Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4713

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
AWB-24_1735
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 4:17 AwbArt. 8:72 AwbArt. 58 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens schending hoorplicht en overschrijding redelijke termijn bij verrekening proceskostenvergoeding

Eiseres maakte bezwaar tegen de verrekening van haar proceskostenvergoeding en griffierecht met een openstaande vordering van de gemeente Nijmegen. De rechtbank oordeelt dat het college de hoorplicht heeft geschonden door eiseres niet te horen voordat het bestreden besluit werd genomen, waardoor het beroep gegrond is verklaard.

Hoewel het college bevoegd is de proceskostenvergoeding te verrekenen met de openstaande schuld, blijft het besluit inhoudelijk in stand. De rechtbank constateert tevens dat de redelijke termijn voor besluitvorming is overschreden, waardoor eiseres recht heeft op een schadevergoeding van in totaal € 2.000, verdeeld tussen het college en de Staat.

De rechtbank wijst het beroep op het vertrouwensbeginsel af, omdat geen concrete toezegging is aangetoond. Ook de motiverings- en zorgvuldigheidsgronden slagen niet. De rechtbank veroordeelt het college tot vergoeding van het griffierecht, proceskosten en een deel van de schadevergoeding, en de Staat tot betaling van een deel van de schadevergoeding en proceskosten.

De uitspraak benadrukt het belang van het naleven van de hoorplicht en tijdige besluitvorming in bestuursrechtelijke procedures, en bevestigt de bevoegdheid tot verrekening van proceskosten met openstaande schulden onder de Participatiewet.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht en overschrijding van de redelijke termijn, met toekenning van schadevergoeding en vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/1735

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, het college
(gemachtigde: mr. M. Hofstee),
en
de Staat der Nederlanden, de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Staat).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verrekening van de aan eiseres te betalen proceskostenvergoeding en het te betalen griffierecht met een openstaande vordering die de gemeente Nijmegen op eiseres heeft. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verrekening.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eiseres had moeten horen voordat het bestreden besluit werd genomen. Eiseres krijgt daarom gelijk en het beroep is gegrond. De rechtbank heeft ook bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Zij komt tot slot tot het oordeel dat bij de redelijke termijn waarbinnen beslist had moeten worden over de zaak van eiseres, is overschreden en dat zij daarom recht heeft op schadevergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.

Procesverloop

2. Met het besluit van 19 mei 2022 heeft het college besloten dat de vergoeding voor de gemaakte proceskosten van € 1.518 en de vergoeding voor het betaalde griffierecht van
€ 49 geheel worden verrekend met de openstaande vordering(en) die de gemeente Nijmegen op eiseres heeft. Op 29 september 2022 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het besluit van 28 december 2022 heeft het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift van 29 september 2022 te laat was ingediend.
2.1.
Bij uitspraak van 6 februari 2024 heeft deze rechtbank het door eiseres hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard. [1] Het besluit van 28 december 2022 is vernietigd en het college is opgedragen om binnen zes weken (na de dag van verzending van de uitspraak) een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
2.2.
Met het bestreden besluit van 19 maart 2024 heeft het college alsnog beslist op het bezwaar van eiseres van 29 september 2022. Met het bestreden besluit is het college bij het besluit van 19 mei 2022 gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres deelgenomen. Het college heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

De totstandkoming van het bestreden besluit
3. Met het besluit van 11 februari 2021 heeft het college het recht op bijstand voor de kosten van levensonderhoud op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (Tozo) van eiseres over de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 ingetrokken en een bedrag van € 4.288,93 aan kosten van bijstand van haar teruggevorderd. Met het besluit op bezwaar van 10 juni 2021 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.
3.1.
Met de uitspraak van 5 april 2022 heeft deze rechtbank, voor zover thans van belang, dit beroep gegrond verklaard, het college gelast het door eiseres betaalde griffierecht van € 49 aan haar te vergoeden en het college veroordeeld in de proceskosten van eiseres vastgesteld op een bedrag van € 1.518. [2]
3.2.
Het college is vervolgens overgegaan tot de besluitvorming als vermeld onder het kopje ‘Procesverloop’.
Niet tijdig beslissen
4. Eiseres voert aan dat het college heeft nagelaten tijdig een beslissing op het bezwaar te nemen en verwijst daarbij naar de uitspraak van deze rechtbank van 6 februari 2024, waarbij het college is opgedragen binnen zes weken na de verzending van de uitspraak op het bezwaar te beslissen. [3] Indien het bestreden besluit wordt vernietigd, verzoekt eiseres rekening te houden met de ingediende ingebrekestelling van 18 maart 2024 en aan haar een dwangsom toe te kennen.
4.1.
Het bestreden besluit heeft als datum 19 maart 2024. Uit de uitspraak van
6 februari 2024 volgt dat het college binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit diende te nemen op het bezwaar. De uitspraak is verzonden op
6 februari 2024. Dit betekent dat de beslistermijn eindigde op 19 maart 2024. Het bestreden besluit draagt als dagtekening 19 maart 2024. Uit het verweerschrift blijkt dat het besluit op 21 maart 2024 digitaal is toegezonden. Dat strookt met de datum die op het bestreden besluit is gestempeld en met de datum waarop het beroepschrift is gedateerd en door de rechtbank is ontvangen. Deze datum ligt binnen de termijn van twee weken bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank stelt, gelet op dit artikellid, vast dat het college, zou het de beslistermijn al hebben overschreden, in ieder geval geen dwangsom is verschuldigd. De beroepsgrond kan daarom niet slagen.
Schending hoorplicht
5. Eiseres voert aan dat zij ten onrechte niet is gehoord alvorens het bestreden besluit is genomen. Het college stelt dat er een mail is gestuurd met de vraag of eiseres gehoord wilde worden en dat het heeft aangenomen dat eiseres dat niet wilde, omdat op deze vraag geen reactie is gekomen. Dit was echter een overbodige vraag, aangezien eiseres in het bezwaarschrift al had verzocht om gehoord te worden. Eiseres behoefde daarom geen reactie te sturen op deze vraag. Zij verwijst hierbij naar een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 4 december 2018 [4] en naar arresten van de Hoge Raad van 15 mei 2009 [5] , 5 april 2019 [6] en 5 juni 2020 [7] .
5.1.
Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb dient het college eiseres, voordat het op het bezwaar beslist, in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb kan het college van het horen afzien, indien eiseres niet binnen een door het college gestelde redelijke termijn verklaart dat zij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.
6. Op 26 mei 2026 heeft de rechtbank een afmelding van het college voor de zitting ontvangen, gedateerd 18 mei 2026. In deze afmelding is onder meer vermeld dat het klip en klaar is dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk was.
6.1.
Deze afmelding en de mededeling dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, heeft de rechtbank ten zeerste bevreemd, gelet op het bestreden besluit, waarbij het bezwaar van eiseres van 29 september 2022 ongegrond is verklaard en op het gestelde in het verweerschrift van 30 april 2024. In dit verweerschrift is namelijk het volgende opgetekend:
“In het bezwaarschrift van 29 september 2022 gaf eiseres inderdaad aan gehoord te willen worden. Gelet op het tijdsverloop dachten wij er goed aan te doen om per e-mail te vragen of eiseres nog steeds prijs stelde op een hoorzitting. Ook kon de hoorzitting dan in onderling overleg gepland worden. Ondanks onze goede intenties, erkennen wij dit gebrek waarvoor wij onze oprechte excuses aanbieden. Mogelijk kan eiseres tijdens de zitting alsnog haar volledige verhaal doen waar wij dan op zullen reageren.”
7. De rechtbank zal wat het college aan haar heeft geschreven over de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar van eiseres als een vergissing beschouwen en ervan uitgaan dat het college niet een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres heeft genomen. Nu het college in het verweerschrift heeft erkend dat eiseres ten onrechte niet is gehoord in bezwaar, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Het beroep is daarom gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met de hoorplicht in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb. Omdat eiseres de rechtbank tijdens de zitting heeft verzocht zelf in de zaak te voorzien en omdat de zaak al geruime tijd loopt, zal de rechtbank bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
Verrekening
8. Eiseres voert aan dat het voor haar belangrijk is dat de Tozo-schuld apart wordt ingevorderd en niet wordt verrekend met het bedrag van € 1.518 dat is toegekend als vergoeding voor de proceskosten. Daarnaast is door het college – in een telefoongesprek op 20 april 2022 met de gemachtigde van eiseres – het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat het bedrag van € 1.518 niet verrekend zou worden met de openstaande schuld. Dit gesprek is opgenomen en deze opname is aan het college gezonden.
8.1.
Artikel 78f van de Participatiewet (Pw) vormt de grondslag voor de Tozo. Dit betekent dat de artikelen van de Pw op de Tozo van toepassing zijn. [8]
8.2.
Op grond van artikel 60a, vierde lid, van de Pw kan het college een vordering die een belanghebbende op hem heeft, verrekenen met een vordering als bedoeld in de artikelen 58 en 59 van de Pw.
8.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), gaat de verrekening tussen het bestuursorgaan en de betrokkene feitelijk voor op de betaling aan een derde, te weten de rechtshulpverlener. [9] Aldus komt het college bij de verrekening van de aan eiseres toegekende proceskostenvergoeding met de vordering op eiseres op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw, met toepassing van artikel 60a, vierde lid, van de Pw, niet meer toe aan de betaling van deze vergoeding aan de rechtshulpverlener, tenzij na verrekening nog een bedrag resteert.
8.4.
De rechtbank volgt het college dan ook in het standpunt dat hij bevoegd is de toegekende proceskostenvergoeding te verrekenen met het (resterende) bedrag van een nog openstaande schuld. De verrekening gaat voor de betaling aan de gemachtigde.
Slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel?
9. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht, waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. [10]
9.1.
Uit hetgeen tijdens de zitting is besproken en ook uit het verweerschrift, begrijpt de rechtbank dat het college zich op het standpunt stelt dat de vertegenwoordiger van het college tijdens het telefoongesprek waarop de gemachtigde van eiseres doelt, desgevraagd heeft verklaard dat er geen aparte factuur voor de proceskosten aan eiseres verstuurd hoefde te worden, omdat er een verrekening zou plaatsvinden. Ook staat in het verweerschrift dat niet het gehele telefoongesprek is opgenomen, maar slechts een fragment van 30 seconden. De rechtbank stelt vast dat de opname van het gesprek waarnaar de gemachtigde van eiseres verwijst, niet door eiseres is overgelegd. De rechtbank ziet daarom geen enkele grond om aan te nemen dat het college in het bewuste telefoongesprek een concrete en heldere toezegging zoals hiervoor omschreven, heeft gedaan. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
10. Eiseres voert tot slot nog aan dat het bestreden besluit vernietigd dient te worden, omdat dit is genomen in strijd is met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Er wordt onzorgvuldig omgegaan met informatie en toegestuurde geluidsbestanden. Ook is het bestreden besluit heel snel genomen om onder een dwangsom uit te komen.
10.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres deze beroepsgronden onvoldoende onderbouwd. De argumenten die zij aanvoert zijn hiervoor al besproken en beoordeeld. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
11. Nu het bestreden besluit inhoudelijk de toetsing door de rechtbank kan doorstaan, zal de rechtbank bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
Overschrijding redelijke termijn
12. Eiseres voert aan dat het beroepschrift meer dan twee jaar geleden is ingediend en dat zij derhalve recht heeft op immateriële schadevergoeding op grond van het EVRM, wegens overschrijding van de redelijke termijn.
12.1.
Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid voert de Staat geen verweer op het verzoek om schadevergoeding. [11]
12.2.
De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. [12]
12.3.
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB geldt in beginsel dat het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen anderhalf jaar zouden moeten worden afgehandeld. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500 per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. [13]
12.4.
Indien sprake is van overschrijding van de redelijke termijn moet ook worden beoordeeld op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase.
12.5.
De rechtbank stelt vast dat er vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van eiseres op 29 september 2022 tot deze uitspraak ongeveer drie jaar en negen maanden zijn verstreken. Dat is een overschrijding van de redelijke termijn met één jaar en negen maanden (21 maanden). Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 2.000.
12.6.
De bezwaarfase heeft, gerekend vanaf het moment van het ontvangen van het bezwaarschrift op 29 september 2022 tot het moment van verzenden van het bestreden besluit op 19 maart 2024 bijna één jaar en zes maanden geduurd. Dat is een overschrijding met twaalf maanden. Het overige deel van de overschrijding van de redelijke termijn, te weten negen maanden, heeft plaatsgevonden in de beroepsfase en moet om die reden worden toegerekend aan de Staat.
12.7.
Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van het college onderscheidenlijk van de Staat wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. [14] Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 1.142,86 (12/21 deel van € 2.000). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 857,14 (9/21 deel van € 2.000).

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de hoorplicht in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb. Eiseres had moeten worden gehoord in bezwaar. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit omdat het college bevoegd was de toegekende proceskostenvergoeding te verrekenen met het (resterende) bedrag van een nog openstaande schuld van eiseres aan de gemeente.
13.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 voor de in beroep verleende rechtsbijstand, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Proceskosten voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
14. Eiseres heeft daarnaast recht op vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt deze vergoeding vast op een bedrag van € 467 (1 punt voor het indienen van het verzoek, wegingsfactor 0,5 (licht) met een waarde van
€ 934 per punt). [15]
14.1.
Omdat de overschrijding van de redelijke termijn deels aan het college en deels aan de Staat moet worden toegerekend, moeten zij beiden de helft van dit bedrag betalen aan eiseres. Daarom veroordeelt de rechtbank het college tot het betalen van een bedrag van
€ 233,50 aan proceskosten aan eiseres. De rechtbank veroordeelt ook de Staat tot het betalen van een bedrag van € 233,50 aan proceskosten aan eiseres.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 19 maart 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 51 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot vergoeding van schade aan eiseres tot een bedrag van
€ 1.142,86;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van schade aan eiseres tot een bedrag van € 857,14;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.101,50;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van Lee, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer ARN 22/6124.
2.Zaaknummer ARN 21/3117.
3.Zaaknummer ARN 22/6124.
8.Voor zover in de Tozo niet wordt afgeweken van de in artikel 78f van de PW genoemde artikelen.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4256.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 7 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1268.
11.Zie Staatscourant 2014, nr. 20210 en Staatscourant 2017, nr. 62751.
12.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.
13.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 13 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1679.
15.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294.