Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1403

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
LEE 22/1972
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 10 EVRMArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke vernietiging besluiten minister inzake openbaarmaking documenten over seksueel misbruik binnen Jehovah’s Getuigen

De Christelijke Gemeente van Jehovah's Getuigen in Nederland heeft beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Justitie en Veiligheid die op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) en de Wet open overheid (Woo) bepaalde documenten over een rapport over seksueel misbruik binnen de gemeenschap gedeeltelijk openbaar maakten en andere documenten weigerden openbaar te maken.

De rechtbank oordeelt dat de minister de weigering tot openbaarmaking niet in strijd heeft gebracht met artikel 8 en Pro 10 van het EVRM, maar dat de zoekslag naar documenten onvolledig was en onvoldoende gemotiveerd. Ook is onvoldoende toegelicht waarom bepaalde documenten niet onder de minister berusten en waarom bepaalde informatie is geweigerd, onder meer vanwege persoonlijke beleidsopvattingen en het belang van het goed functioneren van de overheid.

De rechtbank vernietigt daarom gedeeltelijk het bestreden besluit op bezwaar en het herstelbesluit, en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt een schadevergoeding van €3.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarvan €3.308,60 aan proceskosten en €3.500 aan immateriële schade, te betalen door de minister en de Staat.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt gedeeltelijk de besluiten van de minister over de weigering tot openbaarmaking en beveelt een nieuw besluit; tevens wordt een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 22/1972

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen

de Christelijke Gemeente van Jehovah's Getuigen in Nederland, uit Emmen, eiseres
(gemachtigden: mr. C.J. Dekker en mr. D.J. Blok),
en
de minister van Justitie en Veiligheid, de minister, als rechtsopvolger van de minister van Rechtsbescherming
(gemachtigde: mr. B.G. Özdemir).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
  • het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrumvan het ministerie van Justitie en Veiligheid uit Den Haag, het WODC
    (gemachtigde: mr. J.V. van Vegten); en
  • de Stichting Reclaimed Voicesuit Roermond, de Stichting
    (gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over twee besluiten tot gedeeltelijke openbaarmaking van bepaalde documenten en documentonderdelen en de weigering tot openbaarmaking van andere documenten en documentonderdelen op grond van het door eiseres ingediende verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). De minister heeft dat verzoek ook deels behandeld met toepassing van de Wet open overheid (Woo). Eiseres is het niet eens met deze twee besluiten. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de gedeeltelijke openbaarmaking en gedeeltelijke weigering om documenten en documentonderdelen openbaar te maken.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister over bepaalde
(onderdelen van) documenten onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom geen openbaarmaking daarvan heeft plaatsgevonden. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen die oordeel heeft.

Leeswijzer

2. In de overwegingen 3. en 4. staat het procesverloop van deze zaak. In overwegingen 5. tot en met 12. staan de feiten en omstandigheden die relevant zijn voor deze zaak. In overweging 13. staat welk recht van toepassing is op deze zaak. De beoordeling van de beroepsgronden door de rechtbank staat in overwegingen 14. en verder. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen:
  • Is de weigering om documenten openbaar te maken in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM? Zie overwegingen 14 en 15.
  • Is de weigering om documenten openbaar te maken in strijd met artikel 10 van Pro het EVRM? Zie overwegingen 16 en 17.
  • Is de zoekslag over de juiste periode uitgevoerd? Zie overwegingen 18 en 19.
  • Is de zoekslag voldoende inzichtelijk gemaakt? Zie overwegingen 20 en 21.
  • Heeft de minister alle documenten kenbaar beoordeeld? Zie overwegingen 22 en 23.
  • Mocht de minister verwijzen naar het besluit van 18 mei 2020 in zaaknummer
  • Mocht de minister openbaarmaking weigeren wegens onevenredige benadeling? Zie overwegingen 26 en 27.
  • Heeft de minister het openbaar maken van informatie kunnen weigeren omdat sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen? Zie overwegingen 28 tot en met 31.
  • Heeft de minister het openbaar maken van functienamen kunnen weigeren ter eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer? Zie overwegingen 32 en 33.
  • Heeft de minister het openbaar maken van bepaalde informatie kunnen weigeren ten behoeve van het goed functioneren? Zie overwegingen 34 en 35.
  • Is er sprake van intern beraad ten aanzien van documenten afkomstig van het Universiteit Utrecht, de Stichting en de begeleidingscommissie? Zie overwegingen 36 en 37.
  • Welke schadevergoeding wordt aan eiseres toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn? Zie overwegingen 38 en 39.
Aan het eind van deze uitspraak, in overweging 40., staan de conclusie van de rechtbank en de gevolgen daarvan. In de bijlage bij de uitspraak staat de voor dit geval belangrijke wetgeving.

Procesverloop

3. De minister heeft met het primaire besluit van 16 juni 2021, naar aanleiding van een informatieverzoek van eiseres, bepaalde documenten en documentonderdelen (gedeeltelijk) openbaar gemaakt en openbaarmaking van andere documenten en documentonderdelen geweigerd. Met het bestreden besluit van 12 april 2022 op het bezwaar van eiseres is de minister bij die gedeeltelijke openbaarmaking en gedeeltelijke weigering gebleven.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4.1.
De minister heeft op 30 augustus 2022 bepaalde op de zaak betrekking hebbende stukken met een verzoek tot beperkte kennisneming van die stukken met toepassing van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend. Eiseres heeft een reactie op dit verzoek ingediend.
4.2.
De minister heeft op 2 december 2022 opnieuw bepaalde op de zaak betrekking hebbende stukken met een verzoek tot beperkte kennisneming van die stukken met toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb ingediend. Eiseres heeft een reactie op dit verzoek ingediend.
4.3.
De minister heeft op 12 maart 2024 een nieuw besluit genomen (het herstelbesluit) op grond van de Woo. In het herstelbesluit heeft de minister het bestreden besluit
van 12 april 2022 gedeeltelijk vervangen, heeft hij het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit deels gegrond verklaard en heeft hij besloten bepaalde documenten en documentonderdelen (gedeeltelijk) openbaar te maken en andere documenten en documentonderdelen niet openbaar te maken.
4.4.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De minister heeft daarbij opnieuw bepaalde op de zaak betrekking hebbende stukken met een verzoek tot beperkte kennisneming van die stukken met toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb ingediend. Eiseres heeft een reactie op dit verzoek ingediend.
4.5.
Eiseres heeft aanvullende beroepsgronden tegen het herstelbesluit ingediend. De minister heeft op de aanvullende beroepsgronden gereageerd met een aanvullend verweerschrift. De Stichting heeft een reactie ingediend.
4.6.
De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft op 31 maart 2025 een tussenbeslissing genomen op de verzoeken van de minister tot toepassing van artikel 8:29 van Pro de Awb (de tussenbeslissing). Ten aanzien van verschillende documenten heeft de geheimhoudingskamer bepaald dat de verzochte beperking van kennisname gerechtvaardigd is en ten aanzien van andere documenten heeft de geheimhoudingskamer bepaald dat de verzochte beperking van kennisname niet gerechtvaardigd is.
4.7.
De minister heeft naar aanleiding van de tussenbeslissing alsnog ongelakte documenten ingediend waarover de geheimhoudingskamer had bepaald dat de verzochte beperking van kennisname niet gerechtvaardigd is.
4.8.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2025 op zitting behandeld, samen met de beroepen met zaaknummers LEE 20/3662 en LEE 21/3356. De rechtbank doet op ieder beroep apart uitspraak. Aan de zitting hebben deelgenomen: [bestuurders van eiseres] als bestuurders van eiseres, de gemachtigden van eiseres, de gemachtigde van de minister, de gemachtigde van het WODC, D.R. Willemsen en mr. M.W. de Jongste namens het WODC, de gemachtigde van de Stichting en [bestuurders van de Stichting] als bestuurders van de Stichting.

Beoordeling door de rechtbankWat zijn de relevante feiten en omstandigheden van deze zaak?

5. Op 3 juli 2018 heeft de Tweede Kamer der Staten-Generaal (TK) een motie aangenomen (de motie). [1] Daarin heeft de TK de regering verzocht om te bewerkstelligen dat onderzoek wordt uitgevoerd naar opgedane ervaringen door personen die onderdeel zijn (geweest) van de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen met als doel om inzicht te krijgen in het mogelijk onderliggende patroon, de gebruikte (kerk)regels, gebruiken en structuren binnen de gemeenschap en de invloed die dit heeft op de aangiftebereidheid van deze personen.
6. Het WODC van het ministerie van Justitie en Veiligheid (ministerie van J&V) heeft vervolgens onderzoekers van de Universiteit Utrecht (de universiteit) gevraagd om een onderzoek uit te voeren naar de omgang met seksueel misbruik binnen de gemeenschap van Jehovah’s Getuigen. In diverse fasen van het onderzoek heeft het onderzoeksteam van de universiteit overleg gehad met de begeleidingscommissie (de begeleidingscommissie) die was samengesteld door het WODC.
7. In 2019 heeft het WODC het rapport ‘Seksueel misbruik en aangiftebereidheid binnen de gemeenschap van Jehovah’s getuigen’ (het rapport) uitgebracht. [2]
8. Eiseres heeft op 27 oktober 2020 aan de minister op grond van de Wob verzocht om openbaar te maken documenten betreffende:
  • Correspondentie met de Stichting;
  • Correspondentie met de andere ministeries, waaronder in ieder geval – maar niet uitsluitend – het ministerie van OCW en de Inspectie van het Onderwijs;
  • Correspondentie met derden, waaronder in ieder geval – maar niet uitsluitend – de GGD, de politie en de Stichting School & Veiligheid;
  • Alle documentatie in voorbereiding op, vaststelling van en vervolg op het onderzoek door de Universiteit Utrecht in opdracht van het WODC.
Eiseres heeft daarbij aangegeven dat het verzoek (ook) ziet op alle correspondentie (waaronder e-mail, Whatsapp, SMS, et cetera), notities, rapportages, beoordelingen, (resultaten van) onderzoeken en/of andere gegevens, alsmede de externe correspondentie (waaronder e-mail, Whatsapp, SMS, et cetera). Ook heeft eiseres aangegeven dat alle correspondentie van en aan haar buiten de reikwijdte van het Wob-verzoek valt.
9. Eiseres heeft op 27 oktober 2020 een ander informatieverzoek op grond van de Wob bij de minister ingediend. De besluiten naar aanleiding van dat informatieverzoek zijn onderwerp van geschil in de beroepsprocedure met zaaknummer LEE 20/3662.
10. De minister heeft onder meer het WODC en de Stichting in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen over de openbaarmaking van documenten naar aanleiding van het in overweging 8. genoemde informatieverzoek van eiseres. Het WODC en de Stichting hebben ieder afzonderlijk een zienswijze ingediend.
11. De minister heeft met het primaire besluit van 16 juni 2021 bepaalde documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt en openbaarmaking van andere documenten geweigerd. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.
12. Op 12 april 2022 heeft de minister het bestreden besluit genomen.

Welk recht is van toepassing op deze zaak?

13. Op 1 mei 2022 is de Woo, zoals gewijzigd bij de Wijzigingswet Woo (Staatsblad 2021, 500) in werking getreden. Artikel 10.1 van de Woo bepaalt dat de Wob wordt ingetrokken. De Woo heeft onmiddellijke werking. Met ingang van 1 mei 2022 moeten besluiten op vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob-verzoeken met inachtneming van de bepalingen van de Woo worden genomen. Dat geldt in principe ook voor besluiten op bezwaar of besluiten die worden genomen na een bestuurlijke of judiciële lus.
13.1.
Het bestreden besluit op bezwaar in deze zaak is genomen op 12 april 2022, dus
voor 1 mei 2022. Dat betekent dat de Wob op dat besluit van toepassing is.
13.2.
De rechtbank constateert dat de minister het bestreden besluit op bezwaar tijdens deze beroepsprocedure gedeeltelijk heeft vervangen middels het herstelbesluit. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep mede betrekking op het herstelbesluit. Aangezien het herstelbesluit is genomen na 1 mei 2022 is op dat besluit de Woo van toepassing.
Is de weigering om documenten openbaar te maken in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM?
14. Eiseres betoogt dat de weigering om bepaalde (delen van) documenten openbaar te maken in strijd is met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het parlementair onderzoek en de totstandkoming van het rapport hebben rechtstreeks betrekking op haar gemeenschap, zowel op groepsniveau als op individueel niveau. Ook hebben dat onderzoek en rapport vanwege het publieke karakter aanzienlijke negatieve gevolgen gehad voor de reputatie van eiseres in het algemeen en van individuele leden in het bijzonder. Zo wordt de discussie over vermeend seksueel misbruik binnen de gemeenschap publiekelijk gevoerd en worden verdere overheidsmaatregelen voorbereid, zonder dat eiseres beschikt over vitale informatie waarmee zij zich in afdoende mate kan verweren. Daar komt bij dat uit een expert opinion [3] volgt dat de zorg bestaat dat publicatie van het rapport leidt tot meer stereotypering en discriminatie van Jehovah’s Getuigen. Hieruit volgt dat de gevraagde informatie van vitaal belang is voor de Jehovah’s Getuigen om zich (publiekelijk) te kunnen verweren tegen hetgeen via dan wel door de overheid op hen afkomt, aldus eiseres.
14.1.
De minister voert aan dat eiseres geenszins aannemelijk heeft gemaakt op welke wijze artikel 8 van Pro het EVRM in het geding is en op welke wijze het bestreden besluit op bezwaar de uit dat artikel voortvloeiende rechten zou hebben aangetast. Ook heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de verzochte gegevens van vitaal belang zijn. Volgens de minister wordt dit in beroep ook niet geconcretiseerd. Zo is onbeantwoord wiens privé- of familieleven in het geding is en om welke persoonlijke informatie het gaat. De stellingen van eiseres in beroep zien op de inhoud en de door eiseres gestelde gevolgen van het rapport. Een Wob-procedure is niet bedoeld om de inhoud van de gevraagde informatie ter discussie te stellen, aldus de minister.
15. De rechtbank volgt dit betoog van eiseres niet. Voorop staat dat artikel 8 van Pro het EVRM niet vereist dat alle verzochte gegevens openbaar worden gemaakt. Die bepaling biedt staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid om aan het openbaar maken van gegevens en documenten beperkingen te verbinden. De Wob voorziet in dergelijke beperkingen. [4] Eiseres heeft niet geconcretiseerd in hoeverre het recht op eerbiediging van privé- en familieleven in de onderhavige zaak in het geding is en op welke wijze het primaire besluit, het bestreden besluit op bezwaar en/of het herstelbesluit dit recht zouden hebben aangetast. Met haar enkele stelling dat onbenoemde ledengroepen en individuele leden binnen haar gemeenschap in het recht op eerbiediging van privé- en familieleven zijn aangetast, is het door haar gestelde causale verband tussen de gedeeltelijke weigering om documenten openbaar te maken en de vermeende rechtsschending niet aannemelijk gemaakt. Dat eiseres voelt dat zij in het publieke debat op een informatieachterstand zou staan, doet aan dat gebrek aan concrete onderbouwing niet af. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is de weigering om documenten openbaar te maken in strijd met artikel 10 van Pro het EVRM?
16. Eiseres betoogt dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 10 van Pro het EVRM. Die omstandigheden bestaan uit het kunnen vervullen van een rol vergelijkbaar met die van een publieke waakhond en het deel kunnen en moeten nemen aan het publieke debat. Aangezien sprake is van nog niet openbare informatie, het zich moeten kunnen verweren tegen de eenzijdige en niet controleerbare waardering van die informatie in het publieke debat en de (maatschappelijke) gevoeligheid van die informatie, is sprake van zeer bijzondere omstandigheden. Niet valt in te zien waarom zij geen beroep kan doen op het Magyar-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) [5] omdat zij in het publieke debat opkomt voor haar leden alsmede voor de groep, aldus eiseres.
16.1.
De minister voert aan dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt waarom zij, ondanks toepassing van de Wob, in de uitoefening van het specifieke recht op grond van artikel 10, eerste lid, van het EVRM inlichtingen te ontvangen, wordt belemmerd zonder dat dit op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM is gerechtvaardigd. Het feit dat het maatschappelijk belang bij openbaarmaking groot is, is onvoldoende om zeer bijzondere omstandigheden aanwezig te achten. De stelling van eiseres dat de met het Wob-verzoek gevraagde informatie van publiek belang is en nodig is om haar leden en het publiek te informeren ten behoeve van het publieke debat, is niet onderbouwd en daarmee onvoldoende voor een geslaagd beroep op artikel 10 van Pro het ERVM. Niet valt in te zien waarom het gestelde publieke debat, als daar al sprake van is, niet ook gevoerd kan worden op basis van de reeds openbare informatie. In dat kader is van belang dat veel informatie over dit onderwerp reeds openbaar is gemaakt, aldus de minister. [6]
17. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak volgt dat artikel 10 van Pro het EVRM niet vereist dat alle informatie verstrekt wordt of openbaar wordt gemaakt en dat artikel 10 van Pro het EVRM staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid biedt om bij wet beperkingen te verbinden aan het verstrekken dan wel openbaar maken van gegevens en documenten. Met de bepalingen betreffende de weigeringsgronden in de Wob is inmenging in het in artikel 10, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht om inlichtingen te ontvangen bij wet voorzien. In het algemeen mag er van worden uitgegaan dat de wetgever bij het formuleren van de weigeringsgronden in de artikelen 10 en 11 van de Wob heeft voorzien in beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. De weigeringsgronden van de Wob strekken ter bescherming van een of meer van deze belangen. Dit uitgangspunt staat er evenwel niet aan in de weg dat een verzoeker aangeeft dat en waarom in zijn concrete situatie aan dit uitgangspunt niet kan worden vastgehouden. Het ligt dan op de weg van de verzoeker om zeer bijzondere omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die zouden meebrengen dat de verzoeker, ondanks toepassing van de Wob, in de uitoefening van het specifieke recht om op grond van artikel 10, eerste lid, van het EVRM inlichtingen te ontvangen, wordt belemmerd zonder dat dit op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM is gerechtvaardigd. Het EHRM vereist niet altijd dat de noodzakelijkheid van de toepassing van een wet, waarin een algemeen geformuleerde regeling die vrijwel automatisch en zonder nadere uitoefening van discretionaire bevoegdheden moet worden toegepast, op individueel niveau wordt aangetoond. Dit kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit arrest van 16 maart 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0316JUD005827800, Ždanoka t. Letland, nr. 58278/00, § 114, en het arrest van 22 april 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0422JUD004887608, Animal Defenders International t. het Verenigd Koninkrijk, nr. 48876/08, § 109. Wel is van belang dat een dergelijke algemene regeling is gebaseerd op een zorgvuldige belangenafweging en besluitvorming. De wetgever heeft in het geval van de Wob een gemotiveerde afweging gemaakt welke weigeringsgronden daarin moesten worden opgenomen en welke weigeringsgronden absoluut zouden moeten zijn. Zie de totstandkomingsgeschiedenis van de Wob. [7] Gelet hierop voorziet de Wob in een uitgewerkt en evenwichtig stelsel van gronden tot weigering van openbaarmaking, die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. Hiermee is sprake van een ‘fair balance’ tussen de concurrerende belangen van het recht op vrijheid van informatie en de in de Wob genoemde belangen, zoals de bescherming van de rechten van anderen. [8]
17.1.
De rechtbank volgt het betoog van eiseres niet. In haar betoog ziet de rechtbank niet dat zich de zeer bijzondere omstandigheden voordoen als bedoeld in het hiervoor beschreven toetsingskader. Daarbij is van belang dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) voor dat toetsingskader de gevolgen van het door eiseres genoemde EHRM-arrest heeft bezien en heeft geconcludeerd dat in die gevolgen geen redenen bestaan om dat toetsingskader aan te passen. Om zeer bijzondere omstandigheden aan te tonen, ligt het op de weg van eiseres om aan te tonen dat zij zonder de gevraagde informatie haar werk niet kan doen. Gelet op haar activiteiten als religieuze organisatie vervult eiseres niet een functie als publieke waakhond. Evenmin is haar werk het voeren van gerechtelijke procedures. Hoewel eiseres wel als werk heeft om haar leden te vertegenwoordigen, heeft zij niet aangetoond dat zij dat werk niet kan doen met het deel van de gevraagde informatie dat wel openbaar is gemaakt. Die informatie komt bovenop de informatie in het rapport en openbare informatie die voortkomt uit vervolgonderzoeken naar aanleiding van het rapport. Het voorgaande betekent dat eiseres in het licht van artikel 10, tweede lid, van het EVRM niet op onrechtmatige wijze is belemmerd in haar aan het eerste lid van dat artikel ontleende recht om inlichtingen van de overheid te ontvangen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is de zoekslag over de juiste periode uitgevoerd?
18. Eiseres betoogt dat de zoekslag niet over de juiste periode is uitgevoerd. In het bestreden besluit op bezwaar heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de zoekslag de periode van 3 juli 2018 tot en met 27 oktober 2020 beslaat en dat de periode vóór 3 juli 2018 geen onderdeel uitmaakt van het Wob-verzoek.
19. De rechtbank is van oordeel dat dit betoog slaagt. In deze beroepsprocedure heeft de minister erkend dat de zoekslag onvolledig is geweest wat betreft de periode waarop de zoekslag betrekking heeft. De minister heeft in deze beroepsgrond aanleiding gezien om het herstelbesluit te nemen en de periode vóór 3 juli 2018 alsnog te doorzoeken. Het bestreden besluit op bezwaar is op dit punt onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd en is daarom genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.
19.1.
De rechtbank zal het bestreden besluit op bezwaar gedeeltelijk vernietigen, voor zover de minister zich daarin op het standpunt heeft gesteld dat de zoekslag de periode
van 3 juli 2018 tot en met 27 oktober 2020 beslaat en dat de periode vóór 3 juli 2018 geen onderdeel uitmaakt van het Wob-verzoek.
19.2.
De rechtbank beoordeelt hierna of de minister deze onderzoeks- en motiveringsgebreken voldoende heeft hersteld met het herstelbesluit.
Is de zoekslag voldoende inzichtelijk gemaakt?
20. Eiseres betoogt dat de zoekslag niet met de vereiste zorgvuldigheid is uitgevoerd. Volgens haar blijkt uit het bestreden besluit op bezwaar niet dat de minister op een combinatie van zoektermen heeft gezocht. In het herstelbesluit is ten onrechte niet toegelicht op welke wijze de zoekslag naar documenten is uitgevoerd. Onduidelijk is waar is gezocht en hoe is gezocht. Hierdoor is het voor eiseres niet duidelijk of alle onder de reikwijdte van het Woo-verzoek vallende documenten zijn betrokken. Eiseres stelt verder dat er de nodige documenten lijken te ontbreken. [9] Zij wijst daarbij op de volgende documenten en voert daarover het volgende aan:
  • Documentnummers 0115-0117 en 0098-0099: onduidelijk is of documentnummer 0115-0117 de nota van 30 november 2018 is. De nota’s en eventuele concepten daarvan ontbreken volledig bij de gedingstukken.
  • Het oudste gedeeltelijk openbaargemaakte document is een e-mailbericht van
  • Er zijn geen
  • Niet te volgen is dat eerst door de minister wordt aangegeven dat een onafhankelijk onderzoek onuitvoerbaar wordt geacht, terwijl in een e-mailbericht van 26 juni 2018 dat bekend is als
  • Eiseres vermoedt dat een reactie van Slachtofferhulp Nederland op
  • In
  • In
  • Uit
20.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat voldoende inzichtelijk is gemaakt hoe de zoekslag is verricht. Zo is in het bestreden besluit op bezwaar en in het verweerschrift vermeld welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke verbuigingen en samenstellingen van zoektermen zijn gebruikt, welke informatie de relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten vervolgens is gemaakt.
20.1.1.
De minister voert het volgende aan over door eiseres genoemde specifieke documenten:
  • De bestandsnaam van
  • Eiseres merkt terecht op dat in het bestreden besluit op bezwaar in
  • Het is niet het geval dat de concepten van
  • Uit de inventarislijst van het bestreden besluit op bezwaar blijkt dat de conceptversies van de nota’s die de minister heeft aangetroffen, deel uitmaken van zijn besluit.
20.1.2.
De minister voert aan dat de overige door eiseres genoemde documenten niet aangetroffen zijn, ook niet in de voorbereiding van het herstelbesluit. Volgens de minister heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat er meer documenten zijn. Dat over een en ander gesproken zal zijn en dat een en ander moet zijn voorbereid, betekent nog niet dat daarvan ook documenten voorhanden zijn. De minister voert het volgende aan over door eiseres genoemde specifieke documenten:
  • Documentnummer 297: een persoon die werkzaam is binnen het Openbaar Ministerie (OM) heeft navraag gedaan bij de landelijke officier zeden, zijnde ook een persoon werkzaam binnen het OM.
  • Over de brief aan eiseres van september 2017: alle correspondentie van en aan eiseres valt niet binnen de reikwijdte van het informatieverzoek.
  • Over de
  • Documentnummer 71: eiseres zou niet kunnen volgen waarom een motie is aangenomen.
  • Documentnummer 145: eiseres constateert terecht dat Slachtofferhulp niet, althans niet schriftelijk, heeft gereageerd op die e-mail.
  • Over de omstandigheid dat Whatsapp-berichten en sms-berichten geen onderdeel uitmaken van het herstelbesluit en de verwijzing naar
  • Documentnummer 159: het lijkt het geval te zijn dat dit een reactie is op een eerdere e-mail. De oorspronkelijke ontvanger heeft de e-mail van de oorspronkelijke verzender aangepast. De verzender en de ondertekenaar van deze e-mail verschillen van elkaar.
21. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak volgt dat het op de weg van het bestuursorgaan ligt om voldoende inzichtelijk te maken op welke wijze is gezocht naar documenten. Het voldoende inzichtelijk maken van een zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten vervolgens is gemaakt. [11] Wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat bepaalde gegevens niet of niet meer onder hem berusten en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, die gegevens toch onder het bestuursorgaan berusten. De geloofwaardigheid van de mededeling dat er niet meer gegevens zijn, hangt af van hoe grondig er gezocht is naar relevante gegevens. Het is in een dergelijk geval aan het bestuursorgaan om te motiveren dat op elke redelijkerwijs mogelijke manier in het archief is gezocht. [12]
21.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij de zoekslag heeft verricht. Uit het bestreden besluit op bezwaar, het verweerschrift, het herstelbesluit en het aanvullend verweerschrift volgt dat de minister tijdens de zoekslag verschillende afdelingen van zijn ministerie heeft geraadpleegd. Daarbij zijn diverse
e-mailaccounts en telefoons van betrokken medewerkers doorzocht. Ook is het documentregistratiesysteem door middel van verschillende zoektermen doorzocht. De minister heeft daarbij geconcretiseerd welke zoektermen zijn gebruikt. Voldoende aannemelijk is dat de minister daarbij een combinatie van zoektermen heeft gebruikt. Ook acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de minister een soortgelijke zoekslag heeft uitgevoerd ter voorbereiding van het herstelbesluit. Op de zitting is dit onweersproken namens de minister bevestigd.
21.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet kan worden gevolgd in zijn standpunt in het herstelbesluit dat bepaalde gegevens niet of niet meer onder hem berusten. Na op grond van artikel 8:29 van Pro de Awb kennis te hebben genomen van de documenten die eiseres noemt, acht de rechtbank dit standpunt ongeloofwaardig wat betreft de volgende documenten:
  • Documenten over de periode van 26 oktober 2017 tot 5 januari 2018: ongeloofwaardig is dat er geen documenten onder de minister berusten of hebben berust die zien op voorbereidingen en verwerking binnen het ministerie van het gesprek van 2 november 2017 en de voorbereiding van de brief van 12 december 2017. In de brief staat dat medewerkers van het ministerie op 2 november 2017 in gesprek zijn getreden met een vertegenwoordiging van het bestuur van eiseres. Voldoende aannemelijk is dat de betrokken medewerkers het gesprek onderling hebben voorbereid en dat daarvan gegevens zouden moeten zijn. In de brief staat namelijk dat tijdens het gesprek door het ministerie op verschillende onderwerpen is gewezen. Ook acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat na het gesprek een schriftelijk terugkoppeling van het gesprek binnen het ministerie heeft plaatsgevonden. Uit de brief volgt immers dat de minister niet zelf bij het gesprek aanwezig was. Dat terwijl de brief wel van de minister afkomstig is én een korte terugkoppeling van verschillende gespreksonderwerpen bevat. Ook is een eerste reactie van bestuursleden van eiseres in de brief opgenomen. Gelet op de inhoud van de brief is voldoende aannemelijk dat medewerkers die bij het gesprek aanwezig waren, een terugkoppeling aan de minister hebben gegeven voordat de brief aan de voorzitter van de TK werd toegestuurd. Ook is voldoende aannemelijk dat die terugkoppeling schriftelijk aan de minister heeft plaatsgevonden, aangezien de brief moet zijn voorbereid en zelf een schriftelijk document is. Correspondentie binnen het ministerie is geen correspondentie van en aan eiseres, waardoor die gegevens wel binnen de reikwijdte van het informatieverzoek vallen.
  • Sms-berichten binnen het ministerie: in
  • Whatsapp-berichten binnen het ministerie: in
  • De minister erkent dat
Het herstelbesluit is op deze punten onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd en is daarom genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.
21.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister verder wel kan worden gevolgd in zijn standpunt dat bepaalde andere gegevens niet of niet meer onder hem berusten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat die gegevens alsnog onder hem berusten. De rechtbank overweegt daartoe het volgende:
  • Documentnummers 0098-0099 en 0101-0102zijn de conceptnota’s, die hebben geresulteerd in de definitieve nota bekend als
    documentnummer 0115-0117.
    Documentnummers LAD18 en LAD23zijn de nota’s van 9 september 2018 en
    1 oktober 2018, zoals door de minister benoemd. Uit de gedingstukken blijkt dat de minister die nota’s later alsnog heeft aangetroffen en gedeeltelijk openbaar heeft gemaakt. De rechtbank acht het daarom niet aannemelijk dat er (concept)nota’s bij de gedingstukken ontbreken.
  • Uit het e-mailbericht van 24 oktober 2017, behorende bij
  • Documentnummer 71gaat over de inhoud van de motie en een mogelijk alternatief voor de motie. Ook het door eiseres genoemde e-mailbericht van 27 juni 2018, bekend als
    documentnummer 142, gaat over de motie. In die twee e-mailberichten staan geen concrete aanwijzingen die aannemelijk maken dat documenten over een alternatief onderzoek onder de minister berusten.
  • Het enkele vermoeden van eiseres dat Slachtofferhulp Nederland schriftelijk heeft gereageerd op
21.4.
De rechtbank zal het herstelbesluit op dit punt gedeeltelijk vernietigen. De minister moet op dit punt een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres nemen. De rechtbank ziet in dit geval geen mogelijkheid om de minister op te dragen om de gebreken te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een bestuurlijke lus). Daarbij is van belang dat de minister gedeeltelijk opnieuw onderzoek moet doen naar gegevens, bepaalde (onderdelen van) documenten opnieuw moet beoordelen en over eventuele openbaarmaking een nieuwe afweging moet maken, waarna eventueel een nieuw besluit moet worden genomen. Onduidelijk is hoeveel tijd dat gaat kosten. Het WODC en de Stichting moeten namelijk als derde-belanghebbenden door de minister in de gelegenheid worden gesteld om op een eventueel gewijzigd standpunt over openbaarmaking te reageren. Daarnaast heeft de onderhavige zaak enig raakvlak met het beroep dat bij deze rechtbank is behandeld in zaaknummer LEE 20/3662 en waarover vandaag afzonderlijk uitspraak is gedaan. Op dit moment is niet te voorspellen hoe de minister zal handelen naar aanleiding van beide uitspraken.
Heeft de minister alle documenten kenbaar beoordeeld?
22. Eiseres betoogt dat de minister voor de beoordeling van bepaalde documentnummers niet heeft kunnen volstaan met verwijzing naar de beoordeling van andere documentnummers. Eiseres wijst daarbij op het volgende:
  • Het verschil in omvang en opmaak van (de gelakte inhoud van)
  • Datzelfde geldt voor de beoordeling van
  • Documentnummer 313is (gedeeltelijk) niet openbaar gemaakt zonder dat het document eigenstandig is beoordeeld en zonder dat daar een uitzonderingsgrond uit hoofdstuk 5 van de Woo aan ten grondslag ligt. De verwijzing naar
    documentnummer 44is daartoe onvoldoende omdat in dat document geen e-mail van 15 maart 2018 om 10:54 uur voorkomt.
  • Over
22.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat deze beroepsgrond niet kan leiden tot vernietiging van het herstelbesluit. Hij voert het volgende aan over de door eiseres genoemde documentnummers:
  • Documentnummer 264is volledig beoordeeld. De minister verwijst in dit kader naar
    documentnummers 200 en 27.
  • Inzake
  • Documentnummer 313betreft hetzelfde e-mailbericht als
    documentnummer 44. De verzender, de geadresseerden en de inhoud van de e-mails komen overeen.
  • Inzake
23. Na kennisneming van de gelakte en ongelakte versies van de documentnummers die eiseres noemt, is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat die documentnummers zijn beoordeeld en hoe die zijn beoordeeld. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe het volgende:
  • Documentnummer 264is volledig door de minister beoordeeld. In de gelakte versie van dat documentnummer is aangegeven dat grote delen van dat documentnummer reeds zijn beoordeeld in ID 84836251. Dat is het ID-nummer van
    documentnummer 200. De gelakte e-mailteksten in documentnummer 264 zijn gelijk aan documentnummer 200.
  • Documentnummer 200is volledig door de minister beoordeeld. In de gelakte versie van dat documentnummer is aangegeven dat een groot deel van dat documentnummer reeds is beoordeeld in ID 84836041. Dat is het ID-nummer van
    documentnummer 27. De gelakte e-mailteksten in documentnummer 200 zijn gelijk aan documentnummer 27.
  • Documentnummer 268is volledig beoordeeld door de minister. In de gelakte versie van dat documentnummer is aangegeven dat het overgrote deel van dat documentnummer reeds is beoordeeld in ID 84836275. Dat is het ID-nummer van
    documentnummer 222. De ongelakte e-mailteksten in documentnummer 268 zijn niet gelijk aan documentnummer 222. Zoals eiseres terecht aanvoert, komt in documentnummer 222 geen e-mail van 14 februari 2018 voor. Documentnummer 222 bevat e-mails van een andere datum in februari 2018. De rechtbank stelt vast dat de ongelakte e-mailteksten in documentnummer 268 wel gelijk zijn aan documentnummer 318. Laatstgenoemd documentnummer is beoordeeld door de minister en gedeeltelijk openbaar gemaakt.
  • Documentnummer 313is volledig door de minister beoordeeld. In de gelakte versie van dat documentnummer is aangegeven dat een groot deel van dat documentnummer reeds is beoordeeld in ID 84836062. Dat is het ID-nummer van
    documentnummer 44. De gelakte e-mailtekst in documentnummer 313 is gelijk aan een deel van de e-mailteksten in documentnummer 44, namelijk delen van teksten van e-mailberichten verzonden op 15 maart 2018 om 11:54 uur en verzonden op 14 maart 2018 om 11:58 uur. De minister heeft die e-mailteksten via documentnummer 44 grotendeels openbaar gemaakt. Dat boven documentnummer 313 een ander verzendmoment staat, maakt het voorgaande niet anders.
  • Documentnummer 111ais volledig beoordeeld door de minister. Dat documentnummer is getiteld ‘QA’s Jehova’s AO zeden mei 2018 back up.docx’ en is een bijlage bij
    documentnummer 111. Dat is ook de documenttitel van
    documentnummer 108. Laatstgenoemd documentnummer is door de minister beoordeeld. Gemotiveerd is waarom dat documentnummer in het geheel niet openbaar is gemaakt. Documentnummer 111a is dus een duplicaat van documentnummer 108. Dat op de inventarisatielijst bij documentnummer 111a een afwijkend ID-nummer is genoemd, maakt het voorgaande niet anders.
Mocht de minister verwijzen naar het besluit van 18 mei 2020 in zaaknummerLEE 20/3662?
24. Eiseres betoogt dat de minister voor de beoordeling van (gedeeltes van) documenten die niet openbaar zijn, ten onrechte verwijst naar het besluit van 18 mei 2020 zoals dat is genomen in zaaknummer LEE 20/3662. Volgens eiseres dient de minister over die (gedeeltes van) documenten in de onderhavige zaak ook een eigenstandige beoordeling en belangenafweging te maken. Een enkele verwijzing naar de zienswijze van het WODC, zonder nadere motivering, is zeker gezien het tijdsverloop daartoe onvoldoende, aldus eiseres.
24.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat uit de zienswijze van het WODC blijkt dat hij de documenten eigenstandig heeft beoordeeld. Hij heeft geen aanleiding gezien om af te wijken van het besluit van 18 mei 2020 en het daaropvolgende besluit op bezwaar van
27 oktober 2020. De omstandigheid dat hij niet van die besluiten afwijkt, brengt niet met zich dat deze documenten niet zijn beoordeeld, aldus de minister.
25. De rechtbank volgt dit betoog van eiseres niet. In het primaire besluit van 16 juni 2021 heeft de minister uitgebreid gemotiveerd hoe hij documenten heeft beoordeeld en waarom hij bepaalde (gedeeltes van) documenten niet openbaar heeft gemaakt. In het herstelbesluit heeft de minister die motivering aangevuld. Voldoende duidelijk is dat de minister bij die beoordeling heeft betrokken dat een deel van de documenten die onder de reikwijdte van het onderhavige informatieverzoek valt, overlapt met documenten die in het besluit van 18 mei 2020 door het WODC zijn beoordeeld. Die overlap betreft bijvoorbeeld documenten van en aan de universiteit en documenten van en aan de Stichting. Voldoende kenbaar is dat de minister die overlappende documenten heeft beoordeeld, maar daarover niet tot een andere conclusie is gekomen dan eerder door het WODC is getrokken in het besluit van 18 mei 2020. Van het ontbreken van een eigenstandige beoordeling en afweging van die documenten door de minister is geen sprake geweest. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de minister openbaarmaking weigeren wegens onevenredige benadeling?
26. Eiseres betoogt dat de minister in het bestreden besluit op bezwaar niet inzichtelijk maakt dat er sprake is van een concreet en actueel nadeel als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. [13] Er is geen daadwerkelijk, gemotiveerd en onderbouwd nadeel door de minister aangetoond door te stellen dat openbaarmaking van standpunten er toe zou kunnen leiden dat betrokkenen en de Stichting zich in de toekomst minder vrij zullen uiten en terughoudender zullen zijn in het delen van opvattingen in het openbaar. Het enkel noemen van een toekomstig juridische procedure en het feit dat openbaarmaking van
documentnummers 4929-4930, 5019-5021, 5022-5023, 5107-5109, 5110-5111, 5114-5115, 5129, 5132, 5149-5150, 5765-5778 en 5819-5820de procespositie van de Staat kan schaden, maken niet dat gegeven is dat sprake is van een onevenredig nadeel, aldus eiseres.
26.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat hetgeen in beroep is aangevoerd, een dusdanige herhaling is van hetgeen in bezwaar is aangevoerd dat volstaan kan worden met een verwijzing naar het bestreden besluit op bezwaar. Verder is er geen sprake van een toekomstig juridische procedure zoals eiseres stelt, aangezien er al sinds 2020 geprocedeerd wordt over het universiteitsonderzoek en (de totstandkoming van) het rapport, aldus de minister.
27. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak volgt dat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob – zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling [14] – de meest algemene uitzonderingsgrond is die kan worden toegepast als door het verstrekken van informatie andere belangen dan de in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, genoemde belangen te zeer worden geschaad. Deze bepaling voorziet daarmee in de behoefte om de Wob te kunnen toepassen in zeer verschillende, niet voorspelbare situaties. Het karakter van deze bepaling brengt mee dat onder bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden ook publiekrechtelijke lichamen worden begrepen. [15]
27.1.
Na kennisneming van de ongelakte documentnummers die eiseres noemt en andere ongelakte documentnummers, is de rechtbank van oordeel dat de minister de verschillende documentonderdelen op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob heeft mogen weigeren. In het bestreden besluit op bezwaar heeft de minister voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom openbaarmaking daarvan leidt tot onevenredige benadeling van zijn ministerie, andere instanties, de Stichting en de Staat. Anders dan eiseres betoogt, is dat nadeel voldoende concreet en actueel. Wat de specifiek door eiseres genoemde documentnummers betreft, heeft de minister mogen wijzen op juridische procedures die worden gevoerd over het universiteitsonderzoek en het rapport en de onevenredig nadelige invloed die openbaarmaking van die documenten daarop zou kunnen hebben. Die documentonderdelen zien op (voorbereidingen op) die procedures. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister het openbaar maken van informatie kunnen weigeren omdat sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen?
28. Eiseres betoogt dat in het bestreden besluit op bezwaar een draagkrachtige motivering ontbreekt ten aanzien van integraal geweigerde documenten. Als voorbeeld wijst eiseres op
documentnummers 0279-0284. Volgens haar kan zij niet beoordelen of de conclusie van de minister juist is dat na toepassing van de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob en artikel 11, eerste lid, van de Wob slechts standaardgegevens overblijven die geen zelfstandige betekenis hebben. Voorts betoogt eiseres dat de toepassing van artikel 11, tweede lid, van de Wob in het bestreden besluit op bezwaar niet dan wel onvoldoende (kenbaar) is gemotiveerd. Documenten dienen per zelfstandig onderdeel te worden beoordeeld in het licht van de weigeringsgronden van de Wob, waarbij integrale weigering dan de uitzondering is. [16] Met het bestreden besluit op bezwaar is zonder nadere toelichting onaannemelijk dat de opstellers van documenten geen enkele keer feitelijkheden hebben ingebracht. Ter illustratie wijst eiseres op
documentnummers 5787-5790, 5791-5792, 5793-5799, 5800-5803 en 5804-5807. Uit de rechtspraak en het beleid op Rijksniveau volgt dat toepassing van dat artikellid en dus het in niet tot personen herleidbare vorm openbaar maken van persoonlijke beleidsopvattingen het uitgangspunt is. [17] Met de inwerkingtreding van de Woo is de definitie van persoonlijke beleidsopvattingen ingeperkt ten opzichte van de definitie onder de Wob. Het door de minister gemaakte onderscheid tussen ‘intern beraad’ en ‘de kern van het intern beraad’ volgt niet uit de wet of rechtspraak. Evenmin volgen daaruit dat sprake kan zijn van ‘uitsluitend strikt persoonlijke kwalificaties van bepaalde situaties of gegevens’, zoals door de minister benoemd. Daarnaast voert eiseres aan dat zij niet het standpunt van de minister kan beoordelen dat openbaarmaking van een aantal persoonlijke beleidsopvattingen in
documentnummers 4779, 4897-4899, 5031-5033, 5105 en 5761-5762niet mogelijk is in niet tot personen herleidbare vorm. Verder betoogt eiseres dat zij de minister niet kan volgen over het standpunt omtrent het niet openbaar maken van conceptversies. Openbaarmaking van die conceptversies maakt juist het proces van het komen tot de uiteindelijke bestuursvoering inzichtelijk. Volgens eiseres wordt daarmee het doel van de Wob van het behartigen van het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering, optimaal gediend. Dat inzicht in de totstandkoming van besluitvorming maakt dat goed gereconstrueerd en gecontroleerd kan worden hoe tot bepaalde besluitvorming is gekomen, aldus eiseres. [18]
28.1.
De minister voert aan dat hij geen aanleiding heeft gezien om de persoonlijke beleidsopvattingen in niet geanonimiseerde vorm openbaar te maken, omdat hij het niet in het belang acht van een goede en democratische bestuursvoering indien standpunten en voorstellen van ambtenaren in de ambtelijke voorbereidingsfase zelfstandig worden betrokken in de publieke discussie. Doel is te voorkomen dat er een recht ontstaat op het verkrijgen van brokstukken onrijpe of eenzijdige informatie. Uit het primaire besluit, de inventarislijst en de (deels) openbaar gemaakte documenten volgt dat per document of onderdeel van een document is beoordeeld of sprake is van de toepasselijkheid van een uitzonderingsgrond. Volgens de minister geldt voor de integraal geweigerde documenten dat hij deze ook op passageniveau heeft beoordeeld. Per categorie documenten is aangegeven waarom deze integraal zijn geweigerd. Daarbij acht de minister van belang dat het steeds om gelijksoortige documenten gaat. Ten aanzien van
documentnummers 5787-5790, 5791-5792, 5793-5799, 5800-5803 en 5804-5807geldt dat conceptversies nog niet rijp zijn. In de fase waarin het definitieve document nog vorm moet krijgen, moet er ruimte zijn om conceptteksten en gedachten met elkaar uit te wisselen. In het bestreden besluit op bezwaar is toegelicht dat conceptversies zijn aangemerkt als een voorstel over hoe de definitieve versie van de documenten zou moeten luiden. Voor zover deze concepten afwijken van de definitieve versies van deze documenten heeft de minister geconcludeerd dat deze bestaan uit persoonlijke beleidsopvattingen. Voor zover deze concepten feitelijkheden bevatten, gaat het om feiten die zodanig zijn verweven met persoonlijke beleidsopvattingen dat het niet mogelijk is deze van elkaar te scheiden. Voor zover de concepten overeenkomen met de eindversies ziet de minister geen aanleiding deze informatie nogmaals openbaar te maken. De feitelijke gegevens in
documentnummers 5787-5790, 5791-5792, 5793-5799, 5800-5803 en 5804-5807zijn reeds openbaar in het definitieve document, dat bekend is als
documentnummers 5708-5723 en 5517-5523. Omdat de definitieve versies van documenten reeds openbaar zijn, komt in de belangenafweging een gering gewicht toe aan het algemeen belang van openbaarmaking, aldus de minister.
29. In reactie op het herstelbesluit betoogt eiseres dat de minister zonder een concreet op de inhoud van
98 documententoegesneden motivering heeft geweigerd om die conceptdocumenten openbaar te maken. Ook voor die documenten dient een beoordeling per zelfstandig onderdeel te worden gemaakt. Het geven van de status ‘concept’ aan een document is geen in hoofdstuk 5 van de Woo erkende uitzonderingsgrond. Daarnaast voert eiseres aan dat beleidsalternatieven niet onder de definitie van persoonlijke beleidsopvattingen kunnen worden geschaard. Met de motivering door de minister lijkt het erop dat intern aangedragen beleidsalternatieven nu wel op die grond worden geweigerd.
Volgens eiseres biedt de bevoegdheid van de minister om in niet tot personen herleidbare vorm persoonlijke beleidsopvattingen openbaar te maken, juist de mogelijkheid om informatie over persoonlijke beleidsopvattingen openbaar te maken en tegelijk de deelnemers aan intern beraad te beschermen. De minister maakt niet duidelijk waarom na het weglakken van tot individuele ambtenaren herleidbare gegevens, het voeren van intern beraad belemmerd wordt wanneer de concepten openbaar zouden worden gemaakt. Dit temeer nu die concepten ouder dan vijf jaar zijn. De minister had op grond van artikel 5.3 van de Woo moeten motiveren waarom, ondanks het tijdsverloop, het belang van artikel 5.2 van de Woo alsnog zwaarder weegt dan het zwaarwegende belang van openbaarmaking. De minister heeft het tijdsverloop niet betrokken, aldus eiseres.
29.1.
De minister voert aan dat het de bedoeling van de wetgever is dat vaker dan voorheen op grond van artikel 11, tweede lid, van de Wob werd gedaan, toepassing wordt gegeven aan artikel 5.2, tweede lid, van de Woo. Dit brengt echter niet met zich dat in de regel sprake zou moeten zijn van openbaarmaking van persoonlijke beleidsopvattingen als het mogelijk is persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot personen herleidbare vorm openbaar te maken. Niet alleen de tekst van de wet neemt dat niet tot uitgangspunt, maar ook wordt in de memorie van toelichting benadrukt dat het bestaande regime (van artikel 11 van Pro de Wob) ten principale en op hoofdlijnen wordt gecontinueerd. [19] Van toepassing van artikel 5.2, tweede lid, van de Woo kan dus worden afgezien, ook al zou het mogelijk zijn persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot personen herleidbare vorm openbaar te maken. Zoals in het herstelbesluit is toegelicht, zijn de conceptversies aangemerkt als een voorstel over hoe de definitieve versie van de documenten zou moeten luiden. De minister herhaalt in dit kader zijn standpunt over verwevenheid van feiten met persoonlijke beleidsopvattingen en dat het niet mogelijk is deze van elkaar te scheiden. Voor zover de concepten overeenkomen met de eindversies ziet de minister geen aanleiding deze informatie nogmaals openbaar te maken. Hij merkt daarbij op dat het hier voornamelijk gaat om minimale verschillen zoals suggesties voor alternatieve zinsformuleringen, taalkundige wijzigingen dan wel wijzigingen in de opbouw. [20] De minister heeft het niet in het kader van een goede democratische bestuursvoering geacht om de concepten openbaar te maken. Omdat het definitieve document openbaar is, komt in de belangenafweging een gering gewicht toe aan het algemene belang van openbaarmaking. Daarom heeft de minister een groter gewicht toegekend aan het belang van heldere en eenduidige overheidscommunicatie, alsmede de mogelijkheid om in vertrouwelijkheid van gedachten te kunnen wisselen om tot een goed eindproduct te komen. Dit geldt temeer nu de minimale verschillen geen inzicht geven in het besluitvormingsproces. Dat de documenten ouder zijn dan vijf jaar, doet daar naar de visie van de minister niet aan af. De belangen als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Woo en artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo wegen ondanks het tijdsverloop zwaarder dan het algemeen belang van openbaarheid. De minister merkt daarbij op dat dit onderwerp nog altijd actueel is en dat er momenteel vervolgonderzoek door het WODC wordt gedaan.
30. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit op bezwaar voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het openbaar maken van een deel van de informatie is geweigerd omdat sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zij overweegt daartoe het volgende.
30.1.
De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak volgt dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11 van Pro de Wob [21] volgt dat het interne karakter van een stuk wordt bepaald door het oogmerk waarmee dit is opgesteld. Degene die het document heeft opgesteld moet de bedoeling hebben gehad dat dit zou dienen voor hemzelf of voor het gebruik door anderen binnen de overheid. Ook financiële stukken kunnen bestemd zijn voor intern beraad, als zij zijn opgesteld met het oog op een door de overheid te nemen besluit. Aan een beraad ontvalt het interne karakter wanneer daaraan het karakter van advisering of gestructureerd overleg moet worden toegekend en indien daarbij een externe is betrokken die een eigen belang behartigt dat als zodanig bij het beraad een rol speelt. Hij adviseert in dat geval niet, of niet uitsluitend, in het belang van het bestuursorgaan dat hem om advies vraagt, maar zijn inbreng wordt (mede) ingegeven door een eigen belang bij de uitkomst van het beraad. Documenten van externe derden, die zijn opgesteld met het oog op intern beraad, kunnen slechts onder intern beraad vallen in het geval dat de derde geen ander belang heeft dan het bestuursorgaan vanuit de eigen ervaring en deskundigheid een opvatting te geven over een bestuurlijke aangelegenheid. [22] Voorts volgt uit vaste rechtspraak dat met de in artikel 11, eerste lid, neergelegde beperking ten aanzien van persoonlijke beleidsopvattingen in documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad, de wetgever heeft beoogd "dat ambtenaren de vrijheid dienen te hebben ongehinderd hun bijdrage te leveren aan de beleidsvoorbereiding of -uitvoering, en daarover te studeren, te brainstormen, anderszins te overleggen, nota's te schrijven etc. Zij moeten […] in alle openhartigheid onderling functioneel kunnen communiceren". [23] Onder persoonlijke beleidsopvatting wordt verstaan een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van een of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten. Feitelijke gegevens zijn geen persoonlijke beleidsopvattingen en kunnen derhalve in beginsel niet krachtens artikel 11, eerste lid, worden geweigerd. Feitelijke gegevens kunnen wel zodanig met die opvattingen zijn verweven dat het niet mogelijk is deze te scheiden. In dat geval kunnen ook die feitelijke gegevens met een beroep op dit artikel worden geweigerd. Een bestuursorgaan dient per zelfstandig onderdeel van een document voor intern beraad met informatie over een bepaalde bestuurlijke aangelegenheid, zoals alinea’s, te bezien of dit zelfstandig onderdeel persoonlijke beleidsopvattingen bevat en, wanneer in de opvattingen informatie van feitelijke aard is opgenomen, of de persoonlijke beleidsopvattingen zodanig met deze feitelijke gegevens zijn verweven dat deze niet zijn te scheiden. In geval van verwevenheid mag in beginsel het betrokken onderdeel van het document worden geweigerd op grond van artikel 11 van Pro de Wob. Een bestuursorgaan hoeft niet binnen een zelfstandig onderdeel van een document per zin of zinsdeel te bepalen of verwevenheid een weigering kan rechtvaardigen. [24] Deze rechtspraak is voortgezet na inwerkingtreding van de Woo. [25]
30.2.
De rechtbank heeft op grond van artikel 8:29 van Pro de Awb kennisgenomen van de gelakte en ongelakte documenten die eiseres in haar beroepsgronden noemt en waarop het bestreden besluit op bezwaar betrekking heeft. Over die documenten overweegt zij het volgende:

Documentnummers 0279-0284: dit zijn notulen van de begeleidingscommissie van een commissiebijeenkomst in 2019. Die notulen dienen de beleidsvoorbereiding of
-uitvoering en zijn daarmee als geheel persoonlijke beleidsopvattingen.
  • Documentnummer 4779: dit is een e-mailbericht van 16 december 2019 om 15:18 uur, waarin diverse documentonderdelen zijn gelakt onder verwijzing naar
    artikel 11, eerste lid, van de Wob. Die gelakte documentonderdelen dienen de beleidsvoorbereiding of -uitvoering en zijn daarmee persoonlijke beleidsopvattingen. Aangezien in die documentonderdelen namen van ambtenaren zijn genoemd, is redelijkerwijs geweigerd om die gelakte documentonderdelen in niet tot personen herleidbare vorm openbaar te maken.
  • Documentnummers 4897-4899: dit zijn twee e-mailberichten van 14 januari 2020 om 17:33 uur en 17 januari 2020 om 17:30 uur. Diverse gelakte documentonderdelen in deze e-mails dienen de beleidsvoorbereiding of -uitvoering en zijn daarmee persoonlijke beleidsopvattingen. Aangezien de namen en functies van de desbetreffende ambtenaren al openbaar zijn gemaakt, is redelijkerwijs geweigerd om die gelakte documentonderdelen in niet tot personen herleidbare vorm openbaar te maken.
  • Documentnummers 5031-5033: dit zijn twee e-mailberichten van 22 januari 2020 om 00:20 uur en 22 januari 2020 om 09:17 uur, als reacties op
    documentnummers 4897-4899. Diverse gelakte documentonderdelen in documentnummers 5031-5033 dienen de beleidsvoorbereiding of -uitvoering en zijn daarmee persoonlijke beleidsopvattingen. Aangezien de namen en functies van de desbetreffende ambtenaren al openbaar zijn gemaakt, is redelijkerwijs geweigerd om die gelakte documentonderdelen in niet tot personen herleidbare vorm openbaar te maken.
  • Documentnummer 5105: dit is een e-mailbericht van 14 februari 2020 om 15:12 uur, waarin diverse documentonderdelen zijn gelakt onder verwijzing naar
    artikel 11, eerste lid, van de Wob. Die gelakte documentonderdelen dienen de beleidsvoorbereiding of -uitvoering en zijn daarmee persoonlijke beleidsopvattingen. Aangezien de namen en functies van de desbetreffende ambtenaren al openbaar zijn gemaakt, is redelijkerwijs geweigerd om die gelakte documentonderdelen in niet tot personen herleidbare vorm openbaar te maken.
  • Documentnummers 5761-5762: dit gaat om een e-mailbericht van 12 november 2020 om 12:42 uur, waarin enkele zinnen zijn gelakt onder verwijzing naar artikel 11, eerste lid, van de Wob. Die gelakte documentonderdelen dienen de beleidsvoorbereiding of -uitvoering en zijn daarmee persoonlijke beleidsopvattingen. Aangezien in die documentonderdelen namen van ambtenaren zijn genoemd, is redelijkerwijs geweigerd om die gelakte documentonderdelen in niet tot personen herleidbare vorm openbaar te maken.
  • Documentnummers 5787-5790, documentnummers 5800-5803 en documentnummers 5804-5807: dit zijn verschillende versies van een nota van 16 oktober 2020 aan de minister, met betrekking tot een mogelijke meldplicht. Die nota dient de beleidsvoorbereiding of -uitvoering en bevat daarmee persoonlijke beleidsopvattingen. Die beleidsopvattingen zijn zodanig met de in die documentnummers opgenomen feitelijke gegevens verweven dat deze niet zijn te scheiden. Daar komt bij dat die notatekst deels openbaar is gemaakt in
    documentnummers 5710-5715.
  • Documentnummers 5791-5792: dit is een nota van 2 oktober 2020 aan de minister, met betrekking tot een mogelijke meldplicht. Die nota dient de beleidsvoorbereiding of -uitvoering en bevat daarmee persoonlijke beleidsopvattingen. Die beleidsopvattingen zijn zodanig met de in die documentnummers opgenomen feitelijke gegevens verweven dat deze niet zijn te scheiden.
  • Documentnummers 5793-5799: dit is een memo van 29 juli 2020 met betrekking tot de stand van zaken over een meldplicht. Dit memo dient de beleidsvoorbereiding of -uitvoering en bevat daarmee persoonlijke beleidsopvattingen. Die beleidsopvattingen zijn zodanig met de in die documentnummers opgenomen feitelijke gegevens verweven dat deze niet zijn te scheiden. Daar komt bij dat dit memo deels openbaar is gemaakt in
    documentnummers 5517-5523.
31. De rechtbank heeft voorts op grond van artikel 8:29 van Pro de Awb kennisgenomen van de gelakte en ongelakte 98 conceptdocumenten die eiseres in haar beroepsgronden aanhaalt en waarop het herstelbesluit betrekking heeft. Gelet op de omvang van die documenten en het feit dat eiseres in haar betoog over het herstelbesluit geen specifieke documentnummers noemt, heeft de rechtbank steekproefsgewijs documentnummers bekeken en de motivering van de minister langs de lat gelegd die in de vaste rechtspraak wordt genoemd. Concreet heeft de rechtbank in die steekproef
documentnummers 15, 19, 26, 31, 42, 45, 51, 61, 72, 80, 89, 101, 115, 124, 134, 141, 164, 170, 197, 204, 229, 245, 266, 284, 314 en 326betrokken.
31.1.
De rechtbank komt op basis van de steekproef tot het oordeel dat de door eiseres genoemde 98 documenten op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad en dat daarin persoonlijke beleidsopvattingen zijn opgenomen. Voldoende duidelijk is dat verschillende e-mailberichten, met conceptteksten voor beleidsstukken, per zelfstandig onderdeel zijn beoordeeld. Van die e-mailberichten is een groot deel door de minister openbaar gemaakt. Voor zover toepassing is gegeven aan bovengenoemde weigeringsgrond is dat per documentonderdeel op de e-mailberichten aangegeven. De geweigerde documentonderdelen bevatten ambtelijke adviezen, visies, standpunten en/of overwegingen ten behoeve van intern beraad. Dit laatste is ook het geval voor zover conceptdocumenten integraal zijn geweigerd op die weigeringsgrond. De minister heeft met de verwijzingen naar ID-nummers op de inventarisatielijst bij het herstelbesluit, voldoende inzichtelijk gemaakt welke documentnummers conceptversies van openbaargemaakte documenten zijn. Vele conceptdocumenten wijken maar zeer minimaal af van de definitieve, openbaargemaakte documenten. Het betreft dan vooral opmaakverschillen en kleine tekstuele verschillen. Voorts is in de onderzochte documenten ook sprake van verwevenheid van feiten met persoonlijke beleidsopvattingen. De minister heeft daadwerkelijk enkel de persoonlijke beleidsopvattingen en de daarmee onlosmakelijk verweven informatie weggelakt. Anders dan eiseres betoogt, is van integrale weigering van beleidsalternatieven in dit geval geen sprake geweest. Tot slot valt op dat de minister een deel van de 98 documenten niet openbaar heeft gemaakt, omdat die documenten buiten de reikwijdte van het informatieverzoek van eiseres vallen.
31.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende inzichtelijk heeft gemaakt en voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom openbaarmaking van de door eiseres genoemde informatie over persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot personen herleidbare vorm, het kunnen voeren van intern beraad onevenredig schaadt. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft de minister in zijn afweging een gering gewicht mogen toekennen aan het algemene belang van openbaarmaking en juist een groter gewicht mogen toekennen aan het belang van heldere en eenduidige overheidscommunicatie, alsmede de mogelijkheid om in vertrouwelijkheid van gedachten te kunnen wisselen om tot een goed eindproduct te komen. Daarbij heeft de minister onder meer acht mogen slaan op de minimale verschillen tussen de conceptdocumenten en de definitieve, openbaargemaakte documenten. Voldoende aannemelijk is dat openbaarmaking van die verschillen geen aanvullend inzicht in het besluitvormingsproces geeft. Dat het merendeel van de documenten thans ouder is dan vijf jaar, doet aan het bovenstaande niet af. Van belang is daarbij dat (de totstandkoming van) het rapport nog steeds actueel is, gelet op de aandacht die het universiteitsonderzoek blijft genereren en gelet op vervolgonderzoek door het WODC.
Heeft de minister het openbaar maken van functienamen kunnen weigeren ter eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer?
32. Eiseres betoogt dat uit het herstelbesluit volgt dat de functienamen van ambtenaren niet meer openbaar worden gemaakt. Volgens haar overtuigt de motivering hiervan allerminst. De algemene motivering volstaat niet om elke functietitel in de documenten die onder de reikwijdte van het herstelbesluit vallen, weg te lakken. Volgens eiseres valt niet in te zien dat toegenomen transparantie ertoe noopt categorisch te weigeren functietitels openbaar te maken. De vraag of een ambtenaar op basis van indirecte gegevens (zoals een functietitel) kan worden geïdentificeerd is casuïstisch en hangt af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. De door de minister gegeven motivering in het herstelbesluit is niet toegesneden op de concrete feiten en omstandigheden van het geval. De minister moet per functietitel beoordelen of deze herleidbaar is tot een individuele ambtenaar en vervolgens motiveren of de bescherming van diens persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid, aldus eiseres.
32.1.
De minister voert aan dat hij in het herstelbesluit heeft aangegeven dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo door de toegenomen transparantie over overheidshandelen anders wordt toegepast. Op grond van artikel 5.2, tweede lid, van de Woo worden persoonlijke beleidsopvattingen geanonimiseerd openbaar gemaakt. Dit wordt gedaan om de privacy van de betrokken ambtenaren te beschermen. Zoals blijkt uit het herstelbesluit, zijn niet alle functienamen onleesbaar gemaakt. De weigeringsgrond is alleen van toepassing geacht op de functienamen die herleidbaar zijn naar personen. De minister merkt op dat deze personen niet vanuit hun functie in de openbaarheid treden. De functienamen zijn daarom niet, in tegenstelling tot wat door eiseres wordt gesteld, categorisch geweigerd. De minister stelt zich daarom op het standpunt dat het belang van bescherming van privacy van de betrokken ambtenaren zwaarder moet wegen dan het belang van openbaarheid.
33. De rechtbank volgt dit betoog van eiseres niet. Van belang is dat, anders dan eiseres stelt, in verschillende documenten die met het herstelbesluit openbaar zijn gemaakt, functienamen van ambtenaren zijn opgenomen. Van het categorisch weigeren van openbaarmaking van functienamen is in dit geval dus geen sprake. Ook is van belang dat de minister in het herstelbesluit heeft uitgelegd dat persoonsgegevens zoals functienamen per documentpassage zijn beoordeeld. Dit volgt ook uit de gelakte en ongelakte versies van de documentnummers behorende bij het herstelbesluit. Verder is van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat de ambtenaren van wie de functienamen zijn gelakt, niet vanuit hun functie in de openbaarheid treden. De minister heeft in het herstelbesluit uitgelegd waarom in dit geval de bescherming van privacy vanuit goed werkgeverschap zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid van functienamen. Die motivering is voldoende toegesneden op de concrete feiten en omstandigheden van dit geval. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister het openbaar maken van bepaalde informatie kunnen weigeren ten behoeve van het goed functioneren?
34. Eiseres betoogt dat de wijze waarop de minister de uitzonderingsgrond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo heeft toegepast ten aanzien van conceptdocumenten en correspondentie met derden, onjuist en onvoldoende gemotiveerd is.
Over de
conceptdocumentenvoert eiseres aan dat de minister deze relatieve uitzonderingsgrond ten onrechte op absolute wijze heeft toegepast. De minister heeft een algemene motivering gebruikt die niet ziet op de concrete inhoud van de documenten. Volgens eiseres had de minister concreet moeten motiveren waarom openbaarmaking van documenten en documentonderdelen in kwestie het goed functioneren van de overheid in het geding brengt. De motivering dat het onwenselijk zou zijn dat er meerdere versies van een document in omloop zijn, ziet op de aard of status van het document. Documenten dienen per alinea op hun concrete inhoud te worden beoordeeld. Documenten categorisch weigeren openbaar te maken vanwege de aard of status van het document acht eiseres in strijd met de Woo. [26] Waar een conceptversie afwijkt van de definitieve en openbare versie van een document, kan volgens haar artikel 2.4 van de Woo worden toegepast. Die bepaling verplicht de minister om in het besluit te vermelden dat informatie onjuist of onvolledig is. Die verplichting staat haaks op de redenering van de minister dat het schadelijk zou zijn als documenten openbaar worden gemaakt die nog niet rijp zijn voor besluitvorming. Volgens eiseres komt het de besluitvorming en democratische controle juist ten goede wanneer concepten openbaar worden gemaakt. Dit sluit aan bij het algemeen belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische samenleving zoals geformuleerd in artikel 2.5 van de Woo. [27] Over de
correspondentie met derden– meer specifiek, correspondentie met de Stichting – voert eiseres aan dat informatie is geweigerd vanwege de aard of status van het document en vanwege het onderwerp, niet vanwege de inhoud van de informatie zelf. Volgens eiseres is dit een verkeerde toepassing van de uitzonderingsgrond. [28] De stelling van de minister dat openbaarmaking van de correspondentie ertoe zou kunnen leiden dat slachtofferorganisaties terughoudend zullen zijn om opvattingen te delen die waardevol kunnen blijken voor de ontwikkeling van beleid met betrekking tot slachtoffers van seksueel misbruik, is een te algemene motivering. Beoordeeld en toegelicht moet worden waarom openbaarmaking van (onderdelen van) documenten het goed functioneren van de overheid belemmeren. De minister onderbouwt niet nader dat organisaties terughoudend zullen worden om opvattingen te delen. Volgens eiseres valt niet in te zien hoe openbaarmaking van de gevraagde informatie het goed functioneren van de overheid belemmert, omdat het onderzoek in 2019 is afgerond.
34.1.
De minister voert over
conceptdocumentenaan dat hij in het herstelbesluit heeft toegelicht waarom het goed functioneren van de Staat in het geding komt, indien de concepten die binnen de reikwijdte van het verzoek vallen openbaar zouden worden gemaakt. Aangegeven is dat concepten naar hun aard nog niet rijp zijn en in vertrouwen moeten kunnen worden uitgewisseld en dat het schadelijk is voor het goed functioneren van de overheid als publiek debat ontstaat aan de hand van documenten die nog niet af zijn. Er mag geen onduidelijkheid bestaan over hetgeen een bestuursorgaan voor zijn rekening heeft genomen. Daarvoor is noodzakelijk dat van documenten maar één versie in het publieke domein in omloop is. De minister verwijst in dit kader naar de wetsgeschiedenis bij de Woo. [29] De door eiseres genoemde uitspraken laten zien dat artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo in verschillende situaties kan worden toegepast. Het komt er op aan of door het bestuursorgaan voldoende is gemotiveerd dat door openbaarmaking het goed functioneren van de overheid in het geding komt. Er moet worden voorkomen dat ambtenaren terughoudend worden om in deze fase van de beleidsvorming of -voorbereiding hun ideeën te uiten. Daarvan zal ook sprake zijn indien concepten, nadat de besluitvorming is afgerond, openbaar worden, omdat er dan alsnog publiek debat kan ontstaan over hetgeen in de fase voorafgaand aan de besluitvorming naar voren is gebracht. Daarnaast moet voorkomen worden dat er meerdere versies van een document in omloop komen. Het gaat erom dat geen onduidelijkheid ontstaat over de inhoud van het desbetreffende document. Bovendien zou het ertoe kunnen leiden dat over elke afzonderlijke versie zelfstandig publiek debat ontstaat. Dat komt de goede en democratische bestuursvoering en het goed functioneren van de overheid niet ten goede. De minister voert verder over
correspondentie met derdenaan dat het niet zo is dat die integraal is geweigerd. Het goed functioneren van de overheid is ook in geding, indien een bestuursorgaan bij de oplossing van een probleem in overleg treedt met andere bestuursorganen of met derden. [30] De minister benadrukt dat het voor een zorgvuldig beleidsvoorbereiding noodzakelijk is dat hij zich door externe derden op de hoogte laat stellen. Het gaat hier in het bijzonder om een organisatie, namelijk de Stichting, die streeft naar bewustwording over de omgang met klachten rond seksueel misbruik binnen religieuze gemeenschappen. Indien vertrouwelijkheid niet kan worden gewaarborgd, zullen derden zich terughoudender opstellen, wat het belang van een zorgvuldige beleidsvoorbereiding kan schaden, aldus de minister.
35. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het belang van openbaarmaking van deze documenten en documentonderdelen niet opweegt tegen het belang bij het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. Zij overweegt daartoe het volgende.
35.1.
De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak volgt dat uit de tekst van
artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo, of uit de geschiedenis van de totstandkoming ervan, niet kan worden opgemaakt dat deze bepaling is bedoeld als categoriale weigeringsgrond. De systematiek van de Woo in het algemeen vergt een belangenafweging op documentniveau, waarbij de term "voor zover" in de aanhef van artikel 5.1, tweede lid, van de Woo betekent dat binnen een document moet worden beoordeeld in hoeverre de weigeringsgronden aan de orde zijn. [31]
35.2.
Na kennisneming van de gelakte en ongelakte documenten behorende bij het herstelbesluit stelt de rechtbank vast dat de minister op de documenten per alinea en op de inventarisatielijst heeft aangegeven of artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo op een document en/of op documentonderdelen is toegepast. Op de inventarisatielijst is ook aangegeven welke documentnummers conceptdocumenten zijn en wat (het ID-nummer van) de definitieve, openbaargemaakte documentversie is. Eiseres wordt daarom niet gevolgd in haar stelling dat de minister bij het toepassen van deze weigeringsgrond documenten niet per alinea op hun concrete inhoud heeft beoordeeld.
35.3.
Wat de
conceptdocumentenbetreft, heeft de minister in het herstelbesluit voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom openbaarmaking van meerdere versies van één document onwenselijk is voor het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. Anders dan eiseres betoogt, ziet die motivering niet enkel op de aard of status van die documenten. Ook de inhoud van die documenten is door de minister betrokken. Hij heeft daarbij mede betrokken wat die inhoud zou kunnen betekenen voor (onduidelijkheden in) het publieke debat. De verwijzing van eiseres naar rechtspraak van andere gerechten maakt deze feiten en omstandigheden in dit concrete geval niet anders. Gelet op de ongelakte inhoud van de conceptdocumenten in deze zaak en het onderwerp waarmee die documenten samenhangen – namelijk het onderzoek naar aanleiding van de motie – leidt de verwijzing van eiseres naar artikel 2.4 van de Woo niet tot een ander oordeel. Voldoende duidelijk is dat de conceptdocumenten in deze zaak niet zozeer onjuist of onvolledig zijn, maar onderdeel zijn (geweest) van het proces hoe de minister omging met het onderzoek naar aanleiding van de motie. Dit alles nog daargelaten het oordeel van de rechtbank dat openbaarmaking van de door eiseres genoemde conceptdocumenten kon worden geweigerd wegens daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen, zoals dat oordeel hiervoor in overwegingen 31.1. en 31.2. is weergegeven.
35.4.
Wat de
correspondentie met derdenbetreft, heeft de minister in het herstelbesluit voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom openbaarmaking van die documenten en documentonderdelen onwenselijk is voor het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. Anders dan eiseres betoogt, ziet die motivering niet enkel op de aard, de status en/of het onderwerp van die documenten en documentonderdelen. In het herstelbesluit heeft de minister specifieke documenten benoemd waarop hij de weigeringsgrond heeft toegepast, namelijk
documentnummers 14, 16, 28, 32, 249 en 291. In
documentnummers 14, 16, 32, 249 en 291heeft de minister per alinea aangegeven of de weigeringsgrond is toegepast. De weigeringsgrond is op geheel
documentnummer 28toegepast. Daarmee is voldoende aannemelijk dat de minister ook de inhoud van die documenten en documentonderdelen heeft betrokken bij zijn motivering om de weigeringsgrond toe te passen. Uit de ongelakte inhoud van die documenten en documentonderdelen volgt dat die gaan over (mogelijk) handelen van Jehovah’s Getuigen en over de invloed die dat handelen mogelijk heeft op het onderzoek naar aanleiding van de motie. Die inhoud raakt de zorgvuldige beleidsvoorbereiding, zoals door de minister in het herstelbesluit benoemd. Van een te algemene motivering in dat besluit, zoals eiseres stelt, is daarom geen sprake. De verwijzing van eiseres naar het feit dat het onderzoek in 2019 is afgerond, leidt niet tot een ander oordeel. De inhoud van de geweigerde documenten en documentonderdelen is nog steeds actueel, gelet op de aandacht die het universiteitsonderzoek blijft genereren en gelet op vervolgonderzoek door het WODC.
Is er sprake van intern beraad ten aanzien van documenten afkomstig van het universiteit, de Stichting en de begeleidingscommissie?
36. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de universiteit, de Stichting en de begeleidingscommissie geen eigen belang hebben dat bij het beraad een rol heeft gespeeld. Volgens eiseres heeft zij dit eigen belang wel concreet uiteengezet. De universiteit noch de Stichting hebben een parallel belang met dat van de minister. Volgens eiseres maken de doelstelling en de activiteiten van de Stichting alleen al dat de Stichting als belangengroepering een eigen belang heeft dat niet volledig parallel loopt met het belang van de minister. De universiteit heeft als universiteit eigen doelstellingen en ambities die niet (volledig) parallel lopen met die van de minister. Het eigen belang van de universiteit is het uitvoeren van onafhankelijk onderzoek. Het belang van de minister is niet (per se) hetzelfde, omdat de minister uiteindelijk ook een politiek belang heeft dat zich niet altijd verdraagt met het belang van de universiteit. Wat de begeleidingscommissie betreft, kan eiseres zich voorstellen dat die tot het intern beraad wordt gerekend. Zonder nadere toelichting acht zij het echter onaannemelijk dat de bijdrage van de begeleidingscommissie aan het intern beraad louter uit persoonlijke beleidsopvattingen bestaat en geen enkele feitelijkheid bevat.
36.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de universiteit en de Stichting geen eigen belang hebben dat als zodanig bij het beraad een rol heeft gespeeld. Volgens hem verricht de universiteit onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek, en is zij in dit geval een externe derde die geen ander belang heeft dan om vanuit de eigen ervaring en deskundigheid een opvatting te geven. Dit geldt volgens de minister eveneens voor de leden van de begeleidingscommissie. Over de Stichting voert de minister aan dat de Stichting vanuit een maatschappelijk belang (en een ideële doelstelling) haar mening heeft gegeven over de inhoud van de motie. De Stichting heeft het van belang geacht dat de onderzoeksvragen hierbij zouden aansluiten. Daarnaast dragen de desbetreffende e-mailberichten volgens de minister niet het karakter van advisering of gestructureerd overleg. Het gaat immers om een (mede in de tijd) beperkt aantal e-mailberichten over de opzet van een concreet onderzoek. De Stichting heeft geen eigen belang gediend, maar vanuit de eigen ervaring en deskundigheid een opvatting gegeven over de bestuurlijke aangelegenheid, te weten het uitvoeren van de motie, aldus de minister.
37. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Zij overweegt daartoe het volgende.
37.1.
De rechtbank slaat allereerst acht op de vaste rechtspraak zoals die hiervoor in overweging 30.1. is weergegeven.
37.2.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister op goede gronden heeft geconcludeerd dat documenten afkomstig van de universiteit ten behoeve van intern beraad zijn opgesteld. Deze documenten zijn opgesteld met het oog op gebruik binnen de overheid. De rechtbank volgt eiseres niet in het betoog dat de universiteit een eigen belang heeft dat als zodanig bij het beraad een rol speelt. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat het uitvoeren van een gedegen wetenschappelijk onderzoek vooropstond bij de universiteit. Dat is temeer aannemelijk gelet op de onderzoeksopdracht die het WODC aan de universiteit heeft gegeven naar aanleiding van de motie. Dat in dat verband een contractuele relatie bestond tussen het WODC, als opdrachtgever, en de universiteit, als opdrachtnemer, is onvoldoende om aan te nemen dat de inbreng van de universiteit mede is ingegeven door een eigen belang bij de uitkomst van het beraad.
37.3.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de minister op goede gronden heeft geconcludeerd dat documenten afkomstig van de Stichting ten behoeve van intern beraad zijn opgesteld. Na kennisneming van de ongelakte documenten afkomstig van de Stichting stelt de rechtbank vast dat de Stichting in die stukken opvattingen en voorstellen met het WODC en het ministerie heeft gedeeld over een bestuurlijke aangelegenheid, namelijk het onderzoek naar aanleiding van de motie. Verschillende documentonderdelen die daarop zien, zijn door de minister beoordeeld en openbaar gemaakt. Van sturing van het WODC en/of de minister door de Stichting, met het oog op een gesteld eigen belang van de Stichting, is geen sprake geweest. Uit e-mailcorrespondentie tussen de Stichting en het WODC volgt dat vanuit het WODC is aangegeven dat niet de inbreng van de Stichting, maar de inhoud van de motie aanleiding is geweest om de onderzoekaanpak in het najaar van 2018 aan te passen. Van advisering of gestructureerd overleg van de Stichting met het WODC is geen sprake geweest. De verwijzing van eiseres naar de doelstelling van de Stichting maakt dit niet anders.
37.4.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister op goede gronden heeft geconcludeerd dat documenten afkomstig van de begeleidingscommissie ten behoeve van intern beraad zijn opgesteld. Na kennisneming van de ongelakte documenten afkomstig van de begeleidingscommissie stelt de rechtbank vast dat die documenten de beleidsvoorbereiding of -uitvoering dienen en daarmee als geheel persoonlijke beleidsopvattingen betreffen. In die documenten is sprake van zodanige verwevenheid van feitelijke gegevens met persoonlijke beleidsopvattingen, dat die feitelijke gegevens niet van die beleidsopvattingen zijn te scheiden. In het bestreden besluit op bezwaar heeft de minister dit voldoende toegelicht.
Welke schadevergoeding wordt aan eiseres toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn?
38. Eiseres betoogt dat de redelijke termijn als bedoeld in het EVRM is overschreden. [32] Zij acht daarbij van belang dat zij de minister tot tweemaal toe in gebreke heeft moeten stellen, dat zij een beroepschrift wegens niet tijdig beslissen heeft moeten indienen bij de rechtbank en dat zij niet heeft ingestemd met uitstel van de beslistermijn in verband met het plannen van een hoorzitting met de Stichting.
39. De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak volgt dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij spelen in ieder geval de volgende factoren een rol: de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene. De redelijke termijn die uitgangspunt is voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties, is in dit geval vier jaar. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. [33]
39.1.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift van eiseres door de minister op 30 juli 2021. Op het moment van het doen van deze uitspraak is de redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van het bezwaar en het beroep met 32 maanden en 23 dagen overschreden.
39.2.
De overschrijding van de redelijke termijn is zowel aan de minister als aan de rechtbank toe te rekenen. De minister heeft het bestreden besluit op bezwaar genomen
op 12 april 2022. De behandeling van het bezwaar heeft daarmee ruim twee maanden te lang geduurd. Die overschrijding van bijna drie maanden is volledig aan de minister toe te rekenen. Het beroep is door de rechtbank ontvangen op 24 mei 2022. De behandeling van het beroep heeft in totaal ruim drie jaar en tien maanden geduurd. De rechtbank overweegt dat een deel van de termijnoverschrijding in de beroepsprocedure, namelijk 21 maanden, aan de minister is toe te rekenen. De minister heeft namelijk pas na afloop van de tweejaarstermijn, op 18 augustus 2023, erkend dat een herstelbesluit moet worden genomen omdat de zoekslag een onjuiste periode besloeg. Het herstelbesluit is vervolgens ruim een half jaar daarna, op 12 maart 2024, genomen. Verder heeft de minister pas op 7 oktober 2024, na meerdere verzoeken van de rechtbank, aan de rechtbank doorgegeven dat in deze zaak sprake is van meerdere belanghebbenden en wie die belanghebbenden zijn. Daarnaast heeft de minister pas op 3 april 2025, na een daartoe strekkende opdracht van de geheimhoudingskamer in de tussenbeslissing, ervoor gezorgd dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken op de juiste wijze bij de rechtbank waren ingediend. De rechtbank overweegt dat deze handelingen van de minister voor langdurige vertragingen in de beroepsprocedure hebben gezorgd, waardoor die vertragingen aan de minister zijn toe te rekenen. De resterende termijnoverschrijding is volledig aan de rechtbank toe te rekenen.
39.3.
De rechtbank gaat uit van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij de overschrijding naar boven wordt afgerond. Dit betekent dat uitgegaan wordt van een totale overschrijding van 36 maanden. Het totale schadebedrag bedraagt daarmee € 3.500,-. De rechtbank zal daarom de minister en de Staat der Nederlanden veroordelen tot betaling van dat bedrag aan eiseres als vergoeding van de geleden immateriële schade (24/36 deel te voldoen door de minister, is € 2.333,33; en 12/36 deel te voldoende door de minister namens de Staat, is € 1.166,67).

Conclusie en gevolgen

40. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit op bezwaar en het herstelbesluit gedeeltelijk in strijd zijn met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom:
  • het bestreden besluit op bezwaar voor zover de minister zich daarin op het standpunt heeft gesteld dat de zoekslag de periode van 3 juli 2018 tot en met 27 oktober 2020 beslaat en dat de periode vóór 3 juli 2018 geen onderdeel uitmaakt van het Wob-verzoek (zie overwegingen 18. en 19.);
  • het herstelbesluit voor zover de minister zich daarin op het standpunt heeft gesteld dat bepaalde gegevens niet of niet meer onder hem berusten (zie overweging 21.).
De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van die besluiten in stand te laten, of om zelf een beslissing over de openbaarmaking te nemen. Ook ziet de rechtbank geen mogelijkheid om een bestuurlijke lus toe te passen, gelet op wat hiervoor in overweging 21.4. is opgenomen.
40.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit op bezwaar moet nemen over het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit op bezwaar van 12 april 2022 en over het vernietigde gedeelte van het herstelbesluit van 12 maart 2024, met inachtneming van deze uitspraak.
40.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht van € 365,- aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag van € 934,- per proceshandeling. De gemachtigden van eiseres hebben een beroepschrift ingediend (1 punt), hebben een aanvullend beroepschrift over het herstelbesluit ingediend (1 punt), hebben een zienswijze bij de geheimhoudingskamer ingediend (0,5 punt) en hebben aan de zitting deelgenomen (1 punt). Daarnaast hebben twee bestuursleden van eiseres recht op vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Die totale reiskostenvergoeding bedraagt € 39,60 (tweemaal een retourreis met het openbaar vervoer, tweede klasse, tussen Noordbargerstraat 77 in Emmen en Guyotplein 1 in Groningen). De proceskostenvergoeding bedraagt dan in totaal € 3.308,60. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit op bezwaar van 12 april 2022 voor zover de minister zich daarin op het standpunt heeft gesteld dat de zoekslag de periode van 3 juli 2018 tot en met 27 oktober 2020 beslaat en dat de periode vóór 3 juli 2018 geen onderdeel uitmaakt van het Wob-verzoek;
- vernietigt het herstelbesluit van 12 april 2022 voor zover de minister zich daarin op het standpunt heeft gesteld dat bepaalde gegevens niet of niet meer onder hem berusten;
- draagt de minister op om een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 365,- aan eiseres moet
vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 3.308,60 aan proceskosten aan
eiseres;
- veroordeelt de minister om aan eiseres een vergoeding voor immateriële
schade van € 2.333,33 te betalen;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) om aan eiseres een vergoeding voor immateriële
schade van € 1.166,67 te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Boxum, voorzitter, en mr. L. Mulder en
mr. P.G. Wijtsma, leden, in aanwezigheid van mr.R.A. Schaapsmeerders, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.
griffier
de voorzitter is verhinderd om
de uitspraak te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)Artikel 8
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Artikel 10
1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio-omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.
Wet openbaarheid van bestuur (Wob)
Artikel 10
1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:
de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;
de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden;
bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;
persoonsgegevens betreft als bedoeld in de artikelen 9, 10 en 87 van de Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.
2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties;
b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;
c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
f. het belang, dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie;
g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden.
Artikel 11
1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.
2. Over persoonlijke beleidsopvattingen kan met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.
3. Met betrekking tot adviezen van een ambtelijke of gemengd samengestelde adviescommissie kan het verstrekken van informatie over de daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen plaatsvinden, indien het voornemen daartoe door het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat aan de leden van de adviescommissie voor de aanvang van hun werkzaamheden kenbaar is gemaakt.
4. In afwijking van het eerste lid wordt bij milieu-informatie het belang van de bescherming van de persoonlijke beleidsopvattingen afgewogen tegen het belang van openbaarmaking. Informatie over persoonlijke beleidsopvattingen kan worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Het tweede lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing.
Wet open overheid (Woo)
Artikel 2.4
1. Een bestuursorgaan draagt er zorg voor dat de documenten die het ontvangt, vervaardigt of anderszins onder zich heeft, zich in goede, geordende en toegankelijke staat bevinden.
2. Een bestuursorgaan draagt er zoveel mogelijk zorg voor dat de informatie die het overeenkomstig deze wet verstrekt, actueel, nauwkeurig en vergelijkbaar is.
3. Indien een bestuursorgaan overeenkomstig deze wet informatie openbaar maakt, geschiedt dat op zodanige wijze dat de belanghebbende en belangstellende burger zoveel mogelijk wordt bereikt en op de volgende algemeen toegankelijke wijze:
a. in een voor hergebruik beschikbare vorm die voldoet aan de voorwaarden van de Wet hergebruik van overheidsinformatie;
b. of, indien verstrekking in een machinaal leesbaar open formaat redelijkerwijs niet gevergd kan worden, in andere elektronisch doorzoekbare vorm;
c. of, indien elektronische verschaffing redelijkerwijs niet gevergd kan worden, door verstrekking van een kopie van de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken;
d. of, indien verstrekking van een kopie of de letterlijke inhoud redelijkerwijs niet gevergd kan worden, door een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, inlichtingen daaruit te verschaffen of door terinzagelegging.
4. Een bestuursorgaan is niet verantwoordelijk voor de juistheid of de volledigheid van door derden opgestelde informatie.
5. Indien het bestuursorgaan kennis draagt van de onjuistheid of onvolledigheid van de verstrekte informatie, doet het hiervan mededeling.
6. Indien het bestuursorgaan informatie verstrekt, verstrekt het zo nodig, en voor zover deze informatie voorhanden is, tevens informatie over de methoden die zijn gebruikt bij het samenstellen van de informatie.
Artikel 2.5
Bij de toepassing van deze wet wordt uitgegaan van het algemeen belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische samenleving.
Artikel 5.1
1. Het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:
De eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;
De veiligheid van de Staat zou kunnen schaden;
Bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;
Persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de openbaarmaking van deze persoonsgegevens of deze persoonsgegevens kennelijk door de betrokkene openbaar zijn gemaakt.
Nummers betreft die dienen ter identificatie van personen die bij wet of algemene maatregel van bestuur zijn voorgeschreven als bedoeld in artikel 46 van Pro de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de levenssfeer maakt.
2. Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
a. de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale
organisaties;
b. de economische of financiële belangen van de Staat, andere publiekrechtelijke
lichamen of bestuursorganen, in geval van milieu-informatie slechts voor zover de
informatie betrekking heeft op handelingen met een vertrouwelijk karakter;
c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;
d. de inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;
e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;
f. de bescherming van andere dan in het eerste lid, onderdeel c, genoemde
concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens;
g. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft;
h. de beveiliging van personen en bedrijven en het voorkomen van sabotage;
i. het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of
bestuursorganen.
3. Indien een verzoek tot openbaarmaking op een van de in het tweede lid genoemde gronden wordt afgewezen, bevat het besluit hiervoor een uitdrukkelijke motivering.
[…]
Artikel 5.2
1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Onder persoonlijke beleidsopvattingen worden verstaan ambtelijke adviezen, visies, standpunten en overwegingen ten behoeve van intern beraad, niet zijnde feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter.
2. Het bestuursorgaan kan over persoonlijke beleidsopvattingen met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie verstrekken in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.
3. Onverminderd het eerste en tweede lid wordt uit documenten opgesteld ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming door een minister, een commissaris van de Koning, Gedeputeerde Staten, een gedeputeerde, het college van burgemeester en wethouders, een burgemeester, een wethouder, het dagelijks bestuur van een waterschap of een lid van dat bestuur, informatie verstrekt over persoonlijke beleidsopvattingen in niet tot personen herleidbare vorm, tenzij het kunnen voeren van intern beraad onevenredig wordt geschaad.
[…]
Artikel 5.3
Bij een verzoek om informatie die ouder is dan vijf jaar motiveert het bestuursorgaan bij een weigering van die informatie waarom de in artikel 5.1, tweede of vijfde lid, of artikel 5.2 bedoelde belangen ondanks het tijdsverloop zwaarder wegen dan het algemeen belang van openbaarheid.
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 7:12
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2017-2018, 31015, nr. 154.
2.https://repository.wodc.nl/handle/20.500.12832/2450
3.‘Expert Opinion’ door H. Folk, M. Introvigne en J. Gordon Melton (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-920804.pdf).
4.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 1 december 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO5710) en van 28 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:910).
5.Eiseres verwijst naar het arrest van het EHRM van 8 november 2016, nr. 18030/11, ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD001803011 (Magyar Helsinki Bizottság v. Hungary).
6.De minister verwijst naar de uitspraken van de ABRvS van 12 september 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2988), van 19 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1051) en van 15 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1046).
7.Kamerstukken II 1986-1987, 19 859, nr. 3, blz. 16 e.v.
8.Zie de uitspraken van de ABRvS van 25 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2883) en van 12 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:541).
9.Eiseres verwijst in dit kader naar de uitspraken van de ABRvS van 6 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1873), van 6 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:316), van 22 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1675), van 28 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:898), van 26 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1223) en van 7 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:480).
10.Kamerstukken II 2017-2018, 34775-VI, nr. 82.
11.Zie de uitspraken van de ABRvS van 31 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:367) en van 7 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:480).
12.Zie de uitspraken van de ABRvS van 15 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1027) en van 26 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1296).
13.Eiseres verwijst naar uitspraken van meerdere rechtbanken en naar uitspraken van de ABRvS van 29 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2605), van 7 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:723) en van 2 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1158).
14.Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 36 en 37.
15.Zie onder meer de uitspraak van de ABRvS van 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1139.
16.Eiseres verwijst in dit kader naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 28 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:715), van 10 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3299), van 27 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:616) en van 29 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1154).
17.Eiseres verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:399.
18.Eiseres verwijst in dit naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 juni 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:2280.
19.Kamerstukken II, 2013/14, 33328, nr. 9, pagina’s 49 en 50.
20.De minister verwijst in dit kader naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:4383.
21.Zie Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 13.
22.Zie de uitspraken van de ABRvS van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:314) en van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2980).
23.Zie het hiervoor genoemde Kamerstuk.
24.Zie de uitspraak van de ABRvS van 21 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:848).
25.Zie de uitspraak van de ABRvS van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3870.
26.Eiseres verwijst naar diverse uitspraken van rechtbanken en naar de uitspraak van de ABRvS van 20 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4754).
27.Eiseres verwijst in dit kader naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3983.
28.Eiseres verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 juli 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:3426.
29.Kamerstukken II, 2013/14, 33328, nr. 13, pagina 21.
30.Kamerstukken II, 2019/20, 35112, nr. 9, pagina 48.
31.Zie de uitspraak van de ABRvS van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2699.
32.Eiseres verwijst onder meer naar de uitspraken van de ABRvS van 12 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2689) en van 8 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1952).
33.Zie de uitspraak van de ABRvS van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2312.