Eiser ontving bijstand en werd geconfronteerd met herziening en terugvordering van bijstand over maart tot september 2014 vanwege niet gemelde kasstortingen op zijn bankrekening. Tevens werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank oordeelt dat de kasstortingen terecht als middelen zijn aangemerkt en dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden.
De rechtbank stelt vast dat verweerder de boete heeft vastgesteld zonder rekening te houden met de actuele draagkracht van eiser, wat in strijd is met jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Na beoordeling van de draagkracht, berekend op basis van de beslagvrije voet, vermindert de rechtbank de boete tot €500, passend bij de fictieve draagkracht van €41,28 per maand.
Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het de boete betreft, en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van correcte toepassing van draagkrachtberekeningen bij het opleggen van bestuurlijke boetes in het kader van de Participatiewet.