ECLI:NL:RBNNE:2026:2523

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
K/4301/11863430
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 NR 1999Art. 7 Wte 1995Art. 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995Art. 194 RvArt. 195 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige advisering en zorgplichtschending bij effectenleaseovereenkomst met Dexia

De zaak betreft een civiele procedure tussen [eiser] en Dexia Nederland B.V. over effectenleaseovereenkomsten, waarbij [eiser] stelt dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door het accepteren van een cliënt via Future & Finance, een tussenpersoon zonder vergunning die verboden advisering heeft gegeven.

De rechtbank stelt vast dat de verlengingsovereenkomst als zelfstandige overeenkomst moet worden gekwalificeerd en dat Dexia haar zorgplicht en de waarschuwingsplicht heeft geschonden. Future & Finance is zonder vergunning opgetreden als beleggingsadviseur, wat Dexia wist of behoorde te weten. Dexia had moeten weigeren de overeenkomst aan te gaan.

De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] grotendeels toe, waaronder volledige schadevergoeding voor de inleg bij de eerste overeenkomst minus genoten voordelen, vergoeding van twee derde van de restschuld van de verlengingsovereenkomst, en verwijdering van BKR-registratie. Dexia wordt veroordeeld in de proceskosten en nakosten. De vorderingen van Dexia in reconventie worden afgewezen en Dexia wordt niet-ontvankelijk verklaard in een incidentele vordering.

Uitkomst: Dexia wordt veroordeeld tot schadevergoeding, verwijdering van BKR-registratie en proceskosten wegens onrechtmatige advisering en zorgplichtschending.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Assen
Zaaknummer: 11863430 \ EL EXPL 25-12
Vonnis van 12 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
DEXIA NEDERLAND B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 augustus 2025,
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie,
- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie,
- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie,
- de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlaten producties in conventie,
- de akte uitlaten producties van Dexia,
- de bij de stukken gevoegde producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis nader bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft de volgende effectenleaseovereenkomsten met (de rechtsvoorgangster) van Dexia gesloten:
Nr.
Contract
Datum
Naam
Looptijd
Restschuld
1a
[nummer 1]
7 april 1998
Multiplier Effect (oorspronkelijk)
60 mnd
€ 16.132,41
1b
[nummer 1]
7 oktober 2003
Multiplier Effect (verlenging)
60 mnd
€ 1.937,73
2.2.
Bij de totstandkoming van overeenkomst 1a is Future & Finance als tussenpersoon opgetreden.
2.3.
Volgens opgave van Dexia (productie 25 bij conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie) heeft [eiser] ten aanzien van overeenkomst 1a – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 18.065,86 aan Dexia betaald en ten aanzien van overeenkomst 1b een bedrag van € 8.176,08. Volgens diezelfde opgave heeft [eiser] € 4.990,66 aan dividenden ontvangen ten aanzien van overeenkomst 1a en
€ 2.211,38 ten aanzien van overeenkomst 1b. Daarnaast volgt daaruit dat [eiser] aan fiscaal voordeel heeft genoten een bedrag van € 1.562,72 ten aanzien van overeenkomst 1a en een bedrag van € 1.398,68 ten aanzien van overeenkomst 1b.
2.4.
Overeenkomst 1a is op 7 oktober 2003 verlengd (overeenkomst 1b), zodat geen sprake meer is van een restschuld. Overeenkomst 1b is in 2006 geëindigd met een restschuld van € 1.937,73. Deze restschuld is door [eiser] niet voldaan.
2.5.
Voorafgaand aan het sluiten van overeenkomst 1a heeft [eiser] in 1997 een tweetal andere effectenleaseovereenkomsten gesloten, genaamd Feestplan (contractnummer [nummer 2] , geëindigd met een restschuld van € 2.346,56, hierna: overeenkomst 2) en WinstVerdubbelaar (contractnummer [nummer 3] , geëindigd zonder restschuld, hierna: overeenkomst 3).
2.6.
Vanaf omstreeks medio 2002 zijn de effectenleaseproducten van Dexia onderwerp geweest van meerdere juridische procedures. Onder meer door het aanbieden van het zogenaamde "Dexia Aanbod" en door de zogenaamde "Duisenberg regeling" heeft Dexia geprobeerd de geschillen met haar afnemers minnelijk te regelen. Op 25 januari 2007 heeft het gerechtshof Amsterdam de "Duisenberg regeling" verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM). [eiser] heeft door middel van een zogenaamde "opt-out-verklaring" aangegeven niet aan die regeling gebonden te willen zijn.
2.7.
In zijn arresten van 28 maart 2008 en 5 juni 2009 heeft de Hoge Raad een oordeel gegeven over de rechtsregels en de beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken als de onderhavige (Hoge Raad 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837 en Hoge Raad 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815).
Op 1 december 2009 heeft het Gerechtshof Amsterdam in een viertal arresten de uitspraak van de Hoge Raad uitgewerkt in het zogeheten “hofmodel” (Gerechtshof Amsterdam 1 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK:4978, BK4981, BK4982 en BK4983). In zijn arrest van 29 april 2011 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het hof daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven (Hoge Raad 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4003).
2.8.
Dexia heeft op 12 mei 2025 een bedrag van € 13.972,67 aan [eiser] uitbetaald ten aanzien van de overeenkomst 1a (€ 15.360,39) en overeenkomst 2 (- € 1.387,72).
2.9.
Bij brief van 16 juni 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] Dexia gesommeerd over te gaan tot terugbetaling van alle door [eiser] betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

3.De vordering

in conventie
3.1.
[eiser] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • voorwaardelijk, voor zover Dexia het aanvraagformulier en haar versie van de ondertekende overeenkomst niet in het geding brengt, Dexia ex artikel 194 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) jo artikel 195 Rv Pro zal veroordelen om [eiser] een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier en de ondertekende effectenleaseovereenkomst met contractnummer [nummer 1] ;
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
  • voor recht zal verklaren dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
  • Dexia zal veroordelen om binnen twee weken te bewerkstelligen dat de registratie van [eiser] bij het Bureau Kredietregistratie in Tiel wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag, met een maximum van
  • Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiser] van al datgene dat [eiser] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
  • voor recht zal verklaren dat [eiser] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiser] , met rente,
  • Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
3.2.
Dexia voert verweer.
in reconventie
3.3.
Dexia vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [eiser] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 645,91, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2003,
II. te verklaren voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [eiser] gesloten overeenkomsten van effectenlease met nummers [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eiser] verschuldigd is,
III. [eiser] ex artikel 195 Rv Pro zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [eiser] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, althans van andere schriftelijke documenten waar die stellingen aan ontleend zijn
IV. zowel in conventie als in reconventie met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
3.4.
[eiser] voert verweer.

4.Het geschil en de beoordeling

in conventie
afgifte stukken
4.1.
[eiser] heeft bij inleidende dagvaarding voorwaardelijk gevorderd Dexia te veroordelen om op grond van artikel 194 jo Pro 195 Rv aan [eiser] een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier en de overeenkomst. Dexia heeft dit bij haar conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie niet in het geding gebracht, zodat de voorwaarde op dit onderdeel is vervuld. [eiser] heeft vervolgens niet bij incident afgifte van het aanvraagformulier en de overeenkomst gevorderd. De kantonrechter zal de vordering, nu er een eindvonnis wordt gewezen waarin [eiser] in het gelijk wordt gesteld, afwijzen wegens gebrek aan belang.
schending zorgplicht
4.2.
[eiser] verwijt Dexia in de eerste plaats dat zij haar waarschuwingsplicht heeft geschonden. Dexia heeft dat als zodanig niet weersproken, maar beroept zich op eigen schuld. Zoals hieronder zal blijken, slaagt het beroep van Dexia op eigen schuld niet. Dit betekent dat vast staat dat Dexia haar zorgplicht heeft geschonden. [eiser] verwijt Dexia voorts dat zij haar informatieverplichting heeft geschonden. Gelet op het feit dat de schending van de bijzondere zorgplicht door Dexia al vast staat, zal de kantonrechter dit verwijt onbesproken laten.
kwalificatie van de verlengingsovereenkomst
4.3.
Tussen partijen is allereerst in geschil hoe de verlengingsovereenkomst (overeenkomst 1b) moet worden gekwalificeerd. Uit vaste jurisprudentie volgt dat het afsluiten van een verlengingsovereenkomst kwalificeert als een zelfstandige overeenkomst (Hoge Raad 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:41) en dat ten aanzien van een verleningsovereenkomst afzonderlijk moet worden beoordeeld of sprake is van verboden advisering (bijv. rechtbank Noord-Holland 5 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2568).
schending artikel 41 NR Pro 1999
4.4.
[eiser] stelt tevens, verkort weergegeven, dat Dexia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem als cliënt te accepteren via Future & Finance, terwijl het Future & Finance als cliëntenremisier zonder vergunning ex artikel 7 Wet Pro toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) niet was toegestaan om [eiser] te adviseren om een effectenleaseovereenkomst met Dexia aan te gaan en Dexia dit wist, althans dit behoorde te weten. Dexia heeft deze stelling gemotiveerd betwist.
4.5.
De kantonrechter stelt bij de beoordeling het volgende voorop. In 2016 heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 2 september 2016 (Beckers/Dexia, ECLI:NL:HR:2016:2012) onder meer geoordeeld, samengevat weergegeven, dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van potentiële cliënten bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Indien de cliëntenremisier geen vergunning heeft en zich niet heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt, maar ook jegens de afnemer als financieel adviseur is opgetreden en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn, schendt Dexia niet alleen haar zorgplicht, maar handelt zij ook in strijd met artikel 41 NR Pro 1999. Dit levert volgens de Hoge Raad een (extra) onrechtmatigheidsgrond op, die Dexia zwaar wordt aangerekend. Dit komt doordat een cliënt die is geadviseerd door een dienstverlener (beleggingsadviseur) minder snel bedacht hoeft te zijn op en zich minder snel uit eigen beweging hoeft te verdiepen in niet vermelde risico's dan degene die zich wendt tot een aanbieder van een effectenleaseproduct.
De Hoge Raad oordeelt daarnaast dat niet hoeft te worden aangetoond dat Dexia wist of behoorde te weten dat de cliëntenremisier niet over een vergunning beschikte toen zij ten opzichte van de belegger mede als beleggingsadviseur optrad. Dexia moet als professionele effecteninstelling (geacht worden te) weten dat een cliëntenremisier die tevens adviseert, de grenzen van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling Pro Wte 1995 overschrijdt. Daarom lag het ook op haar weg om, als zij wist of behoorde te weten dat Future & Finance mede in de hoedanigheid van beleggingsadviseur was opgetreden, te onderzoeken of Future & Finance over de daartoe benodigde vergunning beschikte. Indien daarvan geen sprake was had Dexia moeten weigeren met de particuliere belegger te contracteren. In zijn arrest van 12 oktober 2018 (Timmermans/Dexia, ECLI:NL:HR:2018:1935) en van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862) bevestigt de Hoge Raad het voorgaande nogmaals uitdrukkelijk.
4.6.
In voornoemd arrest van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad voorts geoordeeld dat de reikwijdte van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling Pro Wte 1995 als volgt dient te worden bepaald:
- een tussenpersoon gaat de reikwijdte van de vrijstelling te buiten indien hij een bepaalde afnemer het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product aanbeveelt;
- het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, dat wil zeggen dat zij voorgesteld is als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer;
- het moet gaan om een aanbeveling die de tussenpersoon doet in het kader van zijn beroep of bedrijf; daarvan kan ook sprake zijn als de tussenpersoon een dergelijke aanbeveling slechts incidenteel of zelfs eenmalig doet;
- geen vergunning behoeft de tussenpersoon voor het verstrekken van algemene informatie over wat effectenleaseovereenkomsten zijn, en evenmin voor het verstrekken van algemeen advies (waarbij in algemene zin wordt aangeraden een, verder op geen enkele wijze nader bepaalde, effectenleaseovereenkomst te sluiten);
- uit de enkele omstandigheid dat een tussenpersoon met de afnemer een aanvraagformulier invult, waarbij in voorkomende gevallen een fondskeuze aangekruist wordt, en dit opstuurt, volgt niet dat de tussenpersoon heeft geadviseerd.
4.7.
Voor de beoordeling of de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst heeft gedaan, kunnen volgens de Hoge Raad de volgende omstandigheden van belang zijn:
- de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
- de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
- de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet, naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct, een ander financieel product, zoals een hypothecaire lening, heeft geadviseerd.
4.8.
In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, ook indien voornoemde omstandigheden niet worden vastgesteld, de mogelijkheid bestaat dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als hiervoor genoemd, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer.
4.9.
Met inachtneming van het vorenstaande overweegt de kantonrechter als volgt. Niet in geschil is dat Future & Finance is opgetreden als effectenbemiddelaar. Een effectenbemiddelaar die mogelijke cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling wordt ook cliëntenremisier genoemd. Cliëntenremisiers zoals Future & Finance waren uit hoofde van artikel 12 van Pro de Vrijstellingsregeling Wte 1995 vrijgesteld van de vergunningplicht van artikel 7 lid 1 Wte Pro 1995, om cliënten aan te brengen bij een effecteninstelling als Dexia. Op grond van artikel 21 lid 1 Wte Pro 1995 moesten effectenbemiddelaars die van de vergunningplicht waren vrijgesteld, worden ingeschreven in het in dit artikel genoemde register. Voornoemde vrijstelling was slechts beperkt tot werkzaamheden als cliëntenremisier. De effecteninstelling die wist of behoorde te weten dat een cliëntenremisier een aangebrachte belegger vergunningplichtige diensten heeft verleend zonder over de noodzakelijke vergunning te beschikken en deze belegger niettemin als cliënt accepteert, handelt in strijd met artikel 41 NR Pro 1999 en daarmee onrechtmatig jegens die belegger.
4.10.
De kantonrechter zal voor het antwoord op de vraag of sprake is van schending van artikel 41 NR Pro 1999 dienen te beoordelen of Future & Finance haar vrijstelling te buiten is gegaan en vergunningplichtige diensten heeft verleend, alsmede of Dexia dit wist of behoorde te weten. Vast staat tussen partijen dat Future & Finance niet over een vergunning ex artikel 7 lid 1 Wte Pro 1995 beschikte.
overeenkomst 1a
4.11.
[eiser] stelt over de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de totstandkoming van overeenkomst 1a het volgende:
[eiser] werd door Future & Finance ongevraagd telefonisch benaderd. De medewerker van Future & Finance stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [eiser] door te nemen met een financieel adviseur van Future & Finance. [eiser] heeft hiermee ingestemd. De echtgenote van [eiser] was bij het huisbezoek aanwezig. Tijdens een gesprek heeft de adviseur van Future & Finance geïnformeerd naar de wensen de financiële situatie van [eiser] . Zo is gesproken over het inkomen, het werk, de maandlasten en de koopwoning van [eiser] . Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [eiser] om vermogen op te bouwen in de toekomst. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikte constructie voor wist. De adviseur adviseerde om een Multiplier Effect overeenkomst van Bank Labouchere af te sluiten met een vooruitbetaling van ongeveer NLG 40.000,00. Op advies van de adviseur diende [eiser] zijn huidige hypothecaire lening bij de SNS Bank te verhogen met ongeveer NLG 40.000,00 om daarmee de vooruitbetaling van de Multiplier Effect overeenkomst te kunnen voldoen. Volgens de adviseur zou [eiser] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen voor in de toekomst. De adviseur gaf hierbij ook aan dat [eiser] dividend zou ontvangen en dat de rente aftrekbaar was. Hij schetste een positief verhaal en gaf bij [eiser] aan dat het een gunstige tijd was om te investeren in aandelen. Volgens de adviseur was de overeenkomst een geschikt product om zijn doel, het opbouwen van vermogen voor de toekomst, te verwezenlijken. De adviseur heeft een prognose opgesteld waarin specifiek het Multiplier Effect product met een vooruitbetaling van NLG 40.000,00 uiteen is gezet. In deze prognose heeft de adviseur de hoogte van de door [eiser] te ontvangen rendementen bij verschillende koersstijgingen uitgewerkt. Ook heeft de adviseur voor [eiser] een berekening gemaakt van de lasten die hij zou moeten dragen als hij over zou gaan tot het afsluiten van de Multiplier Effect overeenkomst met een vooruitbetaling van NLG 40.000,00 en met verhoging van zijn hypothecaire lening. De adviseur heeft de berekening gebaseerd op de persoonlijke gegevens van [eiser] en zijn echtgenote.
De adviseur heeft [eiser] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan, de hypotheek niet kon worden afgelost en er bovendien een schuld kon uitstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. In de prognose zijn enkel de rendementen bij koersstijging meegenomen. De rendementen bij koersdalingen zijn in de prognose onbesproken gelaten. Als [eiser] op deze risico’s was gewezen, had hij het Multiplier Effect product nooit afgesloten. [eiser] had nagenoeg geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [eiser] het advies van de adviseur opgevolgd en een Multiplier Effect overeenkomst van Bank Labouchere met een vooruitbetaling van
NLG 39.811,92 afgesloten. De aanvraag voor het Multiplier Effect product is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend. Conform het advies van de adviseur heeft [eiser] zijn hypothecaire lening bij de SNS bank verhoogd met NLG 40.000,00 en is er voor ruim NLG 40.000,00 aan inleg betaald voor de effectenleaseovereenkomst. [eiser] is de betaalde inleg geheel kwijtgeraakt en heeft een restschuld aan de overeenkomst overgehouden.
4.12.
[eiser] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
  • kopie van overeenkomst, voorzien van het ATP-nummer van Future & Finance;
  • kopie van de eindafrekening van de overeenkomst;
  • kopie van de Prognose Multiplier Effect;
  • kopie hypotheekakte;
  • een sommatie- en 14-dagen brief.
4.13.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
4.14.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
4.15.
Dexia heeft tegen de bewuste overwegingen argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vaststellingsplicht rust, en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
4.16.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eiser] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [1] [2] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [eiser] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze en met inachtneming van de door [eiser] overgelegde stukken, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eiser] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst in haar visie dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eiser] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Verder moet het Dexia, mede gezien de WCAM procedure en de verwijten die haar daarin werden gemaakt, duidelijk zijn geweest tegen welke (toekomstige) vordering van [eiser] zij zich zou moeten verdedigen, voor welke schendingen en op welke grondslagen, zodat de kantonrechter Dexia niet volgt in de stelling dat zij door het extreme tijdsverloop onredelijk is benadeeld. Dat de gemachtigde van [eiser] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eiser] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vaststellingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
4.17.
Dexia heeft voorts betwist dat zij wist of moest weten dat Future & Finance beleggingsadvies gaf, dat mede inhield een effectenleaseovereenkomst met Dexia te sluiten. De kantonrechter overweegt omtrent de wetenschap van Dexia als volgt.
4.18.
In vergelijkbare zaken bij deze rechtbank, waaronder een vonnis van 24 juni 2020 (Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, ECLI:NL:RBNNE:2020:2219), alsmede in vergelijkbare zaken bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waaronder de arresten van 3 november 2020 (bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARL:2020:8984), is wetenschap bij Dexia aangenomen in zaken waarin onder meer Spaar Select heeft geadviseerd. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft zijn oordeel bevestigd in een recent arrest van 5 juli 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:5730). De kantonrechter is van oordeel dat die overwegingen over de wetenschap van Dexia ook hier van toepassing zijn (zie onder meer rechtsoverwegingen 5.28 en 5.29 van het vonnis van 24 juni 2020). Hetgeen Dexia in deze procedure overigens nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat Dexia wist en in ieder geval had behoren te weten dat er vergunningplichtig advies werd gegeven.
4.19.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat Future & Finance haar vrijstelling te buiten is gegaan door vergunningplichtige diensten te verlenen in de vorm van beleggingsadvies en dat Dexia daarvan wist, althans behoorde te weten. Het had daarom op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de onderhavige effectenleaseovereenkomst te verifiëren of zij die kon en mocht aangaan. Door de overeenkomst met [eiser] te sluiten in plaats van te weigeren, heeft Dexia haar verplichtingen ingevolge artikel 41 NR Pro 1999 geschonden.
overeenkomst 1b
4.20.
Gesteld noch gebleken is dat bij de totstandkoming van overeenkomst 1b eveneens sprake zou zijn geweest van verboden advisering.
onrechtmatige daad
4.21.
Concluderend is de kantonrechter van oordeel dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, zowel vanwege schending van artikel 41 NR Pro 1999 als vanwege schending van haar zorgplicht (waarschuwingsplicht). De gevorderde verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld acht de kantonrechter daarom toewijsbaar.
schade overeenkomst 1a
4.22.
Het voorgaande brengt naar het oordeel van de kantonrechter met zich dat Dexia de door [eiser] gevorderde schade ten aanzien van overeenkomst 1a, bestaande uit de inleg in de overeenkomst, volledig dient te vergoeden. Weliswaar zijn aan [eiser] omstandigheden toerekenbaar die tot haar schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft (zie onder meer voornoemde arresten Beckers/Dexia en Timmermans/Dexia). Verder kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. Er is geen aanleiding om ten aanzien van overeenkomst 1a af te wijken van het hierboven genoemde uitgangspunt. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
4.23.
Dit betekent dat de gevorderde verklaring voor recht dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [eiser] te vergoeden toewijsbaar is.
4.24.
Volgens Dexia dient bij het vaststellen van de voor vergoeding in aanmerking komende schade rekening te worden gehouden met de voordelen die [eiser] heeft genoten. Partijen zijn het erover eens dat daadwerkelijk genoten voordeel op de door [eiser] geleden schade in mindering mag worden gebracht.
4.25.
Anders dan [eiser] meent, kan de inleg in overeenkomst 1b niet worden meegenomen in de berekening van de schade van overeenkomst 1a omdat overeenkomst 1b, zoals overwogen onder r.o. 4.3, kwalificeert als een zelfstandige overeenkomst. Om diezelfde reden worden de voordelen van overeenkomst 1b ook niet in mindering gebracht op de inleg van overeenkomst 1a.
4.26.
Daarnaast heeft Dexia gewezen op het bedrag van € 15.360,39 dat zij in mei 2025 aan [eiser] heeft voldaan als buitengerechtelijke onverplichte uitkering ten aanzien van overeenkomst 1a. Volgens Dexia bestaat dit bedrag voor € 9.316,54 aan rente zodat een bedrag van € 6.043,85 in mindering strekt op de schade. [eiser] heeft erkend dat hij dit bedrag heeft ontvangen, maar betwist dat sprake is van € 9.316,54 aan rente. De kantonrechter overweegt dat Dexia de opbouw van het bedrag van € 15.360,39 niet heeft onderbouwd. Het enkel opnemen van dit bedrag in een aangepast financieel overzicht (productie 25 bij de conclusie van dupliek in conventie) is daarvoor onvoldoende. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door [eiser] betaalde inleg, waarbij rekening dient te worden gehouden met te verrekenen genoten voordelen (zie hierna). Mocht al eerder een schadevergoeding door Dexia aan [eiser] zijn betaald, dan geldt ten aanzien van de verrekening daarvan wat daarover is overwogen in de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag. Op deze uitkomst strekt vervolgens in mindering het door Dexia betaalde bedrag van € 15.360,39.
4.27.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de gevorderde vergoeding van al hetgeen [eiser] aan Dexia heeft betaald, zal worden toegewezen verminderd met dividenduitkeringen en fiscaal voordeel. Ten aanzien van overeenkomst 1a leidt dit tot de volgende berekening:
- Betaalde inleg
€ 18.065,86 +
Totaal door [eiser] betaald € 18.065,86
  • Dividenduitkeringen € 4.990,66
  • Fiscaal voordeel
Totaal voordeel [eiser] € 6.553,38
Totale schade [eiser] € 11.512,48
4.28.
Daarmee komt de totale schade van [eiser] ten aanzien van overeenkomst 1a op een bedrag van € 11.512,48. Dit bedrag is Dexia aan [eiser] verschuldigd, met dien verstande dat:
  • de door [eiser] gevorderde wettelijke rente over de geleden schade, telkens vanaf de dag dat [eiser] aan Dexia heeft betaald, toewijsbaar is (zie het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198). De door [eiser] gevorderde voldoening van voornoemde bedragen binnen drie weken na betekening van dit vonnis zal als niet betwist eveneens worden toegewezen; en
  • daarop vervolgens het bedrag dat Dexia in mei 2025 aan [eiser] heeft voldaan
schade overeenkomst 1b
4.29.
De schade ten aanzien van overeenkomst 1b dient te worden berekend aan de hand van het “hofmodel”. Dexia dient wegens schending van de zorgplicht (r.o. 4.2) twee derde deel van de restschuld van overeenkomst 1b (€ 1.937,73) als schade aan [eiser] te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente. Uit het door Dexia overgelegde financiële overzicht leidt de kantonrechter af dat Dexia deze schade nog niet heeft vergoed, zodat zij daartoe alsnog gehouden is (voor zover zij dat inderdaad nog niet heeft gedaan).
BKR-registratie
4.30.
Dexia zal – voor het geval Dexia met betrekking tot [eiser] een A-codering aan het BKR heeft doorgegeven – worden veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [eiser] geen verplichtingen uit de effectenleaseovereenkomsten meer heeft. De daaraan te verbinden dwangsom wordt bepaald op € 250,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 5.000,00.
buitengerechtelijke kosten
4.31.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
proceskosten
4.32.
Dexia zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde
€ 576,00 (2 punten x € 288,00) +
Totaal € 810,47
De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald, met inachtneming van het gevorderde bedrag van € 100,00. De gevorderde rente over de proceskosten en de nakosten is toewijsbaar. Omdat er sprake moet zijn van een redelijke termijn voor betaling, is de ingangsdatum veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis.
in reconventie
4.33.
De in conventie toegewezen vergoeding van schade staat in de weg aan de verklaring voor recht dat Dexia niets meer is verschuldigd aan [eiser] . [eiser] is evenmin een restschuld aan Dexia verschuldigd.
4.34.
Dexia heeft daarnaast een vordering ingediend ex artikel 195 Rv Pro, voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat Dexia de stellingen van [eiser] niet voldoende concreet heeft betwist. In dat geval verzoekt Dexia de kantonrechter om [eiser] te veroordelen om een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [eiser] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, althans van andere schriftelijke documenten waar die stellingen aan ontleend zijn.
4.35.
De kantonrechter is van oordeel dat het niet mogelijk is om het instellen van een incidentele vordering afhankelijk te stellen van een inhoudelijk oordeel van de rechter als hiervoor bedoeld. Een kwestie in incident dient van procedurele aard te zijn en kan niet een enkele materiële (voor)vraag behelzen (
T&C Rv, Boek I, Titel 2, Afd. 10, inleidende opmerkingen, onder 2). Dexia heeft haar incidentele vordering afhankelijk gesteld van het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van de stelplicht en bewijslast ter beoordeling van een van die vorderingen. Het is aan Dexia om de stellingen van [eiser] voldoende concreet te betwisten. Doet zij dit niet, dan wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Als zij van mening is dat zij voor een gemotiveerde betwisting de beschikking dient te krijgen over bepaalde bescheiden dan had zij daartoe direct een vordering ex artikel 195 Rv Pro moeten indienen. Dat kan niet meer als de kantonrechter daarover al een oordeel heeft gegeven. Dat zou er immers op neerkomen dat Dexia wenst dat de kantonrechter – na een incidentele procedure – op een dergelijk oordeel terugkomt. Daar is een incidentele procedure niet voor bedoeld. De kantonrechter zal Dexia niet-ontvankelijk verklaren in het incident.
4.36.
Dexia zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op € 576,00
(2 punten × € 288,00) aan salaris gemachtigde.

5.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, zowel vanwege schending van artikel 41 NR Pro 1999 als vanwege schending van haar zorgplicht (waarschuwingsplicht);
5.2.
verklaart voor recht dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [eiser] te vergoeden;
5.3.
verklaart voor recht dat [eiser] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is;
5.4.
veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, met inachtneming van het bepaalde in rechtsoverweging 4.28, alsmede de schade als bedoeld in rechtsoverweging 4.29;
5.5.
veroordeelt Dexia - voor het geval Dexia met betrekking tot [eiser] een
A-codering aan het BKR heeft doorgegeven - om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat [eiser] geen verplichtingen uit de effectenleaseovereenkomsten meer heeft, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van
€ 5.000,00,
5.6.
veroordeelt Dexia in de proceskosten aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op € 810,47, te voldoen binnen veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis en zonder die voldoening daarna te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag der algehele voldoening;
5.7.
veroordeelt Dexia in de nakosten, begroot op € 100,00, te voldoen binnen veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis en zonder die voldoening daarna te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag der algehele voldoening;
5.8.
verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de veroordelingen in 5.4, 5.5, 5.6 en 5.7;
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.10.
verklaart Dexia niet-ontvankelijk in haar vordering ex artikel 195 Rv Pro;
5.11.
wijst voor het overige de vorderingen van Dexia af;
5.12.
veroordeelt Dexia in de proceskosten aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op € 576,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.B. van Baalen en in het openbaar uitgesproken op
12 mei 2026.
56558/NS

Voetnoten

1.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
2.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.