Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
23 december 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [1] is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 23 december 2025 niet juist was.
1.Bewijslast en volgorde: concretisering veronderstelt een volledig verweer
2.Legaliteit: ontbrekende wettelijke en reglementaire grondslag
3.Systeem van de Algemene wet bestuursrecht
4.Eenzijdige ingreep in een tweezijdige procesdynamiek
5.Evenredigheid: generieke zwaarste sanctie zonder differentiatie
€ 11,67 aan proceskosten moet vergoeden en de Staat € 11,68. Het griffierecht krijgt opposante niet terug, omdat de redelijke termijn na 31 mei 2024 is overschreden. [15]
- verklaart het verzet ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 37,50 aan schadevergoeding aan opposante;
- veroordeelt de Staat tot een betaling van € 12,50 aan schadevergoeding aan opposante;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 11,67 aan proceskosten aan opposante;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 11,68 aan proceskosten aan opposante.
mr.D. Burggraaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026.