ECLI:NL:RBDHA:2026:4256

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
SGR 25/5261
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 3:4 lid 2 AwbArt. 5:31 lid 2 AwbArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sluiting woning wegens drugshandel en recidive na eerdere sluiting

Eiser is eigenaar van een woning die op 4 februari 2025 door verweerder, de burgemeester van gemeente Zuidplas, voor de duur van achttien maanden is gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege handelshoeveelheden drugs en andere verboden goederen die bij een doorzoeking zijn aangetroffen.

Eiser maakte bezwaar tegen deze maatregel en voerde onder meer aan dat de maatregel punitief is, onvoldoende is gemotiveerd, niet noodzakelijk is en onevenredig zwaar is vanwege zijn persoonlijke omstandigheden en eerdere sluiting van het pand. Verweerder handhaafde het besluit en de rechtbank behandelde het beroep op 20 januari 2026.

De rechtbank oordeelt dat de bevoegdheid van verweerder niet in geschil is en toetst uitsluitend de evenredigheid van de maatregel. De sluiting wordt als een geschikt en noodzakelijk middel gezien om de openbare orde te herstellen, mede vanwege de ernst, omvang en recidive. De rechtbank vindt dat verweerder de belangen van eiser voldoende heeft meegewogen, mede omdat eiser zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende met objectief bewijs heeft onderbouwd.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de sluiting van de woning voor achttien maanden in stand blijft. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de sluiting van de woning voor achttien maanden wegens drugshandel en recidive.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/5261

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.P. Harten),
en

de burgemeester van gemeente Zuidplas, verweerder

(gemachtigden: mrs. C.C.M. Peters en R. IJsselstein).

Samenvatting

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de last onder bestuursdwang, waarmee verweerder zijn woning voor de duur van achttien maanden heeft gesloten. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden oordeelt de rechtbank over deze zaak.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder op goede gronden is overgegaan tot de sluiting van eiser zijn woning. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat de besluitvorming van verweerder samengevat en onder 4 en 5 zijn vervolgens de standpunten van eiser en verweerder weergegeven. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind van deze uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Bij besluit van 4 februari 2025 heeft verweerder een last onder bestuursdwang tot woningsluiting voor de duur van achttien maanden opgelegd, vanwege overtreding van artikel 13b van de Opiumwet in de woning van eiser.
2.1
Met het bestreden besluit van 1 juli 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2.2
Eiser heeft bij de rechtbank tijdig beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn moeder, [naam] als waarnemer van de gemachtigde van eiser, de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser woont op het adres [adres] in [plaats] en is tevens de eigenaar van deze woning.
3.1
Op 16 januari 2025 is eiser door de politie aangehouden op verdenking van rijden onder invloed van (hard)drugs. Bij de daaropvolgende doorzoeking van eiser zijn auto is een handelshoeveelheid drugs, een wapen en een som contant geld gevonden. Met machtiging van de rechter-commissaris heeft op diezelfde dag ook een doorzoeking van de woning van eiser plaatsgevonden. Bij deze doorzoeking zijn in meerdere kamers van eiser zijn woning handelshoeveelheden van verschillende hard- en softdrugs aangetroffen, o.a. cocaïne, MDMA, XTC-pillen, GHB, hennep en methamfetamine. Ook zijn hierbij een luchtdrukwapen, kogelpatronen en een grote hoeveelheid (zware) medicatie aangetroffen, alsmede attributen die kunnen duiden op de (voorbereiding van) fabricage en grootschalige handel in drugs. Al deze bevindingen zijn beschreven in de bestuurlijke rapportage van
28 januari 2025 die door de politie is opgesteld en aan verweerder is toegezonden. In deze bestuurlijke rapportage is ook een samenvatting van de verklaringen van eiser naar aanleiding van de deze doorzoeking opgenomen, een overzicht van de antecedenten van eiser volgend uit de politieregistraties en overige politie-informatie, zoals drie meldingen via Meld Misdaad Anoniem (MMA) en andere meldingen van verdachte situaties rondom de woning van eiser.
3.2
Bij het primaire besluit heeft verweerder op basis van de bevindingen in de bestuurlijke rapportage een last tot woningsluiting voor de duur van achttien maanden opgelegd. Redengevend voor deze maatregel is dat op grond van de bevindingen in de bestuurlijke rapportage aannemelijk is dat de woning van eiseres drugs werden verkocht, afgeleverd of verstrekt of daartoe aanwezig waren. Verweerder is daarom op grond van artikel 13b Opiumwet bevoegd om handhavend op te treden richting eiser om hiermee de negatieve effecten van drugshandel te beëindigen en beëindigd te houden. Verweerder vond deze maatregel ook noodzakelijk, gelet op de ernst en omvang de overtreding, de verwijtbaarheid van eiser en de recidivering. De woning van eiser is in 2023 namelijk ook al voor twaalf maanden gesloten geweest vanwege overtreding van artikel 13b Opiumwet. Deze maatregel tot sluiting van twaalf maanden staat in rechte vast sinds de uitspraak [1] van deze rechtbank van 11 oktober 2024, nu daartegen geen hoger beroep is ingesteld. Verweerder vond de maatregel ook evenredig, gelet op de bij dit besluit betrokken belangen, omdat verweerder - alles in samenhang bezien - de algemene belangen van de bescherming van de gezondheid en de openbare orde en veiligheid zwaarder vond wegen dan de individuele belangen van eiser bij zijn woongenot.
3.3
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Vervolgens heeft een hoorzitting plaatsgevonden bij de bezwaaradviescommissie van de gemeente Zuidplas, die op basis daarvan een advies heeft uitgebracht aan verweerder. Verweerder heeft bij het bestreden besluit dit advies integraal overgenomen en het bezwaar ongegrond verklaard.
3.4
Naast dit beroep heeft eiser tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter. Dit om de sluiting van zijn woning op te schorten tijdens de beroepsfase. Bij uitspraak [2] van de voorzieningenrechter van 25 september 2025 is dit verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Wat vinden eiser en verweerder in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de bestreden besluitvorming en voert in beroep ten eerste aan dat verweerder misbruik maakt van zijn bevoegdheid tot woningsluiting, omdat de maatregel duidelijk niet gericht is op rechtsherstel maar een punitief karakter heeft en bedoeld is om eiser, die strafrechtelijk antecedenten op zijn naam heeft, te straffen.
4.1
Het besluit is ook onzorgvuldig voorbereid, omdat daadwerkelijke handel van drugs vanuit de woning van eiser niet aannemelijk is gemaakt. Zo is er volgens eiser geen direct bewijs van verkooptransacties van drugs vanuit de woning, zijn er geen getuigenverklaringen of observaties van drugshandel, is de indicatieve test onvoldoende als bewijs en kunnen meldingen van omwonenden bij Meld Misdaad Anoniem (MMA) ook niet als steunbewijs dienen.
4.2
Daarbij is het besluit onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd, nu de aangetroffen hoeveelheden drugs niet duiden op handel in georganiseerd verband en verweerder heeft miskend dat de aangetroffen medicatie is voorgeschreven door een arts en dat aangetroffen attributen wijzen op eigen gebruik van eiser en niet op handel.
4.3
Tot slot voert eiser ook aan dat de besluitvorming van verweerder in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, zoals vastgelegd in artikel 3:4 lid 2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zo is de maatregel in de eerste plaats niet noodzakelijk. Er is geen sprake van acuut gevaar of overlast en de eerdere maatregel heeft voldoende afschrikwekkend effect gehad, dus in dit geval zou een lichtere maatregel, zoals een sluiting van maximaal 8 maanden afdoende zijn. De gevolgen van achttien maanden sluiting zijn voor eiser onevenredig zwaar en verweerder heeft de individuele belangen van eiser, zoals het recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, onvoldoende meegewogen. Door dit besluit verliest eiser namelijk zijn eigen woning, omdat de bank op grond daarvan de hypotheek heeft opgezegd en overgaat tot openbare verkoop van het pand, terwijl eiser zijn restschuld behoudt. Dit heeft ernstige gevolgen voor de gezondheid van eiser, zijn re-integratie en zijn privéleven. Eiser staat momenteel onder behandeling van verschillende GGZ-professionals en de dakloosheid die gepaard gaat met het verlies van zijn eigen woning zal tot stagnerende resultaten in zijn behandeling leiden. Een stabiele woonsituatie, waarbij eiser niet hoeft in te wonen bij zijn ouders of kennissen, is namelijk noodzakelijk voor zijn herstel. Alles bij elkaar gezien zijn de gevolgen van de maatregel tot achttien maanden sluiting van het pand onevenredig in verhouding tot het te dienen doel van herstel van de openbare orde. Verweerder heeft deze gevolgen onvoldoende kenbaar betrokken en meegewogen in de belangenafweging. In dit kader heeft eiser ook gewezen op verschillende uitspraken [3] van de hoogste bestuursrechter over evenredige toepassing van de bevoegdheid van artikel 13b Opiumwet.
5. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden van eiser en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Ter zitting heeft de waarnemer van de gemachtigde van eiser medegedeeld dat de bevoegdheid van verweerder om handhavend op te treden vanwege overtreding van artikel 13b Opiumwet niet meer in geschil is en dat daarover ook geen oordeel van de rechtbank meer wordt gevraagd. De rechtbank concludeert dat partijen in dit beroep alleen nog twisten over de vraag of de maatregel tot sluiting van de woning van eiser voor de duur van achttien maanden in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. In lijn met vaste jurisprudentie [4] van de hoogste bestuursrechter zal de rechtbank in dit kader toetsen of de getroffen maatregel geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is en overweegt daartoe als volgt.
Is de maatregel tot woningsluiting een geschikt middel?
6.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder mocht concluderen dat sluiting van de woning van eiser een geschikt middel is om het gestelde doel, namelijk herstellen van de openbare orde en veiligheid in de directe woon- en leefomgeving van het pand, te bereiken. Verweerder mocht daarbij betrekken dat het pand door feitelijke sluiting en verzegeling zijn rol binnen het drugscircuit verliest en daarmee de nadelige gevolgen voor de leefomgeving, althans tijdelijk, worden opgeheven. De stelling van eiser dat door tijdsverloop de sluiting van het pand geen geschikt middel meer is voor het bereiken van het herstel van de openbare orde, volgt de rechtbank niet. Uit voornoemde jurisprudentie [5] volgt dat tijdsverloop tussen constatering van de overtreding en feitelijke sluiting van het pand relevant kan zijn voor de beoordeling van de vraag of sluiting een geschikt middel is, nu in de periode dat nog niet gehandhaafd wordt de overtreding mogelijk al uit eigen beweging is opgeheven en herstel en voorkomen van herhaling niet meer nodig is. Dat is in dit geval niet aan de orde, omdat de woning van eiser direct na constateren van de overtreding met toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang onder artikel 5:31 lid 2 van Pro de Awb feitelijk is gesloten en pas later een besluit aan eiser is uitgereikt.
Is de maatregel tot woningsluiting noodzakelijk?
6.2
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat de sluiting van eiser zijn woning een noodzakelijke maatregel is, gelet op de ernst en omvang van de overtreding en de verwijtbaarheid van eiser. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat aanzienlijke handelshoeveelheden van zes verschillende soorten hard- en softdrugs zijn aangetroffen bij de doorzoeking van de woning van eiser, zoals blijkt uit de bestuurlijke rapportage van 28 januari 2025. Op grond van vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter maakt de aanwezigheid van handelshoeveelheden drugs reeds aannemelijk dat de woning van eiser een rol speelt in het drugscircuit en dat een sluiting van het pand in beginsel een geschikt en noodzakelijk middel is om het pand aan dit drugscircuit te onttrekken. De stelling van eiser in beroep dat geen sprake is van acuut gevaar of overlast is niet onderbouwd met argumenten of objectieve bewijsmiddelen, terwijl uit de bestuurlijke rapportage blijkt van meerdere MMA-meldingen van kortdurende bezoeken en inbraak in de woning van eiser na sluiting. Ook de stelling dat de eerdere sluiting van twaalf maanden voldoende straffend en afschrikwekkend voor eiser is geweest wordt niet gevolgd, nu de aanwezige handelshoeveelheden drugs in de woning van eiser al aannemelijk maken dat eiser in ieder geval ten aanzien van het voor handen hebben van drugs niet in zijn gedrag is veranderd sinds de eerdere sluiting van het pand. Gelet hierop heeft verweerder ook mogen concluderen dat sprake is van verwijtbaarheid van eiser, mede omdat hij in herhaling valt na de eerdere sluiting van twaalf maanden en er dus sprake is van recidive in overtreding van artikel 13b Opiumwet.
Is de maatregel tot woningsluiting voor de duur van achttien maanden evenwichtig?
6.3
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de individuele belangen van eiser kenbaar betrokken en meegewogen heeft in de bestreden besluitvorming en zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de maatregel tot sluiting voor de duur van achttien maanden een evenwichtige maatregel is, met inachtneming van eiser zijn individuele belangen en de bij dit besluit te dienen doelen. Zo heeft verweerder mogen tegenwerpen dat sprake is van een ernstige en omvangrijke overtreding van de Opiumwet, dat aannemelijk is dat eiser hierin verwijtbaar heeft gehandeld en dat sprake is van recidive. Ook mocht verweerder tegenwerpen dat eiser enkel individuele belangen gesteld heeft, namelijk behoud van eigen woning en het belang van zijn gezondheid, re-integratie en herstel, maar deze belangen weinig tot niet heeft onderbouwd.
6.4
Zo zijn de stellingen dat eiser behandelingen volgt of gaat volgen bij meerdere GGZ-professionals, zoals bij een psychiater van de instelling [instantie 1] en een coach van de instelling [instantie 2], niet met enige objectieve bewijsmiddelen, zoals e-mails, brieven, afspraakbevestigingen of (medische) verslaglegging onderbouwd. Ook het traject bij de schuldhulpverlening en de geschillen met ABN-AMRO over opzegging van de hypotheek en eventuele openbare verkoop van eiser zijn woning zijn niet met enig objectief bewijsmiddel onderbouwd. De stelling van eiser op de zitting en de daaropvolgende discussie over de mailcorrespondentie met verweerder over de mogelijke executieverkoop van eiser zijn woning maakt dit niet anders, omdat op de zitting niet mondeling of schriftelijk is toegelicht wat de inhoud van deze correspondentie omvat. Zonder enige objectieve onderbouwing van de gestelde hulpverleningstrajecten en het geschil met de bank kunnen zowel verweerder als de rechtbank geen gevolgen verbinden aan de verklaringen die door eiser in dit kader zijn gedaan in het beroepschrift en op de zitting.
6.5
De rechtbank kan zich voorstellen dat eiser tegen problemen aanloopt in deze situatie, maar is het met verweerder eens dat zonder enige onderbouwing van die problemen en de hulp die eiser daarvoor stelt te krijgen, niet beoordeeld kan worden of de belangen van eiser in dit geval onvoldoende zijn meegewogen door verweerder. Nu eiser reeds in de procedure over de voorlopige voorziening is gewezen op het belang van het overleggen van onderbouwende stukken over zijn persoonlijke omstandigheden en de hulpverlening, maar deze stukken tot het moment van de zitting over dit beroep niet zijn ontvangen, dienen de gevolgen daarvan voor rekening en risico van eiser te komen.
6.6
Alles bij elkaar in samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gelet op de ernst en omvang de geconstateerde overtreding, de verwijtbaarheid van eiser en het feit dat sprake is van recidive na een eerdere sluiting van twaalf maanden, in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot een sluiting van de woning van eiser voor de maximale duur van achttien maanden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder mocht concluderen dat dit een evenredige maatregel is, nu eiser zijn individuele belangen, na meerdere malen daarvoor de gelegenheid te hebben gehad, niet met objectief bewijs heeft onderbouwd.
6.7
De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de maatregel tot sluiting van eiser zijn woning voor de duur van achttien maanden in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zaaknummer SGR 25/5286, niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
4.Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, rechtsoverweging 9.