Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 januari 2018 in de zaken tussen
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder,
de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister.
Procesverloop
18 november 2009 heeft eiser verklaard dat hij aangifte heeft gedaan van diefstal van de Opel Speedster terwijl deze auto feitelijk niet gestolen was.
7 september 2005 op naam van de partner. Op 8 mei 2006 heeft de verzekerings-maatschappij [F] in verband hiermee een schadebedrag van € 11.385 uitgekeerd door overmaking op de bankrekening van de partner. Op 9 mei 2006 heeft de partner een bedrag van € 11.375 overgemaakt op de bankrekening van eiser. Eiser heeft tegenover de politie verklaard dat de diefstal van onderdelen niet heeft plaatsgevonden en dat hij zelf de onderdelen van de auto heeft meegenomen.
30 juni 2007 tot aan het moment van de aangifte op haar naam. Vóór 30 juni 2007 stond deze auto op naam van eiser. Op 15 november 2007 is naar aanleiding van de aangifte van diefstal € 39.785 door [C] overgemaakt op de gezamenlijke bankrekening van eiser en de partner. Op dezelfde datum is € 39.785 doorgestort op de eigen bankrekening van eiser.
3 juni 2008 maakt [H] €6.385 over naar het rekeningnummer van de partner.
Op 9 juli 2009 heeft de heer [J] € 2.048,30 op de bankrekening van eiser gestort.
23 december 2005 te [O] (Tsjechië) en
23 oktober 2009 en een claim van de schade hiervan ingediend op 24 oktober 2009,
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd (zaken 1, 3 en 4)
en
oplichting, meermalen gepleegd (zaken 7, 8 en 10).
Ten aanzien van feit 2:
Medeplegen van poging tot oplichting.
Ten aanzien van feit 3:
Oplichting, meermalen gepleegd.
Ten aanzien van feit 4:
Een gewoonte maken van witwassen.”
nr. 07/10292, ECLI:NL:HR:2009:BG9068).
De schattingen van de inkomsten zijn derhalve niet willekeurig of onredelijk.
19 februari 2016. Gelet op het feit dat de termijn op 3 januari 2011 is aangevangen en de rechtbank uitspraak doet op 12 januari 2018, bedraagt de voor de procedure in eerste aanleg in aanmerking te nemen termijn (afgerond) 7 jaar en een maand (85 maanden). De redelijke termijn is derhalve overschreden met (afgerond) 5 jaar en een maand (61 maanden). Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 5.500. Van het tijdsverloop in eerste aanleg dient de periode vanaf de datum van de eerste uitspraak op bezwaar tot de datum uitspraak van de rechtbank (18 december 2015 tot 12 januari 2018), derhalve een tijdsverloop van afgerond 25 maanden, worden toegerekend aan de beroepsfase. Een tijdsverloop van afgerond (61 – 25 =) 36 maanden moet worden toegerekend aan de bezwaarfase. Verweerder dient daarom van de schadevergoeding 36/61 deel van € 5.500 te vergoeden (€ 3.246) en de Minister 25/61 deel (€ 2.254). Omdat het bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000 beloopt, behoeft de Minister, gelet op zijn beleidsregel van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, nr. 20210, niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop schriftelijk of mondeling verweer te voeren.