ECLI:NL:RBGEL:2026:4399

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
11902219
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:101 BWArt. 6:119 BWArt. 195 RvArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige advisering en schadevergoeding bij effectenleaseovereenkomst

De zaak betreft een effectenleaseovereenkomst die de erflater via een tussenpersoon met Dexia is aangegaan. De erflater leed verlies doordat de aandelen bij verkoop minder waard waren dan het geleende bedrag. De erfgenamen vorderen volledige schadevergoeding van Dexia wegens onrechtmatig handelen.

De rechtbank stelt vast dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door de overeenkomst te sluiten terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon geen vergunning had en persoonlijk advies gaf. De schade bestaat uit betaalde termijnen en een fictieve restschuld. Dexia wordt veroordeeld tot betaling van €27.600,44 plus wettelijke rente.

Dexia's verweer dat er geen sprake was van vergunningplichtige advisering en dat de vordering verjaard is, wordt verworpen. Het verzoek van Dexia om inzage in vertrouwelijke documenten wordt afgewezen. De proceskosten worden aan Dexia opgelegd. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Dexia wordt veroordeeld tot volledige schadevergoeding van €27.600,44 plus wettelijke rente en proceskosten wegens onrechtmatig handelen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: 11902219 \ CV EXPL 25-7873
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiseres/erfgenaam],
procederend ten behoeve van de gemeenschap,
in hoedanigheid van wettelijke erfgenaam van
[erflater](hierna te noemen: [erflater] ),
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk van Leaseproces,
tegen
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.
Partijen worden hierna met ‘ [eiseres/erfgenaam] ’ en ‘Dexia’ aangeduid.

1.Kern van de zaak

1.1.
[erflater] heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorgangster van) Dexia. Die overeenkomst(en) hield(en) het volgende in. [erflater] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [erflater] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst(en) werden de aandelen verkocht en moest [erflater] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [erflater] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door [erflater] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [erflater] geleden schade helemaal aan [eiseres/erfgenaam] moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie,
- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie,
- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,
- de conclusie van dupliek in reconventie, tevens houdende akte uitlaten producties in conventie.
2.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
[erflater] heeft de volgende leaseovereenkomst (hierna: de overeenkomst) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
I.
21500726
13-08-1999
Overwaarde Effect
240 mnd.
€ 109.557,12
3.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
Op of rondom 05-12-2003
- € 428,27
Ja, door [erflater] , met uitlevering van de aandelen door Dexia aan [erflater] tegen betaling aan Dexia van een bedrag van € 39.077,41 aan restant hoofdsom
3.3.
Volgens opgave van Dexia heeft [erflater] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 21.911,42 aan maandtermijnen en een bedrag van € 428,27 aan restschuld aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [erflater] een bedrag van € 6.415,18 aan dividenden ontvangen en € 3.039,76 aan fiscaal voordeel genoten. Bij het einde van de overeenkomst heeft Dexia de onderliggende effecten aan [erflater] uitgeleverd en heeft [erflater] € 39.077,41 aan Dexia aan restant hoofdsom betaald.
3.4.
[erflater] is op 4 maart 2007 overleden. [eiseres/erfgenaam] is zijn wettelijke erfgenaam.
3.5.
De gemachtigde van [eiseres/erfgenaam] , Leaseproces, heeft bij brief van
3 december 2007 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook nog andere gronden aan te voeren.
4. De vordering en het verweer in de hoofdzaak in conventie en in reconventie en het verzoek in het incident
4.1.
[eiseres/erfgenaam] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [erflater] en/of toerekenbaar is tekortgeschoten,
 voor recht zal verklaren dat [erflater] en al zijn erfgenamen schade hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en zij gehouden is die schade ten behoeve van de gemeenschap aan [eiseres/erfgenaam] als wettelijke erfgenaam te vergoeden,
 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiseres/erfgenaam] van al datgene dat [erflater] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, met wettelijke rente,
 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van [eiseres/erfgenaam] , met wettelijke rente,
 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met wettelijke rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
 [eiseres/erfgenaam] ex artikel 195 Rv Pro zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [eiseres/erfgenaam] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,
- in de hoofdzaak:
 voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst met contractnummer ‘21500726’ niets meer aan [eiseres/erfgenaam] verschuldigd is, met een veroordeling van [eiseres/erfgenaam] in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.
5. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en het verzoek in het incident
algemeen
5.1.
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van
25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [erflater] .
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[erflater] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en (fictieve) restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
verjaring
5.4.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [erflater] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
5.5.
[erflater] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon
Spaar Select (hierna: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). [3] Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.6.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [erflater] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [erflater] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiseres/erfgenaam] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiseres/erfgenaam] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen (inclusief erflater [erflater] ) al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [erflater] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.7.
[eiseres/erfgenaam] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
[erflater] is in 1999 in contact gekomen met Spaar Select. Naar aanleiding van dit contact is er een afspraak ingepland om de financiële situatie van [erflater] te bespreken met een financieel adviseur Spaar Select (hierna: de adviseur). Vervolgens hebben er meerdere adviesgesprekken met de adviseur plaatsgevonden.
Tijdens het eerste gesprek heeft de adviseur geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [erflater] . Daarbij kwam het spaargeld en de situatie rondom de koopwoning, de hypotheek en het gezin van [erflater] ter sprake. Verder is er met de adviseur gesproken over de wens van [erflater] om extra vermogen op te bouwen voor de studie van de kinderen. De adviseur gaf aan dat dit mogelijk was en vertelde hier een geschikt product voor te weten.
De adviseur adviseerde [erflater] om een Overwaarde Effect product van Bank Labouchere af te sluiten met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 50.000,00. De adviseur adviseerde [erflater] om de overwaarde van NLG 50.000,00 op zijn woning op te nemen door middel van het afsluiten van een tweede hypothecaire lening bij de Postbank en deze aan te wenden voor de vooruitbetaling van de inleg van de Overwaarde Effect overeenkomst. Volgens de adviseur kon de doelstelling van [erflater] door middel van deze constructie gegarandeerd worden behaald. Met de Overwaarde Effect overeenkomst zou [erflater] ook een veel beter rendement kunnen behalen op zijn geld dan wanneer hij het op een gewone spaarrekening zou zetten, aldus de adviseur.
De adviseur heeft het aanvraagformulier ingevuld en door [erflater] laten ondertekenen. De adviseur heeft het aanvraagformulier meegenomen en naar Bank Labouchere toegezonden.
De adviseur heeft [erflater] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met een lening (de hypotheek) de rentelasten voor de andere lening (het effectenleasecontract) werden betaald en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en een schuld kon ontstaan uit hoofde van het effecten leasecontract. Indien de adviseur [erflater] wel had geïnformeerd over deze specifieke risico’s, was [erflater] de overeenkomst niet aangegaan.
Contractant had geen kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op het advies en de deskundigheid van de adviseur. [erflater] heeft het advies van de adviseur opgevolgd en een Overwaarde Effect overeenkomst van Bank Labouchere met een vooruitbetaling van NLG 48.286,42 afgesloten. Conform het advies van de adviseur heeft [erflater] ook een tweede hypothecaire lening van NLG 50.000,00 bij de Postbank afgesloten om hiermee de vooruitbetaling voor de Overwaarde Effect overeenkomst te voldoen.
5.8.
[eiseres/erfgenaam] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van het aanvraagformulier van 9 augustus 1999 op naam van [erflater] , waarop een stempel is geplaatst met de tekst: “
Spaar Select B.V. [betrokkene] (…)”en ATP-nummer ‘307’ is ingevuld. Verder wordt de naam ‘ [betrokkene] ’ als betrokken adviseur genoemd en is het aanvraagformulier (aan de bovenkant) voorzien van een faxregel met de tekst: “
10/08/99 (…) SPAAR SELECT RHENEN”,
- een kopie van de overeenkomst van 13 augustus 1999 met contractnummer ‘21500726’, voorzien van de tekst:
“Adviseur: ATP00307-Spaar Select B.V.”,
- ( een kopie van) een afschrift van een hypotheekakte van 29 september 1999 waarin [erflater] en [eiseres/erfgenaam] als schuldenaar vermeld staan met betrekking tot een hypothecaire geldlening van in totaal NLG 50.000,00 van Postbank N.V., waarvoor ten behoeve van Postbank N.V. een recht van tweede hypotheek en een (algeheel) pandrecht wordt verleend.
aanhoudingsverzoek
5.9.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ over de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ‘s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering over het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.10.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(nieuwe) argumenten Dexia
5.11.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kortgezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.12.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eiseres/erfgenaam] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [4] [5] Met de stellingen over de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in het geval van [erflater] heeft
[eiseres/erfgenaam] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eiseres/erfgenaam] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eiseres/erfgenaam] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eiseres/erfgenaam] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [erflater] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [erflater] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia
5.13.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van Spaar Select aan [erflater] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Zij was er door haar nauwe samenwerking met Spaar Select bij de verkoop van haar producten namelijk mee bekend dat Spaar Select standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaf aan de cliënten die zij als remisier vervolgens bij Dexia aanbracht als afnemers van effectenleaseproducten. Dit is een voldoende onderbouwing van de stelling van [eiseres/erfgenaam] dat Dexia ook in het geval van [erflater] bekend behoorde te zijn met de advisering van [erflater] door Spaar Select. [6] Dexia heeft hiertegenover slechts gesteld dat zij niet kan weten hoe het in dit concrete geval is gegaan. Deze betwisting door Dexia is onvoldoende om de conclusie dat zij dit wel had behoren te weten te ondergraven. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [eiseres/erfgenaam] voor rekening van Dexia.
aansprakelijkheid Dexia5.14. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [erflater] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [erflater] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [erflater] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [7] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [eiseres/erfgenaam]5.15. De door [eiseres/erfgenaam] gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [erflater] heeft gehandeld door [erflater] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [erflater] niet alleen als klant aanbracht maar [erflater] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat. De gevorderde verklaring voor recht dat, naast [erflater] , ‘iedere’ erfgenaam van [erflater] als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia schade heeft geleden is niet toegelicht en dus te onbepaald, zodat dit deel van de gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen.
de schade
5.16.
De schade die als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia is ontstaan, bestaat uit de schade wegens de door [erflater] verschuldigde termijnen, dat wil zeggen zowel de betaalde termijnen als de bij de eindafrekening nog achterstallige in rekening gebrachte termijnen, en uit een (eventuele) (fictieve) restschuld.
5.17.
Dexia heeft aangevoerd dat [erflater] de aandelen heeft overgenomen en dat in dat geval geen (fictieve) restschuld ontstaat, althans dat tussen het onrechtmatig handelen en deze schadepost een causaal verband ontbreekt. Hierin wordt Dexia niet gevolgd.
[eiseres/erfgenaam] vordert (onder meer) het nadeel bestaande uit hetgeen [erflater] bij de beëindiging van de overeenkomst meer moest betalen dan de waarde van de aandelen bij overname daarvan teneinde de verschuldigde restant hoofdsom te voldoen. Anders dan Dexia betoogt, is dit nadeel een nadelig financieel gevolg van het aangaan van de overeenkomst. Dat [erflater] niet heeft gekozen voor de verkoop van de aandelen onder verrekening van de verkoopopbrengst met de restant hoofdsom, maar voor uitlevering van de aandelen tegen aflossing van de restant hoofdsom, maakt het causaal verband niet anders.
5.18.
[eiseres/erfgenaam] heeft de (fictieve) restschuld vastgesteld op € 15.143,96. Dexia heeft zich tegen deze berekening gemotiveerd verweerd. Haar verweer komt erop neer dat [eiseres/erfgenaam] in haar berekening ten onrechte het bedrag van € 1.825,96 aan resterende termijnen als onderdeel van de (fictieve) restschuld heeft opgenomen. Met Dexia is de kantonrechter van oordeel dat deze post geen onderdeel is van de (fictieve) restschuld. Echter valt deze post wel onder de door [erflater] geleden schade, namelijk uit betaalde termijnen. Gelet hierop is de hoogte van de door [eiseres/erfgenaam] in haar conclusie van repliek berekende totale schade van € 27.600,44 – welke Dexia behoudens de post van de resterende termijnen niet heeft betwist – dus juist. Dexia zal tot betaling van dit bedrag worden veroordeeld. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
5.19.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.20.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiseres/erfgenaam] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
het incidentele verzoek van Dexia
5.21.
Dexia verzoekt dat [eiseres/erfgenaam] wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.
5.22.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [erflater] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.23.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk zal worden gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiseres/erfgenaam] worden begroot op € 87,00.
vorderingen Dexia
5.24.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.25.
Omdat [eiseres/erfgenaam] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiseres/erfgenaam] gevallen. De proceskosten van [eiseres/erfgenaam] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2,00 x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 144,00
Totaal € 954,47
5.26.
Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil.
5.27.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident van Dexia
6.1.
wijst het verzoek af,
6.2.
veroordeelt Dexia in proceskosten van [eiseres/erfgenaam] , begroot op € 87,00,
in conventie
6.3.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [erflater] heeft gehandeld door [erflater] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [erflater] niet alleen als klant aanbracht maar [erflater] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.4.
verklaart voor recht dat [erflater] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
6.5.
veroordeelt Dexia om aan [eiseres/erfgenaam] te betalen een bedrag van € 27.600,44, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover, een en ander zoals weergegeven in rov. 5.18.,
6.6.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 954,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.7.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.8.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.10.
wijst de vorderingen af,
6.11.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiseres/erfgenaam] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
61512/560

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462, gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
4.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
5.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
6.Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
7.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.