Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3994

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
25/2186 T2
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:42 AwbArt. 8:51b AwbArt. 9.1 WhtWet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over onderzoeksplicht Dienst Toeslagen bij beroep op hardheidsclausule toeslagenaffaire

Deze bestuursrechtelijke tussenuitspraak van 9 juni 2026 betreft een geschil tussen eiser en de Dienst Toeslagen over de afwijzing van een compensatieverzoek op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiser stelt dat hij slachtoffer is van de toeslagenaffaire en een beroep doet op de hardheidsclausule, ondanks dat niet hij maar zijn voormalige echtgenote de kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd.

De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen niet correct heeft voldaan aan de eerdere opdracht om te onderzoeken of toepassing van de hardheidsclausule op zijn situatie mogelijk is. De Dienst Toeslagen wilde de bewijslast bij eiser leggen, maar de rechtbank erkent diens bewijsnood en legt de onderzoeksplicht nadrukkelijk bij de Dienst.

De Dienst Toeslagen moet binnen acht weken een gedegen onderzoek verrichten naar institutionele vooringenomenheid, hardheid van het stelsel of onterechte kwalificaties in de jaren 2011-2015 bij de aanvraag van de toeslag door de voormalige echtgenote. Tevens moet het bestuursorgaan relevante stukken overleggen, waarbij privacybezwaren via de rechtbank kunnen worden afgewogen.

De uitspraak benadrukt het belang van een ruime uitleg van het beroep op de hardheidsclausule en de noodzaak om de hersteloperatie zorgvuldig en rechtvaardig uit te voeren, mede gezien het vertrouwen dat door de toeslagenaffaire is geschaad. De verdere procedure wordt aangehouden tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de Dienst Toeslagen om binnen acht weken zelfstandig onderzoek te doen naar de situatie van eiser en zijn voormalige echtgenote en relevante stukken te overleggen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2186 T2

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit ' [woonplaats] , eiser
en

de Dienst Toeslagen

(gemachtigden: mr. E. Grondman en mr. F.F.M. van de Kamp).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Dit verzoek is afgewezen omdat niet eiser zelf in het verleden kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, maar zijn voormalige echtgenote. Eiser is het niet eens met de afwijzing, stelt dat hij slachtoffer is van de toeslagenaffaire en daarom in aanmerking moet komen voor compensatie.
1.1.
In een eerdere tussenuitspraak van 25 maart 2026 [1] heeft de rechtbank geoordeeld dat de Dienst Toeslagen had moeten onderzoeken of er aanleiding was om toepassing te geven aan de zogeheten hardheidsclausule. De rechtbank heeft de Dienst Toeslagen opgedragen dat alsnog te doen.
1.2.
In deze uitspraak komt de rechtbank tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de opdracht in de eerste tussenuitspraak. De rechtbank zal de Dienst Toeslagen opdragen dit alsnog te doen.

Procesverloop

2. De rechtbank verwijst naar de tussenuitspraak van 25 maart 2026 voor het procesverloop tot die uitspraak.
2.1.
De Dienst Toeslagen heeft vervolgens een brief ingezonden.
2.2.
Eiser heeft op deze brief gereageerd.
2.3.
De Dienst Toeslagen heeft een nadere brief ingezonden.

Beoordeling door de rechtbank

Standpunten van partijen
3. De Dienst Toeslagen heeft na de tussenuitspraak in zijn brieven het volgende naar voren gebracht.
3.1.
De Dienst Toeslagen heeft eisers standpunt, anders dan de rechtbank, niet zo opgevat dat eiser een beroep heeft gedaan op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 9.1 van de Wht. Om die reden, en omdat eiser geen aanvrager van de kinderopvangtoeslag was, was de Dienst Toeslagen in de bezwaarfase niet gehouden om onderzoek te doen naar eisers situatie. De Dienst Toeslagen kan de verwijzing van de rechtbank naar de uitspraak van 10 december 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [2] wel volgen. De Dienst Toeslagen verzoekt de rechtbank om eerst eiser in de gelegenheid te stellen om stukken te verstrekken om zijn beroep op de hardheidsclausule te onderbouwen. Op hem rust namelijk de last om dat te doen.
3.2.
De Dienst Toeslagen wijst verder op de vaste rechtspraak van de Afdeling over de toepassing van de hardheidsclausule. Er moet dan sprake zijn van een onbillijkheid van overwegende aard of actuele schrijnende omstandigheden. Verder volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 19 november 2025 [3] en van 10 december 2025 (zie hiervoor onder 3.1) dat op grond van de hardheidsclausule alleen kan worden afgeweken van artikel 2.1 van de Wht als de aanvrager van compensatie schade heeft geleden als gevolg van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel.
3.3.
De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat eiser zijn beroep op de hardheidsclausule zo concreet mogelijk moet onderbouwen, waarbij hij verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025. [4] Volgens de Dienst Toeslagen heeft hij dat niet gedaan. Verder is het volgens de Dienst Toeslagen aan eiser om stukken te verstrekken waaruit volgt dat zijn situatie vergelijkbaar is met een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Deze stukken moeten op zijn minst aanknopingspunten bieden dat sprake is van institutionele vooringenomenheid of hardheid èn dat daardoor schade is geleden.
3.4.
Al met al slaagt volgens de Dienst Toeslagen het beroep op de hardheidsclausule niet en is hij niet gehouden om een integrale beoordeling te doen naar de kinderopvangtoeslag van de voormalige echtgenote van eiser.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de Dienst Toeslagen geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen zelf een onderzoeksplicht had, maar de Dienst Toeslagen legt de bewijslast nu vrijwel geheel bij hem. Door diezelfde fout is destijds de toeslagenaffaire ontstaan en die fout mag bij de hersteloperatie niet opnieuw worden gemaakt. Verder merkt eiser op dat hij in bewijsnood verkeert. De relevante jaren 2011 tot en met 2015 liggen ruim buiten de wettelijke bewaartermijnen van banken en kinderopvanginstellingen. Hij kan daarom geen bankafschriften, facturen of opvangadministratie meer opvragen. Daar komt bij dat de correspondentie destijds grotendeels bij zijn voormalige echtgenote lag. Zij wil/kan niet meewerken aan het hersteltraject en beschikt niet (meer) over de stukken of draagt deze niet over. De Dienst Toeslagen beschikt wel over relevante stukken. Eiser verzoekt de rechtbank om de Dienst Toeslagen op te dragen het dossier volledig te reconstrueren en zelfstandig volledig dossieronderzoek te verrichten. Hij doet een uitdrukkelijk beroep op de hardheidsclausule. Hij heeft het gevoel dat hij in deze procedure door de Dienst Toeslagen niet serieus wordt genomen.
De redenen voor de beslissing van de rechtbank
5. Deze uitspraak bouwt voort op de eerste tussenuitspraak. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling van 24 augustus 2011 [5] en 15 augustus 2012 [6] .
6. De rechtbank blijft bij wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen. Daaraan voegt de rechtbank nog toe dat zij op grond van artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ambtshalve de rechtsgronden aanvult, dat wil zeggen de standpunten van een belanghebbende vertaalt in juridische beroepsgronden. Op die wijze wordt beoogd tegemoet te komen aan de doorgaans ongelijke procespositie tussen belanghebbenden en bestuursorganen. Daarvoor is temeer reden in het geval dat een belanghebbende als eiser niet juridisch onderlegd is en niet wordt bijgestaan door een rechtsbijstandverlener. Ook speelt mee dat het vertrouwen van belanghebbenden in de overheid en de rechtspraak door de toeslagenaffaire is beschadigd of verloren is gegaan. Dit alles betekent dat de rechtbank de standpunten van eiser ruim heeft uitgelegd en heeft opgevat als een beroep op de hardheidsclausule.
7. Uit het verslag van een gesprek van 17 januari 2025 blijkt onder andere dat eiser heeft verklaard dat de kinderopvangtoeslag destijds – ergens in de periode van 2011 tot en met 2015 – werd stopgezet. Pas na heel veel bellen werd dit hersteld. De hoge kosten van kinderopvang heeft hij door de stopzetting zelf moeten dragen. Het ging om de kinderopvangtoeslag voor zijn zoon [naam] in de jaren 2011 tot en met 2015. Hoewel dit niet een bijzonder concrete onderbouwing is van wat hem en zijn voormalige echtgenote destijds is overkomen, kan gelet op deze verklaring zeker ook niet worden uitgesloten dat zij slachtoffer van de toeslagenaffaire zijn geweest. Bovendien is aannemelijk dat eiser dit ook niet concreter kan maken. Hierbij verwijst de rechtbank ook naar de volgende overweging.
8. De Dienst Toeslagen verzoekt de rechtbank om eerst eiser in de gelegenheid te stellen om stukken te verstrekken om zijn beroep op de hardheidsclausule te onderbouwen. Dat zal de rechtbank niet doen. Eiser heeft immers al aangegeven dat hij in bewijsnood verkeert en daardoor geen relevante stukken kan verstrekken. De rechtbank vindt dit een geloofwaardig betoog. Sinds de jaren 2011 tot en met 2015 is er namelijk al geruime tijd verstreken. Verder brengt eiser consequent naar voren dat zijn voormalige echtgenote geen medewerking verleent aan het verstrekken van relevante stukken of hier niet meer over beschikt. Het is daarom aannemelijk dat eiser niet met stukken aannemelijk kan maken dat zijn situatie gelijk kan worden gesteld met die van een gedupeerde ouder.
9. In de eerste tussenuitspraak heeft de rechtbank al overwogen dat de Dienst Toeslagen gehouden is om zelf te onderzoeken of er aanleiding is voor toepassing van de hardheidsclausule. De rechtbank begrijpt de reactie van de Dienst Toeslagen op de tussenuitspraak zo dat hij daartoe niet bereid is, omdat de bewijslast bij eiser zou liggen. De rechtbank volgt de Dienst Toeslagen hierin niet. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich dat de Dienst Toeslagen zelf onderzoek verricht, zeker gelet op de bewijsnood waarin eiser verkeert. Het is immers aannemelijk dat de Dienst Toeslagen wèl beschikt over gegevens en stukken om te beoordelen of eisers situatie gelijk kan worden gesteld met die van een gedupeerde ouder [7] .
10. Meer concreet betekent dit dat de Dienst Toeslagen in zijn eigen systemen moet nagaan of bij het verlenen van de kinderopvangtoeslag in de jaren 2011 tot en met 2015 aan de voormalige echtgenote van eiser sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, hardheid van het stelsel of een onterechte kwalificatie opzet of grove schuld. De Dienst Toeslagen moet inzicht geven in de wijze waarop hij dit onderzoek heeft gedaan en waarop hij de uitkomsten van dit onderzoek baseert. Ook moet de Dienst Toeslagen de hierbij relevante stukken verstrekken. Deze stukken zijn namelijk stukken als bedoeld in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Uit die bepaling volgt dat een bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding moet brengen. Deze verplichting van het bestuursorgaan heeft als doel te waarborgen dat een geschil over een besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. De op de zaak betrekking hebbende stukken zijn in beginsel alle stukken die het bestuursorgaan ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. [8] De Dienst Toeslagen moet dit ruime criterium in acht nemen.
11. Voor het geval de Dienst Toeslagen zich op het standpunt mocht stellen dat de privacy van de voormalige echtgenote van eiser zich verzet tegen het verstrekken van bedoelde gedingstukken, merkt de rechtbank het volgende op. De Dienst Toeslagen kan op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb aan de rechtbank mededelen dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de stukken. De rechtbank zal dan beoordelen of beperkte kennisneming gerechtvaardigd is. Deze mogelijkheid brengt met zich dat de Dienst Toeslagen geen toestemming hoeft te vragen aan de voormalige echtgenote van eiser voor het in het geding brengen van deze stukken.
12. Voor het geval de Dienst Toeslagen tot de conclusie komt dat sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, hardheid van het stelsel of een onterechte kwalificatie opzet of grove schuld, merkt de rechtbank ter informatie nog het volgende op. Uit de Wht volgt dat eiser dan recht heeft op een forfaitaire compensatie van € 10.000. Wanneer eiser meent meer schade te hebben geleden, kan hij daartoe een verzoek om aanvullende schadevergoeding indienen. [9]
13. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de Dienst Toeslagen het in de eerste tussenuitspraak geconstateerde gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak. Dit is een ruime termijn, zeker omdat de Dienst Toeslagen al na de eerste tussenuitspraak zelf onderzoek had moeten doen. Maar hier staat tegenover dat de Dienst Toeslagen voldoende tijd moet krijgen om gedegen onderzoek te doen. Dat is uiteindelijk ook in het belang van eiser.
14. De Dienst Toeslagen moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als de Dienst Toeslagen gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de Dienst Toeslagen. In beginsel, ook in de situatie dat de Dienst Toeslagen de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
15. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
  • draagt de Dienst Toeslagen op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
  • stelt de Dienst Toeslagen in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van
drs. J.G.J. van Geesink, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

7.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3198, r.o. 9.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2898.
9.Kamerstukken II, 36 352, nr. 3, p. 9.