ECLI:NL:RBDHA:2025:23652

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/09/686206 / HA ZA 25-491
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 94a SvArt. 116 lid 2 SvArt. 126 SvArt. 353 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid Staat voor onrechtmatig voortduren strafvorderlijk beslag op Mercedes

Eiser vordert aansprakelijkheid van de Staat wegens schade veroorzaakt door het strafvorderlijk beslag op een Mercedes die op zijn naam stond, maar ten laste van zijn zoon was gelegd in een strafzaak. Het klassieke en conservatoire beslag duurde van oktober en november 2020 tot juli 2024. Eiser stelde dat hij juridisch eigenaar was en dat het beslag onrechtmatig was.

De strafrechter had het eerste klaagschrift van eiser ongegrond verklaard, maar de Hoge Raad vernietigde later deze uitspraak en verwees de zaak terug. Uiteindelijk is de Mercedes in juli 2024 aan eiser teruggegeven, maar de Staat weigerde aansprakelijkheid voor de schade te erkennen.

De civiele rechtbank beoordeelde dat, ook bij een summiere toets, buiten redelijke twijfel vaststaat dat eiser juridisch eigenaar was en dat de gronden voor het beslag niet waren voldaan vanaf 25 maart 2021. De Staat heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van een schijnconstructie. De Staat is daarom aansprakelijk voor de schade die is veroorzaakt door het voortduren van het beslag vanaf die datum.

De rechtbank oordeelt dat de Staat niet aansprakelijk is voor schade in de periode vóór 25 maart 2021, omdat het beslag toen rechtmatig was en de bewaarder niet tekort is geschoten. De zaak wordt verwezen naar een schadestaatprocedure voor de vaststelling van de schade vanaf 25 maart 2021.

Uitkomst: De Staat is aansprakelijk voor de schade door het onrechtmatig voortduren van het beslag vanaf 25 maart 2021; verdere schadevaststelling wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: C/09/686206 / HA ZA 25-491
Vonnis van 10 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R. Gijsen,
tegen
STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid, het Openbaar Ministerie, Ministerie van Financiën, dienst Domeinen Roerende Zaken)
te Den Haag,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. J. Perenboom.

1.Waar gaat deze zaak om?

In verband met een tegen de zoon van [eiser] ingesteld strafrechtelijk onderzoek is strafvorderlijk beslag gelegd op een op naam van [eiser] gestelde Mercedes, zowel op grond van artikel 94 Wetboek Pro van Strafvordering (hierna: Sv) als op grond van art. 94a Sv. Ruim drie jaar later is de Mercedes aan [eiser] teruggeven. [eiser] vordert voor recht te verklaren dat de Staat jegens hem aansprakelijk is voor de als gevolg van de inbeslagname en opslag/bewaring van zijn Mercedes door hem geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat. De Staat voert gemotiveerd verweer.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiser] met producties 1-11;
- de conclusie van antwoord van de Staat met producties 1-14;
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen.
2.2.
Op 30 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Ter zitting zijn verschenen [eiser] , bijgestaan door zijn advocaat. Namens de Staat is verschenen mr. [naam 1] , juridisch adviseur verbonden aan het College van procureurs-generaal, onderdeel van het Openbaar Ministerie. Ter zitting heeft [eiser] nog de producties 12-15 in het geding gebracht. Beide advocaten hebben het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Op 12 juli 2018 is van autobedrijf Stern een Mercedes-Benz AMG GLE 635 AMG gekocht, met kenteken [kenteken 1] (hierna: de Mercedes) voor een bedrag van € 160.000,-. De hiertoe opgestelde factuur staat op naam van [eiser] . Daaruit blijkt verder dat een eerdere auto is ingeruild en dat nog een restantbedrag van € 78.500,- moest worden betaald. Op 9 juli 2018 is laatstgenoemd bedrag vanaf een betaalrekening ten name van [eiser] aan het autobedrijf voldaan.
3.2.
De zoon van [eiser] ( [naam 2] ) is verdachte in een strafzaak. Hij wordt verdacht van witwassen, deelname aan een criminele organisatie en overtreding van de Opiumwet. Op 6 oktober 2020 vond bij onder anderen de zoon een doorzoeking ter inbeslagneming plaats. Tijdens die doorzoeking bij de zoon is de Mercedes in beslag genomen op grond van artikel 94 Sv Pro (zgn. klassiek beslag). Het beslag is gelegd ten laste van de zoon als verdachte.
3.3.
Op 3 november 2020 is, eveneens ten laste van de zoon, tevens (aanvullend) beslag
gelegd op de Mercedes op grond van artikel 94a Sv (zgn. conservatoir beslag). Dit gebeurde op basis van een op 28 november 2018 door de rechter-commissaris in de strafzaak tegen de zoon verleende machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in artikel 126 Sv Pro. De Mercedes is door de Dienst Domeinen Roerende Zaken gestald.
Eerste beklagprocedure
3.4.
Op 12 november 2020 heeft [eiser] een (eerste) klaagschrift ingediend tegen de inbeslagneming ex art 552a Sv. Hij heeft verzocht om opheffing van het onder zijn zoon gelegde beslag op de Mercedes en de teruggave van de Mercedes aan hem te gelasten. Hiertoe heeft aangevoerd eigenaar te zijn van de Mercedes en een met zijn zoon gesloten huurovereenkomst met recht tot koop roerende zaken d.d. 1 maart 2020 overgelegd. Nadat het Openbaar Ministerie op 6 januari 2021 had geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beslag, heeft de rechtbank Oost-Brabant bij beschikking van 16 februari 2021 het beklag ongegrond verklaard.
3.5.
Tegen deze beschikking heeft [eiser] geen rechtsmiddel aangewend.
Tweede beklagprocedure
3.6.
Op 25 maart 2021 heeft [eiser] een tweede klaagschrift ex artikel 552a Sv ingediend en opnieuw om teruggave van de Mercedes verzocht. Daarbij heeft hij een aantal nieuwe documenten overgelegd, te weten een verklaring van de accountant over de huurovereenkomst met recht tot koop roerende zaken (inhoudende dat [eiser] in tegenstelling tot hetgeen door de rechtbank in haar beschikking van 16 februari 2021 heeft overwogen, géén betaling van € 10.000,- aan zijn zoon heeft gedaan, omdat dit op een verschrijving in de overeenkomst berust), een met bewijsstukken onderbouwde verklaring over de gang van zaken rond de aankoop, financiering en aflevering van de Mercedes en ook over de aankoop, financiering en aflevering van de daartoe ingeruilde auto en een verklaring van [eiser] over de redenen waarom hij met betrekking tot de Mercedes een huurovereenkomst met recht tot koop roerende zaken met zijn zoon heeft gesloten. Tot slot heeft [eiser] zakelijk aangevoerd dat hij tot op heden het bedrag van € 10.000,- niet heeft mogen ontvangen van zijn zoon en dat op geen enkele wijze valt in te zien hoe hier witgewassen kan worden. Het gaat volgens [eiser] om evident vermogen van [eiser] , er zijn contracten opgesteld en er vonden girale betalingen plaats van de beslagen zoon aan [eiser] .
3.7.
Op 7 juni 2021 heeft het Openbaar Ministerie primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn (herhaalde) beklag en subsidiair tot ongegrondverklaring van het beklag. Bij beschikking van 11 juni 2021 heeft de rechtbank Oost-Brabant [eiser] niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij stukken had overgelegd die reeds bekend hadden kunnen zijn bij het indienen van het eerdere klaagschrift dan wel informatie die ten tijde van de vorige behandeling van het beklag reeds bekend was, reden waarom de rechtbank geen aanleiding zag voor een nieuwe inhoudelijke beoordeling.
3.8.
Op 31 januari 2023 heeft de Hoge Raad het door [eiser] ingestelde cassatieberoep gegrond verklaard, de beschikking van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank.
3.9.
De rechtbank heeft bij beschikking van 30 mei 2023 het hernieuwde beklag van [eiser] ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog voor zover van belang het volgende:
“Op de voornoemde voertuigen rust zowel strafrechtelijk als conservatoir beslag. Het beslag is gelegd onder de zoon van klager, de heer [naam 2] . (…) Ter zake van conservatoir beslag ex artikel 94a Sv geldt als criterium voor teruggave aan een derde - zoals klager - of buiten redelijke twijfel staat dat die derde als eigenaar te goeder trouw van het voorwerp moet worden aangemerkt. Voorts geldt dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. (…)
- Mercedes ( [kenteken 1] )
De rechtbank stelt voorop dat uit het feit dat het kenteken - sinds 12 juli 2018 - ten name van klager is gesteld niet meebrengt dat klager als eigenaar dient te worden aangemerkt. Immers, zoals hiervoor reeds opgemerkt, wordt naar het eigenaar zijn van degene die een kenteken aanvraagt geen onderzoek verricht. De rechtbank dient aan de hand van de voorhanden zijnde stukken een oordeel te vormen met betrekking tot de vraag of klager als eigenaar kan worden aangemerkt.
Blijkens het door klager overgelegde factuur d.d. 13 juli 2018 van Stern Auto BV. bedroeg de koopsom van dit voertuig in totaal € 160.000,-. Daarop is in mindering gebracht de inruilwaarde van een Mercedes Benz GLE 450 AMG (kenteken [kenteken 2] ) van € 81.500.-. Het resterende deel, zijnde € 78.500.- is blijkens het door klager overgelegde rekeningafschrift op 9 juli 2018 vanaf zijn bankrekening overgemaakt naar Stern Auto BV. Met betrekking tot de inruilauto ( [kenteken 2] ) heeft klager stukken overgelegd, te weten een factuur d.d. 30 april 2016 van Stern Auto BV. en een afschrift van zijn bankrekening waaruit blijkt dat hij ten behoeve van de aanschaf van deze auto een bedrag van € 60.000.- naar Stern Auto B.V. heeft overgemaakt.
Met betrekking tot de Mercedes bevindt zich verder een huurovereenkomst d.d. 1 maart 2020 bij de stukken. Blijkens die overeenkomst zou klager onder andere per 1 april 2020 voor de duur van 60 maanden het voertuig verhuren aan [naam 2] voor € 1500.- per maand. Daarnaast diende [naam 2] € 125,- per maand aan wegenbelasting te betalen. De in de huurovereenkomst genoemde huurbetaling en de betaling ten behoeve van de wegenbelasting door [naam 2] hebben plaatsgevonden.
De balans opmakend komt de rechtbank tot de tussenconclusie dat op basis van de beschikbare documenten het erop lijkt dat klager eigenaar is van de Mercedes. De rechtbank dient daarom te onderzoeken of zoals het Openbaar Ministerie stelt, er sprake is van een schijnconstructie. In dat kader is door het Openbaar Ministerie verwezen naar de financiële positie van [naam 2] . Uit het proces-verbaal van bevindingen (…) volgt dat op basis van onderzoek het onduidelijk is hoe [naam 2] zijn maandelijkse lasten van € 6.000,- heeft kunnen betalen. Op basis van het maandelijkse inkomen zou dat niet mogelijk zijn.
Ter zitting heeft klager onder meer verklaard dat hij vaker iets voor zijn zoon betaalt, alles voor zijn zoon zou doen en dat zijn zoon hem vaak nodig heeft gehad. Uit de verklaring van klager volgt dat hij nauw betrokken is bij zijn zoon maar ook dat hij inzicht heeft in zijn financiële situatie. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat klager bekend was met het gegeven dat zijn zoon onvoldoende financiële ruimte had om de Mercedes te betalen.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank toch twijfels met betrekking tot de huurconstructie ten aanzien van de Mercedes. De rechtbank komt tot de conclusie dat niet buiten redelijke twijfel staat dat klager als eigenaar van de Mercedes moet worden aangemerkt.”
3.10.
[eiser] heeft opnieuw cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 11 juni 2024 [1] ook deze uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch. De Hoge Raad heeft hiertoe het volgende overwogen:
“2.4 Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet worden vooropgesteld dat de rechter in een geval waarin op grond van artikel 94a Sv beslag is gelegd en een derde in een beklagprocedure op de voet van artikel 552a Sv om teruggave verzoekt, als maatstaf moet aanleggen of buiten redelijke twijfel staat dat die derde als eigenaar van dat inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt. De rechter moet daarvan in zijn beslissing blijk geven. Als die derde als eigenaar wordt aangemerkt zal de rechter ook moeten onderzoeken, en daarvan blijk moeten geven, of zich de situatie van artikel 94a leden 4 of 5 Sv voordoet (vgl. HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2144).
2.5
De rechtbank heeft geoordeeld dat niet buiten redelijke twijfel staat dat de klager als eigenaar van de inbeslaggenomen Mercedes moet worden aangemerkt. In het licht van de vaststellingen over de betalingen die door de klager zijn gedaan aan Stern Auto B.V. in verband met de aankoop van de op zijn naam gestelde auto, is dat oordeel niet toereikend gemotiveerd. De enkele overweging van de rechtbank dat zij in verband met de financiële positie van de zoon van de klager, tevens huurder van de auto twijfels heeft met betrekking tot de huurconstructie ten aanzien van de auto, volstaat daartoe niet. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat vanwege die huurconstructie zich de situatie van artikel 94a leden 4 of 5 Sv voordoet, is dat oordeel evenmin toereikend gemotiveerd.”
3.11.
Bij e-mail van 11 juni 2024 heeft de strafrechtadvocaat van [eiser] het Openbaar Ministerie gevraagd om teruggave van de Mercedes. Nadat de zaaksofficieren op 18 juni 2024 per e-mail hadden laten weten hiervoor geen aanleiding te zien, heeft het ressortsparket op 4 juli 2024 aan de strafrechtadvocaat van [eiser] bericht dat de Mercedes zou worden teruggegeven. Op 18 juli 2024 is de feitelijke teruggave in gang gezet.
3.12.
[eiser] heeft de auto op 7 augustus 2024 laten ophalen door een transportbedrijf. De auto startte toen niet; de twee accu’s waren kapot. Bij de Dienst Domeinen Roerende Zaken heeft de Mercedes een periode binnen gestaan en de laatste periode heeft de auto buiten gestaan. Er is niet met de Mercedes gereden en er is geen onderhoud aan gepleegd.
3.13.
Bij beschikking van 5 september 2024 heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch [eiser] , bij gebrek aan belang, alsnog niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag, omdat het beslag inmiddels was geëindigd.
Duur beslagen
3.14.
Het (klassieke beslag ex artikel 94 Sv Pro heeft geduurd van 6 oktober 2020 tot en met 4 juli 2024 en het (conservatoire) beslag ex artikel 94a Sv van 3 november 2020 tot en met 4 juli 2024.
Verdere ontwikkelingen
3.15.
[eiser] heeft de Staat bij brief van 12 december 2024 aansprakelijk gesteld voor alle geleden of te lijden schade, met ingang van 6 oktober 2020, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft diverse schadeposten opgevoerd:
“Op grond van het vorenstaande heeft cliënt dan ook nader gespecificeerd en opeisbaar te vorderen:
(…)
b. Kosten herstel, reparatie en rijklaar maken € 4.818,63
c. Waardevermindering auto € 45.000,00
d. Gemiste huurinkomsten € 63.000,00
(...)
f. Subtotaal hoofdsom € 136.557,02
g. Buitengerechtelijke (incasso)kosten conform WIK € 2.140,57
h. Wettelijke rente over hoofdsom vanaf 6.10.2020 – heden
€ 22.866,75
i. Totaal behoudens rente p.m. € 161.564,34”
De door [eiser] oorspronkelijk onder a genoemde transportkosten heeft de Staat (als op grond van de wet verschuldigd) vergoed. De oorspronkelijk onder e genoemde advocaatkosten wegens het voeren van de beklagprocedure zullen (conform de op grond van artikel 530 Sv Pro op 21 juli 2025 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen uitspraak) eveneens aan [eiser] worden vergoed. Deze schadeposten spelen in deze procedure geen rol meer.
3.16.
Op 24 februari 2025 heeft [eiser] de Mercedes verkocht aan D.V. Trading voor een bedrag van € 55.000,-.
3.17.
De Staat heeft bij afzonderlijke brieven van 6 maart 2025 en 14 maart 2025 voor zover nog van belang alle aansprakelijkheid van de hand gewezen.
3.18.
In de strafzaak tegen de zoon van [eiser] heeft nog geen inhoudelijke behandeling plaatsgevonden. De strafzaak loopt nog.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert - samengevat - te verklaren voor recht dat de Staat jegens hem aansprakelijk is voor de als gevolg van de inbeslagname en opslag/bewaring van de Mercedes door [eiser] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding.
4.2.
De Staat voert gemotiveerd verweer en concludeert kort gezegd tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Centrale vraag
5.1.
In deze zaak staat centraal vraag of de Staat jegens [eiser] aansprakelijk is voor de als gevolg van de inbeslagname en opslag/bewaring van de Mercedes door hem geleden en nog te lijden schade. Daartoe moet de rechtbank allereerst nagaan of de Staat jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld wegens het leggen respectievelijk handhaven van de ten laste van de zoon van [eiser] gelegde strafvorderlijk beslagen op een op naam van [eiser] gestelde Mercedes.
Korte weergave strafvorderlijk kader
5.2.
In dit geval gaat het om beslagen gelegd op grond van art. 94 Sv Pro (klassiek beslag) en art. 94a Sv (conservatoir beslag). Op de voet van het bepaalde in de artikelen 94 en 94a Sv zijn vatbaar voor inbeslagneming voorwerpen, die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen, of waarvan de verbeurdverklaring dan wel de onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen, of die kunnen dienen tot bewaring van het recht tot verhaal voor een op te leggen geldboete of de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Ook als geen van deze doelen meer aanwezig is, dan nog kan het beslag voortduren, maar dan niet meer in het belang van strafvordering, namelijk als dit geschiedt ter bewaring van het voorwerp ten behoeve van een onbekende rechthebbende (art. 116 lid Pro 2; art. 353 lid 2 Sv Pro).
Het beslag ex art. 94a Sv strekt ertoe om verhaalsrecht ter zake van een geldboete of een voordeelsontneming veilig te stellen. Deze sancties kunnen slechts worden opgelegd aan een veroordeelde. Onder omstandigheden kunnen ook goederen worden beslagen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen (lid 4 en lid 5 van art. 94a Sv).
5.3.
Ingevolge artikel 552a Sv kunnen belanghebbenden kunnen zich in geval van beslag op grond van art. 94 en Pro/of 94a Sv schriftelijk beklagen over inbeslagneming en het uitblijven van een last tot teruggave (lid 1). Het klaagschrift of het verzoek wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Acht het gerecht het beklag of het verzoek gegrond, dan geeft het de daarmede overeenkomende last (lid 10).
5.4.
De 552a Sv-procedure wordt gekenmerkt door een onderzoek in raadkamer met een summier karakter. Een geringe mate van waarschijnlijkheid dat aan één van de gronden is voldaan is reeds voldoende om het beslag te handhaven. Als de beklagrechter de inbeslagneming onrechtmatig acht, dient hij zonder verdere belangenafweging teruggave te gelasten, tenzij het doel van het beslag onttrekking aan het verkeer is.
Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad [2] moet de rechter in een geval waarin op de voet van artikel
94a Svbeslag rust op het inbeslaggenomen voorwerp en een derde in een beklagprocedure op de voet van artikel 552a Sv om teruggave verzoekt, als maatstaf aanleggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat die derde als eigenaar van dat inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk geven. Indien die derde als eigenaar wordt aangemerkt zal de rechter tevens moeten onderzoeken, en daarvan blijk moeten geven, of zich de situatie van artikel 94a lid 4 of 5 Sv voordoet. Indien buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en zich niet de situatie voordoet als bedoeld in art. 94a lid 4 of 5 lid, Sv, dient het inbeslaggenomen voorwerp aan de klager te worden teruggegeven. Onderzoek naar het belang van strafvordering is dan niet aan de orde. [3] Bij het beantwoorden van de vraag wie redelijkerwijs rechthebbende is zal de strafrechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar zal hij daarbij civielrechtelijke aspecten mogen betrekken. Het gaat in de beslagprocedure immers om een voorlopig oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp. [4]
Inhoudelijke beoordeling
5.5.
Tussen partijen staat vast dat [eiser] geen verdachte is (geweest) in de strafzaak waarvoor de strafvorderlijke beslagen zijn gelegd, en dat deze beslagen bevoegd zijn gelegd ten laste van zijn zoon. Verder staat vast dat de strafrechter het eerste door [eiser] ingediende klaagschrift heeft verworpen. Uit de beschikking van de strafrechter van 16 februari 2021 volgt dat hij van oordeel was dat niet buiten redelijke twijfel was dat [eiser] als eigenaar van het voertuig moest worden aangemerkt. Daarbij speelde onder meer een rol dat [eiser] de stukken waaruit kon blijken waarmee hij de ten tijde van de aankoop van de Mercedes ingeruilde auto oorspronkelijk had gefinancierd niet had overgelegd, dat de zoon zich leek voor te doen als eigenaar van de Mercedes en dat aan de (aanleiding van de) huurovereenkomst een aantal eigenaardigheden kleefde. Er was voor de strafrechter op dat moment geen reden om de strafvorderlijke beslagen op te heffen. [eiser] heeft tegen dit oordeel geen rechtsmiddel aangewend. Bij deze stand van zaken kan de rechtbank in dit geding, in verband met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en de taakverdeling tussen de strafrechter en de civiele rechter, niet concluderen dat de bevoegd gelegde en niet door de strafrechter opgeheven strafvorderlijke beslagen van de aanvang af onrechtmatig zijn geweest.
5.6.
Over het tweede (op 25 maart 2021 ingediende, zie 3.6) klaagschrift van [eiser] heeft de strafrechter (het gerechtshof ’s-Hertogenbosch) uiteindelijk niet meer inhoudelijk geoordeeld. De Mercedes was al teruggegeven (de beslagen waren opgeheven); [eiser] is daarom in zijn klaagschrift niet-ontvankelijk verklaard. In deze civiele procedure is dus geen inhoudelijk eindoordeel van een strafrechter over de beslagen voorhanden.
5.7.
De rechtbank zal - zoals ter zitting besproken - allereerst beoordelen wat de strafrechter op het door [eiser] ingediende tweede klaagschrift zou hebben beslist. De rechtbank zal zich hierbij met name baseren op de in dit geding ingebrachte stukken van het strafdossier/beklagprocedure, maar daarbij ook betrekken hetgeen partijen in deze civiele procedure hebben aangevoerd. Immers kan er redelijkerwijs vanuit worden gegaan dat als de strafrechter (het gerechtshof ’s-Hertogenbosch) het tweede klaagschrift inhoudelijk had moeten behandelen, door [eiser] enerzijds en het Openbaar Ministerie anderzijds in die procedure voor zover van belang dezelfde argumenten zouden zijn aangevoerd.
5.8.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, ook als de in de beklagprocedure voorgeschreven summiere toets wordt gehanteerd, moet worden aangenomen dat de strafrechter het tweede klaagschrift van [eiser] gegrond zou hebben verklaard. Buiten redelijke twijfel is immers dat [eiser] als juridisch eigenaar van de inbeslaggenomen Mercedes moest worden aangemerkt en dat niet aan de gronden voor beslaglegging in art. 94 en Pro art. 94a Sv is voldaan. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
5.9.
De beslagen waren gelegd ten laste van de zoon. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] op enig moment verdachte is geweest in een strafzaak waarvoor deze beslagen zijn gelegd. Het Openbaar Ministerie heeft van meet af aan ingezet op een schijnconstructie als grondslag voor beide beslagen. Daarbij werd ervan uitgegaan dat in werkelijkheid de zoon rechthebbende op de Mercedes was. Deze schijnconstructie nu is onvoldoende uit de verf gekomen. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
5.10.
De Staat heeft bevestigd geen twijfels te hebben aan het juridisch eigenaarschap van [eiser] . Met de ook al in de strafprocedure overgelegde stukken is verder voldoende aangetoond dat de Mercedes is gefinancierd met uit het vermogen van [eiser] afkomstig geld en dus niet met vermogen van de zoon. Vaststaat verder dat [eiser] de Mercedes naar Spanje heeft getransporteerd toen hij daar ging wonen en ook weer terug heeft laten transporteren naar Nederland toen hij zelf in de Coronaperiode terugging naar Nederland. Hieruit volgt dat [eiser] de Mercedes in eigendom heeft verkregen, uit eigen middelen heeft gefinancierd en de Mercedes ook daadwerkelijk de eerste jaren na de aankoop heeft gebruikt.
Het standpunt van de Staat houdt in dat twijfels zijn gerezen naar aanleiding van de huurovereenkomst met recht tot koop roerende zaken die [eiser] twee jaar na de aankoop van de Mercedes met zijn zoon heeft gesloten. Dit, naar de rechtbank begrijpt, omdat de Mercedes onder zijn zoon in beslag is genomen en deze toen bij de zoon in gebruik was.
Niet valt in te zien hoe twijfels over de huurkoopconstructie af kunnen doen aan het eerder gevormde recht van [eiser] op de Mercedes.
[eiser] heeft verder in de strafprocedure (en in de onderhavige procedure) schriftelijk toegelicht waarom hij de overeenkomst met zijn zoon heeft gesloten. Toen [eiser] weer terug wilde keren naar Spanje wilde hij de Mercedes niet opnieuw meenemen naar Spanje. De zoon van [eiser] gaf aan dat hij zonder auto zat en een auto ging leasen. Vervolgens heeft [eiser] zijn zoon aangeboden om de Mercedes te leasen. Deze toelichting komt de rechtbank plausibel voor.
Vaststaat verder dat de zoon meermalen de in de overeenkomst vastgelegde huurpenningen heeft betaald. Betalingen door de zoon die verband houden met het gebruik van de Mercedes (onderhoud, parkeerbelasting, en betaling van de wegenbelasting vlak voor het ingaan van de huurovereenkomst) en het gebruik van de Mercedes door de zoon (als ware hij eigenaar) kunnen redelijkerwijze door de tussen [eiser] en zijn zoon gesloten overeenkomst worden verklaard.
Dat de Staat heeft aangevoerd dat de zoon de huurpenningen voor de Mercedes niet uit zijn reguliere inkomsten kon betalen maakt het voorgaande niet anders. Uit de omstandigheden zoals die blijkens de beschikking van de rechtbank ter zitting in de beklagprocedure zijn aangevoerd (zie 3.9) kan niet met zekerheid worden afgeleid dat [eiser] wist dat zijn zoon de huurpenningen niet met reguliere inkomsten zou kunnen betalen en evenmin dat hij hierom had moeten begrijpen dat zijn zoon inkomen uit criminele activiteiten had. De Staat heeft dat ook niet betoogd. De Staat heeft eerst tijdens de mondelinge behandeling in deze civiele procedure (zonder onderbouwing) gesteld dat de zoon al 2007 is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet en witwassen. [eiser] heeft verklaard hier niet van te weten. Hiervan kan dus ook niet worden uitgegaan.
Tijdens de mondelinge behandeling in de onderhavige procedure heeft [eiser] toegelicht welk bedrag hij bij wijze van huurkoop voor de auto wilde hebben (€ 115.000,-). De Staat heeft desgevraagd niet gesteld dat het overeengekomen huurkoopbedrag, gelet op de toenmalige waarde van de Mercedes, irreëel was. Tot slot kan indachtig de onder de huurovereenkomst met recht tot koop roerende zaken gedane betalingen niet worden geconcludeerd dat de Mercedes ten tijde van de beslaglegging al tot het vermogen van de zoon was gaan behoren. De Staat heeft dit overigens ook niet gesteld. Gezien al het voorgaande is de door het OM/de Staat gestelde schijnconstructie onvoldoende uit de verf gekomen.
5.11.
Niet (gemotiveerd) gesteld of gebleken is verder dat het ingevolge
artikel 94 Sv Progelegde beslag moest worden gehandhaafd omdat in verband met de waarheidsvinding nog nader onderzoek nodig was. Evenmin is gesteld of gebleken dat sprake is van voorwerpen die verbeurd kunnen worden verklaard dan wel waarvan de onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen. Verbeurdverklaring van de Mercedes kon, nu de Mercedes aan [eiser] in eigendom toebehoort alleen indien [eiser] bekend was met de verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden. Aan deze eis is in dit geval blijkens het voorgaande niet voldaan.
Ook aan de voor onttrekking aan het verkeer geldende eisen is niet voldaan. [eiser] is geen verdachte (geweest) in de strafzaak. In het geval de zoon wordt veroordeeld en ook als met behulp van de Mercedes (door de zoon) het feit is begaan of voorbereid, kan niet worden gezegd dat de Mercedes van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
Voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is alleen plaats in geval van een veroordeling voor een strafbaar feit, echter [eiser] is geen verdachte (geweest) in de strafzaak. Aan de in art. 94 Sv Pro gestelde eisen is niet voldaan.
5.12.
Aan de in
artikel 94a Svneergelegde eisen is evenmin voldaan. De leden 1-3 zien op de situatie dat goederen in beslag genomen kunnen worden van iemand die wordt verdacht van (dan wel veroordeeld voor) een misdrijf en aan wie een geldboete kan worden opgelegd, dan wel wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen dan wel aan wie de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht kan worden opgelegd. Aan al deze eisen is hier niet voldaan. [eiser] is geen verdachte (geweest). Buiten redelijke twijfel is ook dat zich niet de situatie als bedoeld in art. 94a lid 4 of 5 Sv voordoet. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij heeft hiervoor heeft overwogen. Tot slot doet zich de situatie het beslag moet voortduren ter bewaring van het voorwerp ten behoeve van een onbekende rechthebbende niet voor.
5.13.
Dit alles brengt de rechtbank tot de conclusie dat moet worden aangenomen dat de strafrechter het tweede klaagschrift gegrond zou hebben geacht; immers zou mede aan de hand van de nieuw ingediende informatie zijn gebleken dat niet aan de wettelijke gronden voor beslaglegging was voldaan. De beslagen zouden dan zijn opgeheven. Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat een tweetal beklagrechters geen aanleiding heeft gezien het tweede klaagschrift van [eiser] gegrond te verklaren (zie 3.7 en 3.9) dit niet anders maakt. De Hoge Raad heeft deze uitspraken immers vernietigd (zie 3.8. en 3.10). De omstandigheden dat onder de zoon ook een andere auto in beslag is genomen, een Range Rover Evoque, waarvan [eiser] ook stelt eigenaar te zijn, dat het beklag van [eiser] daartegen geen doel heeft getroffen, en dat het beslag op (de verkoopopbrengst van) die Range Rover nog voortduurt, doen hieraan evenmin af. De beslagen op de Mercedes moeten immers op eigen merites worden beoordeeld.
5.14.
Volgens vaste jurisprudentie is de toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel als inbeslagname onrechtmatig indien het dwangmiddel is toegepast in strijd met de wet, dan wel met veronachtzaming van fundamentele vereisten. Nu vanaf 25 maart 2021 aan de inbeslagname een wettelijke grondslag ontbreekt, is de Staat dientengevolge aansprakelijk voor schade die is veroorzaakt door het vanaf dat moment (25 maart 2021) laten voortduren van de toepassing van de beslagen [5] .
5.15.
Voor schade geleden tijdens de periodes van respectievelijk 6 oktober 2020 tot 25 maart 2021 (art. 94 Sv Pro) en 3 november 2020 tot 25 maart 2021 (art. 94a Sv) geldt dat de Staat volgens vaste jurisprudentie daarvoor aansprakelijk is, indien de Dienst Domeinen Roerende Zaken (de bewaarder van de auto) niet heeft gehandeld zoals van een ‘redelijk bewaarder’ mag worden verwacht (artikel 7 Besluit Pro inbeslaggenomen voorwerpen). Dit laatste is aan de orde als hij niet de nodige maatregelen heeft genomen tegen beschadiging, waardevermindering en ontvreemding van hetgeen in beslag is genomen. Waardedaling van een inbeslaggenomen goed wegens enkel tijdsverloop, geleden tijdens een rechtmatig beslag, komt voor rekening van de beslagene. De bewaarder is niet gehouden gedurende een beslag dat meerdere jaren had geduurd, om de motor van een klassieke auto geregeld te laten draaien, reeds omdat ook daarmee (al) risico op schade wordt gelopen. Evenmin gaat de zorgplicht zo ver dat de Staat als bewaarder de auto zodanig moet conserveren dat het bewegen van de motor en andere onderdelen niet nodig zou zijn. [6] De bewaarder is niet gehouden om inbeslaggenomen voertuigen tussentijds te gebruiken of te onderhouden. Tot slot kan niet zonder meer van de bewaarder worden gevergd dat auto’s overdekt worden gestald [7] . [eiser] heeft tegen deze achtergrond voor wat betreft deze periode onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat de Dienst Domeinen Roerende Zaken niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bewaarder mag worden verwacht.
5.16.
[eiser] beroept zich ook op de zgn. egalitérechtspraak. Deze rechtspraak houdt in dat de Staat onder omstandigheden op grond van een onrechtmatige daad aansprakelijk gehouden worden voor
rechtmatigstrafvorderlijk optreden indien dit onevenredige nadelige gevolgen heeft voor een derde (een ander dan de verdachte). Onevenredig nadelige gevolgen van overheidsoptreden behoren niet ten laste van een beperkte groep te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap te worden verdeeld. Dit geldt voor zover de schade buiten het normale maatschappelijke risico valt.
De vraag of in een bepaald geval de gevolgen van een overheidshandeling buiten het normale maatschappelijk risico of het normale bedrijfsrisico vallen, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang kan hierbij onder meer zijn enerzijds de aard van de overheidshandeling en het gewicht van het daarmee gediende belang alsmede in hoeverre die handeling en de gevolgen daarvan voorzienbaar zijn voor de derde die als gevolg daarvan schade lijdt, en anderzijds de aard en de omvang van de toegebrachte schade. Voor zover het gaat om strafvorderlijk optreden waarvan de gevolgen een ander dan de verdachte treffen, kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat in het algemeen enig ongemak of gering tijdverlies niet als onevenredig kan worden aangemerkt en dat men dit zal moeten aanvaarden als vallend binnen het normale maatschappelijk risico of het normale bedrijfsrisico, maar dat dit niet zonder meer zal kunnen worden gezegd indien zaken van die ander als gevolg van dit optreden worden beschadigd. [8]
5.17.
Het ging hier om beslagen gelegd in verband met de verdenking van ernstige strafbare feiten, te weten witwassen, deelname aan een criminele organisatie en overtreding van de Opiumwet. Met de beslagen was een zwaarwichtig overheidsbelang gemoeid. Gesteld noch gebleken is dat deze handeling en de gevolgen daarvan voorzienbaar waren voor [eiser] , die als gevolg daarvan (mogelijk) schade heeft geleden.
[eiser] had met zijn zoon een huurovereenkomst met recht tot koop roerende zaken gesloten en hij kon ten gevolge van de beslaglegging niet langer het genot van de Mercedes aan zijn zoon verschaffen. Vaststaat dat hij na de inbeslagname geen huurpenningen meer heeft ontvangen. Wanneer het feitelijk genot van een zaak niet wordt verstrekt is een huurder in beginsel gerechtigd de betaling van de huurpenningen op te schorten (art. 6:52 Burgerlijk Pro Wetboek, hierna: BW). Echter, in dit geval was sprake van een ander beletsel dat was opgekomen van de kant van de zoon als schuldeiser, dat hem ook kon worden toegerekend (art. 6:58 BW Pro). Immers, de beslagen op de Mercedes werden gelegd vanwege de verdenking dat de zoon misdrijven had gepleegd. De zoon verkeerde hierdoor in crediteursverzuim en was daarom niet gerechtigd de betaling van huurpenningen op te schorten Dit betekent dat [eiser] de huurpenningen over deze periode (à € 1.500,- per maand) van zijn zoon had kunnen (moeten) innen. De omstandigheid dat de zoon de Mercedes in deze periode niet kon gebruiken kwam voor risico van de zoon als huurder/verdachte, zoals de Staat heeft betoogd.
In het midden kan blijven of [eiser] de huurovereenkomst zelf heeft opgezegd. In het geval [eiser] dit (op enig moment gedurende de hier relevante periode) heeft gedaan, kon hij vanaf dat moment geen aanspraak meer maken op huurpenningen. Tot opzegging was hij echter (in ieder geval in deze periode) niet genoodzaakt. Niet dan wel onvoldoende gesteld of gebleken is dat [eiser] , buiten de kwestie van de huurpenningen om, over deze, relatief korte, periode schade heeft geleden. Dat sprake is van onevenredige schade is derhalve niet komen vast te staan. Dit leidt tot de conclusie dat de Staat over de periode tot 25 maart 2021 niet jegens [eiser] aansprakelijk is.
Geen verwijzing naar de schadestaat
5.18.
Anders dan gevorderd zal de rechtbank de zaak niet naar de schadestaatprocedure verwijzen. De rechtbank acht zich, mede aan de hand van hetgeen partijen nog zullen aanvoeren, in staat de door [eiser] geleden schade in deze procedure te begroten [9] .
5.19.
De rechtbank stelt [eiser] hiertoe in de gelegenheid om zich bij akte gemotiveerd uit te laten over de door hem vanwege de vanaf 25 maart 2021 onrechtmatig gehandhaafde beslagen geleden schade (rov. 5.14). De Staat zal daarop bij antwoordakte mogen reageren.
5.20.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verwijst de zaak naar de rol van
woensdag 28 januari 2026voor akte uitlating aan de zijde van [eiser] zoals in rov. 5.19 vermeld;
6.2.
bepaalt dat de Staat daarop ter rolle van
woensdag 25 maart 2026bij antwoordakte mag reageren;
6.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.
1308

Voetnoten

1.Hoge Raad 11 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:841.
2.Hoge Raad 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1169 rov. 2.4.
3.Hoge Raad 26 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5407 rov. 2.3.
4.Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823 rov. 2.13.
5.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10337 rov. 5.6.
6.Gerechtshof Den Haag 3 augustus 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BX6464 rov. 10.
7.Rechtbank ’s-Gravenhage 4 juli 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9592 rov. 4.7.
8.HR 30 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0801, NJ 2003, 615. Hoge Raad 17 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7887; Hoge Raad 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ7396 en verder de recente conclusie van de A-G mr. Snijders van 31 mei 2024, ECLI:NL:PHR:2024:582.
9.HR 28 november 2025, ECLI:NL:2025:1761, rov. 3.2.3.