ECLI:NL:RBDHA:2025:21513

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
24.23513
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van asielaanvraag en overdracht aan Kroatië onder de Dublinverordening met betrekking tot medische overdrachtsbeletselen

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, wordt het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag beoordeeld. Eiser, vertegenwoordigd door mr. I.M. van Kuilenburg, heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie, vertegenwoordigd door mr. M.H.S. Volker, niet in behandeling is genomen op grond van de Dublinverordening. De rechtbank behandelt de vraag of Kroatië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser en of er medische overdrachtsbeletselen zijn die een overdracht aan Kroatië zouden kunnen verhinderen.

De rechtbank constateert dat de asielaanvraag van eiser op 23 december 2023 is ingediend en dat de minister op 4 juni 2024 heeft besloten deze niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië verantwoordelijk is op basis van de Dublinverordening. Eiser heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, dat is toegewezen, en de rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2024 behandeld. Eiser heeft medische stukken overgelegd en de rechtbank heeft de situatie in Kroatië onderzocht in het licht van de Dublinverordening en de medische omstandigheden van eiser.

De rechtbank concludeert dat er geen reden is om de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen op basis van medische overdrachtsbeletselen. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag en dat de medische zorg in Kroatië voldoende is. Eiser heeft niet aangetoond dat er een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand bestaat als gevolg van de overdracht. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard, en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.23513
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. I.M. van Kuilenburg),
en
minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.H.S. Volker).
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: asielaanvraag). Verweerder heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 4 juni 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië – gelet op de Dublinverordening (Verordening EU nr. 604/2013) – verantwoordelijk is voor de asielaanvraag op grond van artikel 30 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
1.1. Eiser heeft hangende het beroep een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL24.30184). Dit verzoek is bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 6 augustus 2024 toegewezen. De voorzieningenrechter heeft bij wijze van voorlopige voorziening verweerder verboden eiser over te dragen aan Kroatië totdat op het beroep is beslist.
1.2. De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2024 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en R.H. Por Koros Jamalabad als tolk. De rechtbank heeft het onderzoek tijdens deze zitting aangehouden, in afwachting van de procedure bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over de situatie voor Dublinterugkeerders in Kroatië.
1.3. Op 29 augustus 2024 heeft eiser nadere medische stukken overgelegd. Verweerder heeft hier op 4 november 2024 op gereageerd.
1.4. Op 7 maart 2025 heeft verweerder aangegeven dat een onderzoek door Bureau Medische Advisering (BMA) is opgestart. Eiser heeft op 14 mei 2025 de rechtbank desgevraagd aangegeven dat – inmiddels – de benodigde gegevens daarvoor aan verweerder zijn verstrekt.
1.5. Verweerder heeft op 12 juni 2025 het BMA-advies overgelegd. Op 16 juni 2025 heeft verweerder in dat kader een standpunt ingenomen. Eiser heeft hier desgevraagd op 15 juli 2025 op gereageerd.
1.6. De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op een nadere zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk voor eiser is verschenen A.R. Izadkhast (2781). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden

2. Eiser heeft op 23 december 2023 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft op 14 februari 2024 aan Bulgarije verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Bulgarije heeft dit verzoek afgewezen op 20 februari 2024, omdat Kroatië op grond van artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk is geworden voor eisers asielverzoek. Daarop heeft Nederland op 22 februari 2024 Kroatië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard op 7 maart 2024 op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.

Bestreden besluit

3. Nadat verweerder op 18 maart 2024 daartoe een voornemen kenbaar heeft gemaakt, heeft hij bij het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30 van de Vw 2000. Dit besluit is – kort samengevat – als volgt gemotiveerd.
3.1.
Volgens verweerder is Kroatië verantwoordelijk voor de asielaanvraag van eiser. De termijn voor de Dublinclaim – die volgens verweerder drie maanden is – is niet verstreken. De datum van de loopbrief is 7 december 2023, dus verweerder had tot 7 maart 2024 de tijd om een claimverzoek uit te brengen. Nu dit op 22 februari 2024 is gedaan, is er tijdig geclaimd. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat de verantwoordelijkheid nu bij Nederland ligt op grond van artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening. Wat betreft het claimakkoord stelt verweerder dat de autoriteiten van Kroatië het terugnameverzoek hebben geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. Uit de bewoordingen van dit artikel volgt dat een claimakkoord dat gebaseerd is op dit vijfde lid ziet op de situatie waarin een vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend in een lidstaat en de lidstaat heeft verlaten gedurende het proces van het onderzoek naar de vraag of mogelijk een andere lidstaat verantwoordelijk is (ECLI:EU:C:2019:280 (H. en R.), paragrafen 47-50). Op grond van dit artikel is Kroatië verplicht om eiser terug te nemen om de procedure tot bepaling van die lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming af te ronden. Dat de verantwoordelijkheid van Kroatië voor de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek van eiser nog niet onherroepelijk vaststaat, doet niet af aan de rechtmatigheid van het claimakkoord. Wat betreft de betwisting van het hebben ingediend van een asielaanvraag in Kroatië, stelt verweerder dat uit Eurodac blijkt dat eiser een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Kroatië. Uit vaste jurisprudentie volgt dat verweerder er van mag uitgaan dat deze informatie juist is. Eisers verklaring dat hij geen asiel heeft aangevraagd in Kroatië wordt dus niet gevolgd.
3.2.
Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat hij ten aanzien van Kroatië in algemene zin van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Volgens verweerder is in Kroatië niet gebleken van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid halen, zoals is bedoeld in het arrest Jawo van het HvJ-EU van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218). Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de situatie in Kroatië door de hiervoor bedoelde ondergrens zakt. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3411). Bij die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat Nederland aan zijn onderzoekplicht heeft voldaan ten aanzien van de situatie in Kroatië voor Dublinclaimanten. Op basis van de bevindingen uit dat onderzoek mag wat betreft Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan, aldus de Afdeling. Verweerder stelt voorts dat de autoriteiten van Kroatië middels het claimakkoord hebben gegarandeerd dat zij eisers asielverzoek inhoudelijk zullen behandelen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als Dublinclaimant na overdracht te maken zal krijgen met pushbacks. De verklaringen van eiser over wat hij heeft meegemaakt in Kroatië en over de situatie in Kroatië leiden niet tot de conclusie dat er sprake is van structurele tekortkomingen van de asielprocedure in Kroatië. Bij voorkomende problemen kan eiser in Kroatië naar de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten of de daarvoor aangewezen instanties gaan. Niet gebleken is dat deze autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen en tevens is niet gebleken dat eiser voldoende inspanningen heeft verricht om zijn klacht in Kroatië kenbaar te maken. Eiser heeft zijn stellingen niet nader onderbouwd en heeft geen (recente) documenten overgelegd waaruit blijkt dat Kroatië zich tegenover eiser niet aan zijn internationale verplichtingen houdt.
3.3.
De medische omstandigheden vormen volgens verweerder geen reden om de asielaanvraag in behandeling te nemen. Eiser heeft geen (recente) medische documenten overgelegd. Er zijn ook geen aanwijzingen dat Nederland het meest geschikte land is om eiser te behandelen. Kroatië kent dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden als Nederland en daarom mag worden verwacht dat Kroatië eisers medische problemen net zo goed kan behandelen. Bij toestemming vindt een uitwisseling van eisers medische gegevens plaats tussen Nederland en Kroatië zodat Kroatië over bijzondere medische behoeften kan worden geïnformeerd. Van een situatie als bedoeld in het arrest C.K. tegen Slovenië van het HvJ-EU van 16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127; hierna arrest C.K.), is niet gebleken en er wordt ook geen aanleiding gezien om een medisch onderzoek op te starten. Verweerder wijst er verder op dat, ondanks de eerdere aankondiging, er nog geen documenten zijn overgelegd over de gestelde behandeling voor psychische problemen zijn overgelegd. Dit kan alsnog in beroep.
3.4.
Verweerder vindt tenslotte dat er geen reden is om de aanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Er is namelijk niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht getuigt van een onevenredige hardheid. De aangevoerde omstandigheden (mishandeld door de autoriteiten van Kroatië en slachtoffer van mensenrechtenschendingen) zijn niet relevant bij de beoordeling of er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. Deze hebben namelijk betrekking op de vraag of Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt, en daarvoor bestaan geen aanwijzingen (ECLI:NL:RVS:2014:3164)

Standpunt eiser

4. Eiser heeft op de hierna te bespreken gronden beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Beoordeling rechtbank

Omvang geding
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser tijdens de zitting heeft aangegeven dat zijn beroepsgronden ten aanzien van de betwisting van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, voor zover deze betrekking hebben op systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië, komen te vervallen, gelet op de nieuwe Afdelingsjurisprudentie op dit punt. De rechtbank heeft eiser tijdens de zitting voorts uitdrukkelijk de vraag gesteld of hij met zijn beroepsgronden óók een beroep wenst te doen op de discretionaire bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Dit is gevraagd omdat de rechtbank dit voorafgaand aan de zitting niet duidelijk kon opmaken uit het beroepschrift. Eiser heeft hierop niet kenbaar gemaakt dat dit het geval is en heeft aangegeven dat het hem te doen is om de medische overdrachtsbeletselen, die volgens eiser maken dat verweerder op grond van de Dublinverordening verplicht is de asielaanvraag van eiser te behandelen en niet – zoals in het geval van de discretionaire bevoegdheid – onverplicht.
6. De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, ingaan op eisers beroepsgronden inzake het door hem gestelde voorwaardelijke claimakkoord en op de door hem gestelde medische overdrachtsbeletselen.
Voorwaardelijkheid claimakkoord
7. Eiser voert aan dat sprake lijkt te zijn van een voorwaardelijk claimakkoord, namelijk om door te gaan met de beoordeling wie verantwoordelijk is voor eiser. Daarom zou verweerder navraag moeten doen om te bezien wat er aan de hand is en of er inderdaad wel van kan worden uitgegaan dat de behandeling van het asielverzoek in Kroatië gegarandeerd is. Volgens eiser is niet gegarandeerd dat het asielverzoek in Kroatië in behandeling zal worden genomen. Eiser voert aan dat het bij artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening juist gaat om (de verplichting om) met het oog op afronding van de Dublinprocedure te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling. In deze situatie is de verantwoordelijkheid voor het asielverzoek nog niet vastgesteld. Daarnaast stelt eiser dat uit het claimakkoord blijkt dat Kroatië een beroep doet op (impliciete) intrekking van het asielverzoek, maar dat verweerder ten onrechte niet nader heeft onderzocht en onderbouwd of Kroatië een beroep doet op de uitzondering van de hoofdregel uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) in de zaak H. en R. tegen Nederland van 2 april 2019 (ECLI:EU:C:2019:280).
8. Dit betoog slaagt niet. Kroatië is met het terugnameverzoek van Nederland akkoord gegaan op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening “in order to continue to determine responsibility for the person mentioned above”. Daarmee heeft Kroatië erkend dat zij moet vaststellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Kroatië had die procedure nog niet afgerond en wil het onderzoek naar de verantwoordelijkheidsvaststelling voortzetten. Dat Kroatië de vaststellingsprocedure op grond van de Dublinverordening nog niet heeft afgerond en dus ook nog niet heeft vastgesteld dat Kroatië daadwerkelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielverzoek, betekent niet dat verweerder het bestreden besluit niet mocht nemen en evenmin dat eiser niet mag worden overgedragen aan Kroatië. Uit de bewoordingen van voornoemd artikel volgt dat een claimakkoord dat gebaseerd is op het vijfde lid van artikel 20 van de Dublinverordening ziet op de situatie waarin een vreemdeling een asielverzoek heeft ingediend in een lidstaat en de lidstaat heeft verlaten gedurende het proces van het onderzoek naar de vraag of mogelijk een andere lidstaat verantwoordelijk is (zie ook het door eiser genoemde arrest van het HvJ-EU van 2 april 2019, ECLI:EU:C:2019:280, par. 47-50). In par. 81 van dit arrest heeft het HvJ-EU voorts overwogen dat in de in artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening bedoelde gevallen een overdracht in beginsel zal kunnen plaatsvinden zonder dat de verantwoordelijkheid van de aangezochte lidstaat voor de behandeling van het asielverzoek vooraf is vastgesteld. Op grond van dit artikel is Kroatië verplicht om eiser terug te nemen om de procedure tot bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek af te ronden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de omstandigheid dat de verantwoordelijkheid van Kroatië voor de inhoudelijke behandeling van het asielverzoek nog niet onherroepelijk vaststaat, niet afdoet aan de rechtmatigheid van het claimakkoord.
9. De rechtbank is verder van oordeel dat er geen reden voor verweerder was om hierover navraag te doen bij de autoriteiten van Kroatië. Uit par. 80-84 van voornoemd arrest volgt dat Nederland niet verplicht was om, voordat zij een terugnameverzoek bij Kroatië indiende, op grond van de Dublinverordening te onderzoeken of Kroatië ook daadwerkelijk de lidstaat is die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Eiser heeft voorts geen informatie verstrekt waaruit blijkt dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. Nederland heeft daarom terecht een terugnameverzoek ingediend bij de Kroatische autoriteiten en het is vervolgens aan de Kroatische autoriteiten om te bepalen of zij daadwerkelijk verantwoordelijk zijn, of dat een andere lidstaat dit is.

Medische overdrachtsbeletselen

10. Eiser voert aan hij onder behandeling is vanwege depressie en dat hij
inmiddels suïcidaal is geworden vanwege de angst te moeten terugkeren naar Kroatië.
Daarbij doet hij een beroep op het arrest C.K. van het HvJ-EU, de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2980), alsook de uitspraak van de Afdeling van
21 maart 2024 (ECLI:NL:2024:1199), waarin een risico op schending van artikel 3 van het EVRM is aangenomen doordat mogelijk geen psychische gezondheidszorg in Kroatië beschikbaar is. Ter onderbouwing heeft eiser in de fase van beroep op 24 juni 2024 medische stukken ingebracht, te weten zijn patiëntdossier van 14 juni 2024 en een brief van de praktijkondersteuner huisartsen voor geestelijke gezondheidszorg van 24 juni 2024. Volgens de gemachtigde van eiser lijkt het dat de ernstige psychische problemen van eiser, met name het serieuze suïcidegevaar, gekoppeld is aan de vrees voor uitzetting en dat gedwongen deportatie zeer ernstige en onomkeerbare gevolgen kan hebben en daarom (mogelijk) strijdig is met artikel 3 van het EVRM.
11. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij op dat moment geen grond zag voor medische overdrachtsbeletselen in het geval van eiser en evenmin reden zag om nader onderzoek hiernaar te laten doen (zie ook onder 4.3). Na het overleggen door eiser van de voornoemde medische stukken op 24 juni 2024 heeft verweerder aangegeven dat deze medische stukken geen objectieve gegevens betreffen die aantonen dat de overdracht aan Kroatië onomkeerbare gevolgen heeft voor de gezondheidstoestand van eiser, zoals bedoeld in het arrest C.K. Daarbij wijst verweerder op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:10137) die door de Afdeling is omarmd en bevestigd bij uitspraak van 13 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2017). Zo wordt in de brief van 24 juni 2024 vermeld dat eiser verklaart suïcidale gedachten te hebben, maar blijkt uit het patiëntdossier dat deze suïcidale gedachten/pogingen niet bevestigd kunnen worden (aantekening van 14 juni 2024). Alleen op 30 april 2024 is de eerste en enige melding gemaakt dat verzoeker heeft verklaard soms de gedachten te hebben om “het” daadwerkelijk te doen maar dat hij daartoe geen plannen heeft. Ook verder volgt uit het patiëntdossier geen medische (psychische) diagnoses, maar slechts enkele beschrijvingen van vermoeidheid, slecht slapen, piekeren en stress. Uit de aangeleverde informatie blijkt volgens verweerder niet van concrete aanknopingspunten om Bureau Medische Advisering (BMA) advies te vragen om de gevolgen van de overdracht in kaart te brengen.
12. Eiser heeft hierop vervolgens – desgevraagd – gereageerd op 7 augustus 2024. Eiser geeft kort gezegd aan dat hij het standpunt van verweerder niet volgt, te meer gezien het zeer matig beschikbaar zijn van medische zorg in Kroatië. Er is volgens eiser wél aanleiding om een BMA-advies op te vragen. De beschrijving van de symptomen (depressie en PTSS) door de praktijkondersteuner GGZ acht eiser voldoende. In het patiëntdossier is verder vermeld dat er wel eens zelfmoordgedachten zijn. Ambtshalve is de gemachtigde van eiser bovendien ermee bekend dat de bevindingen van de praktijkondersteuner GGZ niet in het patiëntdossier staan – waarom weet zij ook niet. Eiser meent dat de brief van de praktijkondersteuner GGZ wel degelijk relevante informatie geeft over de gevolgen van overdracht aan Kroatië. Tenslotte stelt eiser in deze reactie dat hij vanwege zijn psychische problematiek als kwetsbaar te zien is en dat om die reden aanvullende garanties van de Kroatische autoriteiten nodig zijn.
13. Op 22 augustus 2025 heeft eiser een nadere verklaring van de praktijkondersteuner Zakia Elasri overgelegd (gedateerd 22 augustus 2024). Hierin staat onder meer vermeld: “
Suïcide gevaar na deportatie Kroatië vind ik zelf wel reëel aanwezig, omdat zijn depressieve klachten ernstig zijn. Ik weet ook zeker dat zijn depressieve klachten zullen afnemen als de Dublin eraf zal gaan.”
14. Op 4 november 2024 heeft verweerder gereageerd op voornoemde aanvullende verklaring. Hij ziet daarin geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Eventuele benodigde medische zorg is volgens verweerder eveneens beschikbaar in Kroatië en de Kroatische autoriteiten zullen desgevraagd op de hoogte worden gebracht van de medische situatie van eiser. Bovendien betreft het een brief van een praktijkondersteuner, en niet van een arts, en wordt daarin geen diagnose gesteld. Eveneens ziet verweerder geen concrete onderbouwing waarop wordt gebaseerd dat er een reëel verhoogd risico op
suïcide is bij overdracht dan wel dat de psychische klachten zullen afnemen als van een Dublinoverdracht wordt afgezien.
15. In de brief van 7 maart 2025 heeft verweerder zich vervolgens op het standpunt gesteld dat er uit een oogpunt van zorgvuldigheid aanleiding is ontstaan het BMA alsnog te vragen om advies uit te brengen. Eiser heeft de hiertoe vereiste medische machtiging verstrekt en heeft een aanvullend schrijven van de praktijkondersteuner GGZ van 25 februari 2025 overgelegd.
16. Verweerder heeft op 12 juni 2025 het BMA-advies (gedateerd 13 juni 2025) overgelegd. In dit advies staat vermeld dat eiser onder behandeling staat (medicatie en psychotherapie), dat de behandeling in principe tijdelijk van aard is maar net is gestart en dat op basis van de aanwezige informatie niet is aan te geven hoe lang de behandeling precies zal gaan duren. Verder staat vermeld dat uit informatie van de behandelaar naar voren komt dat sprake is van PTSS en een depressieve stoornis, dat eiser symptomen vertoont van aanhoudende somberheid, slaapproblemen, nachtmerries, verminderde eetlust, concentratieproblemen en gevoelens van hopeloosheid, en dat volgens de praktijkondersteuner GGZ sprake is van een verhoogd risico op suïcidaliteit indien eiser terug moet keren naar Kroatië. De BMA-arts concludeert dat eiser kan reizen indien sprake is van een fysieke overdracht, en dat geadviseerd wordt om een psychiatrisch verpleegkundige mee te laten reizen. Deze kan eiser begeleiding bieden, de medicatie in beheer houden en een fysieke overdracht doen aan een behandelaar.
17. Verweerder heeft zich in zijn brief van 16 juni 2025 onder verwijzing naar dit advies op het standpunt gesteld dat eiser – onder bepaalde reisvoorwaarden – kan worden overgedragen aan Kroatië.
18. Eiser heeft in zijn brief van 15 juli 2025 desgevraagd aangegeven dat de BMA-arts de medische toestand van eiser erkent alsmede het verhoogde risico op suïcidaliteit indien eiser zou worden overgedragen. Verder noemt de BMA-arts voorzorgsmaatregelen, maar kan geen enkele concrete waarborg geboden worden voor de feitelijke overdracht (bijvoorbeeld een arts/instelling in Kroatië). Niet is onderzocht dat de noodzakelijke medische continuïteit daadwerkelijk geboden kan worden. Gezien wat bekend is over de opvang en medische zorg in Kroatië – die notoir slecht is – kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat dit gegarandeerd zal zijn. Die daadwerkelijke toegang tot de medische zorg is volgens eiser wel vereist, gelet op het arrest C.K. Er mag niet uitsluitend worden afgegaan op het interstatelijk vertrouwensbeginsel; vereist is een volledige en casuïstische beoordeling. Eiser heeft bovendien zelf geen enkel vertrouwen in de Kroatische autoriteiten, gezien de eerdere zeer slechte behandeling door hen. Overdracht zal voor eiser reden voor zelfmoord zijn.
19. De rechtbank overweegt als volgt.
Het juridisch kader
20. Het HvJ-EU heeft in het arrest C.K. geoordeeld dat overdracht van een asielzoeker achterwege dient te blijven indien dit een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou inhouden. Onder die omstandigheden zou die overdracht namelijk een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) vormen. Het HvJ-EU heeft in de paragrafen 75 en 76 van het arrest C.K. – verkort weergegeven – overwogen dat in de situatie dat de vreemdeling voornoemde gegevens overlegt, het aan de autoriteiten is om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen, en dat daarbij, wanneer sprake is van een ernstige psychische aandoening, niet mag worden volstaan met te kijken naar de gevolgen van het fysieke vervoer van de betrokkene van een lidstaat naar een andere, maar rekening gehouden moet worden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen die uit de overdracht zouden voortvloeien.
21. De Afdeling heeft in navolging hiervan overwogen (zie de uitspraak van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980, onder 7) dat uit het arrest C.K. volgt dat wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. Zie in dat verband de uitspraken van de Afdeling van 21 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4303, onder 4) en 22 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2845, onder 2.2). In dat geval vereist de vergewisplicht dat verweerder de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een vreemdeling deugdelijk gemotiveerd wegneemt. Verweerder kan in beginsel met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten voorafgaand aan, tijdens of direct na de reis, de gerezen twijfel over een schending van artikel 3 van het EVRM (dan wel artikel 4 van het Handvest) als gevolg van de overdracht zelf wegnemen (zie de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1566). In bijzondere omstandigheden volstaat het echter niet om de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen door (enkel) te verwijzen naar de reisvoorwaarden die het BMA heeft opgesteld – bijvoorbeeld in een geval waarin (meerdere) behandelaren hebben gesteld dat het risico op suïcide als (zeer) hoog moet worden ingeschat in geval van een overdracht aan de lidstaat en dat dit risico te relateren is aan die overdracht (zie de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3297, onder 3.5-3.7).
22. Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt verder dat de vraag of de overdracht van een betrokkene met een bijzonder slechte gezondheidstoestand op zich een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand inhoudt, zoals bedoeld in par. 73-75 van het arrest C.K., moet worden onderscheiden van de vraag of in die andere lidstaat na de overdracht voor die betrokkene passende medische zorg aanwezig is, zoals beschreven in par. 70-72 van dat arrest (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:986, onder 6). Zowel de overdracht op zich als de afwezigheid van passende medische zorg, kunnen namelijk een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest tot gevolg hebben.
23. De rechtbank stelt vast – mede gelet op de behandeling ter zitting – dat in deze zaak het eiser te doen is om de gevolgen van de overdracht aan Kroatië op zich en de beschikbaarheid van passende medische zorg in Kroatië. De rechtbank zal beide punten in het hiernavolgende dan ook bespreken.
De gevolgen van de overdracht op zich
24. Zoals uit de hiervoor aangehaalde rechtspraak volgt is het uitgangspunt dat verweerder de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een betrokkene kan wegnemen door het BMA om advies te vragen en – vervolgens – toe te zeggen de in het BMA-advies opgenomen reisvereisten te zullen opvolgen (zie in dit kader ook de door verweerder ter zitting aangehaalde, recente uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4774).
25. De BMA-arts heeft in de zaak van eiser aangegeven dat eiser kan reizen indien een fysieke overdracht wordt geregeld. Door het BMA is in dit kader geadviseerd om een psychiatrisch verpleegkundige mee te laten reizen die eiser begeleiding kan bieden, de medicatie in beheer kan houden en een fysieke overdracht kan doen aan een behandelaar. De laatstgenoemde fysieke overdracht aan een instelling/arts is het meest vergaande reisvereiste dat het BMA kan adviseren (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4458, onder 2.5).
26. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval verweerder de gerezen twijfel heeft weggenomen door te verwijzen naar het uitvoeren van de door het BMA opgestelde reisvereisten. In dit verband laat de rechtbank meewegen dat eiser – ondanks het feit dat de rechtbank hem daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld bij brief van 9 oktober 2025 – geen nadere, actuele medische informatie heeft overgelegd. Ook is onduidelijk gebleven wat de precieze diagnose is die bij eiser is gesteld en wat de aard van de behandeling is die hij ondergaat. Ter zitting heeft eiser erop gewezen dat – naast het feit dat hij medicatie gebruikt voor zijn psychische klachten – hij eens in de twee weken een afspraak heeft met de praktijkondersteuner GGZ. Gedurende deze procedure is onduidelijk gebleven waar deze praktijkondersteuner precies op baseert dat sprake is van een reëel verhoogd risico op suïcide bij overdracht dan wel dat de psychische klachten van eiser zullen afnemen als van een overdracht wordt afgezien. Verder zijn er geen andere behandelaren in beeld – eiser heeft hier althans niet op gewezen – die het door de praktijkondersteuner gestelde reële risico op suïcide bevestigen. Ook in het patiëntdossier is hiervoor geen onderbouwing te vinden en zijn geen gedocumenteerde suïcidepogingen opgenomen. Daarin staat wel, zoals eiser heeft aangevoerd, het volgende vermeld (bij de datum 30 april 2024) “
droomt vaak dat hij van een hoog hoogte valt. soms heeft hij zelfs die gedachtens om het daadwerkelijk te gaan doen. heeft geen plannen.” Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank nog niet van een concreet suïciderisico. Na 30 april 2024 wordt in het patiëntdossier over dit onderwerp verder niets meer vermeld en eiser heeft – naar aanleiding van de opvraag van de rechtbank op 9 oktober 2025 – ook geen geactualiseerd patiëntdossier overgelegd.
27. Anders dan waar eiser van uitgaat hoeft het BMA in een Dublinprocedure – juist omdat verweerder in beginsel uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van de in de andere lidstaat aanwezige medische zorg (zie ook de artikelen 17 tot en met 19 van de Opvangrichtlijn) – voorts niet te specificeren bij welke concrete instelling/arts de benodigde zorg beschikbaar is na overdracht. Eiser heeft er ter zitting op gewezen dat dit specificeren altijd vereist is in medische zaken waarin het gaat om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000, maar de rechtbank wijst erop dat in deze zaak niet een uitzetting naar het land van herkomst maar een overdracht op grond van de Dublinverordening aan de orde is. Dat is een andere context, omdat in zo’n geval overgedragen/uitgezet wordt naar een andere lidstaat van de Europese Unie – waarbij verweerder er in beginsel van uit mag gaan dat in die andere lidstaat het Europese asielrecht nageleefd wordt.
28. In de aan de orde zijnde omstandigheden ziet de rechtbank gelet op het voorgaande geen reden voor het oordeel dat verweerder in dit geval met het opvolgen van de door het BMA opgestelde reisvereisten de gerezen twijfel niet heeft weggenomen.
29. Het voorgaande laat onverlet dat de rechtbank uit het dossier afleidt dat eiser kampt met verschillende psychische klachten. De rechtbank wil deze klachten geenszins bagatelliseren. De informatie omtrent deze psychische klachten is echter bij de huidige stand van zaken onvoldoende om aannemelijk te achten dat bij overdracht – ondanks de in dat kader door verweerder te treffen maatregelen – sprake zal zijn van een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiser, als gevolg waarvan die overdracht achterwege moet blijven.
De aanwezigheid van medische zorg in Kroatië
30. Eiser heeft betwist dat in Kroatië voor hem passende medische zorg aanwezig is. Hij heeft er ter zitting in dit kader op gewezen dat uit het meest recente AIDA-rapport (update 2024) van augustus 2025 blijkt van problemen met de (mentale) gezondheidszorg in Kroatië.
31. Dit betoog slaagt niet. In het kader van de beschikbaarheid van passende medische zorg in de andere lidstaat mag verweerder, zoals hiervoor al is aangegeven, in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat het in beginsel aan eiser is om te staven dat de voor zijn ernstige fysieke of mentale aandoening benodigde medische zorg in de verantwoordelijke lidstaat ontbreekt (zie de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:586).
32. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 19 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2484) heeft overwogen dat adequate psychische gezondheidszorg op dat moment wel (weer) beschikbaar is in Kroatië. De informatie in het door eiser genoemde AIDA-rapport heeft de Afdeling nog niet bij haar beoordeling in de laatstgenoemde uitspraak kunnen betrekken, nu die informatie van een latere datum is. De rechtbank kan uit de relevante paragrafen in dit rapport (pag. 114 e.v.) echter niet afleiden dat de gezondheidszorg in Kroatië op dit punt meer recent wel door de ondergrens zakt, en wijst erop dat eiser dit zelf ook niet concreet heeft gemaakt door te verwijzen naar specifieke passages uit dit rapport. De rechtbank overweegt verder dat uit pag. 117-118 van het rapport wél af te leiden valt dat psychische gezondheidszorg voor asielzoekers beschikbaar was en dat er in dat kader ook verwijzingen plaatsvonden naar psychiatrisch specialisten. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om in dit kader tot een ander oordeel te komen dan de Afdeling in haar uitspraak van 19 juni 2024.
Conclusie en gevolgen
33. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.A.M.M. Delauw, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 16 oktober 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.