ECLI:NL:RBDHA:2026:21403

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 juli 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
26.17344
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vw 2000Art. 62a Vw 2000Art. 8:54 AwbArt. 5 Richtlijn 2008/115/EGArt. 6 lid 2 Richtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na vertrek met onbekende bestemming

Eiser, een Syrische nationaliteit houdende asielzoeker, diende op 4 september 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel in Nederland. De minister verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk omdat eiser internationale bescherming geniet in Griekenland. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit.

Tijdens de procedure meldde de minister dat eiser op 16 juli 2026 met onbekende bestemming was vertrokken en sindsdien geen contact meer had met zijn gemachtigde. De rechtbank vroeg de gemachtigde om informatie over het contact en verblijf van eiser, maar deze gaf aan geen contact meer te hebben en niet te weten waar eiser verblijft.

De rechtbank overwoog dat bij vertrek met onbekende bestemming de veronderstelling geldt dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op de verblijfsvergunning en dat het aan de vreemdeling is om het tegendeel aannemelijk te maken. Nu eiser geen contact meer onderhoudt en geen procesbelang aannemelijk is, verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.

Daarnaast is het op dit moment niet relevant om ambtshalve te toetsen aan het non-refoulementbeginsel van de Terugkeerrichtlijn, omdat onduidelijk is of eiser nog op Nederlands grondgebied verblijft. Bij eventueel weer opduiken zal een nieuwe beoordeling plaatsvinden.

De rechtbank legde geen proceskostenveroordeling op en wees op de termijn van één week voor het instellen van verzet tegen deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na vertrek met onbekende bestemming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17344

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], geboren op [geboortedatum] 2004 en van Syrische nationaliteit, eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.Y. Hodak),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: [naam]).

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Ook heeft verweerder op grond van artikel 62a, derde lid, Vw 2000 eiser bevolen dat hij onmiddellijk naar Griekenland moet gaan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit op 28 maart 2026 beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is geregistreerd onder zaaknummer NL26.17345.
De rechtbank heeft op 31 juli 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. Na kennis te hebben genomen van de stukken ziet de rechtbank aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.
2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft op 4 september 2024 in Nederland een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag heeft verweerder bij bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard omdat hij als statushouder internationale bescherming geniet in Griekenland.
3. De rechtbank ziet zich, voordat kan worden overgegaan tot een inhoudelijke behandeling van de beroepsgronden, ambtshalve voor de vraag gesteld of in de voorliggende zaak nog sprake is van procesbelang.
4. Verweerder heeft bij brief van 22 juli 2026 de rechtbank op bericht dat uit informatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) blijkt dat eiser op 16 juli 2026 met onbekende bestemming is vertrokken en dat niet is gebleken dat hij zich inmiddels weer heeft gemeld bij de IND, COA, AVIM of DT&V.
5. Na deze MOB-melding heeft de rechtbank teneinde over voldoende informatie te beschikken ter beantwoording van de vraag of eiser nog procesbelang heeft bij de behandeling van het beroep de gemachtigde van eiser bij brief van 24 juli 2026 verzocht om uiterlijk op 31 juli 2026 antwoord te geven op de volgende vragen:
  • Heeft u nog contact met eiser over de verdere voortgang van de procedures en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt? en
  • Weet u of eiser op dit moment nog in Nederland verblijft, en zo nee of daarvoor een goede reden bestaat?
  • Indien u nog contact heeft met eiser, zijn er nog relevante feiten en omstandigheden die maken dat sprake is van procesbelang?
Bij de laatste vraag merkt de rechtbank op dat – zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (vgl. de uitspraken van 1 juli 2024 ECLI:NL:RVS:2024:2662 en van 30 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1775) – als u niet binnen een daartoe gestelde redelijke termijn de door de rechtbank voor de beoordeling van het procesbelang gevraagde informatie verstrekt, ervan uit mag worden gegaan dat eiser geen belang meer heeft bij een uitspraak op het beroep.
6. De rechtbank overweegt dat na een melding van vertrek met onbekende bestemming, waarvan in deze zaak sprake is, de vooronderstelling geldt dat een vreemdeling niet langer prijs stelt op de door haar aanvankelijk verzochte verblijfsvergunning in Nederland. Het ligt dan op de weg van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat deze vooronderstelling onjuist is en daarmee dat er nog sprake is van procesbelang. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling, vgl. de uitspraak van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579, 9 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:964 en van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3988) blijkt dat de vreemdeling zijn procesbelang aannemelijk kan maken door te laten weten dat er nog contact is met de gemachtigde. Dit impliceert dat de gemachtigde van de vreemdeling weet dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en dat gemachtigde met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
7. Bij uitspraak van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662, rechtsoverweging 2.7 en 2.8), heeft de Afdeling voormelde vaste rechtspraak genuanceerd. Zo oordeelt de Afdeling namelijk dat wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, maar wel contact onderhoudt met zijn gemachtigde, hij in beginsel geacht moet worden belang te hebben bij het door hem ingestelde rechtsmiddel. Dit is alleen anders als er voldoende concrete aanknopingspunten zijn dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft. Een vreemdeling heeft dus belang bij het beroep als uit recente informatie van zijn gemachtigde van na de MOB-melding blijkt dat deze nog contact onderhoudt met de vreemdeling over de procedure. De Afdeling heeft tevens geoordeeld dat het niet aan de vreemdeling of de gemachtigde is om uit eigen beweging informatie te verstrekken over de aard of de frequentie van hun contact, maar dient de rechtbank dus eerst bij de gemachtigde navraag te doen naar de relevante feiten en omstandigheden alvorens te concluderen of het procesbelang ontbreekt. Inmiddels heeft de Afdeling deze nuancering meermaals herhaald in onder meer de uitspraken van 31 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3068 en 3073), 8 augustus 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3237), 26 augustus 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3451), 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4049), 28 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4333), 20 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2762) en van 30 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1775).
8. Gelet op de door verweerder overgelegde bijlage bij de brief van 22 juli 2026 stelt de rechtbank vast dat eiser vanaf 16 juli 2026 is geregistreerd als ‘met onbekende bestemming’ vertrokken. Verder is in dit geval niet uit recente informatie van na de MOB-melding gebleken dat de gemachtigde van eiser in de beroepsfase contact heeft onderhouden met eiser over de asielprocedure. Zo heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd op 29 juli 2026 medegedeeld geen contact meer te hebben met eiser en niet te kunnen berichten over zijn huidige verblijfplaats. De rechtbank neemt daarom bij deze stand van zaken aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem bij asielaanvraag verzochte verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en de door hem aangespannen procedure tegen het bestreden besluit waarbij zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk is verklaard. Voorts heeft zijn gemachtigde evenmin kunnen aangeven waar eiser momenteel verblijft. Gelet hierop heeft eiser geen rechtens te beschermen procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep tegen het bestreden besluit. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken dat eiser ervoor heeft gekozen om contact te houden met zijn gemachtigde over de voortgang van de beroepsprocedure.
9. Voorts overweegt de rechtbank dat het op dit moment niet relevant is om ambtshalve te beoordelen of de in artikel 5 van Pro Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn) genoemde belangen aan de aanzegging op grond van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn in de weg staan. Immers, deze beoordeling moet slechts plaatsvinden als de Terugkeerrichtlijn van toepassing is en artikel 2 van Pro de Terugkeerrichtlijn beperkt de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn tot op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen. Nu eiser vanaf 16 juli 2026 is geregistreerd als ‘met onbekende bestemming’ vertrokken, is op dit moment onbekend of hij nog op het grondgebied van de lidstaat Nederland verblijft. Zolang onduidelijk is of eiser op het grondgebied van lidstaat Nederland verblijft, is dan ook geen controle op bescherming tegen non-refoulement nodig. In het geval van weer opduiken op het grondgebied van lidstaat Nederland ligt dat wel anders, maar dat is op dit moment slecht hypothetisch. Het is namelijk een onzekere toekomstige gebeurtenis of eiser ooit weer zal opduiken in Nederland. Daarmee blijft dus staan dat er geen procesbelang is zolang hierover onduidelijkheid bestaat vanwege het geen contact meer hebben met de gemachtigde over de procedure, de verblijfplaats op het grondgebied van lidstaat Nederland en er geen relevante feiten en omstandigheden zijn die maken dat sprake is van procesbelang. Dat de minister niet kan registreren of en zo ja, wanneer eiser niet langer op het grondgebied van Nederland verblijft als gevolg van het met onbekende bestemming vertrekken, kan niet voor rekening van de minister komen.
10. Verder staat de aanzegging op grond van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn niet in het Schengen Informatie Systeem (SIS), waardoor bij een MOB – anders dan bij een terugkeerbesluit waar bij het weer opduiken in het Schengengebied de 'alert on return' (terugkeersignalering) in het SIS wordt getriggerd en bij de autoriteiten de verplichtingen van de Terugkeerrichtlijn worden ge(her)activeerd omdat de derdelander weer op het grondgebied van de lidstaat verblijft en zonder rechtmatig verblijf de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn weer ter hand dient te worden genomen – geen sprake is van een signalering in een soort van sluimerstand in het SIS tot de hypothetische situatie dat de derdelander/statushouder weer opduikt. Als gevolg van de registratie als ‘met onbekende bestemming’ vertrokken heeft er geen beoordeling van het non-refoulement verbod en de overige belangen zoals neergelegd in artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn plaatsgevonden, zodat de formele rechtskracht van het bestreden besluit hier ook niet op ziet. In het hypothetische geval dat eiser weer opduikt op het grondgebied van lidstaat Nederland en hem opnieuw de aanzegging op grond van artikel 6, tweede lid van de Terugkeerrichtlijn wordt gegeven om zich onmiddellijk naar Griekenland te begeven dan wel aan hem een terugkeerbesluit wordt opgelegd om terug te keren naar Syrië, moet op dat moment weer actueel en volledig worden beoordeeld of het beginsel van refoulement wordt geëerbiedigd bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn.
11. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
13. Tot slot overweegt de rechtbank over de termijn voor het instellen van verzet tegen deze uitspraak als volgt. Bij uitspraak van 26 april 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:4218) heeft deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat voor de bepaling van de termijn voor verzet moet worden aangesloten bij de termijn voor het indienen van beroep die geldt op grond van de Vw 2000. Om die reden bedraagt de verzetstermijn in onderhavige zaak één week na de dag van bekendmaking van deze uitspraak.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. Groothedde, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen 1 week na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.