ECLI:NL:RBNNE:2025:5737

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
11715918 \ EL EXPL 25-8
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot schadevergoeding en verklaring voor recht in effectenleasezaak tussen eiser en Dexia Nederland B.V.

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Nederland op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een civiele procedure tussen een eiser en Dexia Nederland B.V. De eiser, vertegenwoordigd door mr. G. van Dijk van Leaseproces, vorderde schadevergoeding en een verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld. De procedure volgde op een effectenleaseovereenkomst die tussen de eiser en Dexia was gesloten, waarbij de eiser stelde dat hij door Dexia niet adequaat was geïnformeerd over de risico's van de overeenkomst. De kantonrechter oordeelde dat Dexia haar waarschuwingsplicht had geschonden en dat zij onrechtmatig had gehandeld door de eiser als cliënt te accepteren via een tussenpersoon die geen vergunning had. De kantonrechter heeft Dexia veroordeeld tot betaling van de door de eiser geleden schade, die is vastgesteld op € 9.939,32, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast werd Dexia verplicht om de registratie van de eiser bij het Bureau Kredietregistratie te laten doorhalen, op straffe van een dwangsom. De vorderingen in reconventie van Dexia werden afgewezen, en Dexia werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Assen
Zaaknummer: 11715918 \ EL EXPL 25-8
Vonnis van 23 december 2025
in de zaak van
[eiser]
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces) te Amsterdam,
tegen
DEXIA NEDERLAND B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V. te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 mei 2025,
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie,
- de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie,
- de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie,
- de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlaten producties in conventie,
- de akte uitlating van Dexia van 11 november 2025,
- de bij de stukken gevoegde producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis (nader) bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
Tussen (de rechtsvoorganger van) Dexia en [eiser] is een effectenleaseovereenkomst tot stand gekomen. Het betreft de volgende overeenkomst:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
[nummer]
27-12-2000
Capital Effect Vooruitbetaling
2.2.
Bij de totstandkoming van de overeenkomst is Thuisadvies als tussenpersoon opgetreden.
2.3.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
17-02-2006
- € 5.202,23
Nee
2.4.
Volgens opgave van Dexia (productie 1 bij conclusie van antwoord en van eis in reconventie) heeft [eiser] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 13.033,20 aan Dexia betaald. Volgens diezelfde opgave heeft [eiser] € 2.350,22 aan dividenden ontvangen en € 743,66 aan fiscaal voordeel genoten.
2.5.
Bij brief van 6 februari 2006 gericht aan Dexia, heeft de gemachtigde van [eiser]
de overeenkomst vernietigd, althans ontbonden, op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, onrechtmatige daad, misleidende reclame en/of dwaling en is Dexia verzocht en voor zover nodig gesommeerd om onder meer binnen twee weken alle door [eiser] betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente, terug te betalen.
Ook nadien zijn meerdere brieven namens [eiser] aan Dexia verstuurd.
2.6.
Vanaf omstreeks medio 2002 zijn de effectenleaseproducten van Dexia onderwerp geweest van meerdere juridische procedures. Onder meer door het aanbieden van het zogenaamde "Dexia Aanbod" en door de zogenaamde "Duisenberg regeling" heeft Dexia geprobeerd de geschillen met haar afnemers minnelijk te regelen. Op 25 januari 2007 heeft het gerechtshof Amsterdam de "Duisenberg regeling" verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM). [eiser] heeft door middel van een zogenaamde "opt-out-verklaring" aangegeven niet aan die regeling gebonden te willen zijn.
2.7.
In zijn arresten van 28 maart 2008 en 5 juni 2009 heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de rechtsregels en de beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken als de onderhavige (Hoge Raad 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837 en Hoge Raad 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815).
Op 1 december 2009 heeft het Gerechtshof Amsterdam in een viertal arresten de uitspraak van de Hoge Raad uitgewerkt in het zogeheten “hofmodel” (Gerechtshof Amsterdam 1 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK:4978, BK4981, BK4982 en BK4983). In zijn arrest van 29 april 2011 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven (Hoge Raad 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4003).
2.8.
Bij brief van 12 maart 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] Dexia gesommeerd over te gaan tot terugbetaling van alle door [eiser] betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.
3. De vordering en het verweer in conventie en in reconventie
3.1.
[eiser] vordert dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
in de hoofdzaak:
  • voorwaardelijk Dexia ex artikel 194 jo 195 Rv te veroordelen om [eiser] afschriften te verstrekken van het aanvraagformulier en haar versie van de ondertekende overeenkomst,
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
  • voor recht zal verklaren dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
  • Dexia zal veroordelen om te bewerkstelligen dat de registratie van [eiser] bij het Bureau Kredietregistratie in Tiel wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat Dexia daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 20.000,00,
  • Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiser] van al datgene dat [eiser] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
  • voor recht zal verklaren dat [eiser] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiser] , met rente,
  • Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
3.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een (deels voorwaardelijke) tegenvordering, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
in het incident:
- [eiser] ex artikel 195 Rv zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [eiser] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,
in de hoofdzaak:
  • [eiser] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.431,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2006;
  • voor recht zal verklaren dat Dexia voor genoemde overeenkomst niets meer aan [eiser] verschuldigd is,
  • [eiser] zal veroordelen in de proceskosten, met rente.
3.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
Afgifte stukken
4.1.
[eiser] heeft bij inleidende dagvaarding voorwaardelijk gevorderd Dexia te veroordelen om op grond van artikel 195 Rv aan [eiser] een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier en de overeenkomst. Dexia heeft het aanvraagformulier bij de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie niet in het geding gebracht, zodat de voorwaarde op dit onderdeel is vervuld. [eiser] heeft vervolgens niet bij incident afgifte van het aanvraagformulier gevorderd. De kantonrechter zal de vordering, nu er een eindvonnis wordt gewezen waarin [eiser] in het gelijk wordt gesteld, afwijzen wegens gebrek aan belang.
Waarschuwingsplicht
4.2.
[eiser] verwijt Dexia in de eerste plaats dat zij haar waarschuwingsplicht heeft geschonden. Dexia heeft in haar conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie aangevoerd dat uit de overeenkomst helder blijkt welke betalingsverplichtingen [eiser] aanging. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat Dexia of Thuisadvies [eiser] bij het aangaan van de effectenleaseovereenkomst indringend heeft gewaarschuwd voor het restschuldrisico. In de overeenkomst zelf wordt geen melding gemaakt van een eventueel risico op een restschuld. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de stelling van [eiser] dat Dexia niet heeft voldaan aan haar waarschuwingsplicht. Dexia heeft aldus onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld.
Schending artikel 41 NR 1999
4.3.
[eiser] stelt voorts, verkort weergegeven, dat Dexia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren via Thuisadvies, terwijl het Thuisadvies als cliëntenremisier zonder vergunning ex artikel 7 Wet toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) niet was toegestaan om [eiser] te adviseren om een effectenleaseovereenkomst met Dexia aan te gaan en Dexia dit wist, althans dit behoorde te weten. Dexia heeft deze stelling gemotiveerd betwist.
4.4.
De kantonrechter stelt bij de beoordeling het volgende voorop. In 2016 heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 2 september 2016 (Beckers/Dexia, ECLI:NL:HR:2016:2012) onder meer geoordeeld, samengevat weergegeven, dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van potentiële cliënten bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Indien de cliëntenremisier geen vergunning heeft en zich niet heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt, maar ook jegens de afnemer als financieel adviseur is opgetreden en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn, schendt Dexia niet alleen haar zorgplicht, maar handelt zij ook in strijd met artikel 41 NR 1999. Dit levert volgens de Hoge Raad een (extra) onrechtmatigheidsgrond op, die Dexia zwaar wordt aangerekend. Dit komt doordat een cliënt die is geadviseerd door een dienstverlener (beleggingsadviseur) minder snel bedacht hoeft te zijn op en zich minder snel uit eigen beweging hoeft te verdiepen in niet vermelde risico's dan degene die zich wendt tot een aanbieder van een effectenleaseproduct. De Hoge Raad oordeelt daarnaast dat niet hoeft te worden aangetoond dat Dexia wist of behoorde te weten dat de cliëntenremisier niet over een vergunning beschikte toen zij ten opzichte van de belegger mede als beleggingsadviseur optrad. Dexia moet als professionele effecteninstelling (geacht worden te) weten dat een cliëntenremisier die tevens adviseert, de grenzen van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995 overschrijdt. Daarom lag het ook op haar weg om, als zij wist of behoorde te weten dat Thuisadvies mede in de hoedanigheid van beleggingsadviseur was opgetreden, te onderzoeken of Thuisadvies over de daartoe benodigde vergunning beschikte. Indien daarvan geen sprake was had Dexia moeten weigeren met de particuliere belegger te contracteren. In zijn arrest van 12 oktober 2018 (Timmermans/Dexia, ECLI:NL:HR:2018:1935) en van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862) bevestigt de Hoge Raad het voorgaande nogmaals uitdrukkelijk.
4.5.
In voornoemd arrest van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad voorts geoordeeld dat de reikwijdte van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995 als volgt dient te worden bepaald:
- een tussenpersoon gaat de reikwijdte van de vrijstelling te buiten indien hij een bepaalde afnemer het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product aanbeveelt;
- het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, dat wil zeggen dat zij voorgesteld is als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer;
- het moet gaan om een aanbeveling die de tussenpersoon doet in het kader van zijn beroep of bedrijf; daarvan kan ook sprake zijn als de tussenpersoon een dergelijke aanbeveling slechts incidenteel of zelfs eenmalig doet;
- geen vergunning behoeft de tussenpersoon voor het verstrekken van algemene informatie over wat effectenleaseovereenkomsten zijn, en evenmin voor het verstrekken van algemeen advies (waarbij in algemene zin wordt aangeraden een, verder op geen enkele wijze nader bepaalde, effectenleaseovereenkomst te sluiten);
- uit de enkele omstandigheid dat een tussenpersoon met de afnemer een aanvraagformulier invult, waarbij in voorkomende gevallen een fondskeuze aangekruist wordt, en dit opstuurt, volgt niet dat de tussenpersoon heeft geadviseerd.
4.6.
Voor de beoordeling of de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst heeft gedaan, kunnen volgens de Hoge Raad de volgende omstandigheden van belang zijn:
- de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
- de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
- de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet, naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct, een ander financieel product, zoals een hypothecaire lening, heeft geadviseerd.
4.7.
In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, ook indien voornoemde omstandigheden niet worden vastgesteld, de mogelijkheid bestaat dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als hiervoor genoemd, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer.
4.8.
Met inachtneming van het vorenstaande overweegt de kantonrechter als volgt. Niet in geschil is dat Thuisadvies is opgetreden als effectenbemiddelaar. Een effectenbemiddelaar die mogelijke cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling wordt ook cliëntenremisier genoemd. Cliëntenremisiers zoals Thuisadvies waren uit hoofde van artikel 12 van de Vrijstellingsregeling Wte 1995 vrijgesteld van de vergunningplicht van artikel 7 lid 1 Wte 1995, om cliënten aan te brengen bij een effecteninstelling als Dexia. Op grond van artikel 21 lid 1 Wte 1995 moesten effectenbemiddelaars die van de vergunningplicht waren vrijgesteld, worden ingeschreven in het in dit artikel genoemde register. Voornoemde vrijstelling was slechts beperkt tot werkzaamheden als cliëntenremisier. De effecteninstelling die wist of behoorde te weten dat een cliëntenremisier een aangebrachte belegger vergunningplichtige diensten heeft verleend zonder over de noodzakelijke vergunning te beschikken en deze belegger niettemin als cliënt accepteert, handelt in strijd met artikel 41 NR 1999 en daarmee onrechtmatig jegens die belegger.
4.9.
De kantonrechter zal voor het antwoord op de vraag of sprake is van schending van artikel 41 NR 1999 dienen te beoordelen of Thuisadvies haar vrijstelling te buiten is gegaan en vergunningplichtige diensten heeft verleend, alsmede of Dexia dit wist of behoorde te weten. Vast staat tussen partijen dat Thuisadvies niet over een vergunning ex artikel 7 lid 1 Wte 1995 beschikte.
4.10.
[eiser] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
De adviseur van Thuisadvies, te weten de heer [adviseur] (hierna: de adviseur) stond op een dag voor de deur van [eiser] en wilde de koopwoning en hypothecaire lening van [eiser] bespreken. Zo kwam de vraag ter sprake of [eiser] de hypothecaire lening goedkoper kon maken. Tijdens dit gesprek heeft [eiser] zijn telefoonnummer aan de adviseur gegeven. Na dit gesprek is de adviseur vertrokken en heeft op een later moment telefonisch contact met [eiser] opgenomen. De adviseur stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om financieel één en ander met hem door te nemen en te bespreken. [eiser] heeft hiermee ingestemd.
Tijdens het eerste gesprek heeft de adviseur geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eiser] . Zo is wederom met de adviseur gesproken over de situatie rondom de koopwoning van [eiser] . [eiser] had zijn woning 18 februari 2000 geleverd gekregen en op dezelfde dag was er een hypotheek van NLG 202.000,- op het huis gevestigd. Verder is over zijn gezinssituatie gesproken. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [eiser] om een spaarpotje op te bouwen om meer te investeren in de studie van de kinderen en om de maandelijkse hypotheeklasten te verlagen. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om deze doelen te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist.
De adviseur adviseerde [eiser] om een Capital Effect product van Bank Labouchere af te sluiten. De adviseur adviseerde om een overeenkomst met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 28.000,- af te sluiten. De adviseur maakte kenbaar dat hij ervoor zou zorgen dat het benodigde bedrag voor de vooruitbetaling vrij zou komen bij de bank. Volgens de adviseur zou [eiser] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [eiser] het spaarpotje kon opbouwen voor de studie van zijn kinderen en de maandelijkse hypotheeklasten zou kunnen verlagen.
De adviseur heeft vervolgens een prognosevoorbeeld naar het huis van [eiser] gebracht om het Capital Effect verder toe te lichten. Hiermee toonde hij aan hoeveel vermogen het onderhavige product na vijf jaren zou kunnen opleveren. Middels het prognosevoorbeeld liet de adviseur zien dat volgens hem na 5 jaar een opbrengst van ruim NLG 60.766,26 zou volgen uit het Capital Effect met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 28.000,- gerekend met een rendement van 15%. Tijdens het huisbezoek heeft de adviseur op het prognosevoorbeeld nog een aantal aantekeningen gemaakt. Zo heeft de adviseur op het prognosevoorbeeld genoteerd dat in het bedrijf Unilever zou worden belegd met de vooruitbetaling. Er werd bij dit voorbeeld geen rekening gehouden met mogelijk tegenvallende koersresultaten. De adviseur heeft [eiser] niet geïnformeerd over de specifieke risico's van dit product. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met de inleg de rentelasten voor een andere lening (de effectenleaseovereenkomst) werd betaald, dat bij tegenvallende koersontwikkelingen de inleg geheel verloren kon gaan en dat er bovendien een restschuld kon ontstaan uit hoofde van het effectenleasecontract. Als [eiser] had geweten van de risico’s, dan had hij de overeenkomst nooit afgesloten.
[eiser] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en heeft het advies van de adviseur opgevolgd. [eiser] heeft een Capital Effect overeenkomst met een vooruitbetaling van NLG 28.869,48 afgesloten. De adviseur heeft ervoor gezorgd dat het bedrag voor de vooruitbetaling beschikbaar kwam. De aanvraag voor het Capital Effect is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend.
4.11.
Op de door [eiser] overgelegde overeenkomst is Thuisadvies als adviseur vermeld. [eiser] heeft voorts de volgende stukken in het geding gebracht: een kopie van de overeenkomst en de eindafrekening, de leveringsakte en hypotheekakte, het prognosevoorbeeld, uitdraaien van de website, het KvK-uittreksel van Thuisadvies, de sommatiebrief en de 14-dagenbrief.
aanhoudingsverzoek
4.12.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
4.13.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(nieuwe) argumenten Dexia
4.14.
Dexia heeft tegen de bewuste overwegingen (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vaststellingsplicht rust, en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
4.15.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eiser] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [1] [2] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [eiser] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eiser] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eiser] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Verder moet het Dexia, mede gezien de WCAM-procedure en de verwijten die haar daarin werden gemaakt, duidelijk zijn geweest tegen welke (toekomstige) vordering van [eiser] zij zich zou moeten verdedigen, voor welke schendingen en op welke grondslagen, zodat de kantonrechter Dexia niet volgt in de stelling dat zij door het extreme tijdsverloop onredelijk is benadeeld. Dat de gemachtigde van [eiser] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eiser] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vaststellingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
Wetenschap Dexia
4.16.
Dexia heeft voorts betwist dat zij wist of moest weten dat Thuisadvies beleggingsadvies gaf, dat mede inhield een effectenleaseovereenkomst met Dexia te sluiten. De kantonrechter overweegt omtrent de wetenschap van Dexia als volgt.
4.17.
In vergelijkbare zaken bij deze rechtbank, waaronder een vonnis van 24 juni 2020 (Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, ECLI:NL:RBNNE:2020:2219), alsmede in vergelijkbare zaken bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waaronder de arresten van 3 november 2020 (bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARL:2020:8984), is wetenschap bij Dexia aangenomen in zaken waarin onder meer Spaar Select heeft geadviseerd. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft zijn oordeel bevestigd in een recent arrest van 5 juli 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:5730). De kantonrechter is van oordeel dat die overwegingen over de wetenschap van Dexia ook hier van toepassing zijn (zie onder meer rechtsoverwegingen 5.28 en 5.29 van het vonnis van 24 juni 2020). Hetgeen Dexia in deze procedure overigens nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat Dexia wist en in ieder geval had behoren te weten dat er vergunningplichtig advies werd gegeven.
4.18.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat Thuisadvies haar vrijstelling te buiten is gegaan door vergunningplichtige diensten te verlenen in de vorm van beleggingsadvies en dat Dexia daarvan wist, althans behoorde te weten. Het had daarom op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de onderhavige effectenleaseovereenkomst te verifiëren of zij die kon en mocht aangaan. Door de overeenkomst met [eiser] te sluiten in plaats van te weigeren, heeft Dexia haar verplichtingen ingevolge artikel 41 NR 1999 geschonden.
Onrechtmatige daad
4.19.
Concluderend is de kantonrechter van oordeel dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, zowel vanwege schending van artikel 41 NR 1999 als vanwege schending van haar zorgplicht (waarschuwingsplicht). De gevorderde verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld acht de kantonrechter daarom toewijsbaar.
Schade
4.20.
Het voorgaande brengt naar het oordeel van de kantonrechter met zich dat Dexia de door [eiser] gevorderde schade, bestaande uit de inleg in de overeenkomst en de restschuld na afloop van de overeenkomst, volledig dient te vergoeden. Weliswaar zijn aan [eiser] omstandigheden toerekenbaar die tot zijn schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft (zie onder meer voornoemde arresten Beckers/Dexia en Timmermans/Dexia). Verder kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. Er is geen aanleiding om af te wijken van het hierboven genoemde uitgangspunt. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
4.21.
Dit betekent dat de gevorderde verklaring voor recht dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [eiser] te vergoeden toewijsbaar is.
Verrekening voordelen
4.22.
Volgens Dexia dient bij het vaststellen van de voor vergoeding in aanmerking komende schade rekening te worden gehouden met de voordelen die [eiser] heeft genoten. Onder verwijzing naar het financieel overzicht (productie 1 bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie) stelt Dexia dat [eiser] , naast een bedrag van € 2.350,22 aan ontvangen dividend, een bedrag van € 743,66 aan fiscaal voordeel heeft genoten.
4.23.
Partijen zijn het erover eens dat daadwerkelijk genoten voordeel op de door [eiser] geleden schade in mindering mag worden gebracht. Dit betekent dat door [eiser] ontvangen dividend op de gevorderde schadevergoeding in mindering mag worden gebracht.
Ook zijn partijen het erover eens dat [eiser] een fiscaal voordeel van € 743,66 heeft genoten.
4.24.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de gevorderde vergoeding van al hetgeen [eiser] aan Dexia heeft betaald, zal worden toegewezen, verminderd met dividenduitkeringen en het fiscaal voordeel, te weten:
  • Betaalde inleg € 13.033,20
  • Dividenduitkeringen € 2.350,22 -
  • Fiscaal voordeel
Totale schade [eiser] € 9.939,32
Aldus zal een bedrag van € 9.939,32 worden toegewezen. De door [eiser] gevorderde wettelijke rente over de geleden schade, telkens vanaf de dag dat [eiser] aan Dexia heeft betaald, acht de kantonrechter ook toewijsbaar (zie het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198). De door [eiser] gevorderde voldoening van voornoemde bedragen binnen drie weken na betekening van dit vonnis zal als niet betwist eveneens worden toegewezen.
Buitengerechtelijke kosten
4.25.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI: NL:HR:2019:590.
Doorhaling BKR-registratie
4.26.
Dexia heeft bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie en bij conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie aangegeven dat zij verplicht was om een melding te maken bij het BKR en dat zij de registratie niet kan schrappen. Dit maakt voor het oordeel van de kantonrechter niet uit. Dexia zal – voor het geval Dexia met betrekking tot [eiser] een A-codering aan het BKR heeft doorgegeven – worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [eiser] geen verplichtingen uit de leaseovereenkomsten meer heeft. De daaraan te verbinden dwangsom wordt bepaald op € 250,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 5.000,00.
Proceskosten
4.27.
Dexia zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld, waarbij aansluiting wordt gezocht bij het toe te wijzen bedrag. De kosten aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 257,00
- salaris gemachtigde
€ 678,00 (2 punten x € 339,00) +
Totaal € 1.079,47
De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald, met inachtneming van het gevorderde bedrag van € 100,00. De gevorderde rente over de proceskosten en de nakosten is toewijsbaar. Omdat er sprake moet zijn van een redelijke termijn voor betaling, is de ingangsdatum veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis.
in reconventie
4.28.
De in conventie toegewezen vergoeding van schade staat in de weg aan de gevorderde verklaring voor recht dat Dexia niets meer is verschuldigd aan [eiser] . De vordering tot veroordeling van [eiser] tot betaling van een bedrag van € 400,58, zijnde een derde deel van de onbetaald gebleven restschuld, kan evenmin worden toegewezen, nu in conventie vast is komen te staan dat de restschuld volledig voor vergoeding door Dexia in aanmerking komt (zou [eiser] de restschuld hebben voldaan). Dat betekent dat [eiser] thans niet (meer) gehouden is de onbetaald gebleven restschuld te voldoen. De vorderingen in reconventie zullen daarom worden afgewezen.
4.29.
Dexia heeft in haar conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie een vordering ingediend ex artikel 195 Rv, voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat Dexia de stellingen van [eiser] niet voldoende concreet heeft betwist. In dat geval verzoekt Dexia de kantonrechter om [eiser] te veroordelen om een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [eiser] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, althans van andere schriftelijke documenten waar die stellingen aan ontleend zijn. Deze vordering heeft zij als reconventionele vordering onvoorwaardelijk ingesteld. Deze vordering sluit niet aan bij de onderbouwing van de vordering in de dagvaarding. De kantonrechter beschouwt de vordering dan ook als voorwaardelijk incidentele vordering.
4.30.
De kantonrechter is van oordeel dat het niet mogelijk is om het instellen van een incidentele vordering afhankelijk te stellen van een inhoudelijk oordeel van de rechter als hiervoor bedoeld. Een kwestie in incident dient van procedurele aard te zijn en kan niet een enkele materiële (voor)vraag behelzen (
T&C Rv, Boek I, Titel 2, Afd. 10, inleidende opmerkingen, onder 2). Dexia heeft haar incidentele vordering afhankelijk gesteld van het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van de stelplicht en bewijslast ter beoordeling van een van die vorderingen. Het is aan Dexia om de stellingen van [eiser] voldoende concreet te betwisten. Doet zij dit niet, dan wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Als zij van mening is dat zij voor een gemotiveerde betwisting de beschikking dient te krijgen over bepaalde bescheiden dan had zij daartoe direct een vordering ex artikel 195 Rv moeten indienen. Dat kan niet meer als de kantonrechter daarover al een oordeel heeft gegeven. Dat zou er immers op neerkomen dat Dexia wenst dat de kantonrechter – na een incidentele procedure – op een dergelijk oordeel terugkomt. Daar is een incidentele procedure niet voor bedoeld. De kantonrechter zal Dexia niet-ontvankelijk verklaren in het incident. Om die reden zal Dexia ook worden veroordeeld in de proceskosten in het incident.
4.31.
Dexia zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in (onvoorwaardelijke) reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op € 542,00 (2 punten × € 271,00) aan salaris gemachtigde.

5.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, zowel vanwege schending van artikel 41 NR 1999 als vanwege schending van haar zorgplicht (waarschuwingsplicht);
5.2.
verklaart voor recht dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [eiser] te vergoeden;
5.3.
veroordeelt Dexia tot betaling van de door [eiser] geleden schade van € 9.939,32, te vermeerderen met wettelijke rente, telkens vanaf de dag der door [eiser] gedane betalingen tot aan de dag van volledige betaling, te voldoen binnen drie weken na betekening van dit vonnis;
5.4.
veroordeelt Dexia om binnen twee weken na betekening van dit vonnis te bewerkstelligen dat de registratie van [eiser] bij het Bureau Kredietregistratie in Tiel wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat Dexia daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 5.000,00;
5.5.
veroordeelt Dexia in de proceskosten aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op € 1.079,47, te voldoen binnen veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis en zonder die voldoening daarna te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag der algehele voldoening;
5.6.
veroordeelt Dexia in de nakosten, begroot op € 100,00, te voldoen binnen veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis en zonder die voldoening daarna te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag der algehele voldoening;
5.7.
verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de veroordelingen in 5.3., 5.4 en 5.5;
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.9.
wijst de vorderingen af;
5.10.
veroordeelt Dexia in de proceskosten aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op € 542,00.
Aldus gewezen door mr. S.B. van Baalen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 december 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
56118/vj

Voetnoten

1.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
2.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.