ECLI:NL:RBDHA:2026:520

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
11666069 RL EXPL 25-7574
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Effectenleaseovereenkomsten en onrechtmatig handelen door Dexia Nederland B.V. via een niet-gecertificeerde tussenpersoon

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen [eiser], als vereffenaar van de nalatenschap van de overleden contractant, en Dexia Nederland B.V. De zaak betreft effectenleaseovereenkomsten die de contractant via een tussenpersoon, Spaar Select, heeft afgesloten. De contractant heeft geld geleend van Dexia om aandelen te kopen, maar heeft bij de verkoop van deze aandelen verlies geleden. De kern van de zaak is of Dexia aansprakelijk is voor de door de contractant geleden schade, gezien het feit dat de tussenpersoon niet beschikte over de benodigde vergunning voor het geven van financieel advies. De kantonrechter heeft geoordeeld dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door de contractant als cliënt te accepteren, terwijl zij op de hoogte had moeten zijn van het ontbreken van de vergunning van de tussenpersoon. De rechter heeft Dexia veroordeeld tot schadevergoeding aan [eiser] ter hoogte van € 22.277,23, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast zijn de proceskosten aan de zijde van [eiser] begroot op € 911,47. De rechter heeft het verzoek van Dexia om bewijslevering afgewezen, omdat Dexia niet voldoende heeft aangetoond dat er geen sprake was van vergunningplichtige advisering. De uitspraak is gebaseerd op eerdere jurisprudentie en de kantonrechter heeft de vorderingen van Dexia in reconventie afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag
NAV/c
Zaak-/rolnr.: 11666069 RL EXPL 25-7574
8 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser],advocaat, te dezen handelende ten behoeve van de nalatenschap, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van
[contractant](hierna te noemen: contractant),
kantoorhoudende te Den Haag,
eiser in conventie in de hoofdzaak en in het (voorwaardelijke) incident,
verweerder in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak en in het (voorwaardelijke) incident,
eiseres in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.

1.Kern van de zaak

1.1.
Contractant heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomsten hielden het volgende in.
Contractant leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. Contractant betaalde met name rente (inleg) per maand. Aan het einde van de overeenkomsten werden de aandelen verkocht en moest contractant het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat contractant verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door contractant geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over effectenleaseovereenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door contractant geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 april 2025, met een (voorwaardelijk) incidenteel verzoek;
- de conclusie van antwoord en van eis in reconventie, met een incidenteel verzoek;
- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
- de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlaten producties.
2.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
Contractant heeft de volgende leaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
I.
[nummer 1]
26-10-1999
Allround Sparen
240 mnd
€ 27.226,80
II.
[nummer 1]
06-07-2000
Pensioen Effect
240 mnd
€ 43.562,88
III.
[nummer 1]
13-09-2001
Allround Effect
240 mnd
€ 10.891,20
3.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald?
I.
26-06-2006
€ 330,08
N.v.t.
II.
23-01-2007
- € 924,93
Nee
III.
07-03-2007
€ 678,06
N.v.t.
3.3.
Volgens opgave van Dexia heeft contractant op grond van de overeenkomsten in totaal een bedrag van € 24.481,80 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft contractant geen bedrag aan dividenden ontvangen en € 1.196,43 aan fiscaal voordeel genoten.
3.4.
De gemachtigde van contractant, Leaseproces, heeft bij brief van 20 juni 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomsten ingeroepen onder meer op grond van onrechtmatige daad. Tevens is het recht voorbehouden ook nog andere gronden aan te voeren.
3.5.
Contractant is op 20 juli 2015 overleden. Bij beschikking van 19 februari 2019 is [eiser] benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van contractant.
4. De vordering en het verweer in de hoofdzaak en de verzoeken in de (voorwaardelijke) incidenten in conventie en in reconventie
4.1.
[eiser] vordert dan wel verzoekt, kort samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
-
in het (voorwaardelijke) incident:
 Dexia zal veroordelen de aanvraagformulieren en haar versie van de ondertekende
overeenkomsten aan [eiser] te verstrekken,
-
in de hoofdzaak:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens
  • voor recht zal verklaren dat contractant (en thans zijn erfgenamen die in zijn plaats
  • Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiser] van al datgene dat contractant
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van Van
  • Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt, kort samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
-
in het incident:
 [eiser] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het
intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten, waar de door
Leaseproces namens [eiser] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen
aan zijn ontleend,
-
in de hoofdzaak:
  • [eiser] zal veroordelen om aan Dexia te betalen de som van € 308,31,
  • voor recht zal verklaren dat Dexia niets meer aan [eiser] verschuldigd is,
  • [eiser] zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
5. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en de verzoeken in de (voorwaardelijke) incidentenalgemeen
5.1.
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen 15 à 20 jaar zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie contractant.
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
contractant heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
het incidentele verzoek van Dexia
5.4.
Dexia verzoekt dat [eiser] wordt veroordeeld om aan Dexia het intakeformulier dan wel een ander schriftelijk document van zijn gemachtigde waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend te verstrekken.
5.5.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eiser] en/of contractant destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.6.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 82,00.
verjaring
5.7.
Dexia heeft zich beroepen op verjaring. Dexia constateert dat contractant op 20 juli 2015 is overleden. Namens hem is in 2012 voor het laatst een poging tot stuiting van de verjaring gedaan. De eerstvolgende stuitingshandeling van Leaseproces dateert uit 2017, maar die is niet namens contractant verricht en, gelet op het feit dat [eiser] pas in november 2024 een volmacht aan Leaseproces verleende, ook niet namens hem. Dit betekent volgens Dexia dat de vorderingen in verband met de overeenkomsten zijn verjaard, nu er in de tussenliggende periode geen geldige stuitingshandeling door contractant of [eiser] heeft plaatsgevonden. De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van [eiser] op bekrachtiging ex artikel 3:69 van het Burgerlijk Wetboek (BW) slaagt en acht daarvoor het volgende redengevend. Als gevolg van het overlijden van contractant is de volmacht van Leaseproces geëindigd. Desondanks heeft Leaseproces in oktober 2016, januari 2017 en oktober 2021 mede namens contractant een brief aan Dexia verstuurd. Leaseproces (en met haar Dexia) ging er vanuit dat zij op dat moment nog steeds gevolmachtigde van contractant was. Lid 1 van het hiervoor genoemde artikel geeft de volmachtgever, waaronder tevens moet worden verstaan zijn rechtsopvolger(s), de mogelijkheid om met terugwerkende kracht alsnog een rechtshandeling te bekrachtigen. [eiser] heeft Leaseproces in november 2024 gevolmachtigd om namens hem op te treden en tevens om mogelijke stuitingshandelingen te bekrachtigen, aldus de als productie B bij dagvaarding overgelegde volmacht. Dexia heeft niet weersproken dat dit een geldige volmacht is, dat [eiser] een dergelijke bevoegdheid toekomt en evenmin dat zij van deze volmacht op de hoogte is gebracht. Dit betekent dat een eventuele verjaring van de vordering van contractant steeds tijdig is gestuit, temeer nu gesteld noch gebleken is dat de vordering van contractant reeds voor 2012 is verjaard.
tussenpersoon
5.8.
Contractant heeft de overeenkomsten met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Spaar Select (hierna te noemen: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [2] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.9.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon contractant heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon contractant, anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiser] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door contractant in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomsten en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.10.
[eiser] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:

Ten aanzien van overeenkomst [nummer 1]
Contractant werd in 1999 door Spaar Select telefonisch benaderd. De medewerker van Spaar Select stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van contractant door te nemen met een financieel adviseur van Spaar Select. Contractant heeft hiermee ingestemd. Naar aanleiding van dit telefoongesprek is per post een afspraakbevestiging voor het huisbezoek naar contractant toe verzonden. (…)
Tijdens het gesprek heeft de adviseur van Spaar Select geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van contractant. Zo is met de adviseur gesproken over de pensioensituatie en werksituatie van contractant. Zo gaf contractant aan dat hij destijds werkzaam was als freelance vertaler. Ook gaf contractant aan dat hij tussen 1980 en 1998 werkloos was, waardoor contractant gedurende deze periode geen pensioen had opgebouwd. Het was dan ook de wens van contractant om zijn pensioengat te dichten. De adviseur gaf aan dat hij hier een geschikt product kon adviseren om deze doelstelling te bereiken.
De adviseur adviseerde contractant om een Allround Sparen overeenkomst met maandbetalingen van Bank Labouchere af te sluiten. De maandbetalingen kon contractant voldoen vanuit zijn inkomen. Volgens de adviseur zou contractant op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor contractant zijn pensioengat kon dichten. De adviseur ondersteunde zijn advies aan de hand van een brochure van het Allround Sparen product waarin de voordelen en de positieve koersresultaten van het product werden belicht. (…)
Contractant had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft contractant het advies van de adviseur opgevolgd. Conform het advies van de adviseur heeft contractant een Allround Sparen overeenkomst afgesloten met maandbetalingen van NLG 250,- bij Bank Labouchere.
Ten aanzien van overeenkomst [nummer 1]
In 2001
(de kantonrechter begrijpt: 2000)is opnieuw contact geweest tussen Spaar Select en contractant. Er is vervolgens een afspraak gemaakt voor een huisbezoek om de financiële situatie van contractant met een financieel adviseur door te nemen. Naar aanleiding van dit contact is er per post een afspraakbevestiging voor het huisbezoek naar contractant toe verzonden. (…)
Alvorens het huisbezoek was de adviseur, te weten de heer [naam 1] (…), bekend met de financiële situatie en wensen van contractant. Tijdens het gesprek heeft de adviseur nader geïnformeerd naar de financiële situatie en wensen van contractant. Zo gaf contractant aan dat hij nog steeds de wens had om vermogen op te bouwen om zijn pensioen aan te vullen, nu contractant gedurende de periode van 1980 tot 1998 werkloos was. De adviseur adviseerde contractant om nog een effectenleaseovereenkomst af te sluiten om er zeker van te zijn dat contractant zijn doelstelling zou bereiken.
De adviseur adviseerde contractant om een Pensioen Effect van Bank Labouchere af te sluiten met maandbetalingen. De maandbetalingen kon contractant voldoen vanuit zijn inkomen. Op deze wijze zou contractant nog meer vermogen opbouwen ten behoeve van zijn doelstelling.
Contractant had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft contractant het advies van de adviseur opgevolgd. Conform het advies van de adviseur heeft contractant een Pensioen Effect overeenkomst afgesloten met maandbetalingen van NLG 400,- bij Bank Labouchere.
Ten aanzien van overeenkomst [nummer 1]
In 2001 heeft wederom contact plaatsgevonden tussen Spaar Select en contractant. Er heeft vervolgens een huisbezoek plaatsgevonden bij contractant om zijn financiële situatie door te nemen met een financieel adviseur. Tijdens dit huisbezoek heeft de adviseur van Spaar Select, te weten de heer [naam 2] (…), zijn visitekaartje overhandigd. (…)
Alvorens het huisbezoek was de adviseur bekend met de financiële situatie en wensen van contractant. Tijdens het gesprek heeft de adviseur nader geïnformeerd naar de financiële situatie en wensen van contractant. De adviseur adviseerde contractant vervolgens om nog een effectenleaseovereenkomst af te sluiten om er zeker van te zijn dat contractant zijn wens om zijn pensioengat te dichten, zou realiseren.
De adviseur adviseerde contractant om een Allround Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten met maandbetalingen. De maandbetalingen kon contractant voldoen vanuit zijn inkomen. Volgens de adviseur zou contractant op deze manier nog meer gewenst vermogen opbouwen.
Contractant had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft contractant het advies van de adviseur opgevolgd. Conform het advies van de adviseur heeft contractant een Allround Effect overeenkomst afgesloten met maandbetalingen van NLG 100,- bij Bank Labouchere.
Ten aanzien van alle overeenkomsten
De adviseurs hebben contractant niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo hebben zij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten. Als contractant op deze risico’s gewezen was, had hij de effectenleaseovereenkomsten nooit afgesloten.
De aanvraag voor de overeenkomsten zijn door de adviseurs in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomsten zijn op een later moment ondertekend.”
5.11.
[eiser] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van de overeenkomst van 26 oktober 1999 met contractnummer
[nummer 1], voorzien van de tekst:
“Adviseur: [nummer 2] - Spaar Select B.V.”,
- een kopie van de overeenkomst van 6 juli 2000 met contractnummer
[nummer 1], voorzien van de tekst:
“Adviseur: [nummer 2] - Spaar Select B.V.”,
- een kopie van de overeenkomst van 13 september 2001 met contractnummer
[nummer 1], voorzien van de tekst:
“Adviseur: [nummer 2] - Spaar Select B.V.”,
- een brief van 18 oktober 1999 gericht aan contractant, voorzien van het logo van
de tussenpersoon, betreffende een afspraakbevestiging, waarin te lezen is:
“Ons motto is
“Het geld ligt op straat, maar u moet het wel (willen) oprapen”.
Hier kunnen wij u, ook in het nieuwe belastingstelsel, prima bij van dienst zijn.
In de bijgevoegde Presentatiegids 1999 laten wij u zien dat het mogelijk is om al
uw wensen te realiseren zonder dat het noodzakelijk is om er extra voor te sparen.
Eerder stoppen met werken, een studiepot voor de kinderen, een eigen huis,
aanvulling pensioen etc. Het blijkt gewoon een kwestie van een goed Financieel
Plan te zijn.
Onze Financieel Adviseur zal op
dinsdag 19 oktober a.s. om 18:00 uurbij u
thuis, ook uw mogelijkheden vrijblijvend op een rij zetten.”
- een brochure van Spaar Select, voorzien van de titel
“Allround Sparen. Op allefronten beter”, met daarin informatie over en rekenvoorbeelden van het product
“Allround Sparen”,
- een brief van 26 juni 2000 gericht aan contractant, voorzien van het logo van
de tussenpersoon, betreffende een afspraakbevestiging, waarin te lezen is:
“Ons motto is
“Het geld ligt op straat, maar u moet het wel (willen) oprapen”.
Daar kunnen wij u prima bij van dienst zijn.
Wij zullen u laten zien dat het mogelijk is om al uw wensen te realiseren zonder dat het
noodzakelijk is om er extra voor te sparen. Eerder stoppen met werken, een studiepot voor
de kinderen, een eigen huis, aanvulling pensioen etc. Het blijkt gewoon een kwestie van
een goed Financieel Plan te zijn.
Onze financieel adviseur, [naam 1], zal op
vrijdag 30 juni a.s. om 18:30 uurbij u
thuis, ook uw mogelijkheden vrijblijvend op een rij zetten.”
- een kopie van een visitekaartje, voorzien van het logo van de tussenpersoon,
waarop vermeld staat:
“[naam 2], accountmanager, Spaar Select B.V.(…)”,
- een brief van 8 maart 2012 van contractant aan Leaseproces, waarin hij onder
meer beschrijft wat de rol van de tussenpersoon is geweest bij de totstandkoming
van de overeenkomsten.
5.12.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.13.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
5.14.
Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eiser] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [3] [4] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in het geval van contractant heeft [eiser], tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eiser] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen contractant en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals contractant en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Nu Dexia niet concreet heeft gemaakt dat en waarom volgens haar in dit geval geen sprake is geweest van advisering, heeft zij de stelling van [eiser] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen.
wetenschap Dexia5.15. In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van Spaar Select aan contractant. Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Zij was er door haar nauwe samenwerking met Spaar Select bij de verkoop van haar producten namelijk mee bekend dat Spaar Select standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaf aan de cliënten die zij als remisier vervolgens bij Dexia aanbracht als afnemers van effectenleaseproducten. Dit is een voldoende onderbouwing van de stelling van [eiser] dat Dexia ook in het geval van contractant bekend behoorde te zijn met de advisering van contractant door Spaar Select. [5] Dexia heeft hiertegenover slechts gesteld dat zij niet kan weten hoe het in dit concrete geval is gegaan. Deze betwisting door Dexia is onvoldoende om de conclusie dat zij dit wel had behoren te weten te ondergraven. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
aansprakelijkheid Dexia5.16. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met contractant de overeenkomsten is aangegaan, heeft zij jegens contractant onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan contractant omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [6] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [eiser]5.17. De door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens contractant heeft gehandeld door contractant als cliënt te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon contractant niet alleen als klant aanbracht maar contractant tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
5.18.
De als gevolg hiervan geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eiser] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3). [eiser] heeft aan de hand van het door Dexia overgelegde financiële overzicht in de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie de schade berekend op € 22.277,23. Omdat Dexia de berekening niet heeft betwist, zal de kantonrechter uitgaan van dit bedrag.
5.19.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.20.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiser] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
het (voorwaardelijke) incidentele verzoek van [eiser]
5.21.
verzoekt Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van de aanvraagformulieren en de bij Dexia in bezit zijnde ondertekende overeenkomsten. Uit het voorgaande volgt dat [eiser] in het gelijk zal worden gesteld. Hij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat het (voorwaardelijke) verzoek zal worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
vorderingen Dexia
5.22.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.23.
Omdat [eiser] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser] gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [eiser] in conventie worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 542,00 (2 x tarief € 271,00)
- nakosten
€ 135,00
Totaal € 911,47
5.24.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het (voorwaardelijke) incident van [eiser]
6.1.
wijst het verzoek af,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in het incident van Dexia
6.3.
wijst het verzoek af,
6.4.
veroordeelt Dexia in proceskosten van [eiser], tot op heden begroot op € 82,00,
in conventie
6.5.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens contractant heeft gehandeld door contractant als cliënt te accepteren, terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon contractant niet alleen als klant aanbracht maar contractant tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.6.
verklaart voor recht dat contractant schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
6.7.
veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 22.277,23, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.18.,
6.8.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 911,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.9.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.10.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.12.
wijst de vorderingen af,
6.13.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiser] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.W. Schippers, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 januari 2026.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
3.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
4.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
5.Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
6.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.