Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
VOF (in liquidatie), voorheen handelend onder de naam ‘ [handelsnaam 1] ’, te [vestigingsplaats] ,
[partij B sub 2],
voorheen handelend onder de naam ‘ [handelsnaam 2]’, te [vestigingsplaats] ,
1.De procedure
- het tussenvonnis van 30 november 2022, waarin een aanvullend voorschot voor het onderzoek van TNO is bepaald;
- het tussenvonnis van 30 november 2024, waarin een tweede aanvullend voorschot voor het onderzoek van TNO is bepaald en aan TNO een extra termijn is verleend voor het indienen van het definitieve rapport;
- de rolbeslissing van 12 maart 2025, waarin een verzoek van [gedaagden] tot ontslag van TNO als deskundige is afgewezen;
- het tussenvonnis van 30 juli 2025, waarin de kosten van het deskundigenonderzoek van TNO zijn begroot, op basis van (thans) artikel 191, eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
- de akte in conventie tot wijziging van eis en/of gronden ex art. 130 Rv Pro van Lek van 18 december 2024, met producties XII (1 t/m 6);
- de conclusie na deskundigenbericht van Lek van 15 oktober 2025, met producties XIII (1 t/m 8);
- de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagden] van 15 oktober 2025, tevens akte bezwaar tegen wijziging/vermeerdering eis in conventie tevens wijziging/vermeerdering van eis in reconventie, met producties M1 t/m M27;
- de antwoordakte na deskundigenbericht tevens conclusie van repliek inzake punten 3 en 4 (eiswijziging Lek en de vorderingsgerechtigheid van [gedaagden] ) van Lek van 10 december 2025, met producties XIII (9 t/m 18) en XIV (0 t/m 21);
- de antwoordakte van [gedaagden] van 10 december 2025, met producties M28 t/m M31;
- de antwoordakte (op onderdelen 6, 7 en 8 en producties XIV van de akte van Lek van 10 december 2025) van [gedaagden] van 14 januari 2026, met producties M32 t/m M35;
- de voorwaardelijke conclusie van [gedaagden] tot oproeping van een derde ex artikel 118 Rv Pro) van [gedaagden] van 14 januari 2026;
- de incidentele conclusie van antwoord van Lek van 28 januari 2026, met producties XIV (22 en 23).
2.De verdere beoordeling (in conventie en in reconventie)
- De eiswijziging van vordering III (waarin thans een deelbetaling van € 10.000 voor de kosten van Lek wordt gevorderd) wordt toegestaan. Daartegen hebben [gedaagden] ook geen bezwaar. Zij voeren wel inhoudelijk verweer.
- De toevoeging in vordering I ‘
- De toevoeging
[vennoot 1] voorheen h.o.d.n. [handelsnaam 1]’, in de dagvaarding vervolgens verkort aangeduid als ‘ [partij B sub1] ’. Deze partijomschrijving is niet heel duidelijk: enerzijds wordt de naam van de vennoot genoemd ( [vennoot 1] ), anderzijds wordt verwezen naar de handelsnaam van de VOF ( [handelsnaam 1] ). Uit de toelichting van het geschil en de vordering in de dagvaarding blijkt echter onmiskenbaar dat het de bedoeling van Lek is geweest om de wederpartij te dagvaarden met wie zij destijds de overeenkomst heeft gesloten. Niet ter discussie staat dat dit de VOF was, toen handelend onder de naam [handelsnaam 1] (en sinds 1 augustus 2015 handelend onder de naam ‘ [partij B sub1] ’). Voor Lek moet ook duidelijk zijn geweest dat de contractspartij [handelsnaam 1] een vennootschap onder firma was, want Lek heeft bij de dagvaarding als productie 4 een uittreksel uit het handelsregister van de VOF overgelegd en zij werd bijgestaan door een advocaat. Nergens uit de dagvaarding blijkt dat het Lek voor ogen heeft gestaan om niet de contractuele wederpartij (de VOF voorheen handelend onder de naam [handelsnaam 1] ), maar haar vennoot [vennoot 1] in rechte te betrekken, op basis van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 18 WvK Pro. Artikel 18 WvK Pro wordt in de dagvaarding ook nergens genoemd.
“[vennoot 1] h.o.d.n. [partij B sub1]”, in de conclusie vervolgens (evenals in de dagvaarding) afgekort als ‘ [partij B sub1] ’. Weliswaar is ook in de partijomschrijving in de kop van de conclusie niet met zoveel woorden toegevoegd dat partij [partij B sub1] een vennootschap onder firma is, maar uit de inhoud van de conclusie blijkt dat het de VOF is die is verschenen. Immers, [partij B sub1] was op dat moment de handelsnaam van de VOF. Daarnaast is in de conclusie opgemerkt dat partij [partij B sub1] de overeenkomst met Lek heeft gesloten en dat [vennoot 1] zijn onderneming uitoefent vanuit een vennootschap onder firma. [2] Uit de conclusie blijkt op geen enkele wijze dat [partij B sub1] het zo heeft begrepen dat niet de contractant (de VOF), maar (alleen) hijzelf in hoedanigheid van vennoot was gedagvaard. Bovendien heeft [partij B sub1] in de conclusie van 25 januari 2017 diverse vorderingen in reconventie ingesteld, eveneens op basis van de tussen Lek en de VOF gesloten overeenkomst. Lek heeft daarop met een conclusie van antwoord in reconventie gereageerd. In dit antwoord heeft Lek nergens als verweer aangevoerd dat [partij B sub1] de vorderingen in reconventie niet kan instellen, omdat Lek niet de VOF had gedagvaard, maar [partij B sub1] in zijn hoedanigheid van vennoot. Ook tijdens de mondelinge behandeling van 19 september 2017 is dat verweer niet gevoerd.
- de warmtewisselaar, die een te hoge weerstand heeft;
- de aansluitbakken (de aansluitingen van de luchtverdeelbuizen op de LBK’s), die te klein zijn en een T-splitsing hebben met abrupte verandering van de luchtstromingsrichting;
- de luchtdoorlaat van buiten naar de LBK’s, die te klein is voor de luchthoeveelheid die moet passeren en daarmee fors bijdraagt aan de totale weerstand van het systeem.
“Het vervangen van de luchtverdeelslangen door slangen met een correcte zonering was op basis van het onderzoek van TNO niet nodig. (…) Meer winst is te behalen met het vergroten van de verbinding tussen de verdeelbuis en de slang en het optimaal inregelen van de installatie om de verschillen tussen slangen terug te brengen.” [31] Op basis hiervan kan naar het oordeel van de rechtbank de conclusie worden getrokken dat ook het vergroten van de aansluiting een noodzakelijke herstelmaatregel is.
- het vervangen van de warmtewisselaar door een warmtewisselaar met een lagere luchtzijdige weerstand (kosten volgens TNO nog onbekend);
- het aanbrengen van schoepen en het vergroten van de aansluitingen (kosten door TNO geschat op € 2.000 per LBK, dus € 36.000 voor [partij B sub1] en € 38.000 voor [partij B sub 2] );
- het inregelen van de LBK’s in combinatie met de luchtslurven (kosten onbekend);
- het vergroten van de aansluiting van de luchtverdeelslangen op de verdeelbuizen (kosten onbekend).
- Lek heeft wel een drycooler aan [partij B sub1] geleverd (en niet valt in te zien waarom Lek dat zou doen als dat niet was overeengekomen);
- eerder in deze procedure heeft Lek niet betwist dat met [partij B sub 2] en [partij B sub1] de levering van een drycooler is overeengekomen;
- de plaatsing/aansluiting van drycoolers staat op de werkpuntenlijsten van [partij B sub1] van 15 november 2012; en
- in de eigen ‘j/n overzichten’ van Lek met alle door [gedaagden] gekozen offerteonderdelen, waarnaar [gedaagden] in productie M17 duidelijk verwijzen, staat ook bij [partij B sub1] de levering van een drycooler Alfa Laval 900 kW vermeld voor € 23.705.
- De capaciteit is 9 m3/h bij een specificatie van 10 ± 1 m3/h;
- 24/7 beschikbaarheid van het filter, waarvoor het filter automatisch, zelfreinigend moet zijn; het filter is inderdaad automatisch, zelfreinigend;
- Er is voldoende ontsmettingscapaciteit per dag, op grond van het uitgangspunt van [gedaagden] voor watergift en drainpercentage.
- de door Lek op te leveren installatie voldoet aan de eisen van NEN1010, veiligheidsbepalingen voor laagspanning installaties;
- voor het onder spanning zetten en in bedrijfstellen van de elektrische installaties wordt deze volgens NEN1010 geïnspecteerd;
- bij oplevering wordt een tekeningenmap met een inspectierapport van alle bevindingen overhandigd.
per rij. Dat bij de besturing tussen haakjes het woord ‘dambord’ is blijven staan
“de schakeling zal uitgevoerd worden in twee secties (dambord)”, maakt niet dat [gedaagden] een dambordschakeling mochten verwachten. Als [gedaagden] dat laatste hadden gewild, dan hadden zij voor de (duurdere) schakeling per dambord moeten kiezen en niet voor de schakeling per rij. Dit volgt ook uit het rapport van FW Techniek, die bevestigt dat de bekabeling van de streng het effect van het sturen in twee secties bepaalt. [62]
[partij B sub 2]concludeert FW Techniek, voor zover hier van belang:
b. Voldoet de werking ... ?
Inspectiemethoden voor elektrische installaties - Deel 1: Thermografie - Beoordelen van de gemeten temperatuur, is de toegestane temperatuur van 105°C (90°C) niet overschreden. (zie tabel 3). (
dit gaat over de isolatiematerialen, met name die van de verbindingsblokken)” [68]
[partij B sub1]heeft FW Techniek het volgende bevonden en geconcludeerd:
3. Knetterende panelen en uitval van strengen.
Omvang van de opname (Linssen punt 3)
[partij B sub 2]betekent dit het volgende. Met ingang van de datum van gedeeltelijke ontbinding heeft Lek niets meer van [partij B sub 2] te vorderen. De vordering in conventie ten opzichte van [partij B sub 2] wordt dus afgewezen. [partij B sub 2] heeft wegens ongedaanmaking per 25 januari 2017 een bedrag van (€ 148.080 – € 87.180,65 =) € 60.899,35 van Lek terug te vorderen (artikel 6:271 BW Pro). Op grond van artikel 6:119 BW Pro heeft [partij B sub 2] ook aanspraak op betaling van wettelijke rente wegens de vertraging in de voldoening van de ongedaanmakingsverbintenis. De door [partij B sub 2] gevorderde wettelijke rente vanaf 25 januari 2017 is niet weersproken en wordt toegewezen.
[partij B sub1]geldt het volgende. Met ingang van de datum van gedeeltelijke ontbinding (25 januari 2017) heeft Lek van [partij B sub1] nog een bedrag van (€ 186.946,70 – € 144.575,77 =) € 42.370,94 te vorderen. [partij B sub1] is met de betaling van dat bedrag vanaf 25 januari 2017 in verzuim en is op grond van artikel 27, vierde lid AV vanaf dat moment contractuele rente van 1,25% per maand verschuldigd. De rechtbank gaat niet mee in de stelling van [gedaagden] dat Lek jegens [partij B sub1] geen aanspraak meer kan maken op rente omdat Lek met de op 29 november 2013 gemaakte minnelijke afspraken onvoorwaardelijk afstand heeft gedaan van al haar renteaanspraken. De rechtbank leest dit niet terug in het verslag van die bespreking.
“De benodigde informatie om een goede onderbouwing te geven van de meerkosten energieverbruik is zeer complex en afhankelijk van zeer uiteenlopende factoren waarbij er weer onderlinge verbanden en relaties zijn.”Dat volgt ook uit de antwoorden in het rapport van TNO, naar aanleiding van de volgende vragen van de rechtbank: Kunt u al een voldoende gefundeerde uitspraak doen over deze extra energiekosten of is daarvoor naar uw oordeel een aanvullend onderzoek nodig? Als dat laatste het geval is, kunt u toelichten waaruit dat onderzoek volgens u moet bestaan, welke gegevens daarvoor nodig zijn en wat de waarschijnlijke kosten zijn van dat onderzoek? Daarop antwoordde TNO:
mogelijkheiddat [gedaagden] enige schade in de vorm van extra energiekosten en/of teeltschade hebben geleden is op dit moment wel aannemelijk, op basis van de conclusies die de rechtbank heeft getrokken ten aanzien van de non-conformiteit van het energiesysteem. Het gaat dan echter slechts om de mogelijkheid van schade; de beantwoording van de vraag of en zo ja, in hoeverre daadwerkelijk schade door [gedaagden] is geleden, zal – gezien het bovenstaande – waarschijnlijk om een omvangrijk en complex debat vragen, met mogelijk nog aanvullend deskundigenonderzoek (met een onzekere uitkomst, gelet op de complexiteit). De omvang van de schade is bovendien afhankelijk van de vastgestelde mate van afwijking tussen hetgeen [gedaagden] op grond van de overeenkomsten hadden behoren te krijgen en hetgeen zij daadwerkelijk hebben gekregen. De rechtbank heeft daarover weliswaar in dit vonnis een oordeel geveld, maar dat oordeel heeft nog geen gezag van gewijsde. Onmiddellijke voortzetting van het debat over de schadebegroting is ook daarom minder doelmatig.
“nu een schadestaatprocedure voor deze contractuele vordering”is afgesneden, Lek ervoor kiest slechts een deelbetaling van € 10.000 te vorderen bovenop wat de rechtbank aan de wettelijke proceskostenveroordeling zal toewijzen. [84] Daaruit begrijpt de rechtbank dat vordering IV (een vergoeding van 15% voor buitengerechtelijke incassokosten) niet langer aan de orde is en dat uitsluitend vorderingen III en V nog voorliggen.
- in de zaak van [partij B sub 2] : [partij B sub 2] 25% (€ 36.300) en Lek eveneens 25% (€ 36.300);
- in de zaak van [partij B sub1] : [partij B sub1] en Lek ieder eveneens 25% (€ 36.300).