Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 april 2023 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.Wel ziet de rechtbank aanleiding om de boetebedragen te matigen met 10% en om te komen tot een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De bestuurlijke boetesDe termijn van artikel 5:51 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
naming and shaming” is en dat het oprekken van de dertienwekentermijn door verweerder als consequentie heeft dat het boetebesluit langer gepubliceerd blijft. De rechtbank is van oordeel dat deze stelling berust op een verkeerde uitleg van artikel 1.81 van de Wko. Uit dit artikel volgt dat een boetebesluit gepubliceerd wordt in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) wanneer het besluit onherroepelijk is geworden. De rechtbank ziet niet in hoe een latere datum van verzending van het boetebesluit maakt dat de periode dat het besluit gepubliceerd is, langer wordt.
De overtreding op 14 november 2019
De hoogte van de opgelegde boetes
€ 2.500,- indien – kort samengevat – er niet voldaan is aan de voorwaarden om tijdelijk te mogen afwijken van de BKR. Een van die voorwaarden is dat er ten hoogste drie uur minder beroepskrachten mogen worden ingezet. Weliswaar merkt eiseres terecht op dat uit het beleid van verweerder niet duidelijk blijkt dat deze afwijktijden ook moeten worden opgenomen in het pedagogisch werkplan, maar dat betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder de boete niet mocht opleggen. Verweerder heeft ter zitting erkend dat het beleid nog niet is aangepast naar de meest recente versie van het Besluit kwaliteit kinderopvang (het Besluit), waarin als extra voorwaarde is opgenomen dat de afwijktijden (ook) in het pedagogisch werkplan moeten worden vastgelegd. Uit het Besluit blijkt echter duidelijk dat dit (inmiddels) een vereiste is.
De lasten onder dwangsom
Een vaste, vertrouwde beroepskracht is voor ieder kind in de dagopvang een belangrijke voorwaarde om zich emotioneel veilig te kunnen voelen. Dit geldt temeer voor hele jonge kinderen. Een vaste beroepskracht kent het kind goed en is daardoor in staat om te herkennen waar een kind behoefte aan heeft en hier vervolgens naar te handelen.(…) ” En op pagina 35 van deze Nota wordt ook de terminologie “
de vaste gezichteneis” gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat de lasten op dit punt voldoende duidelijk zijn omschreven, zodat er geen sprake is van strijd met het legaliteitsbeginsel. Dat niet duidelijk is dat eiseres een lijst moet bijhouden waarop de vaste gezichten per kind worden genoteerd, volgt de rechtbank ook niet. Uit artikel 9 van Pro het Besluit volgt dat er per kind een aantal beroepskrachten moeten worden “
toegewezen”. Uit de bewoordingen van dat artikel volgt dus dat je moet kunnen aantonen wie de vaste gezichten van een kind zijn. Verweerder mag aldus tegenwerpen dat eiseres dat niet kan. De beroepsgrond slaagt niet.
Invorderingsbesluiten
De [groep 1]
De [groep 2]
De evenredigheid van de invorderingsbesluiten
0-jarigen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat van invordering moet worden afgezien.
Overschrijding redelijke termijn?
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de hoogte van de boete;
- herroept het primaire besluit I voor zover dat ziet op de boetehoogte en stelt de hoogte van de boete vast op € 11.250,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- bepaalt dat de Staat aan eiseres het betaalde griffierecht van € 360,- vergoedt;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 837,-;
- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding tot een bedrag van € 1.000,-.
mr. H.H.L. Krans, leden, in aanwezigheid van mr.B.L. Kosterman-Meijer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2023.