Conclusie
[verzoeker]) heeft het faillissement aangevraagd van verweerster in cassatie (hierna:
[verweerster]), een besloten vennootschap in liquidatie. De faillissementsaanvraag is door zowel de rechtbank als het hof afgewezen. Het hof heeft geoordeeld dat [verzoeker] geen redelijk belang heeft bij de faillietverklaring van [verweerster], omdat de enige (potentiële) bate die [verzoeker] aannemelijk heeft gemaakt een vordering van [verweerster] op [verzoeker] zelf is, en niet valt in te zien welk redelijk belang [verzoeker] heeft bij een faillissement van [verweerster] waarin de enige bate die gerealiseerd kan worden wordt gevormd door een vordering op hemzelf.
1.Feiten en procesverloop
de appelprocedure). Zij heeft in hoger beroep haar eis in reconventie vermeerderd en vordert nu € 398.648,37 met rente en kosten op de grond dat [verzoeker] als bestuurder jegens [verweerster] aansprakelijk is wegens onbehoorlijk bestuur.
grief 1heeft [verzoeker] zich gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de door hem gestelde vordering niet summierlijk is gebleken. Hij heeft aangevoerd dat het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 8 maart 2017 volstaat. [10]
grief 3is aangevoerd dat ook sprake is van pluraliteit van schuldeisers, zodat aan alle vereisten voor faillietverklaring is voldaan. [13]
toev. A-G) naar het belang van zijn cliënt bij het faillissementsverzoek als honorering daarvan er slechts toe kan leiden dat de vermelde bate, die bestaat uit een vordering die tegen zijn cliënt is ingesteld, wordt geëffectueerd. (…)
toev. A-G) weerspreekt de stelling dat er mogelijke baten zijn en merkt op dat er ook geen enkel bewijs door [verzoeker] wordt aangedragen dat er mogelijke baten zijn (..)”
2.Juridisch kader
(i)de ontbinding van een vennootschap,
(ii)de faillietverklaring van een ontbonden vennootschap,
(iii)het vereiste van voldoende belang ex art. 3:303 BW Pro en ambtshalve toetsing,
(iv)het vereiste van een redelijk belang bij de faillietverklaring en ambtshalve toetsing en
(v)het ontbreken van een redelijk belang omdat (nagenoeg) geen actief te verwachten is.
de ontbinding van een vennootschap
in liquidatie’ (art. 2:19 lid 5 BW Pro). In dat geval houdt de rechtspersoon op te bestaan op het tijdstip waarop de vereffening eindigt (art. 2:19 lid 6 BW Pro), zijnde het moment waarop geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig zijn (art. 2:23b lid 9 BW).
de faillietverklaring van een ontbonden vennootschap
in de vereffeningsfasebevindt, doet aangifte tot faillietverklaring indien blijkt dat de schulden de baten vermoedelijk zullen overtreffen, tenzij alle bekende schuldeisers desgevraagd instemmen met voortzetting van de vereffening buiten faillissement (art. 2:23a lid 4 BW). In een dergelijke situatie heeft de wetgever de summiere vereffeningsprocedure niet geschikt geacht en verdient afwikkeling overeenkomstig de Faillissementswet de voorkeur. [26] Het betreft een verplichting, en geen discretionaire bevoegdheid van de vereffenaar. [27] Indien de vereffenaar verzuimt aangifte tot faillietverklaring te doen, kunnen de schuldeisers hun rechten handhaven door zelf om het faillissement van de ontbonden vennootschap te verzoeken. [28]
is opgehouden te bestaankan failliet worden verklaard. In
Adjuncten Properties/Söderqvist q.q. [29] heeft uw Raad geoordeeld dat een ontbonden rechtspersoon, die naar het oordeel van het bestuur of de vereffenaar geen baten meer heeft en derhalve is opgehouden te bestaan, op verzoek van een schuldeiser door de rechter failliet kan worden verklaard, zonder dat eerst heropening van de vereffening op de voet van art. 2:23c BW hoeft plaats te vinden. Daartoe is, naast het vervuld zijn van de vereisten voor faillietverklaring, nodig dat
summierlijkblijkt van feiten en omstandigheden die voldoende
aannemelijkmaken dat er nog
batenzijn. [30] In dat geval moet de rechtspersoon geacht worden ter afwikkeling van het faillissement te zijn blijven bestaan. [31]
voldoendebelang). [36] Met ‘voldoende belang’ wordt volgens de parlementaire geschiedenis bedoeld: voldoende belang om een procedure te kunnen rechtvaardigen. [37] Hoewel art. 3:303 BW Pro spreekt over ‘rechtsvordering’, kan de bepaling ook in verzoekschriftprocedures toepassing vinden. [38]
redelijk belang bij de faillietverklaring en ambtshalve toetsing
(nagenoeg) geen actief te verwachten
Lege boedel-beschikking [58] uit 1974 heeft uw Raad het oordeel van het hof dat, nu aannemelijk is geworden dat geen te executeren vermogen aanwezig is of binnenkort te verwachten is, verzoeker geen redelijk belang heeft bij het verzoek tot faillietverklaring, vernietigd. Uit de in art. 16 Fw Pro gegeven mogelijkheid dat de rechtbank een faillissement opheft indien de toestand van de boedel daartoe aanleiding geeft, en uit het in art. 18 Fw Pro bepaalde, dat indien na een dergelijke opheffing opnieuw een aanvraag tot faillietverklaring wordt gedaan, de aanvrager verplicht is aan te tonen dat er voldoende baten aanwezig zijn om de kosten van het faillissement te bestrijden, volgt dat bij een aanvraag tot faillietverklaring, indien daaraan niet een opheffing van een faillissement van een schuldenaar is voorafgegaan, de wet ervan uitgaat dat de curator een onderzoek instelt naar de aanwezigheid van een vermogen van de schuldenaar of naar de verwachting dat binnen afzienbare tijd zulk een vermogen aanwezig zal zijn. Dit onderzoek kan grondiger geschieden dan bij de summiere behandeling van de aanvraag als bedoeld in art. 6 lid 3 Fw Pro, aldus uw Raad.
Dantumadeel-arrest [59] heeft uw Raad een en ander bevestigd. Op het hoger beroep van de schuldenaar tegen zijn faillietverklaring had het hof – aan de hand van een eerste verslag van de curator – geoordeeld dat de aanvraagsters misbruik maakten van hun bevoegdheid om het faillissement van hun schuldenaar aan te vragen, omdat voor aanvraagsters geen enkel positief gevolg te verwachten was van een faillissement. Uw Raad kwam tot vernietiging op grond van de overweging dat:
Hoeksma q.q./Trade [60] dat het verzet alleen voor gegrondverklaring in aanmerking komt indien sprake is van een boedel die (nagenoeg) geen activa omvat en er geen enkele aanleiding bestaat voor de verwachting dat in het faillissement activa zullen kunnen worden gegenereerd. Ten tijde van de behandeling van het verzet dient de uitkomst van het door de curator (met voldoende grondigheid) uitgevoerde onderzoek beschikbaar te zijn. [61]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
ambtshalveheeft onderzocht of [verzoeker] bij de faillietverklaring van [verweerster] voldoende belang heeft in de zin van art. 3:303 BW Pro. Indien het hof niet heeft miskend dat de aanwezigheid van voldoende belang van [verzoeker] tot uitgangspunt diende te worden genomen, is zijn oordeel onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd, nu [verweerster] niet het verweer heeft gevoerd dat [verzoeker] geen belang heeft bij zijn verzoek.
onderdeel 2wordt, onder verwijzing naar rov. 3.4 van het
Dantumadeel-arrest [64] (aangehaald hiervoor onder 2.19) geklaagd dat het hof, door zich in rov. 10.2 te beperken tot een oordeel over de door
[verzoeker]aangevoerde baten, heeft miskend:
curatoris die een onderzoek instelt naar de aanwezigheid van (te verwachten) vermogen van de schuldenaar en
toelichtingop de onderdelen (cassatieverzoekschrift, nr. 6-7) wordt aangevoerd dat zonder door de curator verricht onderzoek niet kan worden uitgesloten dat [verweerster] over andere vermogensbestanddelen beschikt en dat het onmiskenbare belang van [verzoeker] erin bestaat dat naar het bestaan van dergelijke vermogensbestanddelen onderzoek wordt gedaan door een daartoe geëquipeerde en onder toezicht staande curator.
verschiler zou bestaan tussen de positie van [verzoeker] bij (i) afwijzing van het faillissementsverzoek en (ii) toewijzing van het faillissementsverzoek. [65]
verhaalbaar.