Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Ontstaan en loop van de gedingen
2.Tussen partijen vaststaande feiten
Redelijke schattingOndanks mijn herhaalde verzoeken om informatie en mijn verwijzing naar uw verplichtingen zoals genoemd in artikel 47 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen, heeft u niet voldaan aan de op u rustende verplichtingen. (…)
Naast de gevolgen voor de belastingheffing ben ik voornemens om gelijktijdig met het vaststellen van de navorderingaanslag een boete op te leggen. Het betreft een vergrijpboete ingevolge artikel 67e AWR en hoofdstuk IV van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998. Er is sprake van (voorwaardelijke) opzet. Deze boete bedraagt 50% van het bedrag van de navorderingsaanslag. Op grond van § 43, lid 3 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 wordt deze boete verhoogd tot 100%.
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
- verklaart de beroepen inzake de navorderingsaanslagen ib/pvv 1997 tot en met 2000 en vb 1998 tot en met 2000, niet-ontvankelijk (AWB 13/560 tot en met 13/566);
- verklaart de overige beroepen gegrond (AWB 13/707, 13/708, 13/709 en 13/3931);
- vernietigt de uitspraken op bezwaar met uitzondering van de beslissingen omtrent de kostenvergoedingen;
- vermindert de navorderingsaanslag ib/pvv 1996 tot een naar een belastbaar inkomen van € 59.298 en vermindert de boete en heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig;
- vermindert de navorderingsaanslag vb 1997 tot een naar een vermogen van € 795.046 en vermindert de boete en heffingsrentebeschikking dienovereenkomstig;
- vermindert de navorderingsaanslag ib/pvv 2003 tot een naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen ten bedrage van € 41.982 en vermindert de boete, op basis van een percentage van 100%, en het bedrag van de heffingsrente dienovereenkomstig;
- vermindert de aanslag ib/pvv 2005 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.384 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen ten bedrage van € 71.819;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.826,25;
- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 132 vergoedt, en
- wijst de verzoeken om immateriële schadevergoeding af.