aangegeven dat de hits gekoppeld kunnen worden aan de aankoop van zestien panden of een stuk grond. Behalve de eigen cliënten zouden ook andere partijen betrokken zijn die een evident belang hebben. Dit belang wordt verder niet geconcretiseerd en de mate waarin het belang wordt geschaad evenmin. De aard en inhoud van de stukken volgt uit de bevindingen van de rechter-commissaris. De rechter-commissaris heeft op de juiste manier toegelicht waarom de oude documenten van belang kunnen zijn voor het onderzoek. Daarom is sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden op basis waarvan het verschoningsrecht kan worden doorbroken.
Het gaat in deze zaak om [A] en [betrokkene 2] . [A] verwijst naar [betrokkene 2] . [betrokkene 2] zou degene zijn geweest die zijn klantenkring met criminele contacten van het ene kantoor heeft meegenomen naar het andere kantoor. [betrokkene 2] zelf zwijgt. Wij hebben verder geen informatie, dus het is van belang om te kunnen onderzoeken wat de rol is geweest van [betrokkene 2] . Door te selecteren op die criminele contacten is er een heel strenge selectie gemaakt van wat er in beslag is genomen. Ook voor [A] is het van belang dat kan worden onderzocht hoe het is gegaan in de periode voordat [betrokkene 2] bij [A] kwam werken.
De verdenking ziet niet alleen op [betrokkene 2] , maar ook op [A] .
Ten aanzien van de stukken die al openbaar zijn, geldt het verschoningsrecht niet. Het gaat om de stukken die niet openbaar zijn waarop het verschoningsrecht rust. Het algemeen belang hoef ik niet toe te lichten. Blijkbaar houdt het notariaat zich bezig met ondermijnende activiteiten. Het belang om de rol van [betrokkene 2] te duiden is heel groot, omdat daarmee ook de rol van [A] duidelijker wordt. We hebben alles nodig wat [betrokkene 2] heeft gedaan in combinatie met die contacten. Als [betrokkene 5] betrokken is bij de [a-straat] , dan is het belangrijk om te kijken hoe dat is gegaan in de communicatie. Maar ook bij een werklijst met een crimineel contact erin, is het van belang om te weten wat daarmee is gebeurd. Er moet onderzoek worden gedaan naar de relatie van [betrokkene 2] tot deze contacten. Het Openbaar Ministerie kan op dit moment niet meer filteren op die namen dan wat nu is gedaan, aangezien het complete beeld van die contacten nodig is om te kunnen duiden hoe het is gegaan in de periode voordat [betrokkene 2] bij [A] werkzaam was.
Als we naar iets heel specifieks op zoek waren, dan had ik kunnen zeggen dat die kadasterstukken niet van belang zijn, maar omdat het zo algemeen over de contacten van [betrokkene 2] met deze personen gaat, kan ik geen filtering aanbrengen. Ik vind niet dat bepaalde typen documenten uitgesloten kunnen worden, omdat het geheel wordt onderzocht.
De Exceloverzichten, waarbij de aard en inhoud is ingezien, heb ik gezien, maar ik heb geen documenten bekeken, omdat mijn stelling is dat daarin een crimineel contact voorkomt en het aan het onderzoeksteam is om dat nader te duiden en context te geven. Ik heb daarin de rechter-commissaris gevolgd. De rechter-commissaris heeft dit namelijk inzichtelijk gemaakt en daarbij ook gezegd dat zij de officier van justitie niet zou opdragen om alles te bekijken.”
3.9
Bij de behandeling van het beklag op 3 juni 2025 heeft de raadsvrouw van de klager – overeenkomstig de door haar overlegde pleitnotities – primair aangevoerd dat de toegepaste “tags” alleen (dus zonder nader onderzoek naar de aard en inhoud van de documenten en een beoordeling van de belangen van cliënten en klager) onvoldoende zijn om het verschoningsrecht van de klager te doorbreken. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat ook na dat nadere onderzoek moet worden geconcludeerd dat het beklag voor het overgrote deel gegrond is, omdat de klager bij 16 panden/dossiers heeft aangegeven dat ook andere cliënten betrokken zijn, die allen recht hebben op geheimhouding en wiens belangen bij doorbreking van het verschoningsrecht worden geschaad.

4.De beschikking van de rechtbank van 17 juni 2025

4.1
De rechtbank heeft de essentie van de zaak in de beschikking van 17 juni 2025 als volgt samengevat:
“Op 19 mei 2022 zijn onder [betrokkene 2] in zijn woning gegevensdragers in beslag genomen. [betrokkene 2] was destijds medewerker van notaris [betrokkene 1] . [betrokkene 1] en [betrokkene 2] worden verdacht van overtreding van art. 16 Wet Pro ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Deze verdenking is gebaseerd op 59 transacties die zijn uitgevoerd in de periode van 1 januari 2015 tot 12 oktober 2022 en die niet aan de FIU zijn gemeld, terwijl wordt vermoed dat de verdachten deze wel hadden moeten melden. Verder is de verdenking gebaseerd op het gegeven dat er in een periode van zes jaar in totaal 350 transacties ter waarde van tientallen miljoenen euro’s via de derdengeldenrekening van [A] zijn verricht, waarbij acht andere personen betrokken zijn geweest met criminele antecedenten. In de loop van het onderzoek is de verdenking ontstaan dat de verdachten zich tevens schuldig hebben gemaakt aan (het maken van een gewoonte van) (schuld)witwassen ex art. 420bis, 420ter en/of 420quater Sr door het opmaken van hypotheek- en leveringsakten ten behoeve van het verhullen van de oorsprong van de gelden en/of de geldstromen van personen met criminele antecedenten te faciliteren.
Indien de verdenkingen bewezen worden verklaard, is sprake van zeer ernstige delicten gepleegd in een lang tijdsbestek en betrekking hebbend op grote bedragen. Het verwijt is dat [betrokkene 1] en [A] dit bewust, structureel en over een langere periode hebben gedaan en de bijzondere positie van de notaris hebben misbruikt. Dit raakt zozeer de kern van de werkzaamheden van de notaris, dat bij bewezenverklaring het maatschappelijk vertrouwen dat in de werkzaamheden van een notaris moet kunnen worden gesteld en het aanzien van het ambt, ernstig hierdoor zou worden geschaad.
Tussen de in beslag genomen stukken bevinden zich stukken waar de namen van [betrokkene 4] , [betrokkene 3] en klager in voorkomen. Zij zijn geen verdachten in het onderzoek en kunnen worden aangemerkt als derde-verschoningsgerechtigden. De rechtbank gaat ervan uit dat de stukken waar de naam van klager in voorkomt, onderdeel uitmaken van het beklag in zijn zaak.
Op grond van artikel 98 lid 1 Sv Pro is het eerst aan de rechter-commissaris om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht dat is gedaan ten aanzien van stukken dan wel gegevens die zijn opgeslagen op gegevensdragers. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de verschoningsgerechtigde in staat moet worden gesteld zich uit te laten over de vraag of de stukken en/of gegevens onder het verschoningsrecht vallen. Daarbij is irrelevant of de stukken en/of gegevens zich bij de verschoningsgerechtigde zelf of bij de cliënt bevinden. Het standpunt van de verschoningsgerechtigde moet worden gerespecteerd, tenzij er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.
In deze zaak is de rechter-commissaris er op voorhand van uitgegaan dat klager zich op zijn verschoningsrecht wilde beroepen en heeft zij hem niet in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het beklag, waartoe art. 98 Sv Pro wel verplicht. De klager is pas na de beslissing van de rechter-commissaris van 9 juni 2023, inzage geboden in de gegevens waar het om gaat. Zoals in het klaagschrift is omschreven, kleefden aan de mogelijkheid tot inzage zodanige gebreken dat op grond hiervan de klager nauwelijks in de gelegenheid was om een standpunt in te nemen ten aanzien van welke gegevens hij zich op zijn verschoningsrecht wilde beroepen. Naar aanleiding van de terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad en de tussenbeslissing van de rechtbank van 18 februari 2025, is door klager na de inzage in de onderliggende stukken in de Axiom Cases een schriftelijk standpunt opgesteld waarin per (categorie van) inbeslaggenomen stuk(ken) gespecificeerd is of het valt onder het verschoningsrecht van klager en, zo ja, welke belangen van de cliënten daarbij betrokken zijn. Of de stukken volgens klager al dan niet onder zijn verschoningsrecht vallen, is in raadkamer van 3 juni 2025 uitvoerig besproken.
Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank zich allereerst voor de vraag gesteld ziet of het standpunt van klager dat zich onder de inbeslaggenomen voorwerpen materiaal bevindt dat onder zijn verschoningsrecht valt moet worden gerespecteerd, of dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Ten aanzien van stukken waarvan de rechtbank oordeelt dat het verschoningsrecht van klager van toepassing is, zal de rechtbank vervolgens beoordelen of de doorbreking daarvan gerechtvaardigd is.”
4.2
De rechtbank heeft vervolgens eerst onderzocht of sprake is van stukken die onder het verschoningsrecht van de klager vallen. Ten aanzien van een (zeer) beperkt aantal stukken heeft de rechtbank geoordeeld dat dit niet het geval is, hetgeen in cassatie niet wordt bestreden. Het overgrote deel van de stukken valt volgens de rechtbank wel onder het verschoningsrecht van de klager. Daarna heeft de rechtbank de vraag beantwoord of de doorbreking van het verschoningsrecht van de klager gerechtvaardigd is vanwege van zeer uitzonderlijke omstandigheden. De rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord en daartoe het volgende overwogen:
“De rechtbank overweegt dat het verschoningsrecht van onder meer de notaris in zoverre niet absoluut is, dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd moet prevaleren boven het verschoningsrecht. De vraag of zich zo uitzonderlijke omstandigheden voordoen laat zich niet in het algemeen beantwoorden. Voor het oordeel dat van zeer uitzonderlijke omstandigheden – en dus van een uitzondering op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht – sprake is, gelden zware motiveringseisen (HR 30 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5665.)
Daarbij komt in een geval als dit betekenis toe aan de aard en de ernst van het strafbaar feit waarvan het vermoeden bestaat dat het is begaan, de aard en de inhoud van het materiaal waarover zich het verschoningsrecht uitstrekt in verband met het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend, de mate waarin de betrokken belangen van de cliënt worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken en de omstandigheid dat de gegevens niet op een andere manier kunnen worden verkregen.
De rechtbank dient in dit geval te onderzoeken – mede aan de hand van de aard en de inhoud van het materiaal waarover – het verschoningsrecht van de klager zich uitstrekt (dus de stukken waarin de naam [klager] voorkomt) en de mate waarin de betrokken belangen van zijn cliënten worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken, of ook specifiek in relatie tot het verschoningsrecht van de klager, sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan het belang van waarheidsvinding prevaleert boven het verschoningsrecht van deze klager.
De rechtbank is van oordeel dat die zeer uitzonderlijke omstandigheden zich in dezen niet voordoen. Voor die beoordeling is allereerst van belang dat het in deze zaak gaat om een niet-verdachte klager. Bovendien is gebleken dat de datering van veel stukken buiten de periode vallen waarop de verdenking ziet. Naar het oordeel van de rechtbank had door de geheimhoudersofficier specifiek aangeduid moeten worden wat de directe link tussen deze stukken en de verdenking is. Dat is niet gebeurd. Dat betekent dat de rechtbank niet kan vaststellen dat sprake is van een zodanig verband tussen de in beslag genomen stukken waarop het verschoningsrecht rust en de verdenking, dat een inbreuk op het verschoningsrecht noodzakelijk is, en evenmin dat de relevante gegevens niet op andere wijze kunnen worden verkregen. Een aantal documenten ziet namelijk op gegevens van de Kamer van Koophandel en het Kadaster. Het enkele feit dat een stuk waarop het verschoningsrecht van toepassing is relevant kan zijn voor de waarheidsvinding, is onvoldoende om een uitzondering te maken op de hoofdregel met betrekking tot het verschoningsrecht.
Dat betekent dat de rechtbank het beklag gegrond verklaart ten aanzien van de volgende stukken:
De stukken die kunnen worden gekoppeld aan:
1. [a-straat 1] te [plaats]
2. […]
3. [b-straat 1] te [plaats]
4. [c-straat 1] te [plaats]
5. [d-straat 1] te [plaats]
6. [e-straat 1] te [plaats]
7. [f-straat 1] (e.a.) te [plaats]
8. [g-straat 1] te [plaats]
9. [h-straat 1] en 6 te [plaats]
10. [i-straat 1] te [plaats]
11. [j-straat 1] te [plaats]
12. [k-straat 1] te [plaats]
13. [l-straat] te [plaats]
14. [m-straat 1] te [plaats]
15. [n-straat 1] te [plaats]
16. [o-straat 1] te [plaats]
- Axiom 1-bestand, Word Documents: nrs. 20, 30-32, 338 en 339
- Axiom 2-bestand, Word Documents, nrs. 135, 223, 68, en 23
- Axiom 1-bestand, Word Documents, nrs. 28, 29, 151-165, 224, 309, 312, 335, 341, 344 en 648
- Axiom 1-bestand, PDF Documents, nrs. 11, 21, 69-72
- Axiom 2-bestand, PDF Documents, nrs. 6, 18, 41, 43-45, 59, 67, 69, 88, 100, 103 en 116
- Axiom 2-bestand: Word Documents, nrs. 104-108, 184-188, 224-227, 69, 205, 212, 118, 170, 173, 47, 151 en 194
- Axiom 1-bestand, Word Documents, nr. 277
- Axiom 2-bestand, PDF Documents, nrs. 53, 104-106, 123-124.”

5.Juridisch kader

5.1
Voor bepaalde beroepsgroepen – waaronder het notariaat – geldt dat de relatie met hun cliënt wordt gekenmerkt door een hoge mate van vertrouwelijkheid. Om deze vertrouwelijkheid te verzekeren rust op de notaris een geheimhoudingsplicht en beschikt hij over een daarmee samenhangend verschoningsrecht. Op grond van art. 218 Sv Pro kan degene die uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding is verplicht, zich op zijn verschoningsrecht beroepen over hetgeen waarvan de wetenschap aan hem als zodanig is toevertrouwd. [5] In het
Notaris Maas-arrest van 1 maart 1985 overwoog de Hoge Raad dat de grondslag van dat verschoningsrecht moet worden gezocht “
in een in Nederland geldend algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij zodanige vertrouwenspersonen het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden. [6]
5.2
Het verschoningsrecht is een recht dat toekomt aan de verschoningsgerechtigde; het is primair aan hem om te beoordelen in welke situaties en onder welke omstandigheden hij een beroep doet op dat verschoningsrecht. Als hij meent dat een bepaald stuk onder zijn verschoningsrecht valt, dan dient dit standpunt in beginsel te worden geëerbiedigd. [7] De hoofdregel is dat alleen inbreuk gemaakt kan worden op de hiervoor genoemde vertrouwelijkheid als de verschoningsgerechtigde daarvoor zelf toestemming geeft, bijvoorbeeld omdat hij van oordeel is dat zijn verschoningsrecht ten aanzien van een bepaald stuk niet in het geding is. Die hoofdregel komt ook tot uitdrukking in art. 98 lid 1 Sv Pro: brieven of andere geschriften die onder de geheimhoudingsplicht van een verschoningsgerechtigde vallen kunnen niet bij hen in beslag worden genomen, “
tenzij met hunne toestemming”.
5.3
Op een aantal beperkte gronden kunnen stukken – in afwijking van de hoofdregel – ook zonder toestemming van de verschoningsgerechtigde in beslag worden genomen. Het gaat dan om gevallen waarin de verschoningsgerechtigde zich ten aanzien van de stukken op zijn verschoningsrecht beroept, maar er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. [8] Het oordeel of hiervan sprake is, komt in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris. Hij mag daartoe – voor zover noodzakelijk – kennisnemen van de inhoud van die stukken. [9] Zo’n geval doet zich bijvoorbeeld voor als de verschoningsgerechtigde zich op zijn verschoningsrecht beroept ten aanzien van stukken die voorwerp van een strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend (zogenaamde
corpus delictien
instrumenta delicti). [10] Op grond van art. 98 lid 5 Sv Pro vallen dergelijke stukken immers niet onder de geheimhoudingsplicht, zodat zij ook geen object kunnen zijn van het verschoningsrecht.
5.4
Als de rechter-commissaris tot het oordeel komt dat de stukken onder het verschoningsrecht vallen, kan desondanks op grond van “zeer uitzonderlijke omstandigheden” het verschoningsrecht worden doorbroken. Al in het
Notaris Maas-arrest erkende de Hoge Raad dat zich “
zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd – moet prevaleren boven het verschoningsrecht. [11] Soms weegt het belang van de waarheid dus zwaarder dan het verschoningsrecht en kunnen stukken waarover het verschoningsrecht zich uitstrekt – in weerwil van (de tekst van) art. 98 lid 1 Sv Pro – toch in beslag worden genomen en (vervolgens) worden gebruikt in een opsporingsonderzoek en/of een vervolging. Ook hier is het in eerste instantie de rechter-commissaris die oordeelt over de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden.
5.5
De vraag welke omstandigheden zo uitzonderlijk zijn dat zij ertoe leiden dat het belang van de waarheidsvinding zwaarder moet wegen dan het verschoningsrecht, is volgens de Hoge Raad niet in algemene zin te beantwoorden. De rechter zal zijn oordeel dat sprake is van zulke omstandigheden – en dus van een uitzondering op de hoofdregel – goed moeten motiveren. [12] De omstandigheid dat de verschoningsgerechtigde zelf als verdachte is aangemerkt, is op zichzelf onvoldoende voor de doorbreking van zijn verschoningsrecht. [13] Het voorgaande kan evenwel anders zijn als de verschoningsgerechtigde wordt verdacht van een ernstig strafbaar feit, zoals het vormen van een crimineel samenwerkingsverband met bepaalde cliënten. In dat geval zal het belang van die cliënten dat de verschoningsgerechtigde geheim houdt wat zij hem in die criminele aangelegenheid hebben verteld, moeten wijken voor het belang dat de waarheid aan het licht komt. [14] In die situatie komt de cliënt en zijn vertrouwenspersoon (de – in beginsel – verschoningsgerechtigde) als het ware in gezamenlijkheid geen beroep op vertrouwelijkheid toe, omdat het verschoningsrecht voor het bespreken van criminele aangelegenheden niet is bedoeld.
5.6
De jurisprudentie van de Hoge Raad sluit niet uit dat de doorbreking van het verschoningsrecht op grond van zeer uitzonderlijke omstandigheden ook kan worden aanvaard ten aanzien van een verschoningsgerechtigde tegen wie géén verdenking bestaat. Die gevallen hebben zich tot nu toe in de jurisprudentie altijd beperkt tot het verschoningsrecht op medisch vlak. [15] Het doorbreken van het verschoningsrecht van een niet-verdachte advocaat of notaris is nog zonder precedent. [16] Uit het arrest van 24 september 2024 in de vorige cassatieronde in de onderhavige zaak kan evenwel worden afgeleid dat de doorbreking ook mogelijk is in zo’n situatie, dus in het geval van een niet-verdachte advocaat of notaris. [17] Ware dit anders, dan laat zich niet verklaren waarom de Hoge Raad in het betreffende arrest overweegt dat de rechtbank had moeten onderzoeken of ook specifiek ten aanzien van de (niet-verdachte) klager sprake was van zeer uitzonderlijke omstandigheden. Desalniettemin volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad dat de omstandigheid dat de verschoningsgerechtigde als verdachte is aangemerkt, in dit verband een (zeer) relevante omstandigheid is voor de beoordeling van die vraag. [18]
5.7
De vraag is welke omstandigheden – naast het al dan niet bestaan van een verdenking tegen de verschoningsgerechtigde – relevant moeten worden geacht bij de beoordeling of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht (kunnen) rechtvaardigen. Verschillende arresten van de Hoge Raad over het medisch verschoningsrecht bevatten vanaf 2008 een vooropstelling waarin de Hoge Raad een aantal gezichtspunten formuleert voor de beoordeling van de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden. [19] In het kader van het verschoningsrecht van een advocaat of notaris ziet men deze vooropstelling voor het eerst terug in het arrest van 24 september 2024. Het gaat volgens de Hoge Raad om:
(i) de aard en de ernst van het strafbaar feit waarvan het vermoeden bestaat dat het is begaan;
(ii) de aard en de inhoud van het materiaal waarover zich het verschoningsrecht uitstrekt in verband met het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend;
(iii) de mate waarin de betrokken belangen van de cliënt worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken;
(iv) de omstandigheid dat de gegevens niet op een andere manier kunnen worden verkregen. [20]
5.8
Naast de vraag of op grond van deze gezichtspunten sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden, dient de rechter te beoordelen of de stukken redelijkerwijs in een
zodanig direct verbandstaan met het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. [21] AG Frielink spreekt in dit kader van een voorwaarde voor de eventuele doorbreking van het verschoningsrecht met betrekking tot een concreet document. [22] Ook als in een bepaalde situatie sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden, dan kan het verschoningsrecht niet worden doorbroken ten aanzien van een individueel stuk indien dat stuk redelijkerwijs van geen belang is voor de waarheidsvinding. Dat laatste belang kan dan immers uit de aard der zaak eenvoudigweg niet prevaleren en kan daarmee ook geen rechtvaardiging vormen voor een doorbreking van het verschoningsrecht. Het gaat hier, zo bezien, om een soort veiligheidsklep in het toetsingskader van de Hoge Raad, die ervoor zorgt dat het verschoningsrecht niet onnodig wordt doorbroken. Hiermee hangt samen dat de inbreuk op het verschoningsrecht volgens de Hoge Raad nooit verder mag gaan dan strikt noodzakelijk is voor het aan het licht brengen van de waarheid van het betreffende feit. [23]
5.9
Kort samengevat komt het hiervoor besproken kader op het volgende neer.
5.1
Eerst moet worden beoordeeld of de stukken onder het verschoningsrecht vallen. In beginsel moet het standpunt daarover van de verschoningsgerechtigde worden gevolgd, tenzij dat standpunt evident onjuist is. Als dat laatste het geval is, dan kunnen de stukken zonder toestemming van de verschoningsgerechtigde in beslag worden genomen. Stukken die wel onder verschoningsrecht vallen, kunnen slechts zonder toestemming in beslag worden genomen als zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die maken dat het belang van de waarheidsvinding zwaarder weegt dan het verschoningsrecht. De Hoge Raad noemt een aantal gezichtspunten die daarbij van belang zijn, te weten de aard en ernst van het strafbare feit, de aard en inhoud van het verschoningsgerechtigde materiaal, de mate waarin de belangen van de cliënten van de verschoningsgerechtigde worden geschaad bij doorbreking van het verschoningsrecht en de omstandigheid dat de gegevens niet op een andere manier kunnen worden verkregen. Voorts geldt dat het verschoningsrecht slechts kan worden doorbroken ten aanzien van die stukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de waarheidsvinding en dat de inbreuk op het verschoningsrecht niet verder mag gaan dat strikt noodzakelijk is voor die waarheidsvinding.
5.11
Procedureel is het – zoals gezegd – in eerste instantie de rechter-commissaris die zich over de hiervoor genoemde vragen moet buigen. De verschoningsgerechtigde kan op grond van art. 98 lid 4 Sv Pro een klaagschrift indienen tegen de beslissing van de rechter-commissaris. Zolang er niet onherroepelijk over het beklag is beslist, mag door de opsporende instanties geen kennis worden genomen van de inhoud van het beslag (art. 98 lid 3 Sv Pro). Op de behandeling van het op grond van art. 98 lid 4 Sv Pro ingediende klaagschrift door de rechtbank is art. 552a Sv van toepassing, met dien verstande dat de rechtbank niet kan volstaan met een marginale toetsing of de zeer uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen; zij zal zich op grond van de stukken en het onderzoek in raadkamer een eigen, zelfstandig oordeel moeten vormen. [24]

6.De bespreking van het middel

6.1
Het middel klaagt over de gegrondverklaring van het klaagschrift. In het bijzonder wordt geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een zodanig verband tussen de inbeslaggenomen stukken waarop het verschoningsrecht rust en de verdenking (jegens anderen dan de klager), dat een inbreuk op het verschoningsrecht noodzakelijk is, en dat evenmin kan worden vastgesteld dat de relevante gegevens niet op andere wijze kunnen worden verkregen. Dat oordeel getuigt volgens de steller van het middel van een onjuiste rechtsopvatting en/of is – in het licht van hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld, dan wel hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd – niet zonder meer begrijpelijk.
6.2
In de eerste plaats bevat het middel de klacht dat de rechtbank de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden mede heeft ingevuld aan de hand van een criterium dat in de kern ziet op de vraag of de stukken van belang zijn voor de waarheidsvinding. De rechtbank heeft immers overwogen dat specifiek had moeten worden geduid wat de directe link is tussen de stukken en de verdenking. Volgens de steller van het middel gaat het hier echter om twee van elkaar te onderscheiden vraagstukken: enerzijds de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden en anderzijds de vraag of de stukken redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de waarheidsvinding.
6.3
Op zichzelf ben ik met de steller van het middel eens dat het hier gaat om twee afzonderlijke vragen. Ik heb het ‘criterium van het belang voor de waarheidsvinding’ – zoals het in de schriftuur wordt genoemd – hiervoor omschreven als een ‘veiligheidsklep’ die dient te voorkomen dat het verschoningsrecht wordt doorbroken ten aanzien van stukken die niet van belang zijn voor de waarheidsvinding. De vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die maken dat het belang van de waarheid zwaarder weegt dan het verschoningsrecht is van een andere aard. De beantwoording van die vraag kan niet uitsluitend worden ingevuld aan de hand van een criterium dat in de kern ziet op de vraag of de stukken al dan niet kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. [25]
6.4
Wel verdient opmerking dat de Hoge Raad in zijn toetsingskader “de aard en inhoud van het materiaal waarover zich het verschoningsrecht uitstrekt” noemt als één van de gezichtspunten die in het kader van zeer uitzonderlijke omstandigheden een rol speelt. De opvatting dat de
inhoudvan de stukken – en de daarmee samenhangende beoordeling van het (potentiële) belang van die stukken voor de waarheidsvinding – geen rol mag spelen bij de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden, wordt dus tot op zekere hoogte ontkracht door het toetsingskader van de Hoge Raad en vindt ook geen steun in de rechtspraak ter zake. In HR 17 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1170 herhaalt de Hoge Raad bijvoorbeeld de overweging van de rechtbank dat “het medisch dossier en het verpleegkundig dossier een wezenlijke bijdrage kunnen leveren aan de waarheidsvinding”. [26] En in HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6141 speelt wat de Hoge Raad betreft een rol dat de rechtbank in aanmerking heeft genomen dat “de inbeslaggenomen gegevens van cruciaal belang zijn voor het aan de dag brengen van de waarheid omtrent de gerezen verdenking”. [27]
6.5
De vraag is in wezen of de rechtbank hier – net als in HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:302 – haar beoordeling van de vraag of sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden heeft ingevuld met een criterium dat in de kern niet meer behelst dan een beantwoording van de vraag of de stukken kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. Simpeler gezegd: leunt het oordeel van de rechtbank teveel op de overweging dat de officier van justitie geen directe link heeft aangeduid tussen de stukken en de verdenking?
6.6
Ik meen van niet. De bestreden overweging van de rechtbank moet worden gelezen in samenhang met de daaraan voorafgaande overweging van de rechtbank dat de datering van veel stukken buiten de periode valt waarop de verdenking ziet. Daarmee doelt de rechtbank kennelijk op het gegeven dat – zoals de verdediging heeft aangegeven – de hier in het geding zijnde stukken zien op de periode tussen 2007 en 2012, terwijl de verdenking ziet op de periode tussen 2015 en 2022. In de door de rechtbank te maken afweging tussen het belang van de waarheidsvinding enerzijds en het belang van het verschoningsrecht anderzijds, relativeert deze vaststelling – zo begrijp ik de rechtbank – het belang van die waarheidsvinding. Met de overweging van de rechtbank dat de officier van justitie geen directe link tussen de stukken en de verdenking heeft geduid, heeft de rechtbank tot uitdrukking gebracht dat het belang van de waarheidsvinding – gegeven de omstandigheid dat de datering van de stukken (ver) buiten de periode van de verdenking valt – onvoldoende kracht is bijgezet.
6.7
Wat mij betreft heeft de rechtbank hiermee gedaan wat de Hoge Raad in deze zaak in het voorgaande arrest van 24 september 2024 van haar heeft gevraagd. [28] De rechtbank heeft (mede) aan de hand van de aard en inhoud van het materiaal onderzocht of ook ten aanzien van de klager het belang van waarheidsvinding prevaleert boven het verschoningsrecht van deze klager. Het oordeel van de rechtbank getuigt in zoverre niet van een onjuiste rechtsopvatting.
6.8
Het middel faalt in zoverre.
6.9
In het middel wordt ook geklaagd dat de rechtbank het toetsingskader onjuist heeft toegepast, dan wel de beslissing niet toereikend heeft gemotiveerd. De beschikking van de rechtbank geeft volgens de steller van het middel geen blijk van een op het belang van het verschoningsrecht van de klager in de onderhavige zaak toegespitste overweging.
6.1
De rechtbank heeft na terugwijzing van de zaak – na te hebben overwogen dat het gaat om (een vermoeden van) zeer ernstige delicten, gepleegd in een lang tijdsbestek en betrekking hebbend op grote geldbedragen, die de kern van de werkzaamheden van de notaris raken – geoordeeld dat zich in deze zaak geen zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die doorbreking van het verschoningsrecht van de klager rechtvaardigen en daarbij in aanmerking genomen:
(i) dat het in deze zaak gaat om een niet-verdachte klager;
(ii) dat de datering van veel stukken buiten de periode vallen waarop de verdenking ziet;
(iii) dat niet duidelijk is dat de relevante gegevens niet op andere wijze verkregen kunnen worden verkregen, waarbij van belang is dat een aantal documenten ziet op gegevens van de Kamer van Koophandel en het Kadaster.
6.11
Zoals ik hiervoor al heb aangegeven, is de omstandigheid dat de klager – als verschoningsgerechtigde – niet wordt verdacht van enig strafbaar feit, een zeer relevante omstandigheid. Tot nu toe is de doorbreking van het verschoningsrecht van een niet-verdachte advocaat of notaris (in cassatie) nog niet aan de orde geweest. Op grond van deze omstandigheid, in combinatie met de omstandigheid dat het met de stukken gediende belang van de waarheidsvinding kan worden gerelativeerd doordat de datering van die stukken (ver) buiten de periode valt waarop de verdenking ziet, is het oordeel van de rechtbank dat zich in deze zaak in relatie tot de klager geen zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen die de doorbreking van het verschoningsrecht rechtvaardigen (ofwel en anders gezegd: dat het belang van de waarheidsvinding in dit geval om die redenen niet prevaleert boven het verschoningsrecht), niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
6.12
Dat de rechtbank – zoals de steller van het middel op zichzelf terecht aanvoert – niet kenbaar in haar afweging heeft betrokken in welke mate de belangen van de betrokken cliënten bij de doorbreking van het verschoningsrecht worden geschaad, doet daar niet aan af en betekent ook niet dat de rechtbank de terugwijzingsopdracht heeft miskend. Het gaat hier immers om één van de door de Hoge Raad genoemde gezichtspunten die van belang kunnen zijn bij de vraag of zich zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen. De rechtbank kon – als opgemerkt – op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden oordelen dat die zeer uitzonderlijke omstandigheden zich niet voordoen.
6.13
Het middel faalt ook in zoverre.
6.14
Tot slot voert de steller van het middel nog aan dat de rechtbank tot nader onderzoek had moeten overgaan betreffende de aard en de inhoud van het verschoningsgerechtigd materiaal. Immers, de geheimhoudersofficier en de rechter-commissaris hebben in de kern het standpunt ingenomen dat de stukken verwijzingen bevatten naar de in het onderzoek betrokken transacties, de panden waarop de verdachte transacties betrekking hebben en de personen die daarbij betrokken zouden zijn.
6.15
Ook deze klacht faalt naar mijn idee. De rechtbank heeft – indachtig het arrest van de Hoge Raad van 24 september 2024 waarin het oordeel dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden ten aanzien van de klager voordeden niet in stand bleef – het belang van het verschoningsrecht afgezet tegen het belang dat de waarheid aan het licht komt. Het belang van dat verschoningsrecht wordt hier versterkt door de omstandigheid dat de verschoningsgerechtigde klager niet wordt verdacht van enig strafbaar feit, terwijl het belang van de waarheidsvinding wordt gerelativeerd door de omstandigheid dat de datering van die stukken buiten de periode valt waarop de verdenking ziet en onvoldoende duidelijk is geworden dat sprake is van een
zodanig verbandtussen de in beslag genomen stukken waarop het verschoningsrecht rust en de verdenking, dat doorbreking van het verschoningsrecht van de klager wordt gerechtvaardigd. Dat laatste is overigens niet hetzelfde als de omstandigheid dat de stukken in het geheel niet van belang (kunnen) zijn voor de waarheidsvinding. Op grond van die afweging is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat zich in deze zaak geen zeer uitzonderlijke omstandigheden voordoen. Dat oordeel is – als opgemerkt – naar mijn oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Tot een nader onderzoek was de rechtbank – anders dan de steller van het middel voorstaat – niet gehouden.

7.Slotsom

7.1
Het middel faalt.
7.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
7.3
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beroep en tot verwerping van het beroep van het openbaar ministerie.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 24 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1291.
2.HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:612 (art. 81 RO Pro).
3.Zie HR 24 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1291, rov. 2.2.
4.HR 24 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1290, rov. 3.4.2.
5.HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375,
6.HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066,
7.HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9162, rov. 3.3.
8.HR 22 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0422,
9.HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1566,
10.Vgl. HR 1 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1560,
11.HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066,
12.Zie bijvoorbeeld HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:302,
13.HR 10 oktober 1950, ECLI:NL:HR:1950:199,
14.Zie bijvoorbeeld HR 18 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5297, rov. 5.5.
15.Zie onder meer HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5070,
16.Vgl. de conclusie van AG Spronken voorafgaand aan het arrest van 24 september 2024 in de vorige cassatieronde in de onderhavige zaak ECLI:NL:PHR:2024:845, randnr. 4.9.
17.HR 24 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1290, rov. 3.4.2. Zie anders Schalken in zijn noot
18.Vgl. bijvoorbeeld HR 17 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1876,
19.Vgl. eerst HR 9 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2386,
20.HR 24 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1290, rov. 3.3. Zie later HR 17 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1876,
21.HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:302,
22.Zie ECLI:NL:PHR:2024:1387, randnr. 4.6, voorafgaand aan HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:302,
23.Vgl. HR 9 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1788, rov. 5.3.4., onder verwijzing naar HR 30 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD7280,
24.HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0491, rov. 5.4.3. Zie ook HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1324,
25.Zoals de rechtbank in HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:302,
26.Vgl. ook HR 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1324, rov. 2.5.
27.HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6141,
28.HR 24 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1290, rov. 3.4.2.