ECLI:NL:RBOBR:2026:1291

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
SHE 25/1848
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtWet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling WOZ-waarde woning en proceskostenveroordeling wegens kennelijk onredelijk procederen

Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, een vrijstaande villa uit 1977, niet op basis van taxatie maar op grond van een ruim twintig jaar oude overeenkomst met de gemeente. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van €512.000 niet te hoog is, onderbouwd met een waardematrix en vergelijkingsmethode.

Eiser herhaalt zijn standpunt uit eerdere procedures, waarin dit argument steeds is verworpen. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van lagere en hogere instanties die dit bevestigen. Daarnaast wijst de rechtbank de stelling van eiser dat er sprake zou zijn van een onjuiste en oneerlijke procesgang af, omdat deze niet is onderbouwd.

Vanwege het herhaaldelijk aanvoeren van hetzelfde geschilpunt zonder nieuwe argumenten, wordt eiser veroordeeld in de proceskosten van de heffingsambtenaar. De rechtbank benadrukt dat dit kennelijk onredelijk gebruik van het procesrecht onwenselijk is en waarschuwt eiser dat bij voortzetting aanvullende proceskostenveroordelingen kunnen volgen.

De rechtbank sluit de procedure zonder zitting en wijst het beroep af. Eiser moet het griffierecht en de proceskosten van €128,26 betalen. De uitspraak is openbaar en kan in hoger beroep worden aangevochten binnen zes weken.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten wegens kennelijk onredelijk procederen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1848
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] uit [woonplaats] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Cranendonck, de heffingsambtenaar

(H.J.M. Venner).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem vastgestelde WOZ [1] -waarde van de woning aan [adres] in [woonplaats] (de woning) niet te hoog is.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning met de beschikking van 21 februari 2025 vastgesteld op € 512.000. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2024 en voor het kalenderjaar 2025. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerendezaakbelasting 2025 opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 30 juni 2025 (de bestreden uitspraak) de waarde gehandhaafd.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [2]

Feiten

2. Eiser is eigenaar van de woning. Dit is een vrijstaande villa/landhuis met bouwjaar 1977. De woning bestaat uit een hoofdbouw van 197 m2, een aangebouwde garage van 24 m2 en een tuinhuis/blokhut van 12 m2. De grond bij de woning heeft een oppervlakte van 1.875 m2.

Beoordeling door de rechtbank

3. In beroep is het aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar hierin geslaagd.
3.1.
De heffingsambtenaar verwijst ter onderbouwing van de vastgestelde waarde naar de getaxeerde waarde van (afgerond) € 513.000, zoals opgenomen in de door hem overgelegde waardematrix, opgesteld door taxateur H.J.M. Venner. Daarin is de vergelijkingsmethode toegepast. Dat betekent in dit geval dat de woning is vergeleken met drie andere woningen, te weten [adres] , [adres] en [adres] , alle in [woonplaats] . Deze woningen worden de vergelijkingsobjecten genoemd. In de waardematrix heeft de heffingsambtenaar de uit de transactiecijfers van de vergelijkingsobjecten afgeleide m2-prijzen gecorrigeerd voor de door hem benoemde waarderelevante verschillen.
3.2.
Eiser heeft geen argumenten aangevoerd tegen de onderbouwing van de heffingsambtenaar. Eiser bepleit dat de WOZ-waarde van zijn woning moet worden vastgesteld op € 90.756 (ƒ 200.000) op basis van een op 23 mei 2002 tussen partijen opgemaakte overeenkomst. Eiser heeft dit ook in de procedures over onder meer de tijdvakken/kalenderjaren 2005-2006, [3] 2009, [4] 2012, [5] 2013, [6] 2015, [7] 2016 [8] , 2017, [9] 2018, [10] 2019 [11] en 2020 [12] aangevoerd. Dit heeft nimmer tot het door eiser beoogde resultaat geleid.
3.3.
De vraag die wederom voorligt is of de heffingsambtenaar op grond van de in overweging 3.2. genoemde overeenkomst verplicht is de waarde vast te stellen op het door eiser genoemde bedrag. Eisers stelling dat dit het geval is, slaagt ook nu niet. Aangezien eiser volstaat met het herhalen van zijn overbekende standpunt en dat niet anders dan in voorgaande jaren onderbouwt, verwijst de rechtbank voor de redenen van dit oordeel naar wat de rechtbank, het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad eerder hebben overwogen in de in overweging 3.2. aangehaalde uitspraken.
3.4.
Eiser heeft verder aangevoerd dat hij de uitspraken van de rechtbank, gerechtshof en/of Hoge Raad onjuist acht en dat er geen sprake is van een onafhankelijke en eerlijke procesgang. Hij acht de uitspraken in strijd met de rechtsbeginselen in de (Grond)wet en met het Europees recht. Aan dit alles lijkt (uitsluitend) ten grondslag te liggen dat eiser de met hem gesloten overeenkomst anders interpreteert dan de heffingsambtenaar en de rechterlijke instanties. Naar het oordeel van de rechtbank treffen deze gronden van eiser, die verder niet zijn onderbouwd, geen doel.
4. Verder veroordeelt de rechtbank eiser in de proceskosten van de heffingsambtenaar, omdat eiser kennelijk onredelijk gebruikmaakt van het procesrecht. [13] Voor dit oordeel is het volgende van belang.
4.1.
De rechtbank heeft eiser er al in de procedure over belastingjaar 2019 op gewezen dat het jaar in jaar uit een procedure voeren over in essentie hetzelfde punt (zoals omschreven in overweging 3.2.) tot het oordeel leidt dat hij kennelijk onredelijk gebruikmaakt van het procesrecht. [14] Eiser is daarbij ook gewaarschuwd dat hij om die reden kan worden veroordeeld in de proceskosten van de heffingsambtenaar. De rechtbank is daartoe ook overgegaan in de procedure over belastingjaar 2020 en heeft een vergoeding toegekend voor de taxatie- en reiskosten van de heffingsambtenaar. [15] De juistheid van dit oordeel is in hoger beroep door het gerechtshof bevestigd. [16] Het gerechtshof heeft in dat kader onder andere overwogen: “
Het hof maakt uit het hoger beroepschrift op dat het belanghebbende voornemens is om ‘tot persistit’ door te procederen om de naar zijn mening partijdigheid van de (bestuurs)rechtspraak en het vermeende onrechtmatige handelen van de gemeente en/of inspecteur van de Belastingdienst aan de kaak te stellen. Zonder nadelige financiële consequenties voor belanghebbende – naast het eventueel verschuldigd blijven van het geheven griffierecht – zou het blijven (door)procederen door belanghebbende verworden tot een loterij zonder nieten, hetgeen ten koste gaat van de toch al schaarse ambtelijke en rechterlijke capaciteit. Dit acht het hof zeer onwenselijk. Gelet hierop, en in aanmerking genomen dat de rechtbank belanghebbende in haar uitspraak van 28 augustus 2020 heeft gewaarschuwd dat hij in de proceskosten van de heffingsambtenaar zou kunnen worden veroordeeld bij herhaling van het aanvoeren van dezelfde stellingen onder ongewijzigde omstandigheden, is het hof van oordeel dat de rechtbank belanghebbende terecht heeft veroordeeld in de door de heffingsambtenaar gemaakte taxatie- en reiskosten.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser ook nu kennelijk onredelijk gebruikmaakt van het procesrecht, wat dus een voldoende grond oplevert om hem te veroordelen in de proceskosten van de heffingsambtenaar. Voor de onderbouwing van dat oordeel verwijst de rechtbank naar de hiervoor (in overweging 4.1.) aangehaalde rechtspraak. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten van de heffingsambtenaar betreffen de kosten van de door hem opgemaakte taxatie. De kosten daarvan worden bepaald op de in deze zaken gebruikelijke wijze op € 128,26 (t.w. 2 uren à € 53, vermeerderd met 21% BTW). (Vergoeding van reiskosten is in deze zaak niet aan de orde, aangezien er in beroep geen zitting heeft plaatsgevonden.)
5. De rechtbank overweegt met het oog op het verder vermijden van toekomstige procedures over het overbekende door eiser opgeworpen geschilpunt het volgende. De rechtbank heeft eiser na een waarschuwing eerder veroordeeld in de proceskosten van de heffingsambtenaar. Dat gebeurt ook in deze procedure weer. De rechtbank kan niet anders dan vaststellen dat deze waarschuwing en de inmiddels herhaalde tenuitvoerlegging daarvan geen effect hebben. Integendeel. In eisers processtukken is nu ook richting de rechterlijke macht sprake van een toenemend offensief taalgebruik en lijkt een radicalisering in eisers beleving waarneembaar, namelijk dat hij stelselmatig en ernstig tekort wordt gedaan nu de heffingsambtenaar, de rechtbank, het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en de Hoge Raad niet in zijn subjectieve belevingswereld meegaan. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld staat het eiser op zich vrij om jaarlijks over de WOZ-waarde te procederen, maar niet om jaar in jaar uit enkel en alleen exact hetzelfde geschilpunt aan te voeren (al dat niet aangevuld met enkele algemeenheden). [17] Gelet hierop ziet de rechtbank zich genoodzaakt eiser een verdergaande negatieve (financiële) consequentie in het vooruitzicht te stellen als hij met het voeren van deze procedures blijft doorgaan waarin het herhalen van overbekende standpunten centraal staat. In toekomstige zaken waarin dit gebeurt kan de rechtbank aan het handelen van eiser de consequentie verbinden van een aanvullende proceskostenvergoeding voor de heffingsambtenaar. [18] De hoogte van die aanvullende proceskostenvergoeding zal dan door de rechtbank worden vastgesteld. [19] Ter indicatie kan eiser rekening houden met een bedrag van € 500. [20]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Verder wordt eiser veroordeeld in de proceskosten van de heffingsambtenaar van € 128,26.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt eiser tot betaling van € 128,26 aan proceskosten aan de heffingsambtenaar.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van
mr. Y. Mutsaers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Als een partij niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.

Voetnoten

1.Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).
2.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Rechtbank ’s-Hertogenbosch 21 december 2010, AWB 09/5788.
4.Rechtbank ’s-Hertogenbosch 21 december 2010, AWB 09/2393, gerechtshof ’s-Hertogenbosch 2 december 2011, 11/00053, en Hoge Raad 13 juli 2012, 11/05663 (ECLI:NL:HR:2012:BX1400).
5.Rechtbank Oost-Brabant 11 maart 2013, AWB 12/2381, en gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 december 2014, 13/00511.
6.Rechtbank Oost-Brabant 23 mei 2014, SHE 13/5105, gerechtshof ’s-Hertogenbosch 11 december 2015, 14/00659, en Hoge Raad 13 mei 2016, 16/00246 (ECLI:NL:HR:2016:842).
7.Rechtbank Oost-Brabant 22 januari 2016, SHE 15/1814, en gerechtshof ’s-Hertogenbosch 23 januari 2017, 16/00105.
8.Rechtbank Oost-Brabant 3 augustus 2017, SHE 16/3462, gerechtshof ’s-Hertogenbosch 1 juni 2018, 17/00650 (ECLI:NL:GHSHE:2018:2329), en Hoge Raad 16 november 2018, 18/02942 (ECLI:NL:HR:2018:2129).
9.Rechtbank Oost-Brabant 19 april 2018, SHE 17/2724, gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 juni 2019, 18/00302, en Hoge Raad 15 mei 2020, 19/03128 (ECLI:NL:HR:2020:854).
10.Rechtbank Oost-Brabant 25 augustus 2020, SHE 18/2976, gerechtshof ’s-Hertogenbosch 29 juli 2021, 20/00588 (ECLI:NL:GHSHE:2021:2399), en Hoge Raad 27 mei 2022, 21/03925 (ECLI:NL:HR:2022:781).
11.Rechtbank Oost-Brabant 28 augustus 2020, SHE 19/2469 (ECLI:NL:RBOBR:2020:4126), gerechtshof ’s-Hertogenbosch 29 juli 2021, 20/00532 (ECLI:NL:GHSHE:2021:2399), en Hoge Raad 27 mei 2022, 21/03925 (ECLI:NL:HR:2022:781).
12.Rechtbank Oost-Brabant 27 december 2022, SHE 21/361 (ECLI:NL:RBOBR:2022:5684), en gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 november 2024, 23/56 (ECLI:NL:GHSHE:2024:3482)
13.Artikel 8:75, eerste lid, derde volzin, van de Awb.
14.Rechtbank Oost-Brabant 28 augustus 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:4126, overwegingen 11. tot en met 11.3.
15.Rechtbank Oost-Brabant 27 december 2022, ECLI:NL:RBOBR:2022:5684, overwegingen 4.6. tot en met 4.10.
16.Gerechtshof 's-Hertogenbosch 6 november 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3482, overweging 4.6. en 4.7.
17.Rechtbank Oost-Brabant 28 augustus 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:4126, overwegingen 11.1. en 11.2.
18.Op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
19.Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17 maart 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1074, overweging 4.2.
20.Gerechtshof 's-Hertogenbosch 5 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1541, overwegingen 4.2., 4.3. en 4.15.