ECLI:NL:RBDHA:2026:19117

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
SGR 26/4214
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:55c AwbArt. 6:12 Awb
Verwijzingen
16 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen door UWV in medische WIA-uitkeringszaak

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft het UWV op 2 oktober 2025 besloten de WIA-uitkering van eiser per 3 december 2025 te beëindigen. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit. De rechtbank ontving het beroepschrift op 22 mei 2026 wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar. Het UWV erkende de overschrijding van de beslistermijn, die volgens artikel 8:55d Awb negen weken bedraagt.

De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk en gegrond is omdat het UWV niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. Vanwege structurele tekorten aan verzekeringsartsen geldt een bijzondere regeling waarbij het UWV zes weken krijgt voor een medische beoordeling en drie weken daarna voor het nemen van een besluit, in totaal negen weken na verzending van de uitspraak.

De rechtbank legde het UWV op binnen deze termijn alsnog een besluit te nemen en stelde een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000,- vast voor overschrijding. Daarnaast werd een bestuurlijke dwangsom van €1.442,- vastgesteld wegens eerdere termijnoverschrijding. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 29 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen binnen negen weken alsnog een besluit te nemen met oplegging van dwangsommen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/4214

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. A. Rodriguez Gonzalez),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

1. In het besluit van 2 oktober 2025 heeft het Uwv bepaald dat de uitkering van eiser op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) stopt per 3 december 2025. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.1.
De rechtbank heeft het beroepschrift wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar op 22 mei 2026 ontvangen.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep is ontvankelijk en gegrond
2. Als een bestuursorgaan, zoals hier het Uwv, niet op tijd beslist op een aanvraag, een verzoek om herbeoordeling of een bezwaarschrift, kan een belanghebbende daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de belanghebbende schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de belanghebbende beroep instellen. [1]
3. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiser heeft het Uwv in gebreke gesteld en tussen de ontvangst daarvan door het Uwv op 30 april 2026 en het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.
De nadere beslistermijn
4. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen.
5. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
5.1.
Eiser heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen een door de rechtbank te bepalen termijn alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken.
5.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden wegens een groot tekort aan verzekeringsartsen.
6. Bij het Uwv is al geruime tijd sprake van tekorten aan verzekeringsartsen, waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald. In haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft deze rechtbank daarom bepaald dat in dit soort zaken, waarin het gaat om het uitblijven van een besluit waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. [2] De rechtbank heeft in die uitspraken bepaald dat in dergelijke beroepen het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts, of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een besluit te nemen. In totaal heeft het Uwv dan dus een termijn van negen weken na de datum waarop de uitspraak wordt verzonden om een besluit bekend te maken.
6.1.
Indien het Uwv ten tijde van de uitspraak van de rechtbank de medische beoordeling al heeft gepland op een bepaalde datum of deze al is uitgevoerd, wordt daarmee rekening gehouden. Het Uwv krijgt dan in ieder geval de wettelijke termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om dit aan te voeren. [3]
6.2.
In vier uitspraken van 13 mei 2026 heeft de rechtbank de bovengenoemde termijnen bevestigd. [4]
De nadere beslistermijn in deze zaak
7. In dit beroep stelt het Uwv in het verweerschrift dat nog niet kan worden aangegeven wanneer een besluit op bezwaar zal kunnen worden genomen. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
Rechterlijke dwangsom
8. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. [5] Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Bestuurlijke dwangsom
9. Eiser heeft verder verzocht de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Met toepassing van artikel 8:55c van de Awb stelt de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,- nu niet in geschil is dat het Uwv niet binnen 42 dagen na het verstrijken van twee weken sinds de ontvangst van de ingebrekestelling een besluit heeft genomen.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
10.1.
Eiser verzoekt om de proceskosten in verband met de behandeling van het beroep te vergoeden met wegingsfactor 1. Gelet op de vaste rechtspraak, [6] waaruit volgt dat bij een beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit een wegingsfactor van 0,5 moet worden toegepast, ziet de rechtbank geen aanleiding om de door eiser gevraagde hogere wegingsfactor toe te passen.
10.2.
De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
  • bepaalt dat het Uwv aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • stelt de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442,-;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van
S.C.M. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 6:12 van Pro de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb).
2.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, onder 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, onder 5.2. De rechtbank verwijst ook naar haar overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, onder 4.4 en 4.5.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, onder 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, onder 5.3 en 5.4.
4.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 13 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:11558, ECLI:NL:RBDHA:2026:11559, ECLI:NL:RBDHA:2026:11560 en ECLI:NL:RBDHA:2026:11561.
5.https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.
6.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1374, onder 4.3, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796, onder 3.