Eiser, een Nepalese derdelander die vanuit Oekraïne naar Nederland kwam, ontving tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Na beëindiging van deze bescherming per 4 maart 2024, vaardigde de minister op 28 juli 2025 een terugkeerbesluit uit tegen eiser. Eiser voerde aan dat hij niet illegaal verbleef vanwege een lopende beroepsprocedure, een toegewezen voorlopige voorziening en een bevriezingsmaatregel.
De rechtbank oordeelde dat de bevriezingsmaatregel slechts een tijdelijk uitstel van vertrek inhoudt en geen legaal verblijf toestaat. Ook het procedureel rechtmatig verblijf door lopende procedures en voorlopige voorzieningen betekent niet dat het verblijf niet illegaal is volgens de Terugkeerrichtlijn. Daarnaast was de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld en had hij geen nieuwe aanvraag ingediend, waardoor hij geen rechtmatig verblijf had.
De rechtbank concludeerde dat het verblijf van eiser op het moment van het terugkeerbesluit illegaal was en dat de minister bevoegd was het terugkeerbesluit te nemen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit bleef in stand.