ECLI:NL:RBDHA:2026:17054

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
SGR 26/3636
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen door UWV op herbeoordelingsverzoek WIA-uitkering

Eiseres, ontvanger van een WIA-uitkering, verzocht het UWV om herbeoordeling van haar recht op deze uitkering. Nadat het UWV niet binnen de wettelijke termijn van negen weken had beslist, stelde eiseres het UWV in gebreke en diende zij beroep in bij de rechtbank Den Haag wegens het uitblijven van een beslissing.

De rechtbank stelde vast dat het UWV de beslistermijn had overschreden en dat het beroep ontvankelijk en gegrond was. Het UWV gaf aan dat het tekort aan verzekeringsartsen de vertraging veroorzaakte, een situatie die de rechtbank eerder als bijzonder geval had erkend, waarbij een termijn van negen weken wordt gehanteerd voor het nemen van een besluit na de uitspraak.

De rechtbank legde het UWV op binnen zes weken na verzending van de uitspraak een medische beoordeling te verrichten en binnen drie weken daarna een besluit te nemen, met een maximale beslistermijn van negen weken. Tevens werd een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van €15.000. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen binnen negen weken na verzending van de uitspraak alsnog te beslissen op het herbeoordelingsverzoek, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3636

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I.P.J.F. van Oijen),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,het Uwv (gemachtigde: G. Metz)

Inleiding

1. Eiseres ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiseres heeft verzocht om een herbeoordeling van het recht op deze WIA-uitkering.
1.1.
Eiseres heeft op 28 april 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het herbeoordelingsverzoek.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep is ontvankelijk en gegrond
2. Als een bestuursorgaan, zoals hier het Uwv, niet op tijd beslist op een aanvraag, een verzoek om herbeoordeling of een bezwaarschrift, kan een belanghebbende daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de belanghebbende schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de belanghebbende beroep instellen. [1]
3. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 15 oktober 2025 tot het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.
De nadere beslistermijn
4. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen.
5. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
5.1.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv te bevelen om alsnog een beslissing te nemen op de aanvraag voor een herbeoordeling.
5.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden omdat het Uwv kampt met een groot tekort aan verzekeringsartsen.
6. Bij het Uwv is al geruime tijd sprake van tekorten aan verzekeringsartsen, waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald. In haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft deze rechtbank daarom bepaald dat in dit soort zaken, waarin het gaat om het uitblijven van een besluit waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. [2] De rechtbank heeft in die uitspraken bepaald dat in dergelijke beroepen het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts, of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een besluit te nemen. In totaal heeft het Uwv dan dus een termijn van negen weken na de datum waarop de uitspraak wordt verzonden om een besluit bekend te maken.
6.1.
Indien het Uwv ten tijde van de uitspraak van de rechtbank de medische beoordeling al heeft gepland op een bepaalde datum of deze al is uitgevoerd, wordt daarmee rekening gehouden. Het Uwv krijgt dan in ieder geval de wettelijke termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om dit aan te voeren. [3]
6.2.
In vier uitspraken van 13 mei 2026 heeft de rechtbank de bovengenoemde termijnen bevestigd. [4]
De nadere beslistermijn in deze zaak
7. Het Uwv verzoekt de rechtbank om bij het bepalen van de beslistermijn de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025 in overweging te nemen. [5] Volgens die rechtbank dient het Uwv in dit soort zaken alsnog een besluit bekend te maken binnen 30 weken bij een werknemersberoep en binnen 40 weken bij een werkgeversberoep, gerekend vanaf de datum waarop de rechtbank het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen heeft ontvangen. Eiseres verzoekt de rechtbank aan te sluiten bij de termijnen die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald.
7.1.
Het Uwv heeft niet nader onderbouwd of toegelicht waarom de omstandigheden omtrent het artsentekort van dien aard zijn dat de rechtbank zou moeten afwijken van de beslistermijn die zij in haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft bepaald. In die uitspraken woog de rechtbank immers ook de omstandigheid van het artsentekort mee. [6] De rechtbank ziet dus geen aanleiding om af te wijken van de hierboven beschreven beslistermijnen.
8. In dit beroep stelt het Uwv in het verweerschrift ook dat dat nog niet kan worden aangegeven op welke termijn een beslissing op de aanvraag van eiseres zal worden genomen.. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
Rechterlijke dwangsom
9. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. [7] Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
10.1.
De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het herbeoordelingsverzoek bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, onder 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, onder 5.2. De rechtbank verwijst ook naar haar overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, onder 4.4 en 4.5.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, onder 5.3 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, onder 5.3.
4.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 13 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:11558, ECLI:NL:RBDHA:2026:11559, ECLI:NL:RBDHA:2026:11560 en ECLI:NL:RBDHA:2026:11561.
5.Uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:9224 en ECLI:NL:RBROT:2025:9226.
6.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451,
7.https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.