Beoordeling door de rechtbank
5. Eiser heeft het standpunt ingenomen dat hij ten onrechte niet is gehoord door de heffingsambtenaar. Volgens eiser is er onvoldoende gelegenheid geboden om gehoord te worden, omdat de heffingsambtenaar niet naar redelijkheid heeft gekeken naar alternatieve data voor de hoorzitting en ook niet open stond voor overleg.
6. Volgens de heffingsambtenaar is de hoorplicht niet geschonden. De gemachtigde van eiser is volgens de heffingsambtenaar voldoende in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Daarnaast stelt de heffingsambtenaar dat hij grote waarde hecht aan een duidelijk en strak ingericht proces. De reden daarvoor is dat bezwaren in het belastingrecht conform Europese wetgeving en de nadere invulling daarvan door de Hoge Raad binnen een half jaar afgehandeld moeten worden.
7. Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan een belanghebbende in de gelegenheid stellen om te worden gehoord, alvorens op het bezwaar wordt beslist. In afwijking daarvan bepaalt artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) dat slechts een hoorzitting plaatsvindt indien een belanghebbende daar om verzoekt. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn bezwaarschrift heeft verzocht om gehoord te worden.
8. De gemachtigde van eiser vertegenwoordigt in belastingjaar 2025 meer dan 300 bezwaarmakers in het werkgebied van deze heffingsambtenaar. Om die reden is er zaakoverstijgende communicatie tussen partijen om het bezwaarproces te stroomlijnen. Op 3 januari 2025 heeft de heffingsambtenaar een aantal mogelijkheden voor het houden van een hoorzitting voorgesteld. Ten eerste kon er voor 1 mei 2025 een schriftelijke hoorzitting worden ingediend. Daarnaast bestond er de mogelijkheid voor de gemachtigde van eiser om tot halverwege maart op een gewenst moment in de maand mei per zaak zelf een hoorzitting te plannen. Op 27 februari 2025 heeft de gemachtigde van eiser per e-mail voorgesteld om 19 mei 2025 aan te houden voor het indienen van schriftelijke hoorzittingen. Per e-mail van 28 februari 2025 heeft de heffingsambtenaar medegedeeld geen uitzondering te maken op de deadline van 1 mei.
9. Doordat er uiteindelijk geen concrete afspraken zijn gemaakt voor een schriftelijke hoorzitting en de gemachtigde ook geen gebruik had gemaakt van de mogelijkheid om hoorzittingen in te plannen, heeft de heffingsambtenaar uiteindelijk zelf hoorzittingsdata ingepland. Op 7 maart 2025, 12 maart 2025 en 27 maart 2025 heeft de heffingsambtenaar bij aangetekende brief medegedeeld dat de hoorzittingen op 22, 23, 24 en 25 april 2025 zullen plaatsvinden. Op 4 april 2025 is per reguliere post een gedetailleerde planning van de hoorzittingen van de gemeente Huizen aan de gemachtigde van eiser toegestuurd. Deze planning is tevens per e-mail verstuurd.
10. Op 22 april 2025 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden, waarbij de gemachtigde van eiser niet aanwezig was. De heffingsambtenaar kon de gemachtigde van eiser telefonisch niet bereiken. De heffingsambtenaar heeft daarna een e-mail naar de gemachtigde van eiser gestuurd, waar hij, als laatste kans, in de gelegenheid wordt gesteld om vóór 28 april 2025 de hoorzitting schriftelijk in te dienen. Op 24 april 2025 heeft de gemachtigde van eiser om 4 dagen uitstel verzocht. De heffingsambtenaar heeft dit uitstel geweigerd en heeft vervolgens uitspraak op bezwaar gedaan.
11. In het arrest van 16 januari 2015 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, als na een eerste uitnodiging om een afspraak te maken, waarvoor de belanghebbende op de voorlaatste dag heeft bedankt, de inspecteur nogmaals, uitdrukkelijk, onder vermelding van tijd en plaats, een tweede uitnodiging heeft doen uitgaan en belanghebbende daar niet op reageert, het de inspecteur niet kan worden tegengeworpen dat de belanghebbende niet is gehoord.
12. De rechtbank ziet grote gelijkenissen met het arrest van de Hoge Raad en overweegt hierover als volgt. De heffingsambtenaar heeft bij brief van 3 januari 2025 eiser de mogelijkheid gegeven om een schriftelijke hoorzitting in te dienen voor 1 mei 2025. Partijen zijn het erover eens dat hier geen overeenstemming over is geweest. Daarnaast heeft de heffingsambtenaar de gemachtigde van eiser in deze brief in de gelegenheid gesteld om zelf een hoorzitting in te plannen. Hier heeft de gemachtigde van eiser ook geen gebruik van gemaakt. Vervolgens heeft de heffingsambtenaar zelf hoorzittingsdata ingepland. De hoorzittingsdata zijn drie keer per aangetekende post, één keer per reguliere post en één keer per e-mail naar de gemachtigde van eiser toegestuurd. De gemachtigde van eiser heeft nagelaten om hierop te reageren. Zo heeft hij geen verhinderdata doorgegeven of kenbaar gemaakt dat hij verhinderd zou zijn. Vervolgens is de gemachtigde van eiser niet verschenen op de geplande hoorzitting. De gemachtigde van eiser betwist verder niet dat hij de brieven heeft ontvangen. Hij heeft hier alleen over verklaard dat zijn kantoor in die periode ongeveer 1500 brieven per dag kreeg en de uitnodigingen er waarschijnlijk doorheen zijn geslopen. Dat hij de vier brieven én de e-mail niet zou hebben gezien, is naar het oordeel van de rechtbank de verantwoordelijkheid van de gemachtigde van eiser zelf.
12. Kortom: de gemachtigde van eiser heeft geen gebruik gemaakt van de door de heffingsambtenaar voorgestelde mogelijkheden voor het zelf inplannen een hoorzitting. Vervolgens heeft de gemachtigde van eiser het nagelaten om te reageren op de tweede uitnodiging van de heffingsambtenaar waarbij hij meermaals uitdrukkelijk, onder vermelding van datum en tijd, is uitgenodigd voor de telefonische hoorzittingen. De rechtbank is van oordeel dat het de heffingsambtenaar in die situatie niet kan worden tegengeworpen dat eiser niet is gehoord.
Proceskostenvergoeding in bezwaar
14. De gemachtigde van eiser stelt daarnaast dat de heffingsambtenaar ten onrechte een wegingsfactor “licht” heeft toegepast en dat er een wegingsfactor “gemiddeld” moest worden toegepast. Het toepassen van een wegingsfactor 0,5 bovenop de wettelijke WOZ-factor is volgens de gemachtigde van eiser disproportioneel. Daarnaast verwijst de gemachtigde van eiser naar het richtsnoer die door de belastingkamers van de gerechtshoven is vastgesteld en als bijlage is opgenomen bij de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335. Uit het richtsnoer volgt volgens de gemachtigde van eiser dat de wegingsfactor voor WOZ-zaken op ‘gemiddeld’ moet worden gesteld. 15. De heffingsambtenaar heeft hierover toegelicht dat de werkbelasting van de gemachtigde van eiser in deze zaak zeer beperkt is geweest. De enige inspanning is de toezending van een standaard bezwaarschrift geweest. Volgens de heffingsambtenaar is er in deze zaak daarom voldoende aanleiding om af te wijken van het richtsnoer.
16. De rechtbank merkt allereerst op dat de heffingsambtenaar en de rechtbank niet gebonden zijn aan het richtsnoer van de hoven.Tegelijkertijd is het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wel van oordeel dat, als de rechtbank een andere proceskostenveroordeling uitspreekt dan uit het richtsnoer volgt, de uitspraak van de rechtbank vernietigd moet worden.Om niet het risico te lopen in hoger beroep vernietigd te worden, ziet de rechtbank daarom geen andere mogelijkheid dan om de proceskostenvergoeding die in bezwaar is toegekend te toetsen aan het richtsnoer.
17. De rechtbank overweegt verder als volgt. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm blijkt dat de proceskostenvergoeding wordt bepaald door (i) de punten per proceshandeling te vermenigvuldigen met, (ii) de waarde per punt, (iii) de zwaarte van de zaak en (iv) de wettelijke factor. Volgens de rechtbank moet de wegingsfactor op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht daarom worden toegepast naast het toepassen van de wettelijke WOZ-factor en dit sluit daarom niet uit dat naast de wettelijke WOZ-factor ook een wegingsfactor lager (of hoger) dan gemiddeld wordt toegepast.
18. Uit het richtsnoer van de gerechtshoven volgt dat waar het om een materieelrechtelijk belastinggeschil gaat het gewicht van de zaak als gemiddeld is aan te merken. Dat is het geval bij een normale WOZ-zaak. Uit het richtsnoer blijkt echter ook dat hiervan kan worden afgeweken en dat een afwijking geen specifieke motivering vergt. Uit het richtsnoer volgt verder dat het gewicht van de zaak, en dus ook de wegingsfactor, wordt bepaald door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang en de ingewikkeldheid. De uitkomst van de beoordeling van het gewicht van de zaak dient in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener.Het richtsnoer biedt dus ruimte om in een concrete WOZ-zaak waarbij de werkbelasting beperkt is geweest voor de rechtsbijstandverlener in plaats van een gemiddeld gewicht een licht gewicht of zelfs een zeer licht gewicht te hanteren.De rechtbank moet dus op basis hiervan beoordelen welke wegingsfactor in dit specifieke geval van toepassing is.
19. De rechtbank overweegt hierover als volgt. In het bezwaarschrift staat inhoudelijk enkel het volgende:
“De WOZ-waarde is te hoog vastgesteld,op basis van een quick-scanben ik van mening dat de WOZ-waarde vastgesteld dient te worden op een bedrag van: € 461.000,-.”Het bezwaarschrift bevat dus slechts één blote, niet onderbouwde stelling. Daarnaast geeft de gemachtigde zelf al aan dat er alleen maar een quick-scan wordt gemaakt van de vastgestelde WOZ-waarde. Deze quick-scan is een snelle, beperkte beoordeling van de zaak. Zoals de gemachtigde ter zitting heeft verteld, vullen zijn cliënten een vragenlijst in. De enige werklast voor de gemachtigde is om daarna op basis van de quick-scan te beoordelen of een bezwaar kansrijk is. Zijn bezwaarschrift bestaat vervolgens inhoudelijk gezien uit één zin zonder onderbouwing of concrete gronden.
20. Naar het oordeel van de rechtbank zit hier veel minder werk in dan bij een gemiddeld bezwaarschrift in WOZ-zaken, waarbij de aanslag wél volledig is bestudeerd en het bezwaar inhoudelijk wordt gemotiveerd. De rechtbank weegt daarin ook mee dat de heffingsambtenaar onbetwist heeft gesteld dat meer dan de helft van de ingediende bezwaren weer wordt ingetrokken. De rechtbank is het met de heffingsambtenaar eens dat die quick-scan daarom maar een zeer beperkte beoordeling kan zijn. Bovendien is het indienen van dit summiere bezwaarschrift de enige handeling van de gemachtigde van eiser in de bezwaarfase geweest. De rechtbank kan daarom het standpunt van de heffingsambtenaar volgen dat gelet op de beperkte werkbelasting van de gemachtigde in bezwaar een wegingsfactor van 0,5 voor de bezwaarfase passend is. De rechtbank ziet steun voor dit oordeel in de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 16 april 2025 waarin ook een wegingsfactor 0,5 werd toegepast en de gemachtigde in die procedure onmiskenbaar meer had gedaan dan de gemachtigde in deze zaak.
21. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.