Conclusie
1.Inleiding
voor het geheel” van de door de cedenten geleden schade, (vii) heeft miskend dat naar Duits recht deelcessies van vorderingen aan bijzondere eisen van bepaaldheid moeten voldoen, (viii) de kwestie of de cedenten rechtsvoorgangers hebben die ten tijde van het kartel schade hebben geleden niet aan de schadestaatprocedure kon overlaten, (ix) heeft miskend dat voor het antwoord op de vraag of sprake is van geldige cessies, niet relevant is dat DWK c.s (nog) niet hebben hoeven betalen op de vordering zodat onzekerheid over aan wie zij moeten betalen geen rol speelt, (x) ten onrechte heeft overwogen dat het hof geen hoge eisen zal stellen aan het bepaalbaarheidsvereiste naar Duits recht omdat die eisen al snel te hoog zijn gelet op het EU-rechtelijke doeltreffendheidsbeginsel, (xi) heeft miskend dat DB c.s. wel degelijk kan worden tegengeworpen dat zij onvoldoende gegevens in het geding hebben gebracht om specifieker te omschrijven op welke vorderingen de deelcessies zien, (xii) de kwestie of de cedenten rechtsvoorgangers hebben die ten tijde van het kartel schade hebben geleden niet aan de schadestaatprocedure kon overlaten, (xiii) ten onrechte heeft geoordeeld dat moedermaatschappij Saarstahl hoofdelijk aansprakelijk is voor de gehele schade, (xiv) de vorderingen van eiseressen 3, 5 en 6 had moeten afwijzen omdat DB c.s. niet hebben aangetoond dat ook zij spanstaal in de zin van het Besluit hebben afgenomen en (xv) ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden heeft geoordeeld dat immuniteit niet in de weg staat aan hoofdelijke aansprakelijkheid.
per transactiemoet worden beoordeeld of er grond is voor toewijzing van een concreet schadebedrag.
2.Feiten
3.Procesverloop
Eerste aanleg
eerste tussenarrest) heeft het hof geoordeeld dat op de procedure als zodanig het Nederlandse procesrecht (als
lex fori) van toepassing is (r.o. 3.10) en dat
“naar Duits recht het aanhangig maken van onderhavige procedures de lopende verjaring van de vorderingen van DB c.s. op geïntimeerden heeft geschorst en dat geen van de vorderingen op geïntimeerden is verjaard.”(r.o. 3.40). Aan dit laatste oordeel heeft het hof het volgende ten grondslag gelegd:
Relevante verjaringstermijnen naar Duits recht
tweede tussenarrest) heeft het hof in r.o. 6.4 overwogen dat DB c.s. hebben gekozen voor een weloverwogen processtrategie, die uit twee elementen bestaat:
“Stelplicht en Aktivlegitimation”is het hof in r.o. 6.7-6.15 ingegaan op het eerste thema. Het hof heeft overwogen dat DB c.s. hebben gekozen voor een abstracte benadering, waarbij de concrete transactiegegevens niet (of pas later, in de schadestaatprocedure) van belang zijn, omdat zij vinden dat volstaan kan worden met het Besluit van de Europese Commissie en het door hen overgelegde economisch model van Oxera. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat de door DB c.s. overgelegde gegevens onvoldoende zijn, omdat de Duitse rechter concrete transactiegegevens noodzakelijk acht en bij gebreke daarvan, vorderingen als die van DB c.s. afwijst, en ook de Nederlandse rechter in kartelzaken niet bereid is genoegen te nemen met een dergelijke abstracte benadering als basis voor de toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat. Hierbij heeft het hof, in lijn met beoordelingen van het hof Arnhem-Leeuwarden en de rechtbanken Amsterdam en Rotterdam, [16] vijf punten van belang gevonden:
Aktivlegitimationnader [zal] beoordelen nadat DB c.s. haar stellingen als hiervoor overwogen heeft aangevuld en in het licht van het nadere debat daarover.”
“Cessies – Duitse staat; overgang bij verzelfstandiging”(r.o. 6.16-6.18) is het hof ingegaan op het tweede thema. Het hof heeft overwogen dat het bij dit thema in de kern gaat om de vraag of DB c.s. in dit geding (vergoeding van) schade kunnen vorderen geleden door de Duitse staat, enerzijds als oud exploitant/beheerder van de spoorwegen en anderzijds als verstrekker van financiële middelen voor bepaalde investeringen in infrastructuur. Het hof heeft geoordeeld:
“Overige cessies – Rail.One, Durtrack en Moll”(r.o. 6.19 e.v.) is het hof ingegaan op de (door geïntimeerden bestreden geldigheid van) overige cessies waarop DB c.s. hun vordering doen steunen. Het gaat om cessies door een drietal directe afnemers van (rechtsvoorgangers van) geïntimeerden aan DB c.s. Het gaat om de leveranciers genoemd in r.o. 6.4, onder (2) en (b).
“Aansprakelijkheid moedermaatschappijen”(r.o. 6.25 e.v.) is het hof ingegaan op het derde thema. Daarin is aan de orde de vraag of de moedermaatschappijen ArcelorMittal SA, ArcelorMittal España, Westfälische Drahtindustrie Verwaltungsgesellschaft GMBH & Co KG, Pampus Industriebeteiligungen GmbH & Co KG, Nedri Spanstaal BV en Saarstahl AG, die door de Europese Commissie hoofdelijk aansprakelijk zijn bevonden voor (een deel van) [20] de aan hun respectievelijke dochterondernemingen opgelegde boetes en dus ook zijn beboet (zie r.o. 6.26), ook naar het Duitse burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn, naast de dochtermaatschappijen die (volgens de Europese Commissie) direct betrokken zijn geweest bij de gewraakte handelwijze. Het hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord in r.o. 6.45:
eindarrest) heeft het hof in r.o. 9.2.1 de (in hoger beroep gewijzigde) vorderingen van DB c.s. weergegeven:
Schlecker, waarin verwezen wordt naar eerdere relevante jurisprudentie, in het bijzonder de uitspraak van het Bundesgerichtshof van 28 januari 2020 in de zaak
Schienenkartel IIen de latere uitspraken van het Bundesgerichtshof van 23 september 2020 en 13 april 2021 in de zaken
LKW-Kartell I en LKW-Kartell II. Het hof heeft het volgende afgeleid uit deze jurisprudentie:
Betroffenheit) en de omvang van de aansprakelijkheid (de zogenoemde
Kartellbefangenheit). Uit onder meer de uitspraak van het Bundesgerichtshof in de zaak Schlecker blijkt dat de maatstaf voor
Betroffenheit– thans – is dat slechts (
lediglich) vereist is dat het mededingingsbeperkende gedrag direct of indirect schade heeft kunnen veroorzaken bij de eisende partij. Of dit gedrag daadwerkelijk schade heeft veroorzaakt, en dus of er sprake is van
Kartellbefangenheit, is een andere vraag (
weitergehende Frage). Voor het vaststellen van aansprakelijkheid hoeft die vraag niet te worden beantwoord. Daarom hoeft daarvoor ook niet te worden vastgesteld dat de eisende partij concreet en individueel is geschaad door het kartel. Daarvoor is voldoende dat de eisende partij producten heeft gekocht die onder de mededingingsinbreuk vallen.”
Schlecker). Het hof heeft in het tussenarrest van 27 juli 2021 DB c.s. in de gelegenheid gesteld om hun vorderingen toe te lichten aan de hand van transacties (contracten, facturen, pakbonnen, gegevens uit haar administratie en jaarstukken, enzovoort) en/of andere voldoende inzichtelijke gegevens, zoals afgenomen tonnen per entiteit, per jaar en per leverancier, met een overzicht van de toepasselijke prijzen (zie rov. 6.14 onder 3). Vervolgens heeft de raadsheer-commissaris in een tweetal overleggen, op 28 oktober 2021 en op 5 april 2022, met partijen besproken welke informatie het hof verwacht en hoe deze dient te worden aangeleverd. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in de geconsolideerde akte uitlating transactiegegevens van DB c.s. d.d. 15 juni 2022 van DB c.s. met producties 109 tot en met 232.
prestressing steel”). Het hof verwijst naar hetgeen in het Besluit op blz. 9 is opgenomen onder het kopje‘ 1. The Product’. Hieruit blijkt dat het kartel […] betrekking [had] op [de] gehele sector spanstaal, met uitzondering van speciale strengen en draagkabels. Spanstaal bestaat uit lange, gekrulde metaaldraden en metaalstrengen die in combinatie met beton op bouwwerven worden gebruikt voor het maken van (onder andere) funderingen, balkons, bruggen, ondergrondse bouwwerken en betonnen dwarsliggers voor de spoorwegen (‘
railway sleepers’). De vorderingen van DB c.s. hebben betrekking op aankopen van spanstaal voor gebruik in spoorbielzen en andere bouwwerken die onderdeel uitmaken van of gelieerd zijn aan het Duitse spoorwegennet.
Kartellbetroffenheit, en dus niet ook
Kartellbefangenheit– dat DB c.s. producten hebben gekocht die voorwerp waren van het kartel als omschreven in het Besluit en transacties hebben verricht die beïnvloed zijn door het kartel.
Aktivlegitimationvoldaan is aan de vereisten voor de vestiging van aansprakelijkheid volgens de toepasselijke maatstaf naar Duits recht en dat de zaak naar de schadestaatprocedure kan worden verwezen om de schade te begroten. Het hof ziet geen aanleiding nadere gegevens van DB c.s. te verlangen. DB c.s. hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de inspanningen hebben verricht en de kosten hebben gemaakt die in deze fase van hen kan worden gevergd. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen de toelichting van de data specialisten van DB c.s. tijdens de mondelinge behandeling op 29 november 2023. Het is evenmin nodig in dit stadium van deze procedure en voor de thans te geven beoordelingen op grond van artikel 22 Rv Pro dan wel op grond van artikel 843a Rv te proberen gegevens van geïntimeerden te verkrijgen. Aan het verzoek daartoe van DB c.s. gaat het hof dan ook thans voorbij bij gebrek aan belang.”
LKW-Kartell Iin rechtsoverweging 33).
Betroffenheit) en de omvang van de aansprakelijkheid (
Kartellbefangenheit). De slotsom is dat DB c.s. aan hun stelplicht hebben voldaan voor wat betreft de vereisten voor de vestiging van aansprakelijkheid. Aan nadere bewijslevering komt het hof niet toe.
LKW-Kartell IIaanhalen. Deze rechtsoverweging geeft inzicht in waarom in deze fase niet hoeft te worden vastgesteld dat DB c.s. concreet en individueel is geschaad door het kartel. In rechtsoverweging 21 van deze uitspraak overweegt het Bundesgerichtshof:
In hoeverre zijn DB c.s. vorderingsgerechtigd?
Schienenkartel V(rechtsoverwegingen 59 en 67). Het hof stelt allereerst vast dat van een verrassingsbeslissing geen sprake is. Voorafgaand aan het tussenarrest van 27 juli 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden op 26 april 2021. In de pleitaantekeningen van DB c.s. voor die mondelinge behandeling wordt op blz. 5 in randnr. 2.13 aangevoerd dat de opbrengst van de vorderingen als winst uiteindelijk aan de Duitse staat zal toekomen aangezien hij 100% aandeelhouder is van Deutsche Bahn AG die op haar beurt DB Netz volledig in handen heeft. Hierop heeft het hof in het tussenarrest van 27 juli 2021 zijn beslissing gebaseerd. Geïntimeerden betwisten ook niet dat de Duitse staat jaarlijks financiering verstrekt aan DB c.s. en dat door DB c.s. verkregen ‘voordelen’ (schadevergoeding) in enig jaar daarop in mindering strekken. Overigens hebben DB c.s. tijdens de mondelinge behandeling op 29 november 2023 het onderhavige verweer herhaald.
upstream pass-onis geweest. De
upstream pass-onbetekent dat de cedenten extra kosten door het kartel (
overcharge) hebben doorgegeven (via de prijzen bij transacties tussen de cedenten en DB c.s.) aan de cessionaris. In het alternatieve geval (100%
upstream pass-on,
overchargegeheel doorgegeven aan DB c.s.) zijn de cessies niet nodig, omdat DB c.s. dan zelf alle gestelde schade lijden.
De positie van DWK c.s. nader beschouwd
Aktivlegitimation, zoals hiervoor al is geoordeeld (in rov. 9.4.11), aan de vereisten voor de vestiging van aansprakelijkheid volgens de toepasselijke maatstaf naar Duits recht voldaan en kan de zaak naar de schadestaatprocedure worden verwezen om de schade te begroten. Geïntimeerden zijn gemeenschappelijk en hoofdelijk aansprakelijk, zoals DB c.s. hebben toegelicht. Uit al het voorgaande blijkt tot slot dat geen van de verweren van geïntimeerden tegen toewijzing van de vorderingen onder A tot en met D van DB c.s. slaagt. Op grond van artikel 33 GWB Pro als in deze zaak aan de orde zijn deze vorderingen […] dan ook toewijsbaar.”
4.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Kartellbetroffenheiten
Kartellbefangenheit.
Verhouding hoofdprocedure en schadestaatprocedure
Kartellbetroffenheiten
Kartellbefangenheit.
Betroffenheit) en de omvang van de aansprakelijkheid (de zogenoemde
Kartellbefangenheit)” (r.o. 9.3.3 eindarrest). Ik wijs in dit verband op r.o. 9.4.12 en 9.4.14-9.4.15, waaruit eveneens blijkt dat het hof is uitgegaan van het genoemde onderscheid.
Kartellbetroffenheitis een vereiste waaraan voldaan moet zijn om tot aansprakelijkheid op grond van het Duitse mededingingsrecht te komen. [28] Het begrip
Betroffenheithoudt verband met § 33 en § 33a van het
Gesetz gegen Wettbewerbsbeschränkungen(GWB). Deze bepalingen luiden voor zover van belang als volgt:
‘Betroffen(en)’staat in Abs. 1 en Abs. 3 van § 33. Abs. 1 bepaalt dat een ieder die in strijd handelt met, kort gezegd, (dit deel van) het GWB of met artikel 5, 6 of 7 van EU-Verordening 2022/1925, tegenover de
‘Betroffenen’verplicht is om de overtreding ongedaan te maken en, bij gevaar voor herhaling, de overtreding achterwege te laten. Abs. 3 bepaalt wie als
‘Betroffenen’zijn aan te merken: concurrenten of andere marktdeelnemers die nadelige gevolgen ondervinden van de overtreding van het mededingingsrecht. § 33a Abs. 1 bepaalt dat wie
vorsätzlichof
fahrlässigeen overtreding begaat als bedoeld in § 33 Abs. 1, verplicht is de daardoor ontstane schade te vergoeden.
Betroffenheitin kartelzaken maakt deel uit van, kort gezegd, de
haftungsbegründende Kausalität. [29] In het Duitse aansprakelijkheidsrecht wordt een onderscheid gemaakt tussen
haftungsbegründende Kausalitäten
haftungsausfüllende Kausalität. [30] Het vereiste van
haftungsbegründende Kausalitäthoudt in, kort gezegd, dat het onrechtmatig handelen tot een schending van een rechtsgoed moet hebben geleid. [31] Het vereiste van
haftungsausfüllende Kausalitätdaarentegen ziet op het causale verband tussen de schending van het rechtsgoed en de concrete schade. Vanzelfsprekend bestaat er alleen dan een schadevergoedingsplicht als van beide vormen van causaliteit sprake is. [32]
Bundesgerichtshofin overwegingen 29 a) en 30 b) van het
Schlecker-arrest [33] alleen heeft overwogen dat in het kader van het vereiste van
Kartellbetroffenheit, dat als gezegd volgt uit § 33 van het GWB, volstaat
“dass das wettbewerbsbeschränkende Verhalten geeignet ist, einen Schaden des Anspruchstellers unmittelbar oder mittelbar zu begründen”, en dat het
daarbij, dus in het kader van het vereiste van
Kartellbetroffenheit, niet aankomt op de verdergaande vraag of het mededingingsbeperkende gedrag daadwerkelijke schade heeft veroorzaakt. Het
Bundesgerichtshofheeft niet overwogen, en heeft ook niet bedoeld, dat reeds sprake is van een schadevergoedingsplicht als er sprake is van
Kartellbetroffenheit, en dat dan aan de
haftungsausfüllende Kausalitätkan worden voorbijgegaan.
“Voor het toewijzen van een concreet schadebedrag is naar Duits recht, naar het hof afleidt uit de overgelegde jurisprudentie waaronder ook de uitspraak van het Oberlandesgericht Düsseldorf, wel vereist dat er sprake is van een concrete en individuele onderbouwing van de schade.”Dit betekent dat volgens het hof zowel aan de
haftungsbegründende Kausalitätals aan de
haftungsausfüllende Kausalitätmoet zijn voldaan, alvorens een concreet schadebedrag kan worden toegewezen. [34]
“maar concrete feiten of stukken op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat de Europese Commissie (in afwijking van artikel 30 voornoemd Pro en de weergegeven samenvatting) de hiervoor beschreven informatie volledig eerder heeft vrijgegeven dan in november 2011 of dat DB c.s. eerder met die informatie bekend was of kon zijn, zijn aangevoerd noch gebleken.”De klacht aan het slot van sub-subonderdeel 1.1.5 mist dan ook feitelijke grondslag.
lex causae, dat oordeel onjuist is. Althans is, voor zover het hof van oordeel is dat naar Duits recht de grondslag niet ligt in iedere individuele transactie, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk hoe dit is te verenigen met zijn oordeel dat naar Duits recht een zelfstandige vordering ontstaat naar aanleiding van iedere individuele transactie.
haftungsbegründende Kausalitäten
haftungsausfüllende Kausalität, en in overeenstemming hiermee in kartelzaken tussen
Kartellbetroffenheiten
Kartellbefangenheit(randnummers 4.7-4.13 hiervoor), zulks in samenhang met het feit dat in deze zaak Nederlands procesrecht van toepassing is. Ik wijs in dit verband ook op wat Uw Raad heeft overwogen in r.o. 3.2.5 van HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1761 (Kone & Otis/Stichting de glazen lift) (randnummer 4.6 hiervoor).
Betroffenheit) zijn voldaan.
Betroffenheitworden aangetoond. In het licht van deze stellingname van DWK c.s. is het oordeel van het hof over de inhoud van het Duitse recht – in het bijzonder het oordeel dat voor het vaststellen van aansprakelijkheid voldoende is dat de eisende partij producten heeft gekocht die onder de mededingingsinbreuk vallen, zonder dat dit aan de hand van individuele, concrete transactiegegevens per eisende partij en per cedent wordt toegelicht (en daarmee: zonder dat duidelijk is welke producten de eisende partij heeft gekocht) – onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
Schienenkartell II,
LKW-Kartell I,
LKW-Kartell IIen
Schlecker, is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het hof licht immers niet toe waarom dat het geval zou zijn.
haftungsbegründende Kausalitäten
haftungsausfüllende Kausalität, en in overeenstemming hiermee in kartelzaken tussen
Kartellbetroffenheiten
Kartellbefangenheit(randnummers 4.7-4.13 hiervoor), zulks in samenhang met het feit dat in deze zaak Nederlands procesrecht van toepassing is. Ik wijs er in dit verband op dat het hof niet heeft weggekeken van concrete transactiegegevens. In r.o. 9.4.9 immers heeft het hof overwogen dat uit de transactiegegevens van DB c.s. blijkt dat die onder meer aankopen van spanstaal voor de productie van spoorbielzen en dwarsliggers betreffen (r.o. 9.4.9).
Schlecker-arrest moet worden uitgelegd; zie hierna sub-subonderdeel 2.3.8).
Schleckermoet worden uitgelegd. [37] .
Schleckerhet “meest recente” arrest van het Bundesgerichtshof (r.o. 9.3.1) was, en dat daarin “thans” een maatstaf zou zijn neergelegd (r.o. 9.3.3) die “grotendeels nieuwe” jurisprudentie (r.o. 9.3.5) zou inhouden. Volgens het sub-subonderdeel is het hof mede op basis van deze overwegingen tot een andere uitleg van het Duitse recht gekomen dan waarvan het hof in het tweede tussenarrest uitging. Dat is volgens het sub-subonderdeel onbegrijpelijk, omdat, zoals ook het hof in r.o. 9.3.1 heeft overwogen (en bovendien ook volgt uit het citaat in r.o. 9.3.2), in het arrest
Schleckerwordt verwezen naar
Schienenkartell II, een arrest van het Bundesgerichtshof van 28 januari 2020, en de uitspraken
LKW-Kartell Ien
LKW-Kartell IIvan 23 september 2020 en 13 april 2021. De uitspraken
Schienenkartell II,
LKW-Kartell Ien
LKW-Kartell IIdateren van vóór het tweede tussenarrest (en de uitspraken
Schienenkartell Ien
LKW-Kartel Izijn ook vóór het tweede tussenarrest aangehaald). Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is tegen deze achtergrond niet navolgbaar op welke gronden het hof heeft gemeend dat – kort gezegd – het arrest
Schlecker(grotendeels) nieuwe jurisprudentie zou inhouden of dat daarin een nieuwe (van eerdere jurisprudentie afwijkende) maatstaf zou zijn neergelegd. De (wijze van) verwijzing naar
Schienenkartell II,
LKW-Kartell Ien
LKW-Kartell IIlaat immers zien dat juist sprake is van een bestendige lijn in de jurisprudentie, zoals door geïntimeerden ook is gesteld.
Schlecker-arrest wat de inhoud betreft nieuwe jurisprudentie is.
Kartellbetroffenheit, en dus niet ook
Kartellbefangenheit– dat DB c.s. producten hebben gekocht die voorwerp waren van het kartel zoals omschreven in het Besluit en transacties hebben verricht die beïnvloed zijn door het kartel.
Schlecker-arrest.
Schlecker-arrest van 29 november 2022 van het Bundesgerichtshof (r.o. 9.3.2 eindarrest), waarmee het belang van het onderscheid tussen
Betroffenheiten
Befangenheit(r.o. 9.3.3 eindarrest) duidelijk(er) werd. Daarnaast is inderdaad, zoals het hof heeft overwogen in r.o. 9.3.5, de vraag naar de uitleg van het Duitse recht voorwerp van het partijdebat geweest tijdens de mondelinge behandeling van 29 november 2023. In dat kader is ook het maken van een knip, verdeeld over de hoofdprocedure en de schadestaatprocedure, tussen het vaststellen van de aansprakelijkheid en het vaststellen van de schade, aan de orde gekomen. [43] DWK c.s. hebben zich hierover dus kunnen uitlaten. Van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing is dan ook geen sprake geweest.
Schlecker-arrest voortbouwt op eerdere relevante jurisprudentie van het Bundesgerichtshof. Dit blijkt uit r.o. 9.3.1 van het eindarrest, waarin het hof heeft overwogen:
“Dit is de meest recente uitspraak van het Bundesgerichtshof die door partijen is overgelegd en daarin wordt verwezen naar eerdere relevante jurisprudentie, in het bijzonder de uitspraak van het Bundesgerichtshof van 28 januari 2020 in de zaak Schienenkartel II (productie 233 van DB c.s.) en de latere uitspraken van het Bundesgerichtshof van 23 september 2020 en 13 april 2021 in de zaken LKW-Kartell I en LKW-Kartell II (producties 249 en 250 van DB c.s.).”Ik wijs verder op de schets van het verloop van de procedure in r.o. 8.1 van het eindarrest. Producties 233 (
Schienenkartel II), 249 en 250 (
LKW-Kartell I en LKW-Kartell II) zijn ná het tweede tussenarrest, voorafgaand aan de mondelinge behandeling van 29 november 2023 aan het hof toegezonden. Het is daarom niet onbegrijpelijk dat het hof van “(grotendeels nieuwe) jurisprudentie” spreekt in r.o. 9.3.5, nadat het in het tweede tussenarrest niet op deze jurisprudentie is ingegaan.
“Het is wel aangevoerd tijdens de mondelinge behandeling. (…)”en “
Debat is gewoon gevoerd tijdens de zitting en het gaat om de bahnnotwendig in relatie tot de financiering. Ik zie dus niet in dat het dan een ver[r]assingsbeslissing kan zijn geweest.”Van de mondelinge behandeling van 26 april 2021 is (helaas) geen proces-verbaal opgemaakt. [46]
“Geïntimeerden betwisten ook niet dat de Duitse staat jaarlijks financiering verstrekt aan DB c.s. en dat door DB c.s. verkregen ‘voordelen’ (schadevergoeding) in enig jaar daarop in mindering strekken.”DWK c.s. hadden wel de mogelijkheid om dat nog te betwisten (zie immers de voorlaatste zin van r.o. 6.18, onder (2), van het tussenarrest).
“de kartelschadeclaims tot aan de verzelfstandiging in 1994 mee zijn overgegaan naar Deutsche Bahn AG bij de verzelfstandiging, zodat DB c.s. gerechtigd is deze claims geldend te maken.”(zie ook r.o. 9.5.2.1 van het eindarrest). In r.o. 6.18, onder (2), van het tweede tussenarrest is het hof ingegaan op het verweer dat DB c.s. geen schade hebben geleden omdat de Duitse overheid (vanaf de verzelfstandiging van de Duitse spoorwegen in 1994) bepaalde kosten voor haar rekening neemt, waardoor eventuele schade (deels) is vergoed door de Duitse staat. Het hof heeft dit verweer verworpen (zie ook r.o. 6.18, onder (3)). Volgens het hof kan niet worden gezegd dat DB c.s. in dit kader geen relevante schade hebben omdat de Duitse staat haar financiert; Deutsche Bahn AG en de Duitse staat hebben een duurzame relatie, de financiering door de Duitse staat is beperkt tot wat noodzakelijk is, Deutsche Bahn heeft de verplichting kosten te beperken en als zij bij de uitvoering van die taken de veroorzaakte schade verhaalt op derden, zal de financiering in een jaar later lager zijn. In r.o. 6.18, onder (3), ten slotte heeft het hof overwogen dat zijn beslissingen onder (1) en (2) meebrengen dat de gestelde cessies door de Duitse staat aan DB c.s. verder onbesproken kunnen blijven, omdat DB c.s. zich op deze cessies beroepen voor het geval dat claims bij de verzelfstandiging (in 1994) onverhoopt niet mee zijn overgegaan en voor het geval dat Deutsche Bahn AG geen schade heeft omdat de Duitse staat financiering heeft verstrekt, en deze gevallen zich dus niet voordoen.
zelf. Ik wijs in dit verband op r.o. 6.18, onder (2), van het tussenarrest, waar wordt gesproken van
“DB c.s. heeft geen schade”, alsmede op de eerste zin van r.o. 9.5.2.3 van het eindarrest, waar het hof spreekt van
“of DB c.s. (…) schade hebben”. Het hof heeft dus schade, geleden door DB c.s. zelf, op het oog gehad. De zin
“dat DB c.s. schade kan vorderen geleden door de Duitse staat als verstrekker van financiële middelen (…)”in r.o. 9.5.2.3 is hoogstens wat ongelukkig. Mogelijk heeft het hof hiermee willen refereren aan dezelfde woorden in r.o. 6.16 van het tweede tussenarrest.
en de Bondsrepubliek Duitslandgeleden schade, en heeft daarbij overwogen:
“welke schade DB c.s. vordert als rechthebbende van de voornoemde vorderingen tot schadevergoeding”. [47] Men zou dit zo kunnen lezen dat het hof hiermee de door DB c.s. uit hoofde van cessie verkregen vorderingen op het oog heeft gehad, omdat het hof de Bondsrepubliek Duitsland in één adem noemt met Rail.One, Durtrack en Moll. Daarom wijs ik erop, ter verduidelijking, dat het hof heeft geoordeeld dat
“de kartelschadeclaims tot aan de verzelfstandiging in 1994 mee zijn overgegaan naar Deutsche Bahn AG bij de verzelfstandiging, zodat DB c.s. gerechtigd zijn deze claims geldend te maken”(r.o. 6.18, onder (1), van het tweede tussenarrest en r.o. 9.5.2.1 van het eindarrest),
“dat de gestelde cessies door de Duitse staat aan DB c.s. verder onbesproken kunnen blijven”(r.o. 6.18, onder (3), van het tweede tussenarrest) en dat het hof
“niet toe[komt] aan de vraag of de Duitse staat zijn vorderingen rechtsgeldig heeft gecedeerd aan DB c.s., in het bijzonder aan DB Netz.”(r.o. 9.5.2.3 van het eindarrest). Het hof heeft dus bedoeld: DB c.s. kunnen vorderingen strekkende tot vergoeding van schade veroorzaakt door het kartel tot aan de verzelfstandiging in 1994 te gelde maken omdat die vorderingen in 1994 mee zijn overgegaan en voor wat betreft de periode na 1994 kan in de schadestaatprocedure de financiering door Duitse overheid aan de orde komen in het kader van de vraag of DB c.s. schade hebben geleden.
“het geheel”. Dat is volgens het sub-subonderdeel onbegrijpelijk, omdat de cedenten met de deelsessies immers niet het geheel van hun schade hebben overgedragen aan DB Netz AG, maar slechts het gedeelte dat ziet op producten waarin spanstaal is verwerkt die uiteindelijk aan DB c.s. is geleverd.
“deze schade (...) op te maken bij staat”. Daarop zien de woorden
“het geheel”. Duidelijk is dat in de schadestaatprocedure zal moeten blijken in hoeverre de aan DB c.s. gecedeerde kartelschadevorderingen van de leveranciers toewijsbaar zijn (r.o. 9.5.5.2 eindarrest). Ik wijs voorts op de eerste zin van r.o. 9.5.5.2:
“Duidelijk is dat het gaat om de kartelschadevorderingen van de leveranciers – Moll, Rail.One en Durtreck en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH – voor de aan DB c.s. geleverde spanstaalproducten.”
“in de fase die nu aan de orde is”(r.o. 9.5.5.2 van het eindarrest), omdat de bepaaldheid en rechtsgeldigheid van de cessies niet op een later moment opnieuw aan de orde komt.
“in de fase die nu aan de orde is”heeft bedoeld dat voldaan is aan de maatstaf voor bepaaldheid volgens Nederlands recht en dat (ook) eventueel achteraf, aan de hand van de cessieakte kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat, dat oordeel onjuist is, nu immers Duits recht bijzondere eisen van bepaaldheid aan deelcessies stelt.
“Het hof onderkent dat dergelijke cessies naar Duits recht moeten voldoen aan bijzondere eisen van bepaaldheid. Het gaat er vooral om dat de cessie-akte zelf de vereiste duidelijkheid moet bieden. Het hof merkt echter ook op dat een bijzondere situatie aan de orde is in dit geding, namelijk een weloverwogen processtrategie van DB c.s. waarbij DB c.s. samenwerkt met de leveranciers/cedenten. Een dergelijke situatie doet zich (naar bij gebreke vaneen toelichting moet worden aangenomen) in de overgelegde Duitse jurisprudentie niet voor.”Ook hieruit blijkt dat het hof is uitgegaan van het Duitse recht ter zake en dat het hof heeft onderkend dat het Duitse (goederen)recht bijzondere eisen van bepaaldheid kent.
“namelijk een weloverwogen processtrategie van DB c.s. waarbij DB c.s. samenwerkt met de leveranciers/cedenten”, en dat die bijzondere situatie zich niet voordoet in de door partijen overgelegde Duitse jurisprudentie (waaruit het vereiste van bepaaldheid zou moeten volgen). Hierbij heeft het hof de context betrokken (r.o. 9.5.5.3 eindarrest); DB c.s. werken samen met de cedenten, die ook gedupeerd zijn, en als er hoge eisen zouden worden gesteld aan de cessies, dan zou dat mogelijk in strijd zijn met het Europeesrechtelijke doeltreffendheidsbeginsel (waarmee ook de Duitse rechter rekening heeft te houden). Ten slotte heeft het hof in dit kader meegewogen dat DB c.s. aanzienlijke inspanningen hebben verricht om specifieker te omschrijven op welke vorderingen de deelcessies zien en dat er geen aanwijzingen zijn dat er kartelschadevorderingen van Moll, Rail.One en Durtrack [48] en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH in relatie tot leveranties aan DB c.s. zijn, die niet zijn overdragen aan DB c.s. (r.o. 9.5.5.4). Deze argumenten kunnen het oordeel van het hof dragen.
“Geïntimeerden hoeven (nog) niet [te] betalen op de vorderingen, dus onzekerheid over aan wie zij moeten betalen, speelt geen rol. Ook lopen zij niet het risico dat zij door anderen worden aangesproken voor vorderingen waarop zij al aan DB c.s. betaald hebben”. Volgens het sub-subonderdeel zijn deze overwegingen onbegrijpelijk. De rechtsgeldigheid van de cessies is immers niet ervan afhankelijk of DWK c.s. feitelijk al hebben moeten betalen. De kern van het verweer over het bepaaldheidsvereiste is dat DWK c.s. juist wel het risico lopen dat zij aan de verkeerde partij betalen. Zij weten immers niet welke (delen van) vorderingen naar DB c.s. zijn overgegaan, en welke bij de cedenten zijn achtergebleven.
“al snel te hoog”zijn gelet op het EU-rechtelijke doeltreffendheidsbeginsel, miskent dat dit beginsel hooguit in de weg kan staan aan het stellen van eisen aan een vordering tot schadevergoeding als die eisen daadwerkelijk te hoog zijn (in de zin dat zij het geldend maken van die vordering niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken). Het sub-subonderdeel wijst erop dat het hof niet heeft vastgesteld dat die eisen daadwerkelijk te hoog zijn.
“Hier komt bij dat gegevens om te bepalen welke transacties tussen de cedenten en geïntimeerden zijn beïnvloed door het kartel in het domein van geïntimeerden liggen en DB c.s. daartoe geen toegang hebben.”Het sub-subonderdeel gaat ervan uit dat het hof ook deze omstandigheid ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat hogere eisen
“al snel te hoog”zijn. Volgens het sub-subonderdeel heeft het hof dan miskend dat de betreffende gegevens in elk geval wél in het domein van de cedenten liggen en de cedenten hun eigen vorderingen ook zelf hadden kunnen instellen. Het doeltreffendheidsbeginsel staat daaraan ook niet in de weg. De cessies zijn echter onderdeel van de bewust gekozen processtrategie van DB c.s. en komen dan ook voor risico van DB c.s. Deze keuze kan niet aan DWK c.s. worden tegengeworpen.
overchargevan die transacties. Die transactiegegevens liggen in het domein van DB c.s. (en van de cedenten), en daar hebben DWK c.s. geen toegang toe.
“Hier komt bij dat (…)”ten overvloede gegeven en de overwegingen van het hof in r.o. 9.5.5.3 kunnen diens oordeel dat aan het bepaalbaarheidsvereiste is voldaan zelfstandig dragen. Los daarvan is wat het hof heeft overwogen in r.o. 9.5.5.4 niet onbegrijpelijk. Ervan uitgaande dat de cedenten (leveranciers) en de geïntimeerden (de voormalig kartellisten) degenen zijn die hebben gecontracteerd, dat DB c.s. buiten die contracten stonden, en dat DB c.s. veel inspanningen hebben verricht om gegevens boven water te krijgen, kon het hof oordelen dat het niet aangaat, dat wil zeggen dat het niet redelijk is, dat geïntimeerden DB c.s. tegenwerpen dat niet aan het bepaalbaarheidsvereiste is voldaan.
“Er is steeds door DB gezegd; als er nog gegevens zijn bij geïntimeerden dan ligt dat op de weg bij geïntimeerden om het in het geding te brengen. Er is veel tijd aan besteed en geld. Maar mocht dat niet voldoende zijn, dan ligt het op de weg geïntimeerden om data in het geding te brengen.” [50]
(“Hier komt bij dat (…)”) en zijn daarnaast niet onbegrijpelijk. Het hof kon meewegen dat dergelijke aanwijzingen er niet zijn. Dit duidt er immers op dat DWK c.s. niet het risico lopen op een nadere aanspraak van de cedenten. Daarin heeft het hof aanleiding kunnen vinden niet al te hoge eisen te stellen aan de bepaalbaarheid.
Onderdeel 5ziet op r.o. 9.5.6 van het eindarrest, waarin het hof het verweer van onder andere DWK c.s., dat Moll, Rail.One, Durtrack en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH vóór hun oprichting in elk geval geen vorderingsrecht hebben, heeft verworpen. Het onderdeel bestaat uit een inleiding en een subonderdeel dat is onderverdeeld in vier sub-subonderdelen: 5.1.1-5.1.4.
“voldoende aannemelijk [is] dat de (materiële) oorsprong van (het vermogen van) de cedenten eerder ligt dan hun respectieve oprichtingsdata”, is niet voldoende.
“nader toe te lichten dat en waarom bepaalde cedenten bepaalde vorderingen hebben gehad (die vervolgens zijn gecedeerd aan welke vennootschappen van DB c.s.). Het gaat hierbij om wanneer elke onderneming/vennootschap is opgericht, hoe activa zijn overgegaan naar andere ondernemingen/vennootschappen en welke producten door welke ondernemingen zijn gekocht in de loop van de jaren.”(r.o. 6.24).
“dat de (materiële) oorsprong van (het vermogen van) Moll, Rail.One, Durtreck en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH eerder ligt dan hun respectieve oprichtingsdata.”
Kartellbefangenheit).
enDurtreck
enNorddeutsche Logistik und Baustoff GmbH” (zie onder meer r.o. 9.5.5.4). Met ‘Durtrack’ in het dictum van het eindarrest is daarmee ook bedoeld: Norddeutsche.
Onderdeel 6is gericht tegen het dictum voor zover het inhoudt dat Saarstahl [52] – eiseres tot cassatie sub 2 – hoofdelijk aansprakelijk is voor het geheel van de door DB c.s. geleden schade. Het onderdeel vangt aan met een inleiding, waarin wordt verwezen naar r.o. 3.1, onder (b), van het eerste tussenarrest, naar r.o. 6.25-6.45 van het tweede tussenarrest, naar r.o. 9.4.2 en r.o. 9.10.5 van het eindarrest, en naar het dictum van het eindarrest. Het onderdeel bestaat uit vier subonderdelen: 6.1 tot en met 6.4.
Subonderdeel 6.1voert aan dat het oordeel van het hof dat Saarstahl hoofdelijk aansprakelijk is, rechtens onjuist is. Volgens het subonderdeel heeft het hof een te ruime reikwijdte gegeven aan de hoofdelijke aansprakelijkheid van ondernemingen en daartoe behorende rechtspersonen (juridische entiteiten) voor inbreuken op het mededingingsrecht. Op grond van art. 101 VWEU Pro zijn ondernemingen immers slechts hoofdelijk aansprakelijk voor zover de schade is veroorzaakt door een
gezamenlijkmet andere ondernemingen gepleegde inbreuk op het mededingingsrecht, terwijl
juridische entiteiten(zoals Saarstahl) slechts hoofdelijk aansprakelijk zijn voor zover zij op het moment van de inbreuk deel uitmaken van de economische eenheid die de inbreuk heeft gepleegd.
Subonderdeel 6.2houdt de klacht in dat het oordeel van het hof dat Saarstahl hoofdelijk aansprakelijk is voor, kort gezegd, de gehele schade, onbegrijpelijk is omdat het niet te verenigen is met de vaststellingen in r.o. 3.1, onder (b), van het eerste tussenarrest dat Saarstahl door de Commissie hoofdelijk aansprakelijk is gehouden voor de inbreuk gepleegd door de onderneming gevormd door DWK van 9 juni 1994 tot 6 november 2001. [53]
Subonderdeel 6.3noemt het oordeel van het hof dat Saarstahl hoofdelijk aansprakelijk is voor alle schade onverenigbaar met de overwegingen van het hof dat de door de ondernemingen gepleegde inbreuken overlappen wat betreft grondgebied, lidmaatschap en periode (r.o. 9.4.3 van het eindarrest) en dat de Commissie Saarstahl hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de aan DWK opgelegde (maar op nihil vastgestelde) boete (r.o. 6.26 van het tweede tussenarrest) en dat hiermee (en dus kennelijk: in zoverre) een “economische eenheid” is aangenomen in de zin van artikel 101 VWEU Pro, tussen deze moedervennootschappen en hun respectieve dochtervennootschappen (r.o. 6.41 van het tweede tussenarrest).
Subonderdeel 6.4houdt een zogeheten voortbouwklacht in. Volgens dit subonderdeel vitiëren de voorgaande klachten ook het dictum van het eindarrest, waarin het hof voor recht heeft verklaard dat Saarstahl hoofdelijk aansprakelijk is voor betaling van alle wettelijke rente die is verschuldigd vanaf het moment waarop als gevolg van de kartelafspraken.
“On the basis of the 100% ownership, the yearly approval mechanism and regular reporting obligations from DWK to Saarstahl AG and on the basis of Saarstahl’s (similar) business activities, the Commission considers that Saarstahl AG exercised decisive influence on DWK and holds it liable for DWK’s cartel activities.”(r.o. 9.6.4).
Kone & Otis/Stichting de glazen lift):
het geheelvan de door het kartel veroorzaakte schade. Ik wijs erop dat in het petitum [54] wordt gesproken van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de gehele schade, maar dat, voor zover ik heb kunnen zien, tijdens het partijdebat en in de overwegingen van het hof [55] enkel aandacht is besteed aan de kwestie van hoofdelijkheid als zodanig en niet aan de vraag voor welk deel hoofdelijkheid zou bestaan. Eerst in het dictum heeft het hof de woorden hoofdelijkheid voor
het geheelvan de schade gebruikt.
Onderdeel 7bestaat uit een inleiding en zeven subonderdelen. Subonderdeel 7.3 kent sub-subonderdelen.
“gelet op hetgeen hiervoor in rov. 9.4.8 is overwogen en op het navolgende. DB c.s. hebben wel gesteld dat alle DB entiteiten in deze procedure producten hebben afgenomen waarin spanstaal is verwerkt en hebben dit onderbouwd met concrete transactiegegevens. DB c.s. hebben toegelicht waarop de bedrijfsvoering van elk van de DB entiteiten gericht is en wat hun onderlinge verhouding is (zie de inleidende dagvaarding, randnummers 76 tot en met 84). De DB entiteiten houden als geheel het Duitse spoorwegennet in stand. Het hof acht aannemelijk dat aldus al deze rechtspersonen geraakt zijn door het kartel.”
Subonderdeel 7.1voert aan dat voor zover het hof het voornoemde verweer heeft gepasseerd
“gelet op hetgeen hiervoor in rov. 9.4.8 is overwogen”dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat in r.o. 9.4.8 van het eindarrest niets is overwogen over aankopen die specifiek door eiseressen sub 1, 3, 5 en 6 zijn gedaan.
Subonderdeel 7.2voert aan dat het hof heeft miskend dat de enkele omstandigheid dat de DB-entiteiten hebben toegelicht waarop de bedrijfsvoering van elk van hen gericht is en wat hun onderlinge verhouding is, en dat zij als geheel het Duitse spoorwegennet in stand houden, onvoldoende is om vast te stellen dat jegens al deze entiteiten individueel onrechtmatig is gehandeld door het kartel, laat staan dat jegens al deze entiteiten individueel de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk is gemaakt — wat ten aanzien van elke individuele eiseres wel noodzakelijk is om aansprakelijkheid te kunnen aannemen en de zaak te kunnen verwijzen naar de schadestaatprocedure. In elk geval geldt dit voor zover DB c.s. niet per entiteit hebben gesteld (voorzien van een voldoende onderbouwing) dat zij spanstaalproducten hebben afgenomen of anderszins (concreet) kosten hebben gemaakt die een gevolg van het kartel kunnen zijn. Heeft het hof dit niet miskend, dan heeft het hof geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang waarom wél aansprakelijkheid jegens de individuele eiseressen sub 1, 3, 5 en 6 kan worden aangenomen en jegens hen aan de maatstaf voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is voldaan.
Subonderdeel 7.3, dat als gezegd subonderdelen kent (zie hierna onder 1) tot en met 3)), is gericht tegen de woorden
“met concrete transactiegegevens”in r.o. 9.9.4 van het eindarrest. Volgens het subonderdeel kan het hof hiermee alleen hebben gedoeld op de in r.o. 9.4.9 van het eindarrest genoemde akte van 14 juni 2022. Volgens het subonderdeel is het oordeel van het hof dan nog steeds onbegrijpelijk, omdat:
“overzicht van bestellingen van betonnen spoorbielzen”. Deze door DB c.s. zelf opgestelde tabel bevat ten aanzien van deze partij echter geen (concrete) transactiegegevens, facturen of raamovereenkomsten, maar enkel de niet-gespecificeerde vermelding van een klein bedrag in een door DB c.s. zelf opgestelde tabel;
gehelesector spanstaal, 2) het feit dat DB c.s.
welhebben gesteld dat alle DB entiteiten in deze procedure producten hebben afgenomen waarin spanstaal is verwerkt en dit hebben onderbouwd met concrete transactiegegevens, 3) de toelichting van DB c.s. op de bedrijfsvoering van elk van de DB entiteiten en op hun onderlinge verhouding (“
De DB entiteiten houden als geheel het Duitse spoorwegennet in stand”, aldus het hof). Die feiten/omstandigheden wijzen er immers op dat de kans groot is dat
alleDB-entiteiten door het kartel zijn getroffen, waaronder geïntimeerden sub 1, 3, 5 en 6.
Subonderdeel 7.4heeft een eigen kopje: ‘Niet op voorhand niet aannemelijk’. Volgens het subonderdeel geeft het oordeel van het hof in r.o. 9.4.12 van het eindarrest dat de daar besproken verweren van AM c.s. niet in deze procedure, maar in de schadestaatprocedure moeten worden beoordeeld, omdat naar het oordeel van het hof niet op voorhand ervan kan worden uitgegaan dat schade niet aannemelijk is, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is immers vereist dat de eisers aantonen dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Niet is voldoende dat (in het licht van het verweer van de gedaagden) niet op voorhand ervan kan worden uitgegaan dat schade niet aannemelijk is.
Subonderdeel 7.5heeft eveneens een eigen kopje: ‘Producten die buiten het kartel vallen’. Het subonderdeel voert aan dat de oordelen van het hof in r.o. 9.4.9-9.4.13 van het eindarrest, waar het hof de beoordeling van de vraag of schade is geleden ter zake van spanstaven voor spoorbielzen voor DB c.s. doorschuift naar de schadestaatprocedure, (ook) om de volgende redenen niet in stand kunnen blijven. Volgens het subonderdeel moet er in cassatie veronderstellenderwijs van worden uitgegaan dat de spanstaven voor de spoorbielzen die DB c.s. hebben gekocht, geen staal bevatten dat geraakt werd door het kartel, omdat het hof in r.o. 9.4.12 van het eindarrest de juistheid van de stellingen van AM c.s. dat alle door DB c.s. afgenomen spoorbielzen met spanstaal een
specialty productvormden dat niet door het kartel werd geraakt, omdat daarin zeer speciale spanstaalproducten moesten worden gebruikt volgens bijzondere specificaties van DB c.s. die niet substitueerbaar waren door ‘normale’ spanstaalproducten die geproduceerd werden door (andere) kartelleden, in het midden heeft gelaten. Het subonderdeel wijst erop dat AM c.s. hebben betoogd dat waar het Besluit spreekt over
“betonnen dwarsliggers voor de spoorwegen (‘railway sleepers’)”, deze algemene aanduiding geen betrekking kan hebben op de specifieke spoorbielzen van DB c.s. vanwege hun specifieke eigenschappen.
Subonderdeel 7.6voert aan dat het hof de beoordeling van het betreffende verweer van AM c.s. niet volledig had mogen ‘doorschuiven’ naar de schadestaatprocedure. Het verweer raakt immers niet alleen aan het bestaan en/of de omvang van schade (betoogd is, met onder andere de in r.o. 9.4.6 van het eindarrest genoemde Compass Lexecon-rapporten, dat DB c.s. door deze specifieke spanstaalproducten geen kartelschade kunnen hebben geleden), maar daarnaast ook aan de grondslag van de aansprakelijkheid.
Subonderdeel 7.7houdt de klacht in dat voor zover het hof zijn oordeel in r.o. 9.4.12 van het eindarrest mede heeft gegrond op zijn overweging in r.o. 9.4.8 dat het Besluit spreekt over “betonnen dwarsliggers voor de spoorwegen (‘railway sleepers’)”, dit oordeel onvoldoende is gemotiveerd in het licht van het betoog van AM c.s. dat deze algemene aanduiding geen betrekking heeft (of kan hebben) op de spoorbielzen van DB c.s. vanwege hun specifieke eigenschappen (welk betoog, als onderdeel van het besproken verweer van AM c.s., tevens in de hoofdprocedure had moeten worden beoordeeld).
prestressing steel”), dat uit het Besluit blijkt dat het kartel betrekking had op de gehele sector spanstaal, met uitzondering van speciale strengen en draagkabels, dat spanstaal bestaat uit lange, gekrulde metaaldraden en metaalstrengen die in combinatie met beton op bouwwerven worden gebruikt voor het maken van (onder andere) funderingen, balkons, bruggen, ondergrondse bouwwerken en betonnen dwarsliggers voor de spoorwegen (‘
railway sleepers’), en dat de vorderingen van DB c.s. betrekking hebben op aankopen van spanstaal voor gebruik in spoorbielzen en andere bouwwerken die onderdeel uitmaken van of gelieerd zijn aan het Duitse spoorwegennet. Vervolgens heeft het hof overwogen (in r.o. 9.4.9) dat vast is komen te staan dat aan het vereiste van
Kartellbetroffenheitis voldaan, omdat DB c.s. producten hebben gekocht die voorwerp waren van het kartel als omschreven in het Besluit en transacties hebben verricht die beïnvloed zijn door het kartel. Het hof heeft dit afgeleid uit de door DB c.s. in het geding gebrachte transactiegegevens, die onder meer aankopen van spanstaal voor de productie van spoorbielzen en dwarsliggers betreffen, welke aankopen DB c.s. hebben geadstrueerd aan de hand van de door hen overgelegde producties zoals facturen.
Kartellbetroffenheitis voldaan (r.o. 9.4.9, laatste zin) en dat is voldaan aan de vereisten voor de vestiging van aansprakelijkheid volgens de toepasselijke maatstaf naar Duits recht (r.o. 9.4.11). Daarop wijst immers inderdaad dat uit het Besluit blijkt dat het kartel betrekking had op de
gehele sector spanstaal, dat spanstaal wordt gebruikt voor onder meer betonnen dwarsliggers voor de spoorwegen, waarop de vorderingen van DB c.s. betrekking hebben (r.o. 9.4.8) en dat de door DB c.s. in het geding gebrachte transactiegegevens onder meer aankopen van spanstaal voor de productie van spoorbielzen en dwarsliggers betreffen (r.o. 9.4.9), waar nog bijkomt, zoals het hof heeft overwogen in r.o. 9.4.12, dat een kartel als het onderhavige ook schade kan veroorzaken door paraplu-effecten (een prijsopdrijvende werking van een kartel op de prijzen van niet-karteldeelnemers). Hiervan uitgaande kon het hof, in het licht van het in het Duitse recht gemaakte onderscheid tussen
Kartellbetroffenheiten
Kartellbefangenheit, de beoordeling van het betreffende verweer van AM c.s. overlaten aan de schadestaatprocedure. Daarin kan aan de orde komen of, mogelijk toch, bij bepaalde transacties sprake is geweest van specifieke spoorbielzen met specifieke eigenschappen, die niet onder het Besluit vallen.
Onderdeel 8vangt aan met een inleiding waarin staat dat DWK c.s. hebben aangevoerd dat art. 11 van Pro de Richtlijn 2014/104/ EU is bedoeld om ervoor te zorgen dat ondernemingen die clementie hebben gekregen niet onnodig aan schadeclaims worden blootgesteld en dat een onderneming aan wie immuniteit is verleend in beginsel wordt vrijgesteld van gezamenlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid voor de volledige schade en dat zij verder hebben betoogd dat het in lijn met het arrest van 2 september 2014 van het hof Arnhem-Leeuwarden [58] voor de hand ligt dat een richtlijnconforme interpretatie van het nationale recht toepassing vindt.
Subonderdeel 8.1noemt het oordeel van het hof aan het slot van r.o. 9.6.5 dat richtlijnconforme interpretatie in dezen afstuit op de rechtszekerheid, onbegrijpelijk. Volgens het subonderdeel valt niet in te zien op grond van welke specifieke omstandigheden hier zou moeten worden aangenomen dat het uit het oogpunt van rechtszekerheid nodig is dat DWK c.s. hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld.
Subonderdeel 8.2voert aan dat dit nog minder valt in te zien nu de vrijstelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid slechts geldt voor zover door DB c.s. geen volledige schadevergoeding kan worden verkregen van andere bij dezelfde inbreuk op het mededingingsrecht betrokken ondernemingen.
“zo al mogelijk”in de derde alinea) en (ii) zijn overweging dat de onderlinge draagplicht tussen geïntimeerden geen onderdeel is van deze procedure. Met de onder (ii) bedoelde overweging zal het hof leden 4 tot en met 6 van art. 11 op Pro het oog hebben gehad. In lid 4 is bepaald dat in afwijking van lid 1, inhoudende hoofdelijke aansprakelijkheid voor de gehele schade, de lidstaten ervoor zorgen dat een ontvanger van immuniteit, hoofdelijk aansprakelijk is jegens: a) zijn directe of indirecte afnemers of leveranciers, en b) de andere benadeelde partijen, doch slechts indien geen volledige schadevergoeding kan worden verkregen van de andere bij dezelfde inbreuk op het mededingingsrecht betrokken ondernemingen. Lid 5 ziet vervolgens op de interne draagplicht van de inbreukplegers. Lid 5, tweede zin, bepaalt dat de bijdrage van een inbreukpleger die in het kader van een clementieregeling immuniteit tegen geldboeten heeft gekregen, niet groter mag zijn dan de omvang van de schade die zij haar directe of indirecte afnemers of leveranciers heeft berokkend. Lid 6 bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat, voor zover de inbreuk op het mededingingsrecht schade heeft veroorzaakt voor andere benadeelde partijen dan de directe of indirecte afnemers of leveranciers van de inbreukplegers, de grootte van de bijdrage van de partij aan wie immuniteit is verleend ten behoeve van andere inbreukplegers wordt bepaald op basis van de relatieve verantwoordelijkheid [59] van die inbreukpleger voor verantwoordelijkheid voor die schade.
Onderdeel 9voert aan dat gegrondbevinding van een of meer van de klachten in een door een van de andere geïntimeerden in de procedure tussen die geïntimeerde en DB c.s. in te stellen cassatieberoep tegen (een of meer van de beslissingen in) het tussenarrest of het eindarrest, ook in de procedure tussen DWK c.s. en DB c.s. de betreffende beslissingen van het hof en de daarop voortbouwende beslissingen vitieert. Als het oordeel van het hof ten aanzien van die geïntimeerde niet in stand kan blijven, geldt dat (voor zover het hof in één uitspraak met voor alle geïntimeerde gelijke overwegingen uitspraak heeft gedaan) ook voor DWK c.s., aldus het onderdeel.
5.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
onvoorwaardelijke klacht, die is gericht tegen r.o. 9.3.4, 9.4.12, 9.5.5.2, 9.8.2 en 9.10.5 van het eindarrest, luidt dat het hof in strijd met art. 101 VWEU Pro en het doeltreffendheidsbeginsel heeft geoordeeld dat voor de bepaling van de omvang van de schade in de schadestaatprocedure per transactie moet worden beoordeeld of er grond is voor toewijzing van een concreet schadebedrag. Volgens DB c.s. geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting van het Duitse recht bij de toepassing van het Unierecht, dan wel heeft het hof een onbegrijpelijke uitleg gegeven van Duits recht in het licht van het Unierecht. Het hof zou hebben miskend dat uit het Unierecht dwingend volgt dat de in deze zaak onherroepelijk vaststaande onrechtmatige mededingingshandeling, die geldt als één enkele en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU Pro, moet worden gezien als één enkele en voortdurende onrechtmatige daad jegens DB c.s. met dientengevolge één (enkelvoudige) kartelschadevordering van DB c.s. jegens ieder van de kartellisten. De schadestaatrechter moet aldus tot uitgangspunt nemen dat er sprake is (geweest) van één enkele en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU Pro, en zal de schade dienovereenkomstig moeten begroten.
voorwaardelijke klachtluidt dat als één van de klachten in het principale cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing leidt, DB c.s. de hiervoor geformuleerde klacht ook richten tegen de overwegingen waarin het hof een oordeel heeft gegeven over de vestiging van aansprakelijkheid, nu het hof dat niet met inachtneming van het Unierecht heeft gedaan.