Conclusie
1.Stichting Waardevastgoed Holland V,
Waardevastgoed Holland V C.V. (in liquidatie),
Orabel B.V.,
[eiser] [1] respectievelijk de
Stichting. Verweerster sub 2 wordt aangeduid als de
CVen verweerster sub 3 als
Orabel.
1.Inleiding en samenvatting
WVGH) een beleggingsfonds met de rechtsvorm van een CV in de markt gezet, met als doel het voor gemeenschappelijke rekening beleggen in een bedrijfspand in het Bio-Sciencepark te Leiden (hierna:
het Vastgoed).
WVG Beheer), een dochter van WVGH, als beherend vennoot van de CV aangewezen. De in totaal 980 participanten vormden met elkaar en met Katwijk Holding N.V., die de voormalige eigenaar van het pand was, de stille vennoten van de CV.
initiatiefnemer en beheerderbij verkoop van het Vastgoed aanspraak kon maken op een deel van de meeropbrengst. Hierbij werd ook verwezen naar de (concept) overeenkomst van beheer en bewaring.
Beheersovereenkomst 2003). In die overeenkomst is WVGH aangesteld als Beheerder en de Stichting als Bewaarder.
beheerderbij verkoop van het Vastgoed gerechtigd is tot 20% van de
meeropbrengst. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang:
Belfort FM). Tussen partijen is in geschil of Belfort FM toen ook de functie van (fonds)beheerder van WVGH heeft overgenomen.
Belfort AM; bestuurder van WVG Beheer) en Belfort FM geregistreerd als ontbonden door turboliquidatie.
in liquidatie. [7]
SBBP). De besluitenlijst van de participantenvergadering van 20 oktober 2022 vermeldt dat SBBP is aangesteld als beherend vennoot en beheerder van de CV met een meerderheid van 75% van de uitgebrachte stemmen (303 stemmen voor, 1 stem tegen en 1 onthouding).
3.Procesverloop
de Vereffenaar– de Stichting, de CV en Orabel gedagvaard en tegen deze partijen verschillende vorderingen ingesteld, met de strekking dat, kort gezegd, het aan WVGH (in liquidatie) toekomende winstrecht wordt toegekend aan de Vereffenaar. [11]
het hof). De Vereffenaar heeft zijn vorderingen gehandhaafd en negen grieven aangevoerd. Het hof heeft geoordeeld dat de CV rechtsgeldig is verschenen, dat het bevoegdheidsverweer van de Stichting, de CV en Orabel gegrond is en dat de rechtbank zich (dan ook) terecht onbevoegd heeft verklaard om van het geschil kennis te nemen. [16] Het hof heeft beide vonnissen van de rechtbank bekrachtigd. [17]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1van het cassatiemiddel betoogt de Stichting dat het gaat om een procedure waarbij meerdere gedaagden zijn betrokken. Zij wijst op de toepasselijkheid van art. 140 lid 3 Rv Pro als het cassatieberoep zou slagen en zou worden aangenomen dat de CV niet rechtsgeldig is verschenen. Volgens de Stichting is sprake van een rechtsbetrekking tussen partijen die verplicht tot een voor alle gedaagden gelijke beslissing met betrekking tot de uitleg van de Beheersovereenkomst 2003, het daarin opgenomen arbitraal beding en de inhoudelijke beoordeling van de gestelde en betwiste aanspraken op een winstrecht. Dit betekent dat de verweren van alle verschenen gedaagden ook ten gunste van een eventueel niet in het geding verschenen gedaagde strekken. [26] Betoogd lijkt te worden dat het slagen van onderdeel 1 uiteindelijk niet tot een (wezenlijk) andere en voor [eiser] gunstiger uitkomst zou leiden. Met betrekking tot
onderdeel 2van het cassatiemiddel betoogt de Stichting dat als het cassatieberoep zou slagen en verwijzing zou volgen, het verwijzingshof dan
ex nunczou moeten oordelen en daarbij zou concluderen dat het beroep op het arbitragebeding niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, aangezien de stelling dat de boedel geen vermogen zou hebben niet opgaat voor [eiser]. [27] Zij betrekt daarbij dat procesfinanciering is verkregen en wijst op de in cassatie overlegde cessieakte (zie nr. 3.7).
onderstreping hieronder en in citaten hierna toegevoegd; A-G):
zonder een heropeningsprocedure bedoeld in art. 2:23c lid 1 BW, kan dienen als grondslag voor de vertegenwoordigingsbevoegdheid van SBBP, gelet op de huidige opgave in het handelsregister, (ii) zodat de CV rechtsgeldig in het geding is verschenen en proceshandelingen heeft kunnen verrichten met SBBP als haar vertegenwoordiger, en (iii) de CV niet bij verstek moet worden veroordeeld. [29] Volgens het onderdeel kan SBBP dus niet de CV rechtsgeldig vertegenwoordigen in deze procedure.
In dit wetsvoorstel is voor de duidelijkheid uitdrukkelijk bepaald dat als geen vereffening had plaatsgevonden, alsnog de vereffening bevolen kan worden. Dit volgt uit de wijziging van het woord «achteraf» in na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan. Dit laatste verwijst naar artikel 19 lid Pro 4.” [38]
opening(en geen heropening) van de vereffening omdat eerder geen vereffening heeft plaatsgevonden na het ontbindingsbesluit (mogelijk wel een feitelijke afwikkeling daarvoor), maar doorgaans wordt ook in die situatie toch gesproken van een
heropeningvan de vereffening. [39]
Ongo [46] merkt A-G Wesseling-van Gent op dat het ‘onaannemelijk’ is dat alleen de verklaring van het bestuur van een ontbonden rechtspersoon dat geen sprake (meer) is van baten beslissend is voor het antwoord op de vraag of een rechtspersoon na ontbinding ook is opgehouden te bestaan. Zij wees in dat verband op “de objectieve formulering van art. 2:19 lid 4 BW Pro”. [47] A-G Timmerman merkte in zijn conclusie in de zaak
Zohar Foods International [48] het volgende op:
werkelijketoestand beslissend,
nietde inschrijving in het handelsregister of het oordeel van het bestuur ten tijde van de ontbinding. [50]
Adjuncten Properties/Söderqvist. [51] Söderqvist had om faillietverklaring van Adjuncten Properties verzocht en vervolgens was die rechtspersoon (door een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders) ontbonden. Het bestuur van Adjuncten Properties was van oordeel dat de rechtspersoon niet meer over baten beschikte en de ontbinding werd ingeschreven in het handelsregister. Daarna is Adjuncten Properties door de rechtbank failliet verklaard. Het vonnis werd in hoger beroep bekrachtigd. [52] In cassatie werd onder meer aangevoerd dat een rechtspersoon ophoudt te bestaan indien en zodra de rechtspersoon zelf constateert dat geen bekende baten meer bestaan en voorts dat het in een dergelijk geval voor crediteuren alleen mogelijk is om heropening op de voet van art. 2:23c BW te vragen en niet om een faillissementsaanvraag in te dienen. De Hoge Raad ging in dit betoog niet mee en overwoog dat het oordeel van het bestuur of van de vereffenaar van een ontbonden rechtspersoon dat geen sprake meer is van een bate en dat de rechtspersoon dus is opgehouden te bestaan, kan worden getoetst door de rechter als een schuldeiser het faillissement van de rechtspersoon aanvraagt, daarbij stellende dat de rechtspersoon nog baten heeft. Hiervoor hoeft niet de weg van art. 2:23c BW te worden gevolgd. [53] De rechtspersoon moet dan geacht worden ter afwikkeling van het faillissement te zijn blijven bestaan.
Adjuncten Properties/Söderqvist-arrest werd betoogd dat hetzelfde geldt in gevallen waarin het faillissement niet is aangevraagd voorafgaand aan de ontbinding. [54] Dit is door de Hoge Raad bevestigd in het
Ongo-arrest. [55] De feitelijke achtergrond van de zaak was als volgt. […] Holding had een vordering op […] Holding en had executoriaal beslag doen leggen op de aan […] Holding toebehorende aandelen in Ongo B.V. Later besloot […] (als enig bestuurder en aandeelhouder van Ongo B.V.) om Ongo B.V. te ontbinden en die ontbinding is ingeschreven in het handelsregister. […] Holding verzocht de rechter om op grond van art. 474g Rv te bepalen dat en binnen welke termijn zou worden overgegaan tot verkoop en overdracht van de in beslag genomen aandelen en om de wijze en voorwaarden van de verkoop te bepalen. Daartegen bracht […] Holding (onder andere) in dat Ongo B.V. was ontbonden wegens gebrek aan baten en niet langer bestond. De rechtbank bepaalde vervolgens een wijze en termijn voor de verkoop en overdracht van de aandelen en die beschikking werd in hoger beroep bekrachtigd. In cassatie werd aangevoerd dat het oordeel van het bestuur van Ongo B.V. over het bestaan van baten en van de rechtspersoon niet in de betreffende procedure mocht worden getoetst, maar moest worden beoordeeld in een afzonderlijke heropeningsprocedure op de voet van art. 2:23c BW. [56] De Hoge Raad ging hier niet in mee en overwoog dat het ook in andere procedures waarin in geschil is of een ontbonden rechtspersoon over baten beschikt mogelijk is dat de rechter het oordeel van het bestuur of van de vereffenaar omtrent het (niet) bestaan van baten op juistheid toetst. Dat is niet alleen zo in geval van een faillissementsaanvraag.
Zohar Foods International [57] volgt dat niet steeds zonder meer van de juistheid van de inschrijving in het handelsregister mag worden uitgegaan. Zohar had een vordering op […] die ook in rechte (op verstek) was toegewezen. Tegen dit vonnis kwam […] in verzet, stellende dat Zohar afstand van haar vorderingsrecht had gedaan. Zohar had vóór de datum van verschijning bij de rechtbank namelijk een faxbericht opgesteld met daarin de mededeling dat zij van plan was de zaak tegen […] onmiddellijk te beëindigen. Zohar is na de toewijzing van de vordering en de start van de verzetprocedure ontbonden en in het handelsregister geregistreerd als opgehouden te bestaan vanwege gebrek aan bekende baten. De rechtbank en het hof oordeelden in de verzetprocedure dat Zohar afstand had gedaan van haar vorderingsrecht. [58] In cassatie overwoog de Hoge Raad onder meer dat […] niet zonder meer van de juistheid van de inschrijving in het handelsregister mocht uitgaan, omdat zij wist dat Zohar in rechte aanspraak maakte op voldoening van de vordering, dat de vordering bij verstek was toegewezen en dat nog een verzetprocedure tegen het verstekvonnis liep ten tijde van de ontbinding. [59]
Antillian Family Foods [60] betreffende het toenmalige Antilliaanse BW. Antillian Family Foods had in rechte een vordering ingesteld en werd vervolgens ontbonden. Tijdens de rechterlijke procedure is de vereffening voltooid. Zowel de ontbinding als de voltooiing van de vereffening was ingeschreven in het Curaçaose handelsregister. In cassatie werd betoogd dat Antillian Family Foods niet-ontvankelijk was in het cassatieberoep omdat zij niet langer bestond. Niet verrassend is dat de Hoge Raad daar niet in mee ging. Hij overwoog eerst dat de vereffening (ook) naar Antilliaans recht eindigt op het moment waarop geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig zijn. Op dat moment eindigt ook de rechtspersoon. In het onderhavige geval kon volgens de Hoge Raad niet worden geoordeeld dat geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig waren, zolang niet onherroepelijk was beslist op de ingestelde vordering. [61] Ook deze zaak illustreert dat de registratie in het handelsregister niet per definitie bepalend is voor het antwoord op de vraag of een rechtspersoon bestaat en dat het oordeel over het bestaan van baten ook buiten een procedure op de voet van art. 2:23c lid 1 BW kan worden getoetst door de rechter.
Adjuncten Properties/Söderqvisten
Ongoin die zin te interpreteren dat het gaat om gevallen waarin de rechtspersoon herleeft, [63] welke herleving bovendien terugwerkende kracht zou hebben. [64] Zij wijst er ook op dat in een situatie waarin ten onrechte gebruik is gemaakt van de mogelijkheid tot turboliquidatie sprake is van gelijktijdige toepasselijkheid van art. 2:19 lid 4 en Pro lid 5 BW, én van art. 2:19 lid 5 en Pro art. 2:23c lid 1 BW. [65] Deze ogenschijnlijk tegenstrijdige constellatie kan ontstaan als het oordeel van het bestuur van de rechtspersoon geacht wordt te volstaan voor toepassing van turboliquidatie, terwijl de inschrijving (daarvan) in het handelsregister niet steeds beslissend hoeft te zijn voor het antwoord op de vraag of sprake was van een bate op het moment van ontbinding. [66] Dat art. 2:19 lid 4 en Pro 5 BW allebei van toepassing zouden zijn is tegenstrijdig, aangezien de twee leden zien op twee verschillende, elkaar uitsluitende situaties. [67]
eerstebenadering houdt in dat de rechtspersoon op grond van art. 2:19 lid 5 BW Pro is blijven voortbestaan, welke benadering ook wel de ‘
essentia-leer’ wordt genoemd. Voor deze optie wordt steun geput uit de rechtspraak, met name het
Adjuncten Properties/Söderqvist-arrest en het
Zohar Foods International-arrest. [68] Vanuit proceseconomisch opzicht lijkt deze benadering aantrekkelijk te zijn omdat niet een nieuwe procedure hoeft te worden gestart. [69] Op het punt van de rechtszekerheid scoort deze benadering minder goed. Er kan onduidelijkheid ontstaan of een ontbonden rechtspersoon nog bestaat. [70] In de feitenrechtspraak zijn voorbeelden te vinden van gevallen waarin deze route is gevolgd. [71]
resuscito-leer’. [72] Om te herrijzen is juridische actie nodig. Ook deze optie wordt in de rechtspraak toegepast. [73] Renssen schrijft dat ter ondersteuning van de
resuscito-leer wordt aangevoerd dat het in lijn is met de redelijke bedoeling van de wetgever dat een rechtspersoon die is opgehouden te bestaan in die periode niet als procespartij in rechte kan optreden en dat de route van art. 2:23c lid 1 BW zal moeten worden gevolgd om de ontbonden rechtspersoon in rechte te kunnen betrekken. [74] Zij verwijst daarbij naar het commentaar van Snijder-Kuipers op art. 2:19 BW Pro. [75] Daarin wordt echter geen expliciete koppeling gemaakt met de vraag of heropening de aangewezen route is bij een turboliquidatie, waarvan achteraf blijkt dat die ten onrechte is geweest. [76] Deze route biedt meer rechtszekerheid dan de route van art. 2:19 lid 5 BW Pro. [77] Daar staat tegenover dat het moeten starten van een extra procedure, met extra kosten en tijdsinvestering tot gevolg, voor schuldeisers nadelig zou zijn, temeer omdat zij bovendien de stelplicht en bewijslast hebben ten aanzien van het bestaan van een bate.
solutio-leer’ noemt. [78] Dit houdt het volgende in. Het antwoord op de vraag of heropening op de voet van art. 2:23c lid 1 BW aangewezen is, hangt af van de situatie die zich voordoet. Indien blijkt dat ten tijde van de ontbinding een bate bestond waarmee het bestuur niet bekend was en redelijkerwijs niet bekend behoorde te zijn, dan moet ervan uit worden gegaan dat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan en dient om (her)opening van de vereffening te worden verzocht op de voet van art. 2:23c lid 1 BW. In die benadering wordt veel belang gehecht aan rechtszekerheid. Doet zich echter de situatie voor dat de bij ontbinding reeds bestaande bate bekend was bij het bestuur of redelijkerwijs bekend had behoren te zijn, dan moet de rechtspersoon geacht worden te zijn blijven bestaan en hoeft geen (her)opening van de vereffening te worden verzocht. Volgens Renssen is dit in het belang van de schuldeisers van de ontbonden rechtspersoon. [79] Daarnaast is zij van oordeel dat de bewijslast door het bestuur moet worden gedragen. [80] Deze optie zou denk ik ook tot onzekerheid kunnen leiden omtrent het bestaan van de rechtspersoon, aangezien de te nemen route afhangt van (geobjectiveerde) bekendheid met de bate bij het bestuur. [81]
Adjuncten Properties/Söderqvisten
Ongo, dat de aangezochte rechter (ook buiten een procedure op de voet van art. 2:23c lid 1 BW) kan onderzoeken of voldoende aannemelijk is dat sprake is van een bate en, als hij oordeelt dat dit het geval is, zou op grond daarvan de rechtspersoon herleven en dus (weer) bestaan. Volgens Van Thiel zou deze optie gevolgd kunnen worden in eenvoudige gevallen, maar zou bij meer ingewikkelde gevallen de route van art. 2:23c BW toch de voorkeur verdienen. [82] Deze laatste benadering klinkt evenwichtig maar heeft als mogelijk nadeel een tamelijk arbitrair onderscheid wordt gemaakt tussen eenvoudige en ingewikkelde gevallen.
Adjuncten Properties/Söderqvisten
Ongoniet van ‘herleven’ of heropenen van de vereffening. In rov. 4.3 van het eerstgenoemde arrest wordt wel gesproken van ‘blijven bestaan’. Ik leid in ieder geval uit die arresten af dat het oordeel over het bestaan van baten ten tijde van de ontbinding in rechte, ook buiten een procedure op de voet van art. 2:23c lid 1 BW kan worden getoetst. In het licht daarvan ligt het minder voor de hand om uit te gaan van een interpretatie waarin wordt uitgegaan van ‘herleven’. Als wordt uitgegaan van ‘herleven’, dan bestond de rechtspersoon in de tussentijd niet. Als wordt aangenomen dat de rechtspersoon is blijven voortbestaan, dan is zij niet opgehouden te bestaan en kan zij daarom ook niet ‘herleven’.
dater ten tijde van de ontbinding / turboliquidatie een bate was, anders dan waarvan de (toenmalige) bestuurders van de rechtspersoon – al dan niet willens en wetens – zijn uitgegaan. Als die hobbel eenmaal is genomen, hoeft het op zichzelf niet zo ingewikkeld te zijn om bij de rechter een heropeningsverzoek ex art. 2:23c BW in te dienen als wel is gesuggereerd. [83] Het stempel van de rechter geeft de zekerheid waaraan partijen in de regel behoefte zullen hebben. Als ‘herleving’ buiten rechte mogelijk is en de rechtspersoon weer bestaat en al die tijd geacht wordt te hebben bestaan rijst ook de vraag op welk rechtsmoment de herleving plaatsvindt, wie de vereffenaar aanwijst als de rechter dat niet doet, en ook wat de rechten en de verplichtingen van een dergelijke rechtspersoon zijn zo lang zij geen andere activiteit heeft of had dan slapend ‘voortbestaan’. De ‘
resuscito-leer’ met zijn duidelijke rechtsmomenten bevordert de rechtszekerheid en vind ik intellectueel aantrekkelijk.
essentia-leer’. [84] Daar komt nog bij dat in de gevallen waarin een ontbindingsbesluit is genomen door de algemene vergadering, of in voorkomend geval een ander orgaan van de rechtspersoon, het niet voor de hand ligt om voor de heropening de route van art. 2:23c lid 1 BW verplicht voor te schrijven, ook als wegens het ontdekken van een (nagekomen) bate het voormalige bestuur de vereffening moet heropenen. Ik kan mij evenwel voorstellen dat de rechter wél in beeld moet komen indien de ontbinding het rechtgevolg is geweest van een beslissing van de rechter, zoals de beslissing het faillissement op te heffen bij gebrek aan baten. In dat geval dient mijns inziens een verzoek om de vereffening te heropenen ook aan de rechter te worden voorgelegd. [85] Meer in zijn algemeenheid kan men zich voorstellen dat derden, die menen door of bij een turboliquidatie te zijn benadeeld, zoals bepaalde schuldeisers, er belang bij kunnen hebben om, ook als daartoe geen verplichting bestaat, een verzoek ex art. 2:23c lid 1 BW in te dienen, bijvoorbeeld omdat zij niet afhankelijk willen zijn van de (voormalige) bestuursleden.
vertegenwoordigddoor een derde (SBBP). Het geschilpunt is dat de CV niet (rechtsgeldig) in rechte vertegenwoordigd wordt. [86] De Vereffenaar neemt het standpunt in dat de CV, die op 25 februari 2022 is ontbonden (althans daar wordt in dit geding van uitgegaan), wegens die ontbinding niet zelf in de procedure in feitelijk instantie kon verschijnen. [87] De Vereffenaar heeft dus een partij gedagvaard die was ontbonden en volgens hem daarom niet zelf kon verschijnen. Hij betoogt in dit geding dat deze partij ook niet door een derde kon worden vertegenwoordigd. Het lijkt er daarmee op neer te komen dat de Vereffenaar (thans: [eiser]) een partij veroordeeld wil zien die zich volgens hem niet mag verweren. Complicerende factor is dat de CV volgens de schriftelijke toelichting van de Stichting (punt 25) al sinds
augustus 2022weer in het Handelsregister staat ingeschreven en dat het hof in rov. 5.8 heeft vastgesteld dat bij die inschrijving is toegevoegd ‘in liquidatie’. [88] Als gezegd, valt de CV niet onder de regeling van art. 2:19 BW Pro e.v. In deze nogal verwarrende context is wel beschouwd het (enige) geschilpunt of de CV kan verschijnen in het geding, hetzij zelf, hetzij vertegenwoordigd door een andere rechtspersoon op basis van een (indirect) verleende procesvolmacht.
Hrgw) heeft miskend door in rov. 5.8 in aanmerking te nemen dat WVG Beheer en Belfort AM ten tijde van de beslissing van het hof geregistreerd stonden als ontbonden en in liquidatie en uit die gewijzigde registratie af te leiden dat kennelijk is gebleken dat beide vennootschappen ten tijde van de turboliquidatie nog over een bate beschikten en dat zij na ontbinding zijn blijven voortbestaan, zonder dat een heropeningsprocedure als bedoeld in art. 2:23c lid 1 BW is gevolgd, alsmede dat WVG Beheer in liquidatie als vereffenaar van de CV is vermeld. De bedoeling van de wetgever is dat, gelet op de in het economisch verkeer vereiste rechtszekerheid, een dergelijk ‘ingeschreven feit’ (bedoeld lijkt: de ontbinding door turboliquidatie) niet met terugwerkende kracht kan worden gewijzigd, waardoor ook de derdenwerking pas ontstaat op het moment dat een feit in het register is veranderd, aldus de klacht. [93] Het voorgaande betekent dat de rechter
nietop grond van later in het handelsregister gewijzigde registraties kan (en mag) oordelen dat een turbogeliquideerde besloten vennootschap waarin op dat moment geen baten aanwezig waren (art. 2:19 lid 4 BW Pro), bij een gebleken bate kan of moet worden geacht na haar ontbinding (in liquidatie) voort te bestaan als bedoeld in art. 2:19 lid 5 BW Pro. Volgens het middel heeft het hof in rov. 5.8 van het bestreden arrest in strijd met het recht aan de latere (wijziging van de) registratie in het handelsregister terugwerkende kracht toegekend.
Ondernemers zijn verantwoordelijk voor hetgeen in het handelsregister over een onderneming is ingeschreven. Dit draagt bij aan de rechtszekerheid in het economisch verkeer.
Ook al is het feitelijk niet juist wat is ingeschreven, derden kunnen een onderneming houden aan hetgeen daaromtrent is ingeschreven. Voor de goede trouw van een derde is het niet bepalend of hij de waarheid al of niet behoorde te kennen. Het gaat erom dat de derde niet van de onjuistheid of onvolledigheid van het in het register opgenomen gegeven op de hoogte was en evenmin zich daarvan op de hoogte kon stellen. De betekenis van dit artikel in de praktijk kan worden geïllustreerd aan de hand van een voorbeeld.
Het voorgaande betekent dat een ingeschreven feit niet met terugwerkende kracht kan wijzigen.
De derdenwerking gaat pas lopen op het moment dat een feit in het register is veranderd.
Ondernemingen hebben er vanuit dit oogpunt belang bij om het register zo actueel mogelijk te houden.
op het aangaan waarvan het ontbreken van een juiste en volledige inschrijving in het handelsregister van hetgeen daarin wettelijk ingeschreven moet worden in het algemeen van invloed kan zijn(…)”. [96] Een dergelijk geval doet zich de onderhavige zaak niet voor. [97]
een heropeningsprocedure volgens vaste rechtspraak niet nodig wordt geacht wanneer na turboliquidatie alsnog blijkt van een bate.” Die overweging begrijp ik zo dat het hof is uitgegaan van het bestaan van de mogelijkheid dat een rechtspersoon bij een ten onrechte toegepaste turboliquidatie blijft voortbestaan en dat dus geen (her)openingsprocedure hoeft te worden gestart. Zo bezien kan rov. 5.8 zo worden gelezen dat aan het in aanmerking nemen van de (gewijzigde) registraties de gedachte ten grondslag ligt dat die registraties ten aanzien van WVG Beheer en Belfort AM een weerspiegeling van de werkelijkheid vormen. [99]
subonderdeel 1.5voert [eiser] aan dat voor zover het hof in rov. 5.9 heeft geoordeeld dat in een geval als hier aan de orde een heropeningsprocedure in de zin van art. 2:23c lid 1 BW
nieteerst dient plaats te vinden, omdat Belfort AM in liquidatie en WVG Beheer in liquidatie door een later blijkende bate (moeten worden geacht te) zijn blijven voortbestaan ten tijde van hun turboliquidatie, dit oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de procedure van art. 2:23c lid 1 BW niet steeds hoeft te worden gevolgd in andere procedures waarin wordt aangevoerd dat een ontbonden vennootschap over baten blijkt te beschikken, [101] maar
in dit gevalis geen sprake van een situatie bedoeld in die rechtspraak. Het gaat hier om de vraag of de vennootschappen na ontbinding door turboliquidatie zijn blijven voortbestaan, gevolgd door vereffening van hun vermogen. Anders dan het hof heeft geoordeeld, was heropening van de vereffening en benoeming van vereffenaars door de rechtbank (art. 2:23c BW) vereist om de rechtsgeldigheid van de (proces)volmacht en de vertegenwoordigingsbevoegdheid van SBBP te (kunnen) beoordelen en om te concluderen dat de CV in dit geding rechtsgeldig was verschenen en dat SBBP namens de CV (proces)handelingen kon verrichten. [102]
mogelijkis na turboliquidatie. Ik verwijs naar de hiervoor in nr. 4.13 geciteerde passage uit de toelichting bij de wijziging van art. 2:23c (lid 1) BW. Het gaat in dit geval om een specifieke situatie waarin de vraag naar het bestaan van twee rechtspersonen opkomt in een procedure waarbij die rechtspersonen niet als procespartij zijn betrokken en waarbij het
niet primairgaat om de vraag of bij die rechtspersonen sprake was van een bate ten tijde van de ontbinding. In geschil is wel of de betreffende rechtspersonen bestaan en daarbij wordt betoogd dat ten onrechte tot turboliquidatie is overgegaan.
niet feitelijk is vastgestelddat WVG Beheer en Belfort AM over een bate beschikten op het moment van ontbinding. Het hof heeft het bestaan van een bate bij deze rechtspersonen
afgeleiduit de registratie in het handelsregister. Een mogelijke verklaring daarvoor is dat het geschil in hoger beroep zich niet toespitste op het bestaan van baten bij WVG Beheer en Belfort AM. Deze rechtspersonen zijn immers geen partij in dit geding. Wat mogelijk ook meespeelt is dat het gaat om
gewijzigderegistraties en dat is aangevoerd dat WVG Beheer en Belfort AM nog bestaan. [104]
Adjuncten Properties/Söderqvist-arrest blijkt dat het oordeel dat geen sprake meer is van een bate en dat de rechtspersoon dus is opgehouden te bestaan, kan worden getoetst door de rechter als een schuldeiser het faillissement van de rechtspersoon aanvraagt en daarbij stelt dat de rechtspersoon nog baten heeft, alsmede dat het niet noodzakelijk is om voor die rechterlijke toetsing de weg van art. 2:23c BW te volgen (zie hiervoor, nr. 4.17.1). Uit het
Ongo-arrest blijkt dat het ook in andere procedures waarin in geschil is of een ontbonden rechtspersoon over baten beschikt mogelijk is voor de rechter om het oordeel van het bestuur of van de vereffenaar omtrent het (al dan niet) bestaan van baten op juistheid te toetsen, zonder dat een procedure op de voet van art. 2:23c lid 1 BW hoeft te worden gestart (zie hiervoor, nr. 4.17.2). Uit de zaken
Zohar Foods Internationalen
Antillian Family Foods(zie hiervoor, nrs. 4.17.3 en 4.17.4) kan worden afgeleid dat de inschrijving in het handelsregister niet beslissend hoeft te zijn voor het antwoord op de vraag of een ontbonden rechtspersoon bestaat. In beide zaken ging het om een geval waarin sprake was van een lopende procedure waarbij de ontbonden rechtspersoon als procespartij betrokken was.
in eerste instantieals ontbonden door turboliquidatie zijn ingeschreven en deze registraties nadien zijn
gewijzigdnaar ontbonden en in liquidatie. [106]
zijdelingsspeelt ten aanzien van die entiteit. Het gaat in cassatie niet om de vraag of de
CV– één van de partijen ten aanzien waarvan aanspraak wordt gemaakt op betaling van het winstrecht – bestaat, maar om de vraag of de vereffenaar van de CV (WVG Beheer) en de vereffenaar van WVG Beheer (Belfort AM) zijn blijven bestaan na ontbinding. Díe kwestie speelt een rol in het kader van de vertegenwoordiging van de CV en van de verschijning van de CV in deze procedure. In de gevallen die de Hoge Raad heeft beslist betrof het een situatie waarin een crediteur / persoon stelde nog iets te vorderen te hebben van de ontbonden rechtspersoon en waarbij de ontbonden rechtspersoon zich erop beriep dat zij (wegens turboliquidatie) niet langer bestond en dus een heropeningsprocedure de aangewezen route was. Of het ging om een geval waarin de ontbonden rechtspersoon nog aanspraak maakte op voldoening van een vordering en de wederpartij betoogde dat de rechtspersoon niet meer bestond.
onjuiste rechtsopvattinggetuigt. Het hof heeft in dat geval namelijk miskend dat de rechtbank onder art. 2:23c BW eerst Capital Savings als vereffenaar van Belfort AM in liquidatie had moeten benoemen en Belfort AM als vereffenaar van WVG Beheer in liquidatie had moeten benoemen. Dit geldt en klemt volgens het middel temeer in gevallen als de onderhavige (waar het gaat om de afwikkeling van een ontbonden CV als beleggingsfonds met gedupeerde beleggers), waarin de vereffening van de besloten vennootschap als beherend vennoot (WVG Beheer, A-G) en van de bestuurder van die besloten vennootschap (Belfort AM, A-G) moet plaatsvinden door vereffenaars die onder art. 2:23c BW moeten worden benoemd en die handelen onder toezicht van een rechter-commissaris. Volgens het middel moet er in cassatie van worden uitgegaan dat de benoeming (van Capital Savings en van Belfort AM) als vereffenaars niet heeft plaatsgevonden. In het licht daarvan is het hof er
ten onrechteen
onbegrijpelijk(want alleen op basis van de gewijzigde registratie in het handelsregister en de inhoud van de procesvolmacht van 20 februari 2023) van uit gegaan (i) dat Capital Savings de vereffenaar van Belfort AM in liquidatie is, (ii) dat Belfort AM de vereffenaar van WVG Beheer in liquidatie is, (iii) dat Capital Savings in die hoedanigheid rechtsgeldig SBBP de procesvolmacht heeft verleend, (iv) welke procesvolmacht door de advocaten van Belfort AM in liquidatie en WVG Beheer in liquidatie is ondertekend, waartoe zij door [betrokkene 1] gevolmachtigd zijn om in dat verband namens Capital Savings op te treden. Het middel voert aan dat het hof blijk heeft gegeven van een
onjuiste rechtsopvattingover de volgens art. 2:23c BW vereiste heropening van de vereffening en over benoeming van de vereffenaar in gevallen zoals deze, waarbij sprake is van een turboliquidatie zonder vereffening, door zijn oordelen alleen op het voorgaande te baseren. Het middel vervolgt dat het hof daarmee of daardoor
ten onrechteniet, (zo nodig) ambtshalve, de rechtsgeldigheid van de hoedanigheid van Capital Savings als vereffenaar van Belfort AM en diens hoedanigheid als vereffenaar van WVG Beheer heeft onderzocht in het kader van de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de aan SBBP verleende volmacht, dan wel van haar vertegenwoordigingsbevoegdheid, en hun bekrachtiging van de in deze procedure namens de CV, de beherend vennoot, de vereffenaar of de beheerder van de CV verrichte (rechts)handelingen. [107]
Tegen het besluit tot ontbinding van de beherend vennoot (WVG Beheer) is ook niet (tijdig) een verzoek tot vernietiging of herroeping ingesteld. Het moet er daarom voor worden gehouden dat deze rechtspersonen met ingang van 28 februari 2022 zijn opgehouden te bestaan. Nu krachtens artikel 11 lid 3 CV Pro-akte de beherend vennoot wordt aangewezen als vereffenaar van de ontbonden CV, maar WVG Beheer niet meer bestaat, kan zij volgens de Vereffenaar niet als beherend vennoot of vereffenaar van de CV in liquidatie optreden.”
onjuiste rechtsopvattingdoor, tegen deze achtergrond, in rov. 5.15 (alleen) te oordelen dat het op zichzelf onvoldoende is dat arbitrage (te) kostbaar zou zijn voor de Vereffenaar en dat verder onvoldoende bijkomende omstandigheden zijn aangevoerd om aan te nemen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om een beroep te doen op de arbitrageclausule. Volgens het middel moeten de door de Vereffenaar aangevoerde omstandigheden namelijk (mede) in onderlinge samenhang worden bezien en beoordeeld om de vraag te kunnen beantwoorden of onbevoegdverklaring door de rechter betekent dat de Vereffenaar nergens zijn recht kan halen en dat honorering van het beroep op het arbitragebeding in feite neerkomt op een algehele rechtsblokkade. In dat verband kan gewicht toekomen aan door de Vereffenaar ingebrachte en (hierboven) al genoemde omstandigheden. Volgens het middel heeft het hof deze (bijkomende) omstandigheden in samenhang met de te hoge kosten van arbitrage ten onrechte onvoldoende geacht om te oordelen dat het beroep op het arbitragebeding in de onderhavige zaak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarnaast heeft het hof, naar het oordeel van de steller van het middel ten onrechte, daarbij niet – al dan niet ambtshalve – als uitgangspunt in hoger beroep betrokken dat Belfort AM en WVG Beheer na turboliquidatie waren opgehouden te bestaan, dat bij vereffening het schuldeisersbelang op de voorgrond staat en dat de primaire taak van hun vereffenaars is om ervoor zorg te dragen dat schuldeisers van de vennootschappen in liquidatie zoveel als mogelijk worden voldaan. Het voeren van een arbitrageprocedure verdraagt zich daar niet zonder meer mee. [118]
art. 6:248 lid 2 BW Pro, hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard en (overige) inhoud van de overeenkomst waarin het beding voorkomt, de wederzijds kenbare belangen van partijen, alsmede de maatschappelijke positie en onderlinge verhouding van partijen. [120] Stelplicht en bewijslast ten aanzien van de omstandigheden liggen in beginsel bij degene die een beroep doet op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid als tegenwerping aan het beroep op het beding. [121] Daarnaast moet de rechter het oordeel over de (derogerende werking van de) redelijkheid en billijkheid goed motiveren. De rechter zal tot uitdrukking moeten brengen dat en in hoeverre met de aangevoerde (relevante) omstandigheden rekening is gehouden. [122] De drempel voor een geslaagd beroep op ligt art. 6:248 lid 2 BW Pro hoog. [123] Dat ligt ook voor de hand omdat een partij die op die bepaling een beroep doet wil afwijken van hetgeen zij met een andere partij is overeengekomen.
art. 3:13 lid 1 BW Prokan degene aan wie een bevoegdheid toekomt die bevoegdheid niet inroepen voor zover hij haar misbruikt. Ingevolge art. 3:13 lid 2 BW Pro kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen (i) met geen ander doel dan een ander te schaden, (ii) met een ander doel dan waarvoor zij is verleend, (iii) in geval dat men, gelet op de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de bevoegdheid en het door de uitoefening geschade belang, in redelijkheid niet tot uitoefening van de bevoegdheid had kunnen komen. Art. 3:13 BW Pro wordt gezien als een
speciesvan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. [125] Over de verhouding tussen de beide leerstukken valt in de parlementaire geschiedenis het volgende te lezen:
Bij strijd met de goede trouw treedt naar voren datgene, waarop een partij die met een ander in een rechtsbetrekking treedt of staat, mag vertrouwen.
Daarentegen treedt bij misbruik van bevoegdheid op de voorgrond de bevoegdheid die iemand door wet of overeenkomst is toegekend en waaraan het ongeschreven recht zekere grenzen stelt.
Schept een tussen twee personen bestaande rechtsbetrekking voor een van hen bevoegdheden, dan vallen de beperkingen die de goede trouw en het verbod van rechtsmisbruik aanbrengen, samen; de criteria van het rechtsmisbruik zijn alsdan ook bruikbaar om te bepalen wanneer een beroep op de bevoegdheid in strijd met de goede trouw moet worden geoordeeld. (…)” [126]
In de eerste groep van gevallen kan met de maatstaf van de artikelen 6.1.1.2 en 6.5.3.1 („naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar") ongeveer hetzelfde worden bereikt als daarbuiten met misbruik van recht. In de tweede groep van gevallen kan ter beperking van een bevoegdheid slechts het onderhavige artikel worden gehanteerd. Ook dit is een reden om tussen beide groepen van gevallen geen onnodig scherp onderscheid te maken, en aan de rechtspraak over te laten een vloeiende overgang te vinden. (…)” [127]
[…]/OTMniet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en levert ook geen misbruik van recht op, enkel omdat arbitrage over het algemeen zeer kostbaar is en de inschakeling van arbiters voor een eenvoudige vordering van geringe omvang niet nodig is. [132] Uit het arrest
[…]/OTMwordt ook afgeleid dat in principe bijkomende omstandigheden nodig zijn voor een geslaagd beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. [133] In dat verband kan ook worden gewezen op de volgende passage uit de conclusie van A-G Asser in die zaak:
EVRM). [137] Te denken valt dan bijvoorbeeld aan gevallen waarin het depot hoger is dan de in te stellen vordering [138] of het inkomen van de procespartij, [139] of om gevallen waarin sprake is van een negatief (bank)saldo bij de procespartij. [140]
(…) arbitrage (te) kostbaar zou zijn voor de Vereffenaar (…) op zichzelf onvoldoende (is) om aan te nemen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om beroep te doen op de arbitrageclausule.” en dat “
(…) (de) Vereffenaar (…) onvoldoende bijkomende omstandigheden (heeft) aangevoerd om tot een ander oordeel te komen.”. Daarnaast heeft het hof overwogen dat de Beheersovereenkomst 2003 tot stand is gekomen tussen professionele partijen, heeft het hof gewezen op de strekking van voornoemde overeenkomst en overweegt het hof dat de partijen “
(…) op duidelijke niet mis te verstane wijze (…)” arbitrage als methode van geschilbeslechting hebben afgesproken.
[…]/OTMniet heeft miskend. Uit dat arrest blijkt (alleen), zoals hierboven al vermeld (nr. 4.80), dat de omstandigheid dat arbitrage zeer kostbaar kan zijn (mede in relatie tot de beperkte omvang van de vordering) niet betekent dat een beroep op een arbitrageclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, dan wel misbruik van recht oplevert. Het hof heeft dit uitgangspunt niet miskend en heeft in dat opzicht dan ook geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. In het licht van het arrest
[…]/OTMhoefde het hof
niette toetsen of feitelijk sprake was van een rechtsblokkade
.
nietdat deze omstandigheden
bepalendof
beslissendzijn in het kader van de beoordeling van de vraag of een beroep op een arbitrageovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (dan wel misbruik van bevoegdheid opleveren). Ik ben geneigd om aan te nemen dat een ongelijke financiële positie van de partijen (als aanvullende omstandigheid, naast de hoge kosten van arbitrage) weliswaar een relevante omstandigheid kan zijn, maar als zodanig niet voldoende is voor een geslaagd beroep op art. 6:248 lid 2 BW Pro. Uitgangspunt bij dit alles is dat, wanneer vaststaat dat een arbitragebeding is overeengekomen en dat dit beding rechtsgeldig is (en anders dan in consumentenovereenkomsten het geval kan zijn, niet onredelijk bezwarend en daarom vernietigbaar is [142] ), de overheidsrechter gelet op het bepaalde in art. 1022 Rv Pro
nietbevoegd is om van het geschil kennis te nemen.
feitenrechtervoorbehouden uitleg van de gedingstukken en op waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet op juistheid kunnen worden onderzocht. [155]