Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.Waar gaat deze zaak om?
2.De procedure
3.De feiten
€ 22.866,75
4.Het geschil
5.De beoordeling
94a Svbeslag rust op het inbeslaggenomen voorwerp en een derde in een beklagprocedure op de voet van artikel 552a Sv om teruggave verzoekt, als maatstaf aanleggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat die derde als eigenaar van dat inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk geven. Indien die derde als eigenaar wordt aangemerkt zal de rechter tevens moeten onderzoeken, en daarvan blijk moeten geven, of zich de situatie van artikel 94a lid 4 of 5 Sv voordoet. Indien buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en zich niet de situatie voordoet als bedoeld in art. 94a lid 4 of 5 lid, Sv, dient het inbeslaggenomen voorwerp aan de klager te worden teruggegeven. Onderzoek naar het belang van strafvordering is dan niet aan de orde. [3] Bij het beantwoorden van de vraag wie redelijkerwijs rechthebbende is zal de strafrechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar zal hij daarbij civielrechtelijke aspecten mogen betrekken. Het gaat in de beslagprocedure immers om een voorlopig oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp. [4]
artikel 94 Sv Progelegde beslag moest worden gehandhaafd omdat in verband met de waarheidsvinding nog nader onderzoek nodig was. Evenmin is gesteld of gebleken dat sprake is van voorwerpen die verbeurd kunnen worden verklaard dan wel waarvan de onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen. Verbeurdverklaring van de Mercedes kon, nu de Mercedes aan [eiser] in eigendom toebehoort alleen indien [eiser] bekend was met de verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden. Aan deze eis is in dit geval blijkens het voorgaande niet voldaan.
artikel 94a Svneergelegde eisen is evenmin voldaan. De leden 1-3 zien op de situatie dat goederen in beslag genomen kunnen worden van iemand die wordt verdacht van (dan wel veroordeeld voor) een misdrijf en aan wie een geldboete kan worden opgelegd, dan wel wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen dan wel aan wie de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht kan worden opgelegd. Aan al deze eisen is hier niet voldaan. [eiser] is geen verdachte (geweest). Buiten redelijke twijfel is ook dat zich niet de situatie als bedoeld in art. 94a lid 4 of 5 Sv voordoet. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij heeft hiervoor heeft overwogen. Tot slot doet zich de situatie het beslag moet voortduren ter bewaring van het voorwerp ten behoeve van een onbekende rechthebbende niet voor.
rechtmatigstrafvorderlijk optreden indien dit onevenredige nadelige gevolgen heeft voor een derde (een ander dan de verdachte). Onevenredig nadelige gevolgen van overheidsoptreden behoren niet ten laste van een beperkte groep te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap te worden verdeeld. Dit geldt voor zover de schade buiten het normale maatschappelijke risico valt.
6.De beslissing
woensdag 28 januari 2026voor akte uitlating aan de zijde van [eiser] zoals in rov. 5.19 vermeld;
woensdag 25 maart 2026bij antwoordakte mag reageren;