ECLI:NL:RBLIM:2020:4856
Rechtbank Limburg
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens handel in softdrugs
Verzoeker, huurder van een woning in Maastricht, verzocht om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester om de woning voor drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Dit besluit volgde op de vondst van een hennepplantage met 11 planten en 2343 gram hennep, alsmede wapens en munitie in de woning. Verzoeker stelde dat het ging om eigen gebruik, geen handel, en dat de sluiting ernstige gevolgen zou hebben voor zijn gezin en woonsituatie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting omdat de aangetroffen hoeveelheid hennep de toegestane gebruikershoeveelheid ruim overschrijdt en daarmee wordt uitgegaan van een handelshoeveelheid. De stelling van verzoeker dat het merendeel uit afval bestond, werd niet geaccepteerd. Ook het betoog dat het gebruik medisch noodzakelijk zou zijn, werd niet onderbouwd met bewijs. De burgemeester had op basis van het Damoclesbeleid de belangen afgewogen en de sluiting als proportioneel en noodzakelijk beoordeeld.
De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een afwijking van het beleid rechtvaardigden. De gevolgen voor verzoeker en zijn gezin, waaronder het niet kunnen ontvangen van kinderen, werden onvoldoende onderbouwd geacht om de sluiting te voorkomen. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wegens handel in softdrugs wordt afgewezen.